zondag 6 november 2011

Eat your heart out, Claude Lorrain!

Ik ben maar eens naar de Claude Lorrain tentoonstelling in het Teylers-Museum geweest. Het moest er toch van komen. Samen met een vriend die op bezoek was, wandelde ik donderdagmiddag naar het vergrouwde, neo-classisistische gebouw aan het Spaarne.
Op voorhand weet je hoe zo’n tentoonstelling ingericht zal gaan worden: een zes- of achttal grote werken van de Lotharische landschapschilder, omspoeld door een enorme hoeveelheid tekeningen uit de vermaarde eigen collectie van het Teylers: studies, invloeden, navolgingen, modes, technieken, kruisbestuivingen en reisdoelen. Mooi, economisch en vooral handig gedaan. Ik sneer niet, ik heb daar oprechte bewondering voor.

Claude Lorrain, Kustlandschap met Perseus en de oorsprong van koraal,1673
Maar dan, de schilderijen zelf. Een landschapje neerzetten, dat kon hij inderdaad wel. Dat konden ze allemaal wel, die zeventiende-eeuwers. Een leuk herbergje, een kekke ruïne, een nerveus stroompje: geen enkel probleem. Maar wat een gestuntel ineens als Lorrain begon aan het schilderen van echte mensen! Een fiasco werd dat: houten klazen, in krampachtige houdingen, onzeker geschetst als door de hand van een twaalfjarige! Zie maar:

detail
In eerste instantie dacht ik dat dit schilderij een vroeg jeugdwerk moest zijn, gezien het onnatuurlijke water, het onzekere fort in de verte, de pardoes op het water gekwakte weerschijn van de zon, en vooral de lede poppen die onnatuurlijk op de rotsen neergelegd leken, met als hoogtepunt een bespottelijk pegasusje, dus ik was verbaasd om te zien dat dit werk juist geschilderd was door een zeventigjarige, op het hoogtepunt van zijn commerciële succes (hij nam geen opdrachten meer aan, was volgeboekt)! Neen, mensen kon hij niet, en fabeldieren al helemaal niet.
Als ik in het Teylers ben (zo’n eenmaal per jaar, schat ik) moet ik altijd even eer komen bewijzen aan twee grote schilderijen van mijn favoriete negentiende-eeuwse Nederlandse schilder, de in Middelburg geboren Barend Cornelis Koekkoek. Als men mij wel eens vraagt waar ik als dwarse zeikerd dan wèl van houd, zeg ik meestal ‘Voornamelijk tot en met Vermeer. De late Frans Hals en Rembrandt zijn me eigenlijk alweer te woest, en natuurlijk is er dan nog de geniale Barend Koekkoek.’ Uiteraard denken ze dan dat ik een grapje maak, maar dat is niet zo.

Barend Cornelis Koekkoek, Zomer, 1830
Barend Cornelis Koekkoek, Winter, 1837
De tweedekker Zomer en Winter hangt in de zaal met de permanente collectie, ouderwets opgehangen onder en boven elkaar, en geen stukje muur onbenut latend. De afbeeldingen die ik van het internet heb geplukt doen absoluut geen recht aan de met uiterste precisie op het doek gekerfde taferelen. Waar bijvoorbeeld de boomstam linksonder in Winter een beetje vaag blijft, is hij in werkelijkheid messcherp geciseleerd. Beide schilderijen (het kwadrant linksonder van Zomer en de boom in Winter doen bijna computer-generated aan!) zijn haast magisch-realistisch te noemen, meer in de richting van Willink of Delvaux, dan van Lorrain, in ieder geval. Trots liet ik mijn metgezel deze twee grote proto-postmoderne meesterwerken zien. Stil werd hij, terecht. Bedachtzaam gluurde hij naar de details. Hij zag wat ik in die schilderijen gezien had, en gaf me gelijk. De rug weer rechtend deed hij een paar stappen achteruit en sprak met verblufte bewondering in zijn stem de magische woorden van de aanhef van dit stukje: ‘Eat your heart out, Claude Lorrain!’

vrijdag 4 november 2011

Te gast bij Fausto en Jopie


In gans Lombardije regende het nog steeds en dat was de eervorige dag begonnen. De autochtone bevolking was helemaal van streek. Zo’n weertje hadden ze in lange tijd niet gezien. Een oude visser in Bellagio had de vorige avond ogenblikkelijk een sterk verhaal uit de oude doos gehaald over de regens van 1937 of ’36, toen het ook zo...
Bellagio was die ochtend zo’n vermoeiend nat stadje dat ons de moed in de schoenen zakte, en we besloten om voor de regen te vluchten richting Croce Serra di Andrate, een dorpje gelegen op de flanken van de Alpen, precies tussen Ivrea en Biella in de Italiaanse provincie Piemonte. Niet dat het daar wel droog zou zijn, vermoedelijk juist niet, maar in dat gehucht bevindt zich het Hotel Belvedere van de oom en tante van Frans, en daar valt warmte, gezelligheid, drank en voedsel te halen, alsook, zo verzekerde Frans me, een unieke inkijk in het “gewone, dagelijkse leven van de Italiaan”. Lullen kan hij wel!
Halverwege de rit reed hij het parkeerterrein van een wegrestaurant op. ‘Je weet maar nooit. Ze rekenen natuurlijk niet op ons, we kunnen beter nog iets eten.’ Ik haalde mijn schouders op ‘Het is jouw familie, je zult ze wel het beste kennen.’ Ik nam een bordje toast met gorgonzola, Frans een cotoletta alla milanese (eigenlijk niets anders dan een wiener schnitzel met een chique naam) en flink gevuld reden we verder.
Zio Fausto
In Croce Serra draaiden we een haarspeldbocht in en plotseling stond Frans op de rem. ‘Daar is oom Fausto!’ Op een steil, onooglijk driehoekje land in een bocht van de kronkelige weg was een kleine, oudere man met een paar olijfbomen bezig. Hij droeg een dikke, wollen trui en trok zich niets aan van het slechte weer. Frans stak zijn hoofd uit het autoraam en riep hem: ‘Fausto! Zio Fausto!’ De man schuifelde voorzichtig de steilte af en gleed naar beneden naar de auto. Hij begroette ons enthousiast en bezwoer ons om drie weken te blijven, of zes. In een vreemd mengsel van Italiaans, Frans, Duits, rudimentair Nederlands en zelfs wat kelig Arabisch dat ik hier onmogelijk kan herhalen, bezwoer hij ons snel door te rijden, want over een half uur zou er gegeten worden. Frans keek een beetje beteuterd en ik was blij dat ik in het wegrestaurant iets lichts had genomen.
Een paar honderd meter verderop lag dan het hotel, geïsoleerd aan de weg, op de flank van de zuidelijkste Alp, uitkijkend (als het niet zulk slecht weer zou zijn geweest) over de gehele Po-vlakte.
Zia Jopie
Fausto, een vriendelijke, opa-achtige man, is getrouwd met een Nederlandse, een zuster van Frans’ vader: tante Jopie. Het stel was kinderloos gebleven en genoot intens van het uitnodigen van familie voor een verblijf in hun hotel, dat verder gesloten bleef, want al dat gedoe met gasten, dat kon het echtpaar op leeftijd echt niet meer aan. Slechts één uitzondering werd er gemaakt: voor het begin van het voetbalseizoen bivakkeerde tijdens hun traditionele trainingskamp de voltallige ploeg van Juventus Torino in het hotel. Buiten deze periode is het grote gebouw voor driekwart afgesloten en duister. Luiken dicht, kamers op slot.
Luiken dicht, kamers op slot
Naast Frans en mij waren er nog twee gezinnen aanwezig, neven van Frans met aanhang. Kinderen renden schreeuwend door de verlaten corridors en voegden Nieuw-Zeelands Engels toe aan de Babylonische spraakverwarringen. Zia Jopie presenteerde wat antipasti en een voormiddaglikeurtje en in afwachting van zio Fausto vloeide de gehele volksmassa langzaam naar de eetzaal, waar een reusachtige achttien-persoons eettafel gedekt stond af te wachten. Het meubel zag er geroutineerd uit: het had al veel meegemaakt.
Met de komst van Fausto begon het eigenlijke middagmaal. Een grote pan maccheroni met een frisse paprika-saus, iets met witvis en spinazie, en dan het pronkstuk: een brassato, in rode wijn gestoofd mals rundvlees. Gegrilde zucchini erbij, alsook een soort aardappelkoekjes en een schotel met paddenstoelen van de buurt. En overal karaffen wijn, natuurlijk. Witte en rode. Alles en iedereen praatte en discussieerde door elkaar. Fausto, in het midden gezeten, vertelde over zijn werk in Marokko, en hoe hij Jopie ontmoet had, Jopie zelf, kordaat en voorzien van een pinnige, getinte damesbril rende af en aan met schotels en schalen. Nee, personeel hadden ze niet. Alleen als La Juve in het hotel logeerde, dan huurden ze een paar koks en wat meisjes in. Verder kwam er iedere week een dame de paar gebruikte kamers schoonmaken. Dit alles verteld in een taaltje dat zonder andere aanleiding van taal switchte, dan dat Fausto het Engels voor eetkamer ineens niet meer wist, en via Speisezimmer in het Duits verder begon te ratelen. En nu moesten we allemaal stil zijn want nu zou hij, zelf wijnboer geweest zijnde, de trots van de streek presenteren. “Keine Rot, keine bianco, sondern un vino rosato, so good, c’est le... comme s’appelle? the pride of the region, how you say, il miglior vino della regione!’ Echte wijnliefhebbers van hier, zo verzekerde hij ons, drinken rosé. Ik geloofde hem op zijn woordenvloed.
Fausto bleek ook een fervent villabezoeker te zijn, en gaf ons enkele gouden tips. De villa is in Noord-Italië een apart fenomeen, iets tussen een museum en een ruïne in. Engeland heeft er ook talrijke, sommige nog bewoond. Het nadeel is dat ze vaak om die reden niet voor het publiek te bezichtigen zijn, behalve met een forse introductie, die Fausto, als jongen van de streek, vaak verworven had. Bovendien was hij handig en had als klusjesman menig oprijlaantje opgehoogd.
Het eten duurde, zoals hier gebruikelijk, tot een uur of vier. Tijdens het uitbuiken werd er een trolley binnengereden vol Gorgonzola, Bel Paese en Robiola, die als warme boter smeert. Daar hoorde natuurlijk een zoete dessertwijn bij.
Dan moesten we allemaal naar buiten, de mist in. Het was in ieder geval droog, dat scheelde weer, maar wel bleef het erg kil. Later die week zouden we verder naar het zuiden gaan, naar Florence, of misschien naar Napels. Voorlopig moesten we het doen met de kou van de Alpen.
Il Castello di Andrate
Naast het hotel bleek een wonderbaarlijk, middeleeuws kasteel te liggen, althans, een schaalmodel op halve grootte, een paar dozijn jaren eerder door een excentrieke streekgenoot gebouwd. Ik kon met mijn bijna twee meter, net onder de grote poort door en moest bukken om de zaaltjes te kunnen betreden.
Terug in het hotel dwaalde ik een beetje door de lege gangen en kwam plotseling in een vreemde ruimte terecht. Het was ondertussen al behoorlijk donker aan het worden en ik kon zo gauw geen lichtknopje vinden. Op de tast schuifelde ik door een zaal waar, als de muren van een doolhof, honderden schilderijen bleken opgehangen te zijn. Niet alleen aan de muren dus, maar ogenschijnlijk in het wilde weg, aan staalkabeltjes die afhingen van het plafond. In de snel groeiende schemering kon ik ternauwernood zien dat al deze schilderijtjes ten eerste landschapstukjes waren, en ten tweede prutswerk. Zou dit de passie van Fausto zijn? Het zou me tegenvallen van hem. Hij gaf zelf het antwoord. Plotseling was de zaal hel verlicht en in zijn maccheroni-taaltje legde hij uit dat dit de permanente opslag was van de producten van de locale vereniging voor pintura naturalista. Hij had daartoe de voormalige balzaal uitgekozen, die anders nooit meer gebruikt zou worden. Tijdens zijn uitleg schoot één van de kinderen op een driewieler voorbij. ‘Kom,’ zei Fausto, ‘tijd voor de cena, de avondmaaltijd.’
Na weer een wilde, kosmopolitische eet- en drinksessie met Frans, Nederlands, Italiaans en Nieuw-Zeelands als voornaamste lingue franche, ongezeglijke, driftige kinderen en het rustpunt zia Jopie, die als jeugdherbergmoeder zeer op haar plaats zou zijn geweest, riep zio Fausto, toen hij genoeg begon te krijgen van het eten: “Cocktail!” waarna hij verdween naar de bar om voor ons allemaal een negroni samen te gaan stellen, iets met Cinzano, Campari en gin.

Ik trok me even ter verfrissing terug naar buiten. De mist was nog steeds dicht. Je zag geen hand voor ogen. Vanuit een slaapkamer stamelden geluiden de vochtige tuin in. Dichterbij werd het flauwtjes oplichtende vierkant een raam, waarachter zacht gerucht te horen was. Aan de overkant van de weg lag het terras van het hotel, aan de rand van de onzichtbare afgrond. Plotseling, alsof dit voor mij alleen gebeurde, trok de mist op en ontvouwde zich de ware diepte van de Po-vlakte. Twee lichtzwakke schijnsels ontstonden in de verte. ‘Dat glinsterende, schitterende licht,’ zei alomtegenwoordige Fausto, terwijl hij een negroni op de stenen tafel zette, ‘is Milaan. En dat andere, zachte licht, een beetje dof, zie je? Dat licht is Turijn.’
Terug in het hotel werd het aangeschoten natafelen afgerond toen Fausto, die zich begon te vervelen, luide kraaide: ‘Und jetzt: spiele!’ Onder zijn leiding verdwenen we in een privé-gedeelte van het hotel om lokale varianten van slofje-onder en blufjassen te spelen, voor verdere ondervoeding en uitdroging behoed door de reeds eerder genoemde kaastrolley en een zeer smakelijke Asti Spumante uit de streek. Het werd een ongelofelijke heksenketel, met vele kwinkslagen en troefslagen. Ik stortte tegen een uur of half twee volledig in, en begaf me onder duizend excuses naar mijn kamer. De regen buiten hamerde met hernieuwd enthousiasme een gordijn voor de ramen. Zo zat ik ineens in een Empire kamer met modern comfort en een fraai, frêle jugendstillampje aan een bijgeschoven keukentafeltje te schrijven. Ik nam nog een laatste stukje gorgonzola dat ik uit de keuken meegepikt had, dronk nog een enkel glas chianti. En stortte in een diepe slaap. Ik zou dit nog twee dagen vol moeten houden.

dinsdag 1 november 2011

Schatduiken


Voor mijn werk ben ik momenteel bezig met het catalogiseren van boeken uit het Elsevierarchief, uitgegeven tussen 1900 en 1975.
‘Dit zou wel eens een feest der herkenning kunnen worden,’ dacht ik bij mezelf, en jawel, het lot heeft me niet teleurgesteld. Als iemand die meer dan gemiddeld ingewerkt is in de boekenwereld wist ik natuurlijk wel wat me zoal te wachten stond. Al die Bomans deeltjes, bijvoorbeeld, die ik verslonden heb toen ik 12, 13, 14 was. Ja hoor, daar waren ze. Ik bladerde door een paar deeltjes Kopstukken en Capriolen en zonk weg in een mismoedige somberte. Wat een melige, onaangename, neuswijze kwast was Godfried Bomans toch! Zijn zogenaamde mildheid is van een pedanterie, waar ik nu helemaal niet meer tegen kan.
Ik herinnerde me hoe ik vooral de kolderverhalen las in afwachting van de mantra, die altijd terugkwam: “Hij verbleekte.” Nu, achteraf realiseer ik me dat dat korte zinnetje eigenlijk toen al het enige was dat me verslaafd had gemaakt aan zijn schrijfsels. Het voldoet, moet ik bekennen, thans in het geheel niet meer, ook al bespeur ik in mijn eigen schrijfstijl zo nu en dan wel eens iets dat je een bomansisme zou kunnen noemen.
Een boekje dat me terug voerde naar mijn jeugd als tienjarige was het Autojaarboek van 1966, dat ik zo ongeveer uit het hoofd kende: de duurste, snelste, lulligste, goedkoopste auto’s, alles stond er in. De Goggomobiel, de Maserati, de Tatra, de Opel Kaptein. Maar bovenal, de Citroën DS, het moderne equivalent van de kathedraal, zoals Roland Barthes in Mythologies opmerkte. Tot op de dag van vandaag ben ik, niet-automobilist, verliefd gebleven op dat kunstzinnige heiligdom. Pa’s boekje was op de plek van de DS-en  in de rug geknakt door het vele dagdromen.

Vanochtend trok ik hier op de bibliotheek een doos open en daar grijnsde me tegemoet: de onbeholpen striptekening van een bijna naakte duiker die een aan een kabel opgehangen koker vult met... Tja, met wat eigenlijk? Ik denk zilverstukken. Ik dook naar schatten, heette het boek. Lt. Harry E. Rieseberg was de auteur.
Op school had de meester verteld over schatduikers. Meester Panken was een begenadigd verteller, en enthousiast rapporteerde ik thuis het verhaalde aan mijn ouders. Mijn vader reageerde nauwelijks, maar een paar dagen later had hij een cadeautje voor me, een boek. Het was voor zover ik me kan herinneren het eerste “grote-mensen-boek” dat ik bezat, en ik weet nog dat ik er maanden tegenaan gehikt heb. Het leek me te moeilijk, te saai. Toen ik het uiteindelijk oppakte lag ik ziek in bed, en alle het andere was uit. Dan dit maar. Het was een onderdompeling.
Ik dook mee, ik liet me met Rieseberg opsluiten in een duikersklok, later in een duikrobot met metalen grijpklauwen. Ik vocht met octopussen van tien meter tentakelwijdte. Ik haalde zilveren en gouden munten naar boven, dubloenen, piasters, pre-civil-war dollars.
Nu realiseer ik me dat Rieseberg een bandiet moet zijn geweest, een rover die zich geen moment zorgen maakte om de archeologische waarde van wat hij verwoestte in zijn meedogenloze zoektocht naar glimmertjes en pasmunt, maar toen ik 11 was, wilde ik aanmonsteren bij hem, en samen de Caribische piraten weerstaan, of de ongeamuseerde regeringen van Peru en Colombia.
Het hoogtepunt van het boek was voor mij, toen al een ziekelijke liefhebber van lijstjes, een acht pagina’s lange tabel van wrakken, compleet met nationaliteit, datum van vergaan, vindplaats en geschatte waarde (in dollars) van hun lading. Uren kon ik zwerven door die rijkdom aan droge gegevens. “Meresteyn, Nederlands fregat, 1702 gezonken in de Tafel-Baai, Zuid Afrika. Geschatte waarde: $1.000.000”, of: “Little Duck, Spaans Galjoen, in 1699 gezonken voor de kust van Seaton Carew. Waarde $600.000”. Met een voetnoot: “$100.000 geborgen”).
Het boek had me vrij snel alweer verlaten. Vermoedelijk via een vrijmarkt voor leerlingen, of iets dergelijks. Tijdens mijn studietijd nam ik een tweede exemplaar mee van een kraampje in de Oudemanhuispoort, maar ook dat is sedertdien uitgevlogen en heeft nu een nieuwe familie gevonden. Dus toen ik vanochtend het archiefexemplaar van Elsevier in handen had, was het een korte toevallige ontmoeting met een jeugdvriend, in een café misschien, of de foyer van een bioscoop. Nou, Lt. Harry E. Rieseberg, cià maar weer. Ik kom je nog wel eens een keer tegen.

donderdag 27 oktober 2011

Plankenkoorts


Alles kan verkeren. Zo was ik vroeger een fanatiek schaker. Wat ik tekort kwam aan talent, compenseerde ik rijkelijk met enthousiasme en vlijt. De week werd uitgevouwen vanuit de schaakavond, de spil waar omheen alle andere, minder belangrijke zaken in mijn leven gewikkeld waren. ’s Maandags nam ik de middag vrij. Thuisgekomen schonk ik mezelf een glas rode wijn in, zette heftige muziek op (Stravinsky, Verdi, Bartok, Zappa of Magma), pakte bord en stukken en, terwijl spiertjes adrenaline me lekker nerveus en “scherp” maakten, opende ik een schaakboek met gemene openingstrucjes. De bedoeling was om ’s avonds precies aangeschoten genoeg te zijn voor een beetje overmoed, een zuchtje lichtheid dat mij, van nature een ietwat bangelijk aangelegde schaker, tot “creatieve” zetten aan zou kunnen zetten.
Tegen een uur of zes stak ik dan de straat over om ofwel linksom een roti, ofwel rechtsom een bami te halen. De tijd leek wel bevroren te zijn. Om half acht fietste ik richting clublokaal, en vanaf kwart over acht speelde ik mijn partijtje. Winst, remise of verlies, daar ging het niet om, dat was secondair. Ik was onder vrienden, dit was mijn familie.
De avond was niet af zonder een uitgebreide en alcoholische “analyse” van de partij, en twee dozijn vluggertjes om de eer. Vaak toog het vervolgens nog naar een café in de van Baerlestraat of zelfs een uitgebreide nazit bij iemand thuis. Niet zelden strompelde ik pas rond vier uur naar huis toe, fiets aan de hand, vol verwachting van de volgende clubavond. En de ochtend erna was ik gewoon weer om acht uur op mijn werk. Oef, wat een ijzeren gestel had ik toen!
Dat het ooit anders zou zijn, ik kon het me niet voorstellen. Toch trad er, ergens midden in de negentiger jaren een kentering in. Verhuizen werd ineens meer regel dan uitzondering, en steeds vergat ik om in mijn nieuwe woonplaats lid te worden van een schaakclub. Tot ik, tien jaar later, in mijn huidige stad Haarlem terecht was gekomen, en van een onnoembaar, etherisch opperwezen een voorgevoel had mogen ontvangen van thuiskomst en bestendigheid. Ik werd eindelijk weer lidmaat van een schaakvereniging.
Aanvankelijk ging het min of meer zoals ik het me herinnerde: ik kwam wat vroeger thuis van mijn werk, haalde bord en stukken tevoorschijn, zette King Crimson of Scriabin op, schonk me een glas wodka in en begon te studeren. Ik had het nog, dacht ik. Wel viel me op dat ik, nu de vijftig gepasseerd, die goeie, ouwe kick van de kietelende stroompjes adrenaline door mijn lijf niet meer zo aangenaam vond. Integendeel, ik werd een beetje misselijk van de spanning (of, zoals ik het noemde: “anticipatie”).
Toch speelde ik vrolijk twee seizoenen mee bij een schaakvereniging die vanaf het eerste moment mijn intense sympathie had, die speelde in het mooiste clublokaal van Haarlem, een oude herensociëteit, en die een ledenbestand had dat reikte van de afgrondelijke duisternis der aartsknoeiers, tot het lichtgevende wolkenrijk der onpeilbaar sterken van meesterniveau.
De schaakspelers. Moritz Retzsch (1779-1857)
Maar allengs groeiden de barrières. ’s Ochtends op de speeldag was ik vastbesloten om mijn tegenstander die avond met een vlijmscherpe Traxler-opening, of een beledigend agressieve Grob-verdediging in de nahand om de oren te slaan, maar gedurende de dag werd de adrenaline-greep op mijn hart en borstkas steeds klemmender, en tegen vijven mailde ik mijn afzegging voor die avond, waarna een weldadige, intens opgeluchte rust zich van me meester begon te maken.
Als ik nog eens een keer wel naar de clubavond ging, ontdekte ik dat ik het schaken zelf ook  fysiek steeds moeilijker begon te vinden. Naast de gewone oude mannenkwaaltjes als rugpijn, aambeien en wintertenen, manifesteerde zich telkens beklemmender dat gevoel van druk: op de borst, op de darmen, op de maag. Ik heb eenmaal van een clubgenoot verloren omdat ik vier keer op de WC heb staan kotsen. Het waren geen zenuwen, want wat is winst nu, of verlies? Zo rationeel was ik nog wel. Neen, het was iets anders, ik kon er de nagel niet onder krijgen.
Iedere dinsdag werd ik gedwongen te beslissen of ik die avond wel in staat was tot schaken. Het werd overgeven, diarree, migraine, en steevast een verkrampt “nee!” Na bijna een half jaar aldus getobd te hebben, heb ik aan het eind van dat jaar dan maar definitief de knoop doorgehakt en me uit laten schrijven.
Onlangs las ik een verhaal van een artistieke vriend over zijn plankenkoorts. Dat was het precies! Later telefoneerden we daarover en vertelde ik hem dat ik alles wat hij beschreven had, intens herkende. En om mijn kleine neurose in perspectief te plaatsen, realiseerde ik me dat ik daarbij de ongekende luxe had dat het slechts een hobby was, die ik moest opgeven, voor hem daarentegen was het zijn beroep. Ik benijd hem niet. Het leven maakt bescheiden.

zaterdag 22 oktober 2011

Marie-Thérèse Escribano

In onze vormingsjaren waren we constant op zoek naar curiosa, vreemde trouvailles, onbekende meesterwerken. In de literatuur, in de beeldende kunst, maar vooral ook in de muziek. Op de middelbare school hadden we onszelf in een vroeg stadium geleerd om volstrekt onafhankelijk te zijn, ons niets aan te trekken van heersende opvattingen, verdedigd door verzuurde critici in de kwaliteitskranten, en consequent onze eigen weg te gaan.
Gelukkig woonden we in Amsterdam, met toen nog een grote hoeveelheid kleine, obscure boeken- en platenwinkeltjes, en in een verbazend tempo groeiden onze catalogi.
Ook de jaarlijkse uitverkoop bij V&D was toen nog een evenement van de eerste orde, en met minder dan 15 scherp afgeprijsde grammofoonplaten kwamen we er nooit vandaan. Kwaliteit was goedkoop: 4,95 was ons mantra. Het waren vaak de marginale labels, Turnabout Vox, Supraphon, Hungaroton of Candide die op deze wijze afgeslagen werden, en dat waren nu juist de labels die welbewust buiten de platgetrede paden durfden gaan. Geen Bach kochten we, of Mozart, maar Honegger, Milhaud, Satie en Scriabin. Debussy en Gabriël Fauré, Shostakovich, Ives of John Cage. De nieuwsgierigheid triomfeerde.


Van deze platen was er één die me telkens weer in vervoering bracht. Een plaat van het Candide label met aan de ene kant Socrate van Satie, en aan de andere kant Les chansons de Bilitis van Claude Achille Debussy. De zangeres op deze plaat was een zekere Marie-Thérèse Escribano. Het ging me om Bilitis.
Het stuk, geschreven voor een soort Grieks kamerorkest, met harpen en fluiten, was gecomponeerd rond de zogenaamd in een graftombe op Cyprus herontdekte lesbische gedichten van een klassiek Griekse courtisane, Bilitis, in werkelijkheid een mystificatie van de bekende Franse dichter en pornograaf Pierre Louÿs. De erotische teksten brachten beroering in de laatnegentiende-eeuwse Franse literaire kringen, en waren geknipt voor Debussy, die geheel ten onrechte gerekend wordt tot de impressionisten, maar in werkelijkheid veel meer als een symbolistische, of zelfs een romantisch-decadente componist beschouwd moet worden.
Er bestaat van dit stuk een andere, veel bekendere versie, maar deze, met de antiromantische assertiviteit van sprechsängerin Cathérine Deneuve bevalt me helemaal niet. Zij las de tekst kordaat en een beetje snibbig voor, ja boos bijna, alsof zij, een geëmancipeerde en moderne vrouw, eigenlijk niet anders kon dan dit liederlijke stuk vrouwonvriendelijke wellust afwijzen.

Heel anders was de interpretatie van Marie-Thérèse Escribano. Zij kwijnde en kirde: zij verwoordde de decadentie volmaakt, en haar uitvoering van de laatste zin van het stuk, compleet met kreunend trillende zucht, is geëtst in mijn hersenen. “Oh, que je suis triste, et seul ici!”. Ik heb sonnetten geschreven over deze zangeres, zinnelijk en behaagziek, de verpersoonlijking van de decadente geilheid van het Symbolisme en de Sezession.
Pas nu ben ik op het net eens een kijkje gaan nemen om wat meer van Escribano te weten te komen, en dan schrik je natuurlijk. Om te beginnen is ze niet Frans, maar Oostenrijks (wel geboren in Parijs, maar uit Spaanse en Belgische ouders), maar bovendien is ze op dit moment 85! Dat betekent (even terugrekenen) dat ze bij de opname van Les chansons de Bilitis toch ook al weer 44 was. Ook was ze geenszins een sensuele, prerafaelitische schoonheid, maar meer een springerig, Joods clowntje (ze heeft ook Pierrot Lunaire van Schoenberg gedaan). Het blijkt maar weer: erotiek heeft echt niet het uiterlijk nodig om overgedragen te worden!

donderdag 20 oktober 2011

De eeuwigdurende lente van de jeugd

In de eeuwigdurende lente loopt een jongen naar het afgesproken punt. Hij is boomlang, en broodmager. Zijn kleding is tamelijk standaard: een zwarte corduroy broek met verstellingen op de knieën, één rood, en één groen. Een zware, lederen riem. Een rood t-shirt zonder opschrift en een zwart corduroy jasje dat hem nog niet tot de navel komt, open, een borstzak gevuld met een pakje shag. Zijn meest opmerkelijke kledingstukken zijn een paar mocassins van licht suède met zolen van hergebruikte autobanden, profiel en al. Omdat het schoeisel in een ver derdewereldland in elkaar gelijmd is, zijn de zolen vrijwel onmiddellijk los gaan laten, zodat zijn tred, toch al slungelig en gebogen, ook nog een beetje flapperend wordt. Hij draagt een stalen bril met dikke glazen. Zijn haar is weelderig lang, voorbij schouderlengte, en in een keurige scheiding in het midden in twee spiegelsymmetrische stukken verdeeld. Hij is slechts zeventien, maar heeft al een volle baard, die een paar centimeter onder zijn ogen begint en doorloopt tot aan de rand van zijn hemd. Hij neuriet een nummer van Led Zeppelin.
Aangekomen op de afgesproken plaats, gaat hij in afwachting van zijn vriend op het vaste muurtje zitten. Hij haalt het pakje Javaanse Jongens uit zijn borstzak, trekt drie vloeitjes uit het blauwe pakje en begint een joint te bouwen. Schoolmeisjes in suède en bloemetjes paraderen haar frisse borsten in het rond en stoere jongens uit de Molukken pochen met hun Puchs. Goofy snort langs op zijn watergekoelde Zundapp en groet nonchalant. De zon schijnt, het groen ruist, de vogels kijken aandachtig mee.
Eerst plakt de jongen twee vloeitjes schuin tegen elkaar aan, zodat een trapezium ontstaat met een smalle, en een veel bredere zijde. Dan plakt hij het derde velletje tegen de brede zijde. Hij snippert wat tabak op het vloeipapier. Nu opent hij een pakje zilverpapier en haalt een grijsbruin klontje tevoorschijn, dat hij met zijn altijd naar benzine stinkende stormaansteker verhit. Met enige moeite brokkelt hij de bros geworden Citral hasj over de driekwartzware tabak. Dan scheurt hij een randje af van het Rizla-karton, rolt het op en schuift het aan tegen de tabak. Hij likt de overgebleven plakrand van zijn constructie, en draait een verlengd sjekkie. De punt draait hij dicht, zodat een torpedovorm ontstaat. De joint is klaar. Het wachten is op zijn vriend.
Omdat hij gewoonlijk niet zo vreselijk veel merkt van hasj, heeft hij ook nog een zakflesje vieux meegenomen, waar hij nu een slokje van neemt.
Daar verschijnt zijn vriend. Met bestudeerde nonchalance wipt hij over het muurtje en gaat naast zijn maat zitten. Deze steekt, na een gegromde begroeting, het puntje van zijn sigaret in brand, en zuigt een paar keer aan het filter. Pas na een paar halen, weet hij, wordt het eerste klontje hasj bereikt. Als het zover is inhaleert hij met stokkerige halen, alvorens af te geven. Zijn hoop dat het hem deze keer zonder een hoestbui lukt wordt ogenblikkelijk de bodem ingeslagen. Zijn vriend lijkt iets ervarener te zijn en weet zijn hoest juist te beheersen.
Hij draagt over zijn spijkerbroek een groene sweater. Een kettinkje van leer met een ankh-teken hangt aan zijn nek. Hij draagt leren cowboylaarzen. Een lichtgrijze, vormeloze, vilten hoed beschermt zijn ogen tegen de zon. Hij scheert wel zijn kin, draagt slechts een snor. Vanonder de hoed komt een al even exuberante bos vol, krullend haar tevoorschijn.
Hij geeft de joint weer terug aan zijn vriend. Ze praten. In een half uur passeren alle belangrijke onderwerpen de revue: meisjes, de Melkweg, King Crimson, de lente, tijdmachines, meisjes. Ze zijn één, ze delen het heden, dat oneindig is.
Het leven is oneindig: het is oneindig lang geleden dat hun leven begon, en ze zullen nooit dood gaan, die twee, ze zullen nooit oud worden. De lente duurt eeuwig en ze hebben alle tijd, alle tijd van de wereld in deze tijdloze lente.

vrijdag 14 oktober 2011

De stilte van het kijken


Ik liep vanochtend om kwart over zes door mijn wijkje. Het was koud en de hemel was glashelder. De maan stond voor me, net afnemend. Eronder, al een paar weken zeer helder, Jupiter. ‘Als de maan vol is en in de buurt van Jupiter staat, moet Jupiter ook vol zijn,’ redeneerde ik bibberend maar logisch. Ik liep langzaam en staarde naar Orion. Eens zien, Betelgeuze, natuurlijk, de schouderster, en sedert de pop-cultuur bezit van deze rode reus (600 x de zon!) genomen heeft onder de naam Beetle-juice, waarschijnlijk de populairste ster in het firmament. Wat had ik uit mijn lang vervaagde jeugdhobby nog meer onthouden? Rigel, één van de voeten. En de befaamde Orion-nevel natuurlijk.
Sirius, de hondsster twinkelde als ijskristal, en bijna, bijna kon je de Melkweg zien.
Ergens achter me moest de rode druppel van Mars zijn. Ik draaide me om, maar was er niet helemaal zeker van. Die daar? De Grote Beer (ofwel het Steelpannetje) hing prominent naar de Poolster te wijzen. Daar, gevonden. Ik had het noorden pal achter me. Alcor en Mizar, een schijnbare dubbelster, en door de Amerikaanse Indianen gebruikt als oogtest. Ik kon ze, met mijn brilsterkte van -5 duidelijk onderscheiden. Er klonk geen enkel geluid. Verderop zag ik wel lichtbundels passeren, maar ik hoorde ze, vreemd genoeg, helemaal niet. De stilte van het heelal hing als een glazen stolp over me heen – clichés zijn er tenslotte niet voor niets.
Toen liep ik het loopbruggetje over en prompt ving het continue lawaai aan van de andere mensen. Een constant streven naar een of ander doel, kittig optrekkende auto’s, brutaal spottende, knetterende scooters, het serieuze hoesten van diesel, een groepje Poolse seizoenarbeiders met een sputterend telefoontje in hun midden. De sterrenhemel was compleet verdwenen.
Hoewel de straatverlichting uiteraard ook toegenomen  was, denk ik dat dát niet de enige factor kon zijn geweest. Bij lawaai kun je ook minder goed zien, daarvan ben ik overtuigd. De hersenen hebben het te druk om ook nog mooie, kleine lichtpuntjes te verwerken. Teveel indrukken, en men ziet niets meer. Zou dat de oorsprong kunnen zijn van de oude uitdrukking? Want zo was het precies: horen en zien waren me in gelijke mate vergaan.