Posts tonen met het label Verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhalen. Alle posts tonen

maandag 2 april 2018

De kunst der nagedachtenis

De stad is geheel doordrongen van de dood. Mistflarden drijven door de nauwe stegen rond de markt en tasten alles aan: vocht dringt door kleding en houtwerk heen en doet muren schimmelen en verkruimelen. Oude begijntjes hebben moeite overeind te blijven op de gladde kinderhoofdjes in de smalle de straten. Mantelmeeuwen vliegen krijsend van dak naar dak. De bovenste veertig meter van de toren van het Belfort is in wolken gehuld. Slechts heel weinig hoeven de nevelflarden zich te verdikken om zich in de straten en stegen bij de andere dolende en vergetelheid zoekende geesten te voegen, die, hoewel nog niet gestorven, niettemin dood zijn en begraven in deze stad van weemoed en moedeloosheid - in Brugge. 
Hugo van Vianen draait de volumeknop van zijn versterker iets verder open en vraagt zich af wat hem ertoe gebracht heeft juist vandaag, juist hier Tsjajkovski's Souvenir de Florence te draaien. Juist vandaag, de dag dat Iris en hij elkaar definitief vaarwel zullen zeggen.
Harde schoenen kletteren door de Heilige Geeststraat, waar Hugo woont. Hij kijkt uit het raam en ziet een geestelijke zich reppen naar zijn pastorie. Hoe melancholiek en verstorven ook, zelfs in de herfst heeft de slaap van Brugge nog iets gehaasts, alsof de zielen bang zijn weer op te zullen lossen in de zachte nevel.
Hugo schuift de zware velours gordijnen dicht en zet zijn Javaanse kamerscherm voor het raam. Kaarsen in een vijfarmige kandelaar op de schoorsteenmantel flakkeren in de veranderde tochtstroom. Hij gaat weer zitten en laat, terwijl een enkele koude vinger het trijp op zijn leestafeltje streelt, de klanken van Tsjajkovski’s herinnering aan hun Florence zijn pijnlijke slapen balsemen.
Lief Pesseke schuifelt de zitkamer binnen en kijkt Hugo op haar zo eigen manier aan, bedremmeld en scheef, maar met een liefdevol glimlachend, gebogen hoofd. Ze lijkt op een klein begijntje als ze aankondigt dat er voor twee is gedekt, zoals meneer had opgedragen, en dat er over vijf­tien minuten kan worden opgediend.
Hugo bedankt haar en staat langzaam op. Met tegenzin draait hij het smachtende strijksextet zachter, tot hij niets meer kan horen. Dan zet hij de versterker en de cd-speler af en loopt naar de slaapkamer om zich voor het avondmaal te kleden. Hij wast zijn handen en gezicht en posteert zich voor de grote kapspiegel. Hij bewondert de oude lijst van ingelegd hout, voordat zijn ogen de bleke schim van zijn gezicht vinden.
Hij kiest een mooi overhemd van azuurblauwe zijde, een witte, fluwelen broek en, in een opwelling, zijn zeeroverslaarzen van zacht leer. Lang twij­felt hij of hij een das zal knopen, maar ten slotte ziet hij daar van af. Hij kamt het haar lichtjes naar achteren, zodat het los achter zijn oren hangt. Met instemming bekijkt hij zijn gezicht dat gevormd is rond zijn diepe, donkere ogen en scherpe, dunne neus. Een klein gouden ringe­tje in zijn oor en de brede, vierkante, gladgeschoren kaak geven hem het uiterlijk van een Russische prins uit een boek van Toergenjev.
Op de kaptafel, naast zijn aftershave, staat een portretje van Iris, met een gestreept hemdje hermafrodiet verkleed als Pierrot, een roos tussen haar lippen. Het is een bespottelijk prentje, dat hem bijna doet huilen. Hij werpt een korte blik op het grote bed, verlaat dan de slaapkamer en zet zich in de eetkamer aan het hoofd van de zware kloostertafel. Hij kijkt de kamer rond, alsof ook hij vandaag afscheid neemt - en misschien is dat ook wel zo. De middeleeuwse balkenstructuur in de donkere wanden is in de loop der eeuwen intact gebleven, en ook de binten van het houten plafond en de dikke stijlen van deuren en ramen zijn al die jaren ontsnapt aan misplaatste renovatiedrang. De lange muur, in het midden onderbroken door de deur naar de hal, wordt symmetrisch gevuld door twee grote pastiches op geliefde schilders. Links, in de donkere hoek hangt een schilderij op de manier van Barend Koekkoek, een groot, bijna surreëel doek waarop een bos, en veel jagers en wild en hoorngeschal. Rechts, waar een spaarzame zonne­straal nog wel eens zijn weg weet te vinden, hangt Hugo's meester­proef: een klassieke God naar Caravaggio met nimfen, marmer, toga's en juwelen. Alle kennis van materialen en stoffen die Hugo als schilder ooit wist te verwer­ven, is hier aangewend. Hij kan nog steeds met trots naar dit doek kijken, dat hem heeft bewezen dat hij de technieken van zijn kunst beheerst.
Achter Hugo (hij draait zich om en bekijkt hem goedkeurend), staat een grote Biedermeier dressoir, op het blad waarvan Lief Pesseke op zijn aanwijzingen diverse flessen heeft gerangschikt die het maal zullen vergezellen: wijnen en likeuren uit Italië en België.
Recht tegenover hem, boven de stoel van Iris, hangt een wandkleed dat geheel aan voedsel en de consumptie ervan is gewijd, en dat Hugo in Zuid Duitsland in een beter soort souvenirwinkel gevonden heeft. Het is een monster­lijk kleed, met vele felle kleurtjes en onpasselijk makende varkenshoof­den, flessen brandewijn, wijnvaatjes, geplukt en aan staken geregen pluimvee, taarten, pasteien en bokalen. De grote hoeveelheid details maakt het tot een brutaal en overmoedig schallend ornament. Hugo staat op en neemt het van de muur. Plotseling heeft hij ingezien dat hij het ding moet verbranden. Hij werpt de lap in een lade en loopt naar de zitkamer, waar hij een groot portret van Iris op de manier van Botticelli van zijn haakje licht. Met enige moeite hangt hij zijn tweede meesterproef op de plaats waar juist nog het kleed had gehangen.
Nadat hij weer is gaan zitten repeteert hij in gedachten de begroeting die hij zich voorgenomen heeft te gebruiken bij Iris haar binnenkomst. Een ernstige, warme, maar niet formele begroeting. Uiteindelijk sluit hij slechts de ogen en knikt lichtjes, terwijl hij een beweging van opstaan maakt. Zijn linkerhand glijdt hulpeloos over zijn voorhoofd en gaat dan, als leidt hij een eigen leven, met het tafelzilver spelen. Bestek van verguld zilver waar het goud hier en daar is afgeschuurd, zodat het zilver iets doorschemert onder de versleten goudlaag, en dit een zachte, heel uitgeputte en zieltogende tint geeft.
Iris is betoverend. Ze draagt een hoogsluitende avondjapon van donker, bordeauxrood fluweel. Ze heeft zich zoals gewoonlijk maar heel summier opgemaakt in de superieure wetenschap dat haar gezicht al van nature bijna perfect is. Haar lange rode haar heeft ze in twee strengen gevlochten, die in een ingewikkelde spiraal als slangen om haar slapen glijden. Ze lacht veel maar zwijgt. Haar lichtgroene ogen kijken spot­tend de kamer in. Ze is zoals Hugo zich haar zal moeten herinneren: nerveus, er jonger uitziend dan de 28 jaar die ze in werkelijkheid is. Het is het beeld dat hij tot aan zijn dood met zich mee zal dragen, deze Iris. Deze Iris van hem.
Hugo schenkt een Cynar in en heft het glas: op het verleden. De donker­rode, vermoeide en bitterzoete vloeistof accentueert op het geslepen kristal van het glas plotselinge heldere plekken, zoals dat bij oud fluweel soms gebeurt. Terwijl hij van een schaaltje olijven snoept maakt een diepe triestheid zich van hem meester, een triestheid die geboren wordt uit geluksgevoel. Het besef op het moment van genieten zelf dat dit het einde zal zijn, dat er hierna niets meer zal resteren dan het terugden­ken aan deze warmte, dit moment. Melancholiek in het heden, met heimwee naar het heden, dat is de opperste zielstoestand voor de trieste genieter. Hij zwijgt, luistert naar de stilte. Geen wanhoop nu. Nu zijn we nog samen. Nu eten we samen.
Een dikke plak grove Ardenner boerenpaté vormt het begin van het af­scheidsmaal. Iris is dol op deze kost die niet in gelei, maar in een jasje van wit vet geserveerd wordt.
Iris poserend voor het kasteel van Clervaux. Iris onder een Jupiler-reclame in een bocht van de weg. Iris onder de douche. Iris brutaal grijnzend met de Bobolituinen om haar hoofd. Iris naakt met de teddybeer Evelyn tussen haar gespreide dijen in een roze bed in Bellinzona. Iris die grappa drinkt in het Beatrix-park. Iris op de fiets, wijzend naar de ruïne van Brederode. Iris die op de markt van Brussel paté eet.
Hugo zwijgt en denkt aan foto's.
Bij de paté heeft hij een fles witte Corvo uit 1977 gekozen. Edoardo Alliata di Villafranca, hertog van Salaparuta sloeg een hem kwellende kraai met zijn wandelstok dood en plantte die stok in de grond, en daaruit ontstond de bloeiende wijnstok van de Corvo-wijnen.
Ieder gerecht weerspiegelt iets. Iedere drank. Weet je nog, Iris, hoe we in de Ardennen zelfgevangen forel aten? Op een teken komt Lief Pesseke binnen met het eerste hoofdgerecht: forel met amandelen. Erbij heeft Hugo een koud flesje Rosato di S. Colombano neergezet bij wijze van echo. Het lijkt of de naar amandelen smakende wijn een mild commentaar levert op het gerecht. Op Hugo dus en Iris want Hugo en Iris worden weerspiegeld in ieder gerecht en ieder gerecht ís Hugo en Iris.
Iris zit te ver weg voor Hugo om haar hand te kunnen strelen, die de voet van haar wijnglas streelt. Hij kan zich het leven zonder Iris niet voorstellen. Erger dan de dood zal de leegte zijn, de toestand waarin niets er meer toe doet, waarin niets zich meer tot hem wendt. Hij heeft Brugge uitgekozen om er zijn laffe leven zonder impulsen of driften te slijten. Laf, omdat hem eigenlijk de dood, de echte dood, samen met Iris toebedacht is. Brugge, verwacht hij halfslachtig, zal voor hem een afdoende substituut zijn voor de dood. In de zomer zal hij zijn huis niet verlaten, druk als het dan in het kleine stadje is met toeristen. In de zomer zal hij werken en boete doen. De vroegmis bijwonen, hoewel hij ook van die kant geen heil en verlossing verwacht. In de winter zal hij zijn gecapitonneerde woning verlaten en zullen de Bruggenaren hem zijn  plaats in zien nemen in de rij dolende schimmen, echoënd tegen blinde muren met het getik van hun wandelstokken. Hij zal zijn plaats innemen, jawel, hij zal zonder doel langs de glimmende straten en donkere kaaien slenteren, net als de anderen vlekkeloos in het zwart gekleed.
De warmte, ook nu ze echt, definitief weggaat, ja reeds weggegaan is, de warmte van hun samenzijn is intens en maakt wanhopig. Angst voor de kou rust als ijsbloemen op de ramen, maakt een helder inzicht onmogelijk.
De hoofdgang, geserveerd met de dieprode Monfortino uit de streek Barolo, is een fazant op Ardenner wijze, met jenever en spek klaarge­maakt door Lief Pesseke, die daarvoor slechts de recepten van haar grootmoeder hoeft na te volgen.
Terwijl hij zijn ogen laaft aan de stille maniertjes van Iris, gaan Hugo’s gedachten terug naar de periode van opperst geluk, van werken en minnen, van kunst en liefde, de periode die hij in zijn hoofd schilderde met lichte en door­dachte kleuren. 's Morgens wekte hij haar met thee en bramenjam en eieren, vervolgens schilderde hij haar gekmakende naaktheid in de kamer op het noorden tot het middaguur, daarna wandelden ze door de omringende bossen, genietend van wilde rotspartijen, vermetele roofvogels en massaal ruisende dalen. Dan ging het met de auto naar Laroche of Bastogne voor inkopen en thuisgekomen dronken ze zich een zachte roes van liefde en appellikeur en Marc de Gewürztraminer.
Bij een langzaam schuchterder wordend kaarslicht in de niet langer vertrouwde omgeving van het oude huis roept de fazant, gegarneerd met vijgen en preiselbeeren, opgediend met spruiten en gekookte aardappelen, een gevoel op van schrijnende onrechtvaardigheid. Waarom toch moet Iris weg, waarom?
Hij is eraan gewend geraakt op elk moment met bijna religieuze overgave van haar te houden en ze is, meer dan wie of wat ook, een symbool geworden. Zij hoort vereeuwigd te worden in een romantisch schilderij, in een lijst van marokijn en verguldsel. Hij eet langzaam en bedachtzaam van zijn gevogelte. En Iris maar zitten en stralen.
De afstand tussen hen schijnt te groeien. Als in een LSD-droom rekt zich de tafel uit tot er een lange, breekbare sliert ontstaat met heel in de verte, door gulden schittering omgeven, Iris Primavera, Iris. Hugo is heel dronken nu, en hij kijkt.
Ach, hoe zwijgzaam is Iris. Ook tijdens het eenvoudige nagerecht van perziken in Poire Williams spreekt ze zo weinig. Maar waarom zou ze ook? De taal is de meest machteloze communicatie, wanneer ogen kunnen zien, tongen kunnen proeven en vingertoppen warmte kunnen overbrengen en koelte. Taal kan alleen maar wegspatten, als druppels op een oliejas. Hier te zijn, samen met Iris, niet wetend van de dreigende koude die in een front optrekt om hem en zijn vesting in een eeuwigdurende poolnacht te hullen, niets voorvoe­lend van de komende boetedoening. Was het maar zo. Was hij maar dom en kon hij nog maar in onwetendheid genieten. Maar nee, integendeel. Hij beseft maar al te goed, terwijl hij nipt van zijn Grappa en van zijn zoete espresso: dit was voor het laatst, hierna is er niets meer. Hij staart blind in het groen weerkaatsende glas.
Boven het oppervlak van de grappa in de fles steekt de ruta-plant uit, haar kleine blaadjes glimmend van het vocht. De ruta, of wijnruit, werd vroeger geassocieerd met boetedoening, weet Hugo. Misschien vanwege de bittere en sterke smaak van het kruid? Merkwaardig tegenovergesteld hieraan werd ook algemeen aangenomen dat de wijnruit met haar stimule­rende en irriterende werking een der belangrijkste heksenkruiden was. Boetedoening en hekserij, denkt Hugo, in dit kleine glaasje. Pas maar op. Hier gebeuren rare dingen. Er trekt een schaduw door de schemerige kamer, als de eerste van de kaarsen op tafel uitdooft.
Hij staat op en kijkt uit het raam: keien glinsteren in zwak lantaren­licht. Even verderop maakt de korte straat een bocht, verdwijnt van de wereld, vergeet dat ze ooit heeft bestaan. Aan de andere kant doemt dreigend de massieve toren van de St. Salvatorkerk op die, veinzend te waken over de stad, in feite die stad voor eeuwig gegijzeld houdt.
Een tweede kaars sterft. Slechts één flikkerend vlammetje brandt nog, aan zijn kant van de tafel. Hugo draait zich om en staart in de duister­nis. Iris is weg. Haar stoel is leeg. Hij bevoelt de lederen zitting: koud. Haar bord is schoon en ongebruikt.
Lief Pesseke ziet meneer Hugo bleek bij het loze bord staan en schudt het hoofd: meneer Hugo is er niet goed aan toe. Ze weet niet dat meneer Hugo heeft laten dekken voor zijn dode Iris, de renaissancistische godin met haar smetteloze glimlach. Ze weet niet dat dit een laatste avondmaal geweest is, dat dit Hugo's afscheid betekent van Iris, die hij heeft laten leven in dit stille huis in het dode Brugge.
Hugo bedankt Lief Pesseke voor het uitstekende maal en loopt de zitkamer in. Hij kiest uit zijn platencollectie het lange orkestlied Der Ab­schied van Mahler. Een Duitse mezzo-sopraan zingt:
Ich sehne mich, o Freund, an deiner Seite
Die Schönheit dieses Abends zu geniessen.
Hugo bladert in een Botticelli-monografie, totdat hij de afbeeldingen vindt van de diverse wrede en verleidelijke Maria's, waar Sandro Fili-pepi zijn kunstenaarschap in heeft uitgedrukt. De stoffige en fletse tempera's vormen het beeld, het ideaalbeeld waarmee Hugo Iris in de herinnering gevangen wil houden.
Want zelfs al zou Lief Pesseke weten, dat het een dode Iris is, van wie Hugo afscheid genomen heeft, dan nog zou ze maar een gedeelte van het verhaal kennen. Dan zou ze nog niet weten dat Hugo zijn dode Iris zelf heeft samengesteld uit wat hem lief is: de tientallen schone en intrige­rende vrouwen die hij ontmoet heeft in musea in Florence, Parijs, Vene­tië, Brugge, Londen en Amsterdam.
En als Lief Pesseke dit al zou weten, dan zou ze het niet begrijpen. Hoe het gewone leven Hugo zodanig verveelt, dat hij zich liever een prachtige crisis bedenkt, waar hij volledig in op kan gaan. Deze prach­ti­ge wanhoop, langzaam echt geworden, is hem oneindig liever dan de grauwe gelijkmatigheid van het gewone leven. Dit is beter dan niets.
Dat hij aldus figureert in een zinsbegoocheling beseft hij en dat maakt het allemaal alleen maar aantrekkelijker voor hem: te weten dat voor hem het leven werkelijk schijn is geworden, en dat hijzelf de grote schepper is van deze hem omringende illusie, dat is wel de grootste triomf van de stervende avond.
En zijn wanhoop kleurt zich mooi rood, en zijn tranen zijn tranen van goud en zijn toegeklemde kaken ontspannen zich tot er een zachte glim­lach over zijn gezicht kruipt.
Terwijl de tonen van Mahlers Abschied wegsterven, loopt Hugo terug naar de eetkamer, en haalt het schilderij Iris weer van de muur. Het stuk krijgt zijn vertrouwde plaats terug, aan de slaapkamermuur. Hugo knikt instemmend als hij het werkstuk inspecteert. Dan opent hij een tube oker en verwijdert de valse signatuur: n. Botticelli. Met een dunne penseel zwarte verf schrijft hij ervoor in de plaats: Hugo van Vianen inv. & fecit. Eronder, vrijwel onleesbaar: Ars Naturae Magistra.


Een oud verhaal dat ik terugvond op mijn harde schijf. Gedateerd: Arlon/Gent, 1986/1993

zondag 16 april 2017

Raadselreiziger


Niet weten wat je wilt is een vreselijke eigenschap die alleen dan enigszins vermag vreugde te bereiden, wanneer je geld hebt om je besluiteloosheid vorm te geven door op slag je plannen rigoureus te veranderen, zonder daardoor meteen in al te netelige financiële problemen terecht te komen. Zo hadden F. en ik nadat we in één ruk in Kopenhagen waren aangekomen, besloten dat we toch liever naar het zuiden wilden. In het holst van de nacht en met nog iets meer dan een halve druppel benzine in de tank, hadden we de rand van Keulen bereikt. Heuvelafwaarts waren we tot aan een benzinestation gerold, terwijl we ons uitgebreid verbaasd hadden over de imposante smakeloosheid van de Keulse buitenwijken.
Als we nu over voldoende geld zouden hebben beschikt, zouden we ons direct naar een comfortabel, zij het saai handelsreizigerhotel hebben begeven, maar een chronisch geldtekort en ons overmoedig voornemen om hoe dan ook een wezenlijk deel van onze beperkte fondsen achter te laten in het deftige casino van Baden-Baden, had ons doen besluiten desnoods de ergste gribus te accepteren, zolang de prijs voor logies met ontbijt niet de DM 20,- te boven zou gaan.
‘Dergelijke hotelletjes zijn vaak ook nog eens veel interessanter dan de normale, burgerlijke gelegenheden,’ had F. nog gezegd, wel met twijfel in zijn stem. Ik had slaap. Ik vond alles best.

Uiteindelijk vonden we een soort jeugdhotel dat gehouden werd in een oud en zo op het oog nauwelijks omgebouwd ARAL-tankstation. De uitbater was een man van in de veertig met ongelooflijk veel haar overal, een intens wantrouwige blik en een penetrante oriëntaalse geur om hem heen, veroorzaakt door knoflook en kardemom. We hoefden geen pas te laten zien, konden meteen naar boven, maar ‘reken maar niet op ontbijt.’ Daarvoor betaalden we dan ook slechts zeven marken per persoon.
Na het bedrag betaald te hebben overlegden F. en ik of we de koffers wel of niet mee naar boven zouden nemen. F. gaf er de voorkeur aan ze in de auto achter te laten in verband met “het uiterst onbetrouwbare uiterlijk” van de uitbater en zijn nering. Ik kreeg de indruk dat F. zelfs van plan was volledig gekleed te bed te gaan, teneinde in noodgevallen ogenblikkelijk de aftocht te kunnen blazen zonder voorafgaand gezoek naar verspreid ondergoed en brillen.
Het licht van de trap deed het niet. Op de tast vonden we de deur die zich, zoals de herbergier reeds had beloofd, aan het eind van de gang bevond. Bij het licht van mijn aansteker ontwaarden we het met viltstift op de deur geschreven cijfer “3".
Ook in kamer 3 deed het licht het niet. Bij een zeer bleek maanlicht sloop ik naar een nauwelijks te onderscheiden bed, terwijl F. tevergeefs probeerde de deur op slot te draaien. Mijn bed was niet veel meer dan een matras in een houten kist met een oud en levenloos dekbed. Verderop beklom F. een wankel, piepend, gietijzeren ledikant uit lang vervlogen tijden. Ik was langzamerhand tot F.'s standpunt over gaan hellen betreffende de nachtelijke dress-code. Ik was blij dat we besloten hadden de bagage in de Ford Fiësta achter te laten.
Gewoonlijk kost het me geen enkele moeite om in een diepe slaap te verzinken zodra ik een rustplaats van welke aard dan ook onder me weet en ook deze keer, in het goedkoopste spuitershotel van Keulen duurde het slechts vijf minuten alvorens zich lichtende ballen, weke vliegtuigen, glooiende grasvelden en blote vrouwen aan mijn geestesoog begonnen te manifesteren. Dát stadium, derhalve, was aangebroken, dat door het geringste onverwachte geluidje tot hartkloppingen en paniek kan verworden, hetgeen daadwerkelijk ook gebeurde. Ik liep door een opalen gang met deuren van vlinders en zilver en de kleur van vrede, toen een kuch van F. en een zwakke echo daarvan me klaarwakker en met pijnlijk bonzend hart rechtop in mijn bed deed zitten. Ik trachtte met mijn blik het diepe zwart van de kamer te doorboren en vroeg me af of ik nu één, of twee kuchjes gehoord had. Toen klonk uit het duister de stem van F.: ‘Zei je wat?’
Terwijl ik mijn hoofd schudde klonk in de verre hoek van de kamer gestommel, gevolgd door een stem die ‘Entschuldige’ mompelde, waarna een schemerlampje aangeknipt werd. Pas nu bleek dat het vertrek minstens twee maal zo groot was als we hadden aangenomen. In onze kamer bevonden zich nog twee bedden, waarvan één beslapen. Dat had de harige exploitant niet de moeite van het vermelden waard gevonden. In het bed lag een jongeman met een klein, fijn gezicht, die met nietsziende, koolzwarte ogen de duisternis in staarde, tot hij een uilenbrilletje met ronde glazen op de neus zette en in het vage schijnsel van zijn bedlampje ons ontwaarde.
‘Gutenabend.’
Ik was te beduusd om iets van de werkelijkheid te beseffen en had bovendien een nog altijd opstandig galopperend hart te temmen, maar F., die koele kikker, wist in vrij aanvaardbaar Duits te vragen wie hij was en wat hij godver de godver in onze kamer deed?
‘Mijn naam is Walther von Horvath en ik logeer hier, net als jullie.’
Hij leek van onze leeftijd te zijn, midden twintig. Zijn in T-shirt gehulde gestalte glipte uit bed en bereikte een lichtknopje dat wij over het hoofd gezien hadden. Toen de kamer dan ten slotte min of meer verlicht en Walther von Horvath terug in zijn bed gekropen was en een Gauloise had aangestoken begon ik langzamerhand wat rustiger te worden, vooral doordat ik eindelijk wist hoe mijn omgeving er in werkelijkheid uitzag. Zelfs bleek ik in staat tot het draaien van een sjekkie zonder al te veel bobbels erin.
Zoals gezegd, de kamer was een stuk groter dan we eerst hadden gedacht. Naast de vier bedden stonden er een groot dressoir en twee klerenkasten, alsmede drie matrassen, zeer merkwaardig rechtop in een hoek gepoot. Het was dus eigenlijk meer een slaapzaal/opslagplaats dan een hotelkamer.
Von Horvath tastte onder zijn fantastische geloogd eiken bed en haalde een - nee, niet een pistool - een fles drank te voorschijn, wees op een tweetal keukenstoelen en nodigde ons uit een consumptie van hem te gebruiken. F., die geen alcohol drinkt, draaide zich na een korzelige verontschuldiging met een knor om, zonder twijfel nu met portefeuille en paspoort stevig in de knuist geklemd. Dus begaf ik me alleen naar Von Horvath. De fles bleek Metaxa brandy te bevatten die ik me, gedronken uit een plastic spoelbekertje, goed liet smaken. Naar omstandigheden zelfs opmerkelijk goed. Zwijgend rookten we een poosje. Toen vertelde Von Horvath dat hij al drie maanden in die kamer woonde, dat de meeste mensen het vervelend vonden dat er nog iemand op hun kamer logeerde, en dat niemand zich afvroeg hoe hij, Walther, er eigenlijk tegenover stond, want hij woonde er het langst en goedbeschouwd had hij toch de oudste rechten, vond ik niet? En of hij het leuk vond dat steeds nieuwe gezelschappen zijn nachtrust kwamen verstoren, niet dat hem dat iets kon schelen, maar ze zouden op zijn minst toch even kunnen informeren, nietwaar?
Ik vroeg of hij van adel was.
‘Van adel? Wat een zotte vraag! Ja, ik dacht van wel, maar wat doet het er toe?’ Ik vertelde hoe F. en ik vorig jaar in Trier onderzoek hadden verricht naar mijn voorvaderen, die volgens een oom met een grote fantasie daar in de 13e of 14e eeuw een klein vorstendom zouden hebben gehad. Als dat zo was, was het grondig verdwenen, want er woonde niet één Eckstein, Eksteen, Ecckestein of Heckstein in Trier. (‘Dat is maar goed ook,’ zei von Horvath, ‘dan had je middagen lang taartjes moeten eten met geborneerde Trierer middenstanders die je nog nooit ontmoet had, en ook nooit had willen ontmoeten.’ Bovendien, wie wil er van adel zijn? Was de wereld niet al veel te edel, hè? Nou?)
Wat of hij deed, wilde ik weten.
‘Ik ben Rätsler’ Ik hield mijn kop schuin en kneep mijn ogen dicht. “Huh?’
“Rätsler, raadselmaker. Ik maak raadsels.’ Hij schonk zich nog eens in en verduidelijkte: ‘De opgaven voor quizzes of puzzels in de krant groeien niet aan de boom. Iemand moet ze bedenken. Nu, dat doe ik dus. Ik ben raadselreiziger.’ Een beroep dat ik in gedachten direct toevoegde aan het illustere lijstje: rattenvanger, cruisefilosoof, matrassentester, odedichter bij de NASA en kwartjesvinder, betrekkingen uit Duckstad die ik zelf in mijn leven serieus ambieerde.
Al zuigend aan zijn sigaretten die hij ketting bleek te roken, vertelde Von Horvath op merkwaardige wijze zijn levensverhaal: hoe hij op negenjarige leeftijd als schaakwonder zijn geboortestad vertegenwoordigde, tot hij plotseling op zijn veertiende niets meer van het spel begreep. ‘M’n hersenen liepen zomaar weg, joh, in stroompjes uit m’n neus en m’n oren. Vieze bende. Drie dagen poetsen en schoonmaken en nog bleef je het zien op de vloer.’
Vervolgens was hij zich bezig gaan houden met de Grote Levensvragen, ‘tot ik ontdekte dat het slimmer was om de vragen te stellen dan ze te proberen te beantwoorden. Ik ging me van alles afvragen: waarom worden muren wel, plafonds juist niet behangen? Uit hoeveel onderdelen bestaat Griekenland? Als je onder iets doorloopt dat wel lijkt op een ladder, maar niet als zodanig is ontworpen, heb je dan toch ongeluk? Verandert het feit dat iemand hem wel of niet als ladder gebruikt daar iets aan? Waarom heeft een sok geen vingers? Als je een ideale eenvoudige knoop legt in een touw van precies één centimeter dikte, hoeveel korter wordt dat touw dan? Hoe spoelt badwater weg op de Evenaar?’
Walther was veel te jong getrouwd en rampspoed begon toe te slaan: ‘Mijn lieve vrouw rende er na een paar maanden vandoor. Ik had een gezellig vuurtje gebouwd van haar garderobe en dat vond ze niet fijn. Ach, ze had wel gelijk natuurlijk, dat was een rotstreek.’ Hij sloot zijn ogen en stak nog een Gauloise op. ‘Ik verkeerde een tijdje in de waan dat ik binnenste buiten leefde. Het was me allang duidelijk dat ik een beetje getikt was, maar ik aanvaardde dat. Ten slotte was ik geen griezelig geval met schreeuwen en hoofden tegen muren beuken.’
Dus mocht hij snel weer weg uit het gekkenhuis. Net tweeëntwintig geworden. ‘En goddank nog steeds niet helemaal goed bij het hoofd. Hoe vind je deze: Ik weet dat ik op Malta ben of op Gozo. Ik weet voorts dat de Maltezers altijd liegen, en de Gozanen altijd de waarheid spreken. Met welke vraag kom ik er achter waar ik ben?’
‘Is dat niet iets met: wat zal de ander antwoorden als ik hem vraag of jij liegt?’ probeerde ik.
‘Oh nee. Veel simpeler.’
Een half jaar geleden werd zijn woning onbewoonbaar verklaard. Het moest zo snel mogelijk gesloopt worden. ’Op zekere dag was mijn arme huisje gevuld met nors nee-schuddende meneren en mevrouwen. Het huisje weende met grote tranen op de ramen. Toen ben ik maar gaan raadselreizen. Mijn hoofd was ook niet gelukkig, maar dat is toch niets vergeleken met het leed van mijn huisje. Een hoofd is veel kleiner.’
Nog uren lang vertelde Walther over zijn levensvragen (wat is de absoluut eerlijkste manier waarop drie boeven hun ongelijkvormige buit verdelen?), zijn uitvindingen (apparaat voor geluidssynchronisatie van heimachines, in te stellen tot 500 meter) zijn zeer gunstig ontvangen dichtbundel (ach, het bekende gelul, je weet wel...) en zijn leven. Toen hij niets meer wist te verzinnen was de fles leeg, en begonnen de contouren van de dageraad een raam te suggereren. Ik zag dubbel en rilde. Walther knikkebolde en sprak, zo leek het, op de automatische piloot. Zonder iets te zeggen hees ik me van de harde stoel en met een pijnlijke rug sleepte ik me naar mijn bed. In het voorbijgaan knipte ik het licht uit. Walther murmelde nog wat door, zweeg toen.
De volgende ochtend was zijn bed verlaten en tijdens het afstropen van ons beddengoed vertelde de werkster dat Wallie al vroeg op weg gegaan was, zoals gewoonlijk. Waarheen? ‘Dat weet niemand. Irren’, dwalen, meende ze.
Er stak een briefje onder de ruitenwisser van de auto met daarop: ‘Vraag aan iemand: “woont u hier?”. Op Gozo zal een Gozaan “Ja.” antwoorden, een Maltees “Ja”, want hij liegt altijd. Op Malta zal een Gozaan “Nee” antwoorden, en een Maltees “Nee”, want hij liegt altijd. Ach, was alles in het leven maar zo eenvoudig. Groetjes van Walther Graf von Horvath.’
Pas veertien jaar later zag ik hem weer; nu op de televisie als een vooraanstaand lid van de Grüne Partie. Hij sprak een grote groep aanhanger toe in een circustent. Hij had geprononceerde Geheimratsecken en praatte met vermoeid ongeduld. Hij had helemaal geen vragen meer, alleen maar antwoorden. Hij noemde zich Walther Horvath en zag er saai, tevreden en diep ongelukkig uit.
Tot op heden heb ik niemand ontmoet die voor mij het raadsel van het touw kan oplossen, of zelfs maar een meetkundig model kan produceren waarmee het probleem aangepakt kan worden. Walther had het al gezegd: ‘De eenvoudigste problemen zijn het moeilijkst op te lossen.’

(1987?, herzien 2017)

zaterdag 18 februari 2017

De Mazda

Ik was op bezoek bij iemand, ergens in het centrum van Amsterdam. Ik lag met mijn gastheer in zijn grote bed te praten. Hij was ongeveer van mijn leeftijd, een jaar of veertig. Ons gesprek was helder, ook al praatten we dwars door de muziek heen.

Die ouderwets aandoende rockmuziek, assertief weerklinkend uit een zeer geavanceerde stereo-installatie, was interessant genoeg: subtiele blazers, een nijdig orgeltje en die bijster opgewonden, eigenwijze en onregelmatige maatsoorten die zo typerend zijn voor de zogeheten progressieve rock van vroeger: namelijk het begin van de zeventiger jaren. Wat ik hoorde beviel me zeer en ik vroeg me af waarom deze muziek voor mij, kenner van het genre, zo nieuw was. Mijn gastheer verklaarde dat dit de Nederlandse band Stringham was, waar ik nog nooit van gehoord had.

“Ik heb ook meegespeeld op die plaat,’ zei hij. Op dat moment klonk een heel aanstekelijke keyboardsolo, die een beetje aan Weather Report deed denken, of Return to Forever: jazzrock. ‘Zo zo,’ zei ik. ‘Goede muziek hoor.’
‘Zeker weten. Vrij snel hierna overigens,’ vervolgde mijn gastheer, ‘is de band opgeheven. Maar nu, twintig jaar later, bestaan we weer. Onder een nieuwe naam, maar toch. Nu heten we De Mazda.’

De Mazda! Die naam kende ik wel. Heel goed zelfs. Ik was niet echt een fan van deze band, maar ik had ze wel beluisterd. Goede musici, een beetje lullige muziek.
Ik zei: ‘Dat is wel een totaal andere stijl.’ Hij knikte. ‘Ja, we zijn met de tijd meegegaan, zullen we maar zeggen. Na zoveel jaren dat we inactief waren dachten we...’
‘En jij speelt weer mee?’ Hij knikte.
‘En welk instrument speel je?’
Hij mompelde iets dat ik niet kon verstaan. Het zou kunnen klinken als bugel of flugelhoorn. Ik vroeg: ‘Wat zei je?’ Daarna wendde hij zich, ogenschijnlijk met enige tegenzin, naar me toe, zodat we nu allebei op onze zij lagen en fluisterde: ‘Ik was niet goed genoeg.’ Zijn ogen waren vochtig. Met een snik herhaalde hij: ‘Ik was gewoon niet goed genoeg.’

Een deel van zijn boekenkast verschoof en maakte plaats voor een muur van zilverfolie. Ik dwarrelde een andere wereld in.

Ik heb het vanochtend nagekeken: er bestaat geen Nederlandse band genaamd Stringham, noch een die De Mazda heet. Zal er ooit iemand zijn die me kan uitleggen wat mijn hoofd doet als ik droom? Hoe ik elementen bedenk die zo verraderlijk geloofwaardig zijn (compleet met doorgearrangeerde, volmaakt opgenomen muziek), maar vermengd met onzin en gekkigheid die je al op grote afstand als de surrealistische kul herkent die een droom nu eenmaal is?

woensdag 13 juli 2016

Veiligheden

N. van Gesselt beweegt zich van veiligheid naar veiligheid. Dat begint al ’s morgens vroeg. Als om kwart voor zes de wekker afgaat verlaat hij de veiligheid van zijn bed in de wetenschap dat hij zijn volgende veiligheid pas twintig minuten later zal bereiken. Eerst doucht hij, poetst zijn tanden, kleedt zich aan en verlaat hij zijn huis, de schoudertas rechts naast hem, de zeven belangrijke dingen ingepakt. Dit zijn de zeven belangrijke dingen:

Ten eerste de portemonnee, met daarin de NS-pas, de pinpas en de reserve-aspirines voor als hij onderweg een migraineaanval krijgt. Dat gebeurt niet zo vaak, maar als het gebeurt moet hij voorbereid zijn. Verder heeft hij in zijn portemonnee nog een reservesleutel van zijn voordeur en, het minst belangrijke, wat geld, meestal tussen de vijftig en honderd euro.
Ten tweede het medicijntasje, met daarin nog meer aspirines, een zalfje tegen eczeem, een stripje Naproxen tegen spanningspijnen en nog een reservesleutel van zijn voordeur.
Ten derde zijn sleutelbos, vastgeklikt aan een handig lederen bandje binnen in de tas.
Ten vierde zijn brillenkoker met een computerbril. Zonder die bril kan hij zijn werk niet doen. Na zijn recente bezoek aan het Prado een brillenkoker met Jeroen Bosch motief.
Ten vijfde de magnetische pas waarmee hij in kan klokken op zijn werk. De pas opent niet alleen de poort, maar vertelt het systeem meteen hoe laat hij binnengekomen is, en hoe laat hij het pand weer verlaat.
Ten zesde een USB-stick met muziek om tijdens zijn werk af te draaien (hij geeft de voorkeur aan mp3 en wat het afspeelprogramma betreft is hij al twintig jaar verknocht aan WinAmp). Op die USB-stick bewaart hij ook allerlei andere zaken: vakantiefoto’s, half afgemaakte gedichten, verhalen (zoals dit verhaal).
Ten zevende een iPad waarop hij een e-reader heeft geïnstalleerd en een paar leuke programma’s om de treinreis nog aangenamer te maken. Op het moment is hij verzot op de “killer-sudoko” een obscure zijvariant van het populaire cijferspel.

Zonder deze zeven dingen in zijn tas zal de dag niet gaan lukken.

Zoals iedere werkochtend loopt N. van Gesselt, aldus voorbereid, om vijf over zes door zijn verscholen wijkje: hij steekt het minuscule parkje aan het eind van zijn straat over. Het is koud en de hemel is glashelder. De maan staat halfhoog in de hemel, schuin omhoog, net afnemend. Eronder, al een paar weken zeer helder, flonkert Jupiter. ‘Als de maan vol is en in de buurt van Jupiter staat, moet Jupiter ook vol zijn,’ redeneert N. van Gesselt bibberend maar logisch. Hij loopt langzaam door en staart naar het markante sterrenbeeld Orion. Linksboven Betelgeuze, de schouderster, die sedert de popcultuur bezit van deze rode reus (600 x de zon! Hij heeft het gecontroleerd in zijn sterrenboek) genomen heeft onder de naam Beetle-juice, waarschijnlijk de bekendste en populairste ster is in het firmament. Wat heeft N. van Gesselt uit zijn lang vervaagde jeugdhobby nog meer onthouden? Rigel, één van de voeten. En de befaamde Orionnevel natuurlijk. 
Andere zaken? De satelliet Kepler heeft een planetenstelsel aangetroffen rond de ster met de prachtige naam Fomalhaut. Helaas is die vanaf Haarlem niet zichtbaar. N. van Gesselt vindt dat jammer.
Lager aan de horizon twinkelt de Hondsster Sirius als ijskristal en bijna, ja bijna kan hij de Melkweg zien, een suggestie van kwijnend licht in zijn ooghoeken.
Ergens achter hem moet de rode druppel van Mars zijn. Hij draait zich om, maar twijfelt. Die daar? Ergerlijk dat hij het niet zeker weet.
De Grote Beer (ofwel het Steelpannetje) hangt prominent naar de Poolster te wijzen. Daar, gevonden.

Er klinkt geen enkel geluid. Verderop ziet hij wel lichtbundels passeren, maar vreemd genoeg hoort hij helemaal niets. De stilte van het heelal hangt als een glazen stolp over hem heen. Dan gaat hij het loopbruggetje over en prompt vangt het continue rumoer aan van de andere wereld. Daar bevindt zich een brede ringweg die zo vroeg in de ochtend weliswaar nog niet extreem druk is, maar die hij niettemin zo snel mogelijk achter zich zal moeten laten. Hier wordt namelijk het leven alweer voortgedreven door een constant streven naar een of ander doel. Een enkele kittig optrekkende auto, twee brutaal spottende, knetterende en onwelriekende scootertjes, het serieuze hoesten van de dieselmotor van een Sligro-bestelauto, een groepje kettingrokende Poolse seizoenarbeiders in camouflagebroeken en met een sputterend telefoontje in hun midden. In de straatverlichting en het geruis is de sterrenhemel compleet verdwenen.
Zodra de weg vrij is, steekt N. van Gesselt over. Dan is dat tenminste maar geweest.
Hij realiseert zich dat deze route objectief niet de beste kan zijn, want als hij ’s middags terugkomt, steekt hij juist aan het begin ervan zo snel mogelijk over. Hij loopt dus nooit heen en terug over hetzelfde trottoir. Gek is dat eigenlijk, bedenkt hij zich misschien iets te vaak. N. van Gesselt houdt zich in toenemende mate bezig met nadenken over zijn gedachten.
Eenmaal in de veiligheid van de overkant loopt hij dicht langs het fietspad, dat rechts van hem ligt. Vrijwel altijd loopt hij halverwege een jonge jongen tegemoet met overmoedig, lang, dik en romig haar, die rokend naar zijn werk loopt. N. van Gesselt ziet hem aankomen en bereidt zich voor, want hij wil niet van de wijs gebracht worden door zelfs maar de geur van tabak. Als er iets is dat hij haat, is het de geur van een sigaret die de briske, frisse geur van de vroege morgen besmeurt. Telkens dieper inademen, vasthouden, dan uitademen. Vlak voordat de jongen te zijner hoogte is, ademt N. van Gesselt nogmaals zo diep mogelijk in, en nu houdt hij vast. Gehaast loopt hij door en pas als hij het niet meer volhoudt en een beetje duizelig begint te worden, ademt hij voorzichtig weer uit.
Toen hij zelf nog rookte (N. van Gesselt is zestien jaar geleden gestopt), had hij al een hekel aan de morsige tabakslucht die de frisheid van de dag om zeep hielp. Zelf rookte hij in die jaren pas als hij aangekomen was, bij wijze van beloning, nooit gehaast in een portiek of tussen twee mistige lantarenpalen in. Al dat roken van toen heeft er wel voor gezorgd dat hij nu, in de vochtige vaagheid van de herfst, aamborstig is en langzamer moet lopen dan normaal, waardoor vanzelf de afstand tussen de opeenvolgende veiligheden vergroot wordt. Het kwaad straft zichzelf, beloning levert straf op.
Beloning is ook een lichte vorm van dwangmatigheid, beseft N. van Gesselt, maar hij heeft het niet voor het kiezen. Te lang heeft hij zijn dwangneuroses ontkend, en de laatste maanden heeft hij juist een groot gevoel van bevrijding verworven door langzamerhand het bestaan ervan in zichzelf te accepteren.
Als hij het stationsgebouw betreedt, slaakt iets in hem een zucht van verlichting. Geen regen, gladheid, scooterwalm of bassig gebonk van geluidsinstallaties meer. Iedere ochtend doet hij zijn best om iets aan het sleetse jugendstilgebouw mooi te vinden, maar diep in hem is er iets dat haast heeft, iets dat verlangt naar de volgende veiligheid, de grootste van de dag.

Op het station staat de Chinees te wachten. Natuurlijk staat hij daar, zomer en winter gekleed in hetzelfde wit-zwarte zeiljack en dezelfde zwarte broek, op zijn post, schuin onder de middelste stationsklok. Zeer bijziend spelt hij vanaf niet meer dan vijf centimeter afstand de Metro. Af en toe loert hij scheef omhoog en exact op het moment dat de klok naar elf minuten over zes springt, verlaat hij zijn standplaats en loopt naar de plek waar, drie minuten later de achterste deur van het voorste treinstel zich zal bevinden. Dat doet hij iedere dag, zonder variatie. N. van Gesselt geniet daarvan: een zielsverwant, een lotgenoot. Een medepatiënt? Als je er zelf zo een bent, herken je de subtiele trekjes bij anderen.
Zielsverwant, maar beslist verschillend van elkaar in methode. Want N. van Gesselt pakt het treinprobleem volstrekt anders aan: hij heeft niet een vaste plaats op het perron, maar een vaste plek in de trein. Hij is flexibel genoeg om voor- dan wel achterin de trein te kunnen gaan zitten, zolang hij maar, achteruitrijdend, aan de linkerkant, met een raam naast zich, op een bank kan zitten waar geen mensen tegenover hem plaats kunnen nemen. Niet alleen is dat meer privé, maar bovendien is de kans op door modderschoenen besmeurde bekleding op die manier veel kleiner. Eén van de neuroses waar hij aan lijdt (of moet hij zeggen: van geniet?) heet thigmofilie, weet N. van Gesselt sedert enige tijd. Het verlangen naar geborgenheid.
Vooral in de winter is het heerlijk om tegen het raam te leunen, het hoofd half naar binnen gewend, terwijl de geur van warmer wordende kleding en de duisternis van de kou buiten zijn synesthetische zinnen door hun contrast vervullen met vrede.

Als hij na een te kort ritje in Den Haag de trein verlaat, ziet hij op een naastliggend spoor de sneltram naar Rotterdam klaar staan voor vertrek. Hij is jaloers op de mensen erbinnen. Allemaal veilig, en hij niet langer.
Hij houdt heel erg van de grote klok aan de noordelijke uitgang van het station. De wijzerplaat ervan is leeg, de wijzers ontbreken. Het verschaft hem een zeer kortstondig moment van tijdloosheid, voordat hij het winderige plein en de bitse rechtlijnigheid van de buitenwereld betreedt. Hij haast zich naar de dienstingang, niet meer op zoek naar veiligheid, maar meer om te ontkomen aan de verwarrende onveiligheid van het plein, dat in alle opzichten een onaangename mislukking is.
Om tien voor zeven betreedt hij het gebouw waar hij de dag door zal brengen, onderhevig aan de constante grillen van een falend klimaatsysteem. Daar is geen tijd voor duidelijke veiligheden. Dat heeft hij geaccepteerd, maar het blijft moeilijk.