Posts tonen met het label Boeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boeken. Alle posts tonen

maandag 10 augustus 2026

Leesrapportje 20


Jeroen Brouwers - De laatste deur


Zonder aantoonbare reden heeft de rapportage weer een tijdje stilgestaan. Zo raak ik steeds verder achter, niet dat dat uitmaakt: mijn leeslijst is allesbehalve actueel. Veelal lees ik de veteranen van mijn boekenkast, zoals ook nu weer. 
De belangrijkste dag in mijn jonge ontwikkeling als kritische cultuurmens was die dag dat Uitgeverij E.M. Querido, waar mijn vader werkte, fuseerde met Uitgeverij de Arbeiderspers, waar alle geweldige boeken vandaan kwamen, die dientengevolge nu langzamerhand allemaal in het ouderlijk huis begonnen op te doemen. Het werd een vast ritueel: drie à vier keer per jaar kwam pa thuis met een aantal dozen boeken die hij mocht houden. Aanvankelijk kreeg hij zonder meer alles van beide uitgeverijen (en de gelieerde wetenschappelijke uitgeverij Boom), en later, tijdens rigoureuze bezuinigingen mocht hij een pakket samenstellen hetgeen hij, met mijn enthousiaste input, ijverig deed.
Deze in 1983 verschenen bundel opstellen en artikelen over zelfmoord in de Nederlandse literatuur heeft een jaar of veertig in mijn boekenkast staan wachten op lezing. Hoewel Brouwer altijd een verzorgd Nederlands schrijft, zijn sommige stukken beter dan andere. Achteraf gezien is het eerste langere segment, over Jan Emiel Daele het mooist geschreven.
Iedereen komt aan bod: Jan Arends, Jan Emmens, Menno ter Braak, Jotie ’t Hooft en Dirk de Witte als bekendere schrijvers, maar Brouwers archieven bevatten gegevens over zelfs de meest onbekende schrijvers uit Nederland en België.
Aan bod komen de verschillende motieven die de plegers gehad hebben, alsook de methodes, en of die zich van tevoren in het oeuvre reeds aangekondigd hadden (heel vaak wel). Zo wordt het boek een uitputtend werk, ook niet zonder polemieken, hoewel nooit zo fel als bijvoorbeeld bij Hermans te bespeuren valt. Een zekere romantische mildheid in zijn felheid is Brouwers niet vreemd.
Wat vreemd is de redenering achter de gekozen terminologie. Brouwers betoogt dat zelfmoord niet op te vatten is als een misdrijf, en dat dus het werkwoord plegen niet van toepassing kan zijn. Om die reden kiest hij voor begaan. Voorts betoogt hij dat het onnodig en onwenselijk is om verbloemende termen te gebruiken, dus zelfdoding of suïcide, laat staan euthanasie moeten worden afgewezen ten gunste van het harde zelfmoord. Dat in die term dezelfde criminaliserende connotatie aangetroffen wordt als in het begrip plegen, wordt niet uitgewerkt. Een heel bizar voorbeeld van meten met twee maten, vind ik, Ikzelf vind alles best, al gebruik ik altijd gewoon het traditionele begrip zelfmoord plegen, als het opkomt in de conversatie. 
Zelfmoord blijft een boeiend onderwerp voor Brouwers, getuige ook latere boeken van hem, als De versierde dood (1989) en De zwarte zon (1999).

Menno Ter Braak, Simon Vestdijk, Edgar Du Perron 

Menno ter Braak / E. Du Perron - Briefwisseling 1930-1940

Een half jaar geleden besloot een stokoude Haarlemmer uit de Kleverparkbuurt te verkassen naar een verzorgingshuis. De twee verdiepingen van zijn bovenwoning, met zijn veel te steile trappen werd hem teveel. Zijn bibliotheek kon hij niet meenemen en dus zette een van zijn kinderen een advertentie op Facebook: gratis op te halen, zoveel boeken als je maar wilt.
Ik was op de fiets en beperkte me dus tot twee tassen, waar ik onder andere in wist te proppen: acht delen correspondentie van Edgar Du Perron, en de vierdelige briefwisseling van hem met Menno Ter Braak. Die vier dundrukdelen heb ik nu uit. Het las als een trein.
Het is heel makkelijk om je te identificeren met deze twee dertigers van een eeuw geleden, omdat ze zich bezig hielden met die zaken waar literaire dertigers in een politiek woelige tijd zich altijd mee bezighouden: ontdekken, bekritiseren, definiëren, vormen. Zo fel en radicaal mogelijk.
Hoewel Ter Braak een jaar of vier jonger was dan Du Perron, was hij van de twee het bedaarde, oudere mannetje, ook al was ook zijn mening fel en vaak ongenuanceerd. Du Perron was echter een eeuwige jongen, met het hart op de tong en een gloeiende geest die brandde en vlamde. De twee mannen vertegenwoordigen in feite de ideale synthese van… mij, laat ik het maar zo stellen. In mijn 68-jarige hoofd wonen op hetzelfde moment twee personen: de woedende, compromisloze, negentienjarige jongen die alles tot een absolute waarheid wil uitredeneren en de bedaarde, tot bedachtzame rust gekomen half-bejaarde, die in zijn pantoffels van stoel naar bank loopt, dan weer terug van bank naar stoel, tevreden genietend van de stilte.
Uitgesproken in zijn meningen, lang niet altijd fair, veel te kritisch en beslist te ongeduldig met domme, leugenachtige of gemakzuchtige medemensen. Tegelijk wijs en laconiek mild, bijna op een arrogante manier als iets dat anderen druk bezig houdt hem niet raakt. Zo las ik mezelf, vertegenwoordigd in de twee vrienden totdat hun beider levens, dagen na elkaar, tot een einde kwamen in de meimaanden van 1940.
Hoewel deze vier boeken dus vooral over mezelf gingen, leverden ze ook een mooi beeld op van het literaire leven in Nederland in het interbellum. Een enorme reeks aan namen passeerde de revue, onder wie tamelijk prominent ook Fredje Batten, van wie ik op het lyceum nog Nederlands heb gehad. Ze nemen hem niet helemaal serieus, die twee, maar ze houden wel een beetje van hem.

Pierre Drieu la Rochelle - Aan elke vinger een vrouw


Pierre Drieu la Rochelle, 3 januari 1893 - 15 maart 1945, heeft de geschiedenis helemaal verkeerd gelezen, waardoor hij zichzelf min of meer buitenspel gezet heeft. Hij koos ervoor een nazi te zijn. Niet vanaf het begin echter. In 1917 trouwde hij met Colette Jéramec, de zuster van een joodse vriend. In 1921 scheidden ze alweer. Hij stond sympathiek  tegenover de dada-beweging, het surrealisme en het communisme. In de jaren twintig was hij een goede vriend van Louis Aragon en Jacques Rigaut. Allengs helde hij meer over naar royalisme aanvankelijk, later ronduit fascisme en antisemitisme. Tegen het einde van de oorlog bleek hij ineens weer geswitcht te zijn naar het stalinisme. Ondanks de bescherming die hij genoot van onder andere zijn invloedrijke
vriend André Malraux, wist Drieu niet meer te ontsnappen aan de infame reuk die om hem heen hing en hij pleegde uiteindelijk zelfmoord.
Uit de tijd dat hij nog niet zover gezonken was, 1925, dateert dit boek, L’homme couvert de femmes, in de Nederlandse uitgave vertaald door Arnold de Niet.
Dit is weer zo’n boek dat al vijfenveertig jaar in mijn kast op lezing heeft staan wachten. Ik bespeur stilistische verwantschap met Raymond Radiguet en Guillaume Apollinaire, beide nadrukkelijk anti-romantische schrijvers die met hun zakelijke stijl het liefdeleven wensen te fileren. De immoralist van
André Gide is ook vergelijkbaar, maar wel gepassioneerder, romantischer dus.
Gille, de jonge hoofdpersoon van deze korte roman bezit een onvermogen om zich volledig te geven in zijn relaties. Dit deprimeert hem en doet hem walgen. Hij minacht zichzelf en het object van zijn lusten in gelijke mate. Een nieuwe verovering erbij verveelt hem na één nacht alweer en hij gaat op zoek naar nieuwe impulsen. Oudere vrouwen, jongere, dames en boerenmeiden, prostituées.
De hoofdpersoon wordt in zijn zakelijke zelfbeschrijving allengs onbegrijpelijk. Hij spreekt zichzelf constant tegen, oorzaak wordt gevolg en vice versa, hij doet algemene uitspraken over de liefde die volledig tegen hun eigen context ingaan. Allengs ontpopt Gille zich aldus als een soort psychopaat en een extreme narcist. Als er al lessen te leren waren, waren die diep verborgen en ongevraagd. Ik vond het uiteindelijk geen plezierig boekje, zomin als ik Le Diable au corps van Radiguet een plezierig boek vond, en vrijwel om dezelfde reden.

zondag 22 maart 2026

Kroonjaar

De oudste foto die ik heb waar we allebei opstaan,is een klassenfoto uit 1963. Jan-Paul en ik waren zeven. Onze moeders hadden allebei een voorliefde voor strikjes met een lint. 
Zolang als ik me kan herinneren stimuleerden we elkaar tot nadenken. Meestal was het Jan-Paul, zo jong als hij was al enorm belezen, om met nieuwe theorieën aan te komen. Nog op de lagere school filosofeerden we al over het begin van de tijd, en wat daarvoor kwam. Jan-Paul schokte me met zijn theorie van de continentale drift en liet zien hoe Afrika en Zuid-Amerika in elkaar pasten als een legpuzzel. We hingen de theorie aan dat de dinosaurus uitstierf door een enorme meteoor. Jan-Paul opperde dat vogels de directe nakomelingen zijn van de dinosaurussen. Ik kwam dan weer met zwarte gaten aanzetten, waarvan de zwaartekracht zo sterk is dat zelfs licht niet er meer kon ontsnappen. We koesterden al deze kennis als Geheime Kennis, want we meenden dat dit alles in strijd was met de gangbare, meer burgerlijke theorieën.
In ons latere leven zijn we elkaar blijven stimuleren, artistiek, filosofisch en intellectueel. Zeker tot ons twintigste waren onze interesses bijna kopieën van elkaar. We luisterden naar dezelfde muziek, lazen dezelfde boeken, deden telepathische experimenten (helaas nee…), rookten dezelfde shag en dezelfde hasj (Rode Libanon, meen ik), dronken dezelfde wijn (vaak Luxemburgse). We maakten samen strips, hoorspelen, limerick- en ollebolleke-cycli, schreven samen scabreuze gymnasiastenporno (Rhododaphnè en Euklippos), reisden naar Haarlem, Den Bosch, Utrecht, Maastricht om er de musea, kastelen en kerken te bezoeken.

Robert (foto: Mariët Sieffers)

Natuurlijk groeiden we naderhand uit elkaar. Jan-Paul ging in Utrecht studeren, ik bleef in Amsterdam. Jan-Paul werd musicus, ik nietsnut. Jan-Paul zong liederen van Schubert, ik voerde na een heerlijke periode van langdurige werkloosheid boektitels in in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek. Ik ging met pensioen, Jan-Paul ontdekte geleidelijk dat ook hij een soort pensioen ingleed.
Gepensioneerd nu, voer ik nog steeds zo weinig mogelijk uit en is Jan-Paul nog altijd heel actief met dit en dat. Als je ons vandaag naast elkaar zet, zou je niet zeggen dat ons innerlijke leven onontwarbaar met elkaar verweven is. En toch is dat zo, nog steeds. We zijn tweelingbroertjes. Thans kaal en met een grijze baard.

Jan-Paul (foto: Paulien Kop)
Om te vieren dat we de rijpe leeftijd van zeventig bereikt hebben, hebben we een boekje uitgegeven. Iets dergelijks hebben we wel vaker gedaan: bij vorige kroonjaren (50, 60 en 65) stonden we stil met cd's (Dwarsliggers en Wat ik later wilde worden) en vertaalde pop- en rockteksten (Raconteur, troubadour). Dit kroonjaar besloten we een bloemlezing uit eigen literair werk te publiceren. Verhalen en gedichten die we schreven tussen 1975 en 2025, een halve eeuw. Het al te vroege jeugdwerk heeft het boekje niet gehaald en, lezer, wees daar maar blij om.
Hierbij presenteren we Kroonjaar. Een kwatrijn van Adriaan Roland Holst onder die titel dient als motto van ons boek:

Leeg en gehuldigd
kwam hij thuis,
vermenigvuldigd
tot een muis.

Vandaag, precies tussen ons beider verjaardagen in, kondigen we dit boekje aan.

Jan-Paul van Spaendonck & Robert Eksteen - Kroonjaar. - Amsterdam/Haarlem, Uitgeverij Faun, 2026.

U kunt het boekje HIER bestellen.


maandag 12 januari 2026

Leesrapportje 19


Marisha Pessl - Night Film

Dit is een van de lievelingsboeken van mijn zus. Het is een beetje een vreemd boek. Een wirwar van stijlen, en toegevoegd een hele serie quasi documentaire illustraties die zogenaamd gescreenshot zijn van het internet, maakt dat ik het meteen kon rangschikken als postmodern (een merkwaardige term voor een merkwaardig genre waarvan je intuïtief doorgaans precies weet wat het inhoudt, zonder dat je er ooit een duidelijke definitie bij hebt. Ik moet daar later toch eens dieper op in gaan).
De 600 pagina’s dikke roman begint als een best geslaagde pastiche van het hard-boiled genre à la Ross Macdonald of Raymond Chandler, maar allengs wordt de verhaallijn overgenomen door iets heel anders: het occultisme. Een cultregisseur, een soort mengsel van Stanley Kubrick en Dario Argento is wel of niet een beoefenaar van de zwarte kunsten, ten koste van vele levens, waaronder dat van zijn dochter Ashley. Een onderzoeksjournalist bijt zich vast in de zaak.
Ondanks dat Pessl best kan schrijven, is het bepaald geen meesterwerk geworden. Het ergerlijkst vind ik haar gewoonte om te pas en te onpas en zonder enige inhoudelijke reden zinnen en woorden te cursiveren, blijkbaar om ons, domme lezertjes, met al te grote nadruk te wijzen op datgene wat ons anders misschien zou ontgaan. Het doet me een beetje denken aan die malle filmpjes die op de sociale media rondgaan van auto-ongelukken of van de dakgoot vallende katten, waarbij de auto of de kat voorzien is van een volstrekt overbodige grote, rode pijl. Ja hallo, dat zien we toch zelf wel?
Aan het eind blijkt dat alles anders was, en dat er eigenlijk helemaal niets aan de hand was. Weer zo’n typische, bloedarmoedige wending, die een zwaar postmodern boek als Nachtzug nach Lissabon ook zo teleurstellend maakt.
Wie van een breed uitgemeten werkstuk houdt, dat voorzichtig op zijn tenen allerlei literaire grenzen overschrijdt zonder daarbij ooit echt opwindend of experimenteel te worden, kan ik het wel aanraden. Grote literatuur, of zelfs maar grote postmoderne literatuur is het echter niet.
 


André Gide - De immoralist

Dit dunne boekje heb ik na zo’n 45 jaar 
herlezen. Opnieuw in de goede vertaling van H. Marsman. Het is typisch zo’n boekje dat wij als jong volwassenen allemaal gelezen moesten hebben, zoals Narziss en Goldmund van Hesse, The Picture of Dorian Gray van Wilde, de twee boekjes van Raymond Radiguet of Het grote avontuur van Alain-Fournier.
Er is een reden waarom ik de afgelopen jaren al deze boeken aan het herlezen ben geweest: mijn geheugen is zodanig vervallen geraakt dat ik me hun inhoud nauwelijks nog kon herinneren. In de hoogste mate gold dat voor dit boekje van Gide, dat nu totaal anders “aanvoelt” dan ik me nog vaag meende te herinneren.
De Immoralist beschrijft de ontwikkeling van Martin die zich steeds meer loszingt van de heersende moraal en gangbare normen. Hij is een rusteloos mens, die min of meer doelloos rondreist door Algerije met zijn vier jaar jongere vrouw Marceline. Het is hun huwelijksreis. In het eerste deel van het boekje is Martin ernstig ziek, hij heeft TBC. Zijn vrouw verzorgt hem en helpt hem er bovenop. Aanvankelijk hield Martin niet echt van Marceline, maar allengs ontwikkelt hij gevoelens voor haar.
Maar Martin heeft er andere passie bij. Hij vertoeft het liefst bij allerlei Algerijnse jongens van rond de tien jaar. Het hele boek zit vol met homo-erotische en pedoseksuele toespelingen. Het wordt nooit expliciet, maar toch…
Het zijn ook niet die gevoelens die zo immoreel zouden zijn. Het immorele zit hem meer in Martins toenemende afkeer van alle gangbare normen en waarden.
In het tweede deel draaien de rollen zich om. Het paar verblijft een tijd op het landgoed van Martin, daarna reizen ze naar Italië waar Marceline op haar beurt TBC oploopt. Martin is overbezorgd, maar in tegenstelling tot Marceline is hij niet in staat voor haar te zorgen en laat hij het afweten. Het paar keert terug naar Noord-Afrika, waar Marcelline na enige tijd sterft.
Martin is immoreel, maar een monster wordt hij niet. Hij is zwak en narcistisch, misschien niet bijzonder sympathiek, maar daar blijft het wel bij. Zijn slappe machteloosheid is zijn meest in het oog lopende eigenschap.
Iemand merkt ergens op het internet terecht op dat de titel beter De amoralist zou hebben kunnen zijn. Doorheen het werk treft men de filosofie van Nietzsche aan, die altijd een grote inspiratiebron voor Gide geweest was. Ik moet ondertussen langzamerhand mijn mening omtrent de Franse romanciers van de periode 1890-1920 eens gaan herzien.


Ilja Leonard Pfeijffer - Grand Hotel Europa

“Wie zich niet alles herinnert wat hij wil vergeten, loopt het risico dat hij bepaalde zaken vergeet te vergeten.”

Ger H. had het boek al na een paar bladzijden terzijde gelegd. En inderdaad, vanaf het begin wil de schrijver niet verbloemen dat hij pompeus is en kwasterig. Maar Pfeijffer kan goed schrijven, dat wel. Ik vergelijk hem graag met A.F.Th: ook zo’n grote, zware, ietwat pompeuze, gevestigde schrijver van populaire, maar niettemin betere boeken, dikke werken met een soepele pen geschreven, maar telkens gevaar lopend in pedanterie terecht te komen.
Met Grand Hotel Europa heeft Pfeijffer een ideeënroman willen schrijven die de geest van het Europa van nu vangt en die Thomas Manns De toverberg naar de kroon wil steken. Daarin is hij geenszins geslaagd. Wat bij Mann op subtiele wijze langzaam bij de lezer doordringt, wordt er bij Pfeiffer met de voorhamer ingeslagen.
Is dit ambitieuze werk gelukt: maakt Pfeijffer zijn ambities waar?
De overeenkomsten met de Toverberg zijn overduidelijk. Het sanatorium van Thomas Mann is hier een vaag gebleven “Grand Hotel Europa”, een hotel waar ooit de beau monde van Europa vertoefde. De tijd is er stil blijven staan totdat de nieuwe eigenaar de moderne tijd door wijd geopende voordeur naar binnen noodt. In dat hotel kijkt een romanpersonage genaamd Ilja Leonard Pfeijffer terug op zijn stukgelopen verhouding met de Italiaanse kunsthistorica Clio. Hij raakt meermalen in gesprek met Patelski die ook heel veel heeft nagedacht. Hij meent dat er een duidelijke parallel aan te wijzen valt tussen het massatoerisme en het vluchtelingenvraagstuk. Hun dialogen zijn als uit elkaar gevlochten essays. Het zijn dialogen waarin de twee sprekers het volledig met elkaar eens zijn. Het Avondland heeft zijn jeugd verloren en is op. Net als de eigenaresse van het hotel leeft Europa alleen nog maar in het verleden. Het dreigt, net als Venetië, een dode schijn te worden, nog slechts voortbestaand in dienst van het massatoerisme.
Alle sprekende karakters, of ze nu Patelski zijn, minderjarige snolletjes of Macedonische gangsters, klinken allemaal als bezadigde hoogleraren van achter in de vijftig. Ze dreunen hun zware en compacte volzinnen op alsof ze voorlezen uit een geleerd boek, compleet met exordium, narratio, propositio, argumentatio en peroratio. Het doet denken aan de manier van oreren in de klassieke literatuur en aangezien Pfeijffer een classicus is, begrijp ik waar het vandaan komt. Wat de bedoeling van deze ernstige precisie is, ontgaat me evenwel. De jonge Geerten Meijsing leed ook wat aan dit euvel, maar hij heeft het grotendeels overwonnen.
Wat Pfeijffer bepaald niet kan, is lichtvoetig en geestig schrijven, al probeert hij dat wel geregeld, en terecht ook, want het boek heeft zoiets nodig. Maar het is als een klassiek pianist die jazz probeert te spelen: alle nootjes zijn er, en hij beheerst zijn instrument als weinig anderen, maar dit ene, specifieke trucje, dat een zekere losheid vereist, dat trucje lukt hem niet.
Wat bedoeld is als satire, komt log en zwaarmoedig uit de pen. Domheid en oppervlakkigheid worden veel te dik aangezet en overtuigen geen moment. Een beetje lichtvoetigheid, een subtielere penseelvoering zou veel goeds gedaan hebben. Vooral de satirische beschrijving van de avonturen van twee stellen ramptoeristen, compleet met een op eerwraak gebaseerd verkrachtingsverhaal, komt vies en contraproductief over. Geen enkele reiziger, hoe bot ook, zal ooit verlekkerd vol kunnen houden dat het meemaken van een dergelijke gruwelijke traditie, waarbij ze ook nog eens driedubbel overduidelijk onwelkom waren, een voorrecht en een "verrijking" was.
Al met al was het een boek dat, weliswaar in goed en verzorgd Nederlands geschreven, bij mij niet beklijven kan.

donderdag 20 november 2025

Leesrapportje 18


Wim Hazeu - Slauerhoff : een biografie

Ik had eerder al eens Hazeu’s biografie van Gerrit Achterberg gelezen. Ik was daardoor niet echt een fan van deze biograaf geworden. Hij wilde graag zelf, herinner ik me, nogal eens hinderlijk in beeld komen staan, het uitzicht op die getormenteerde en geesteszieke dichter belemmerend. Toegegeven: dat doet hij minder in het onderhavige werk, waar mijn grootste kritiek op de schrijver vooral nu juist zijn afwezigheid betreft. Er worden geen conclusies getrokken, er wordt geen partij gekozen, er wordt niet diep ingegaan op controversiële kwesties. Het resultaat is een dikke, brave, ietwat bloedarmoedige opsomming van op zich niet vreselijk interessante gebeurtenissen die tezamen het leven vormen van een zelfverklaarde poète maudit. Het probleem is hier dat wat blijkbaar een zeer boeiend, stormachtig binnenleven geweest is, zich manifesteert als een saai, kleinburgerlijk buitenleven met veel sleur, herhaling en gekibbel. Ik ben ervan overtuigd dat een grondige psychologische evaluatie van Slauerhoff een heel ander beeld zou op kunnen leveren dan dit: een stugge Fries met een zwakke gezondheid wordt scheepsarts, houdt van reizen en gaat vroeg dood. Hij is in Azië geweest, Zuid-Amerika en Afrika. En dat was het.
Hazeu blijft altijd voorzichtig, op het makke af. Hij is niet in staat of bereid werkelijk diep in te gaan op de persoon van Slauerhoff. Het is net of de psychologie van de dichter/arts hem te hoog gegrepen is. Een voorbeeld: rond pagina 400 bespreekt Hazeu de legendarische slordigheid van Slauerhoff. Hij richt daar zelfs een (à propos) hoofdstukje over in. Maar zijn diepgravende analyse gaat niet veel verder dan Slauerhoffs slordigheid te verklaren uit ofwel slordigheid, ofwel rebellie. Tja, zo lust ik ze ook wel! Dat vind ik een beetje gemakzuchtig. Ook het liefdeleven van Slauerhoff wordt met de grootste omslachtigheid behandeld. Slechts een enkele keer laat Hazeu doorschemeren dat een relatie meer behelsde dan een simpele vriendschap. Seksueel vrijgevochten gedrag in het eerste kwart van de 20e eeuw in een provincie als Friesland, daar kan dunkt me wel wat interessanter over geschreven worden, ook zonder nu direct sensationalistisch te worden.
Ook bijvoorbeeld het pesterige gedrag van Slauerhoff jegens zijn vrienden, gezet tegenover zijn aimabele en vertrouwenwekkende houding ten aanzien van zijn patiënten wordt uitgebreid en bij herhaling benadrukt, maar nooit volgt er een poging tot verklaring. Was Slauerhoff amoreel, een sociopaat misschien? Of was hij mogelijkerwijs bipolair? Kunnen bepaalde aspecten van zijn leven en werken uit zijn dubbelzinnige gedrag of karakter verklaard worden? Allemaal goede vragen die Hazeu niet eens waagt te beantwoorden. Hij lijkt op een soort Ivo Niehe van de biografie.
Zo hapt de biografie makkelijk weg, als de lichte kost die ze is. En zo blijft het leven van Slauerhoff een weinig opwindende opeenvolging van gebeurtenissen, resulterend in een vroege dood. Als ik de bestaande recensies van dit boek op het internet doorneem krijg ik het gevoel dat ik met deze conclusie zoals gewoonlijk weer een minderheidsstandpunt inneem.

Eric Min - Rik Wouters : een biografie

Deze biografie lag al een tijd op me te wachten. Ik had haar jaren geleden meegenomen uit de Witte Bibliotheek, de forse boekenruilkast van het personeel van de Koninklijke Bibliotheek en toen ik tijdens een bezoek aan Mechelen ontdekte dat Wouters een van de beroemdste zonen van die stad was, leek het logisch om het boek eens op te pakken. Het dikke werk vertelt het korte leven van de kunstenaar Rik en zijn geliefde, Nel.
Hendrik Emil Wouters
(Mechelen, 21 augustus 1882 - Amsterdam, 11 juli 1916) was een eenvoudige jongen, die niet vreselijk goed in leren was, het liefst rondliep in klompen en tevreden was met zijn natje en zijn droogje. Het enige dat hij graag deed, en met passie, was beeldhouwen en schilderen. 
Hélène Philomène Leonardine Duerinckx (Schaerbeek, 18 oktober 1886 - 11 augustus 1971) was vanaf haar zestiende Riks model en minnares. Ze was een doortastende vrouw, zonder wie het oeuvre van Rik waarschijnlijk nooit zo prominent in de geschiedenisboeken terechts zou zijn gekomen. Zij regelde al Riks zaken, reisde stad en land af om zijn werk te promoten en beheerde na diens dood de nalatenschap. Rik heeft haar duizenden malen verbeeld, de was ophangend, dansend, peinzend, masturberend.
Dit idyllisch geluk werd doorkruist door ten eerste de Wereldoorlog, waarna het stel als gedemilitariseerde vluchteling via Kamp Zeist in Nederland terecht kwam, en ten tweede Riks ziekte, een venijnige kanker in de kaak die eerst zijn gezicht verminkte en hem ten slotte op jonge leeftijd deed sterven, ver weg van Vlaanderen, in Amsterdam, aan de Kostverlorenkade, pal tegenover het huis waar mijn grootouders later kwamen te wonen. Zijn lijden moet verschrikkelijk geweest zijn, reden waarom het boek soms al te veel schrijnde. De vijfenzestig jaar na zijn dood dat Nel nog leefde (en hertrouwde en nogmaals…) heeft ze zich beijverd om van Rik Wouters een gevestigde naam te maken en dat is haar gelukt.
Hier en daar is de schrijfstijl van Eric Min… lollig. Rik Wouters schilderde niet zozeer, hij borstelde een portret bij elkaar. Zelf een ironisch en humoristisch schrijver zijnde, weet ik dat zoiets maar heel kort leuk blijft.

Gerlach Ribbius Peletier - Dagboeken 1872-1886

Ook dit boek is verworven in de Witte Bieb. Als er iets is dat ik mis van mijn oude werkomgeving is het dat wel! 
Qua uitvoering is dit een heel bijzonder boek geworden. Zakelijk gebonden, met een omslag van doorzichtig plastic, diverse pagineringen in diverse formaten binnen de band, en een collectie losse facsimilé’s van toegangs- en treinkaartjes in een envelop maken van het boek meer een experience. Blijkbaar was er genoeg geld, en schroomde men niet dat te tonen. De uitgever was Stichting Landgoed Linschoten, opgericht door de laatste particuliere eigenaar Gerlach Ribbius Peletier (1887-1969), een zoon (?) van de dagboekschrijver.
Bol.com vermeldt: “In 1875 vertrekt de pas afgestudeerde Gerlach Ribbius Peletier uit Leipzig, terug naar Utrecht en een baan in de sigarenfabriek van zijn vader. Gerlach is vol plichtsbesef, maar kunst, vrienden, vriendinnen en de natuur blijken voor hem dierbaarder dan het zakenleven. Hij vlucht in lange reizen, van Noord- tot Zuid-Europa. Hij is een van de eerste toeristen, maar ook zakenreiziger, kuurpatiënt en kunstkenner-in-de-dop. Confrontaties met zichzelf en zijn vader blijven echter niet uit. In Leipzig begint Gerlach aan een dagboek en terugblik, die elf jaar later eindigt bij zijn huwelijk. Verscholen achter een nu bijna vergeten stenoschrift beschrijft hij - altijd oprecht tegenover zichzelf - zijn persoonlijke odyssee, door een wereld die net als hijzelf op de drempel staat van de moderne tijd.”
De integraal opgenomen tekst van het dagboek is aangevuld met pedante inleidingen door de bezorgers over de achtergronden van Gerlachs dagboek en noten, en rijk geïllustreerd met foto's en archiefmateriaal uit het persoonlijk bezit van Gerlach en zijn familie. Baedeker-kaarten, ansichtkaarten en portretten verluchten het boek. Alles eraan is mooi en goed verzorgd.
Aldus geïllustreerd volgen we de jongeman op zoek naar schoonheid en couleur locale doorheen heel Europa. Niet dat hij vreselijk veel meemaakt. Hij is op een afstandje verliefd op een meisje in Leipzig, misdraagt zich een beetje studentikoos in Italië en keert uiteindelijk terug om in Utrecht het familiebedrijf te gaan werken.
Dit zou zomaar een heel fijn, romantisch reisboek hebben kunnen worden, ware het niet dat de jongeman op den duur nogal een zeur bleek, dus halverwege vond ik: genoeg is genoeg. Het boek lag me ook letterlijk te zwaar in de hand en ik kreeg klachten, net als eerder bij te zware boeken. En RSI heb ik voor geen enkel boek meer over.

 

zaterdag 25 oktober 2025

Leesrapportje 17

Dan Jones - The Templars

Voor de verandering Heb ik maar weer eens een geschiedenisboek opgepakt. Gezien de achternaam van de schrijver/televisiemaker en zijn specialisme (Middeleeuwse geschiedenis en Kruistochten) dacht ik dat hij misschien een zoon kon zijn van Monty Pythons Terry Jones, die immers ook historicus was en zelfs een televisieserie heeft gemaakt over diezelfde Kruistochten, maar dat bleek niet zo te zijn.
Op het omslag belooft dit boek heel wat: “Triumphant. As addictive as a page-turning novel.” Die belofte wordt niet waargemaakt, maar dat is de auteur nauwelijks aan te rekenen. De waarheid is dat de beschreven geschiedenis (1100-1310) een aaneenschakeling is van feodale heersers, vestingen en veldslagen. Er is wel getracht om het boek te verlevendigen, maar dat is, puur door het onderwerp niet overal gelukt. Sommige prominente karakters hebben wel een beetje psychologische invulling gekregen, maar lang niet alle. Dat zal beslist met de beschikbaarheid van historische bronnen te maken hebben. Het blijft allemaal een beetje een dorre opsomming, alle lovende kreten op het voorblad ten spijt.
Hoe een zo machtige multinational als de Tempeliers in zo korte tijd heeft kunnen ontstaan wordt niet helemaal uitgelegd. Zoals het er nu staat lijkt het haast alsof de tijd er rijp voor was, dat een dergelijke organisatie noodzakelijk was in het gegeven tijdgewricht. Alle betrokken vorsten en kerkelijke machthebbers waren vanaf het begin bereid om aanzienlijke sommen gelds, stukken land en onroerend goed weg te schenken aan de prille organisatie en al twintig jaar na zijn stichting is de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo een niet meer weg te cijferen machtsfactor in het Midden-Oosten. De van oorsprong Cisterciënzer orde beheert bankzaken, infrastructuur, diplomatie en politiek in het gebied en beschikt daarbij over een eliteleger met voorbeeldige discipline. Twee eeuwen lang volgen er grote militaire nederlagen en overwinningen. Tijdens de jaren van militair verval gaat de orde zich langzamerhand meer toeleggen op de civiele nevenzaken: het bankwezen en de politiek.
Het laatste gedeelte van het boek, dat me op voorhand meer interesseerde dan die vermoeiende, eindeloze, monotone reeks veldslagen en slachtpartijen wordt helaas maar heel summier beschreven. En dat is jammer, want juist hier lees ik een aantal dingen die ik niet wist, en die mijn beeld behoorlijk bij hebben gesteld.
Ik had bijvoorbeeld altijd gedacht dat de laatste Meester van de Tempeliers, Jacques de Molay, een heldhaftige figuur was, maar Jones schetst hem als een zwakke, kleingeestige opportunist. Ook had ik altijd gedacht dat Philips IV en Clemens V samen de orde vernietigd hebben, maar in werkelijkheid was de paus een ondergeschikte figuur naast de koning, die geheel zelf verantwoordelijk was voor de demonisering van de Tempeliers. Een studie van 20e- en 21e-eeuws populisme zou Philips IV als prototype kunnen beschouwen. Lees in plaats van Tempeliers: Joden of Marokkanen en je herkent onmiddellijk de onderliggende mechanismen.
Philips IV was het om de bezittingen van de Tempeliers te doen, maar die - en dat heeft de paus dan wel weer handig gedaan - die gingen uiteindelijk grotendeels naar de kerk.
Het boeiende einde was te summier, niet uitgewerkt genoeg om het boek te redden.

Harold Acton - Memoirs of an Aesthete
 

Dit boek werd in 1948 gepubliceerd, drie jaar na Waughs Brideshead Revisited. Ik heb meer belangstelling voor de wat schimmige figuren die tezamen Anthony Blanche vormen (Harold Acton, Brian Howard etc.) dan voor de knorrepot Waugh zelf.
Dit boek bezit ik al een hele tijd, maar tot nu toe was ik er nog niet aan begonnen: de wat meanderende schrijfstijl schrikte me af.
Meanderend? Jazeker, het is alsof Acton zijn hele verhaal ingesproken heeft op een bandrecorder en een secretaris vervolgens de tekst zonder al te veel redactie getranscribeerd heeft. Herinnering wordt structuurloos op herinnering gestapeld. Een beschrijving van een tuin eindigt via een favoriete Londense kledingwinkel in Florence bij een merkwaardige Russische gravin. Op de achtergrond loopt wel een chronologie mee, maar die wordt niet zwaar aangezet.
We maken kennis met een katholieke, welgestelde familie die grotendeels in Italië woont. Het is een bijzonder beschermd milieu: de Eerste Wereldoorlog met alle verschrikkingen fluistert achter de einder voorbij, slechts de bijzondere vluchtelingen (graven en homoseksuele schrijvers, dansers en andere geluksvogels die aan de loopgraven ontsnapt zijn) passeren. Uit alles blijkt dat Harold uit een bijzonder bevoorrecht milieu komt.
Hij gaat, zo te zien vrijwel zonder problemen of complexen, naar Eton, waar hij onder andere Brian Howard ontmoet, vervolgens naar Oxford. De jongemannen zijn vroegrijp, gesoigneerd en niet weinig arrogant. Acton vertelt zodanig zelfverzekerd te zijn over zijn poëzie, dat hij die met een megafoon vanaf zijn balkon declameert, of het publiek nu wil of niet. De lezer van Brideshead Revisted herkent de scene.
Deze memoirs beschrijven niet een mens, maar een periode. In een rotgang wordt er door de hele cultuurgeschiedenis van het interbellum gebrevierd, naam na naam passeert: Jean Cocteau, Gertrude Stein, Robert Graves, Sergej Diaghilev, Alfred Cortot etc. etc. etc. Nooit vertoont de toch zonder twijfel bijzondere persoon die Acton zelf was zich openlijk. Hij lijkt zich volledig te verschuilen achter de mensen en gebeurtenissen die hij, vederlicht fladderend het toneel laat passeren, als een soort contour waarbinnen de mens Acton zelf teruggevonden moet worden. Deze ondraaglijke lichtheid werd me uiteindelijk teveel en ik heb halverwege het boek gesloten.


John Kelly - The Great Mortality: an Intimate History of the Black Death, the Most Devastating Plague of All Time

Dit boek vond ik in een wisselkast in het vakantieadres op Samos en ik heb het zonder enige gewetenswroeging meegenomen. Ik las het op het toilet op de eerste verdieping.
Er bestaat een soort consensus dat de Zwarte Dood van de 14e eeuw ergens in Centraal Azië ontstaan is en via de handelsroutes China, via de havensteden Italië, Spanje en vervolgens de rest van Europa bereikte. Voor het eerst stak het de kop op in de Krim in 1347. De pandemie kostte miljoenen mensen het leven, zulke grote aantallen dat het de maatschappij volledig veranderde.
In The Great Mortality beschrijft John Kelly niet alleen de geschiedenis van de Zwarte Dood, maar ook de geschiedenis van de duiding ervan.
Na dit uitgebreide historisch overzicht concentreert het tweede deel zich vooral op het antisemitisme dat voortkwam uit de diverse epidemieën. Ook daar zijn weer vele parallellen met onze tijd te vinden. Of het nu geïnstitutionaliseerd is of niet, het atavistische complotdenken, het zoeken naar een irrationele oorzaak van alle ellende is van alle tijden. Boeren met fakkels en hooivorken enerzijds of bedenkelijke politieke partijen anderzijds, veel verschil is er niet.
Een aspect dat ik onderbelicht vond was de purgerende werking die de pestepidemie van de veertiende eeuw lijkt te hebben gehad. De heersende theorie, als ik het goed begrepen heb, is dat in Italië de pest de directe aanleiding was voor de renaissance. De malthusiaanse uitdunning van de bevolking, de daaruit volgende herverdeling van goederen en land, dat alles zou de overgang van de Middeleeuwen naar de moderne tijd hebben ingeluid. Betoogd kan worden dat de Renaissance zonder de Zwarte Dood niet ontstaan zou zijn.
Daarover in dit boek slechts een paar pagina’s, die ook slechts een beperkte horizon houden.
Het boek viel me mede daarom een beetje tegen: het werd bovendien op den duur wat taai.


maandag 11 augustus 2025

Bedlezerig 7 (slot)

Ik loop ondertussen allang weer als een (wel heel oude, vermoeide en door het leven gefnuikte) kievit, maar ben nog steeds niet klaar met mijn leesproject. Dus ga ik nog even door, niet langer bedlezerig, maar ambulant lezerig. 
Na de wat atypische boeken uit de vorige aflevering, met paranormale detectives in de ene hoek, autistische wijsneuzen in de andere, lezen we nu weer een normale reeks, over een normale commissaris in Florence (de derde al in deze reeks!) die normaal getrouwd is en een normaal team onder zich heeft.

Michele Giuttari vertelt, ook alweer vertaald door Howard Curtis, over de zaken van commissaris Michele Ferrara.
Het toeval wil dat de geboren Siciliaan Michele Ferrara uit de boeken precies dezelfde functie heeft als zijn schepper, de geboren Siciliaan Michele Giuttari tijdens zijn werkzaam leven had en dat blijkt vooral uit de enorme insiderkennis die uit de boeken blijkt. Deze romans zijn policiers geworden zo waarheidsgetrouw, dat sommige hoofdstukken dreigen niets meer te worden dan opsommingen van procedures. Zoals het hoort zijn ook in dit geval de boven ons gestelden uitsluitend bezig met het ondermijnen van deugdelijk politieonderzoek, en zoals gebruikelijk blijft onze hoofdinspecteur onder die omstandigheden laconiek en tegendraads.
Wat de boeken dan toch een beetje smeuïg probeert te maken is het toevoegen van allerlei seksuele aberraties, iets dat niet altijd even goed uit de verf komt.
In de eerste vertaalde roman, A Florentine Death komt een ontluikende seksrelatie tussen een “soort” homo en een “soort” lesbienne ons rauw op het dak vallen. Dit gegeven eist een zo grote dosis psychologisch inlevingsvermogen, dat deze lezer althans een aantal malen verbluft uitriep: ‘Tut tut.’ En zelfs een keer: ‘Nou nou.’ Dergelijke, psychologisch niet of nauwelijks onderbouwde salto mortales willen er bij mij niet makkelijk in, maar omdat de nogal ongemakkelijke ontwikkeling essentieel is voor de plot (die neerkomt op homohaat, dat voel je meteen tijdens de eerste introductie van het motief), zuchtten we eens diep en ploegden we verder door het boek. En ploegen was het wel een beetje, want eerlijk gezegd vond ik het geheel een beetje saai. Het deed hier en daar denken aan Donna Leon, maar dan zonder haar kleine, vileine grapjes.
Het tweede deel A Death in Tuscany is een stuk strakker gehouden, met veel minder van die sprongen in het psychisch perspectief die je eigenlijk helemaal niet nodig hebt en die het eerste deel wat pretentieus doet overkomen. In dit deel worden we getrakteerd op heroïne en pedofilie, opgehangen aan vrijmetselarij. U heeft het door: geen cliché wordt geweerd. Maar het boek is beslist soepeler geschreven en ik heb het allengs geboeider uitgelezen.

Donato Carrisi heeft een soort Stieg Larsson-achtige faam opgebouwd met zijn ijselijke, literaire thrillers. Ik heb van hem alleen Il suggeritore gelezen, vertaald als The Wisperer. Ik ben niet zo van serial killers en pedofilie, noch van internationale topsuccessen en al helemaal niet van het koket gemunte literaire thriller, dus de stemming was vanaf enige tientallen pagina’s al wel enigszins gezet. Maar ja, ik laat me graag overhalen dus bleef ik aanvankelijk open en onbevooroordeeld (omdat ik dit allemaal toen nog niet wist!) aan het eerste deel van de Mila Vasquez-serie doorlezen.
Wat me van meet af aan opviel was dat het verhaal nergens speelde. Ik bedoel: het was me na enige honderden pagina’s niet duidelijk in welk land we ons bevonden. Niet in Italië, in ieder geval. Gezien de achternamen van de personen, en gezien de naam van een snelweg, Highway 115, moest ik concluderen dat we of in de Verenigde Staten of in Canada waren.
Alles in dit boek is clichématig en gemakzuchtig. Zoals het landschap niet uitgewerkt wordt, zo krijgen de diverse innerlijke landschappen van de hoofdpersonen al evenmin een herkenbare vorm. Ze blijven stuk voor stuk lede poppen die in een leeg decor hun handelingen verrichten. Slechts de ongewone wreedheid van de misdaden maken dat het boek zich onderscheidt.
Mijn ergernis werd allengs zo groot dat ik het nog voor de helft terzijde heb gelegd. Nooit zal ik weten wie die vijf kinderen heeft vermoord door hun een arm af te kappen. Nooit zal ik weten of de zesde nog in leven is. Nooit zal ik ontdekken dat een lid van het onderzoeksteam bij dit alles betrokken is (nu ja, dat las ik dus ergens op Goodreads, maar doet nauwelijks ter zake: de verdachtenpool was zodanig klein dat het wel een van de “good guys” moest zijn!)

Van de Sardijnse auteur Piergiorgio Pulixi heb ik Een steek door het hart (oorspronkelijke titel: Un colpo al cuore) gelezen. En net als bij The Wisperer was dat geen onverdeeld genoegen. Ook de boeken van deze schrijver worden gekenschetst als “literaire thrillers”, en dan gaan mijn schaarse haren al meteen weer rechtop staan. Want meestal zijn zulke boeken erg pretentieus, bij definitie bijna. Daar komt nog bij dat deze thriller in het geheel niet literair blijkt te zijn: de karakters zijn raar uitgewerkt en onplezierig, hun innerlijk zielenleven oninteressant en clichématig. Strega, de mannelijke hoofdpersoon is niet van de straat en citeert links en rechts uit de klassiekers, draait zijn eclectische muziekkeuze en houdt diepe conversaties met zijn humeurige kat, allemaal net als Nathan Sutherland van Philip Gwynne Jones, maar die wordt met humor en lichtvoetigheid gebracht, iets dat in dit zwoegende boek ver te zoeken is.
Ook de plot is niets bijzonders. Een vrij dun verhaaltje, gelardeerd met weer een grote dosis hoogst origineel sadisme, maakt dat je dan maar gaat verder lezen om wat meer te weten te komen van de Sardijnse cultuur en psychologie. Tevergeefs helaas.
Bovendien is dit boek, dat ik niet in een Engelse vertaling heb kunnen vinden, behoorlijk bedorven door de Nederlandse vertaling van Guanita Milder-Wolbers en Saskia Peterzon-Kotte die zich met lompe, onhandige en soms zelfs ongrammaticale zinnen door het oorspronkelijke Italiaans hebben gewerkt. Wat in het Italiaans als “casual cursing” geldt, wordt in het Nederlands nijdig en vulgair schelden met veel meer lading dan bedoeld. Zo worden de twee vrouwen die de hoofdrol spelen ware kijvende secreten, niettegenstaande hun aangrijpende (snik) persoonlijke geschiedenissen. In tegenstelling tot het vorige boek heb ik dit wel uitgelezen, maar ik zal beslist geen volgend deel oppakken.
En nu ben ik het meteen zat ook. Ik ga een paar jaar geen Italiaanse thrillers meer lezen. Ik ben genezen!

zaterdag 26 juli 2025

Leesrapportje 16

F.W.J. Hemmings - Baudelaire the Damned: A Biography


Ik begon het jaar 2023 met een korte biografie van Baudelaire. Ik wist eigenlijk niet veel van zijn leven. Het leek vanuit de verte nogal geheimzinnig en subliem geweest te zijn. Hij schilderde zijn haar groen en schreed door Parijs als een excentrieke dandy, zo was het beeld dat ik van hem had, voor een flink deel gevoed door M*** met wie ik in haar kot onder het genot van menig glas armagnac 45 jaar geleden veel over Franse literatuur gepraat heb. Dat beeld dat zij schetste bleek helemaal niet juist, althans als je dit boek wil geloven. Hoewel ik begrepen heb dat dit bij lange na niet de beste biografie van de dichter is, geloof ik wel dat de levensfeiten betrouwbaar zijn weergegeven. 
Uit het boek komt Charles Baudelaire tevoorschijn als een slappe, niet erg diepzinnige sukkel. Na een weinig gelukkige jeugd bleek hij een moederskindje, een verbrasser en een zwakke minnaar. Zijn hele leven bleef hij financieel maar ook moreel afhankelijk van zijn moeder. Hij kon zo slecht met geld omgaan dat hij zelfs, nadat hij het grootste deel van zijn erfenis erdoorheen gejaagd had, onder curatele gesteld werd en bij al zijn financiële zaken toestemming moest vragen aan toegewezen een beheerder.
Het moederskindje zocht in zijn relaties ook moederfiguren: dominante, niet altijd aangename dames maar vooral Jeanne Duval, een creoolse die hij zo lang mogelijk bleef onderhouden, tot op het punt dat hij daarnaast voor zichzelf geen geld overhad om van te eten. Hij raakte impotent en misogyn. Zijn leven, vond hij, was verdoemd en vervuld van schuld en zonde. Zijn zondegevoel doet bijna protestants aan. Hij bleef sociaal naïef en onhandig. Na een periode van socialisme, werd hij een conservatief met een intens wantrouwen jegens alles wat riekte naar vooruitgang.
Zo middels dit boek (van slechts 218 pagina’s) in vogelvlucht terugkijkend lijkt zijn oeuvre nogal mager en gefragmenteerd. Dat oeuvre bestond uit één onvergetelijke dichtbundel Les fleurs du mal en een aantal prozastukken, onder andere Spleen et idéal en zijn verhandeling over opium en hasjiesj,
Les paradis artificiels. Hij vertaalde en introduceerde Poe en was een warm pleitbezorger voor Wagner. Hij schreef wat beschouwingen over beeldende kunst. Men krijgt de indruk uit de biografie dat hij, weliswaar redelijk bekend en ook wel bevriend met de grote namen van de Franse cultuur van 1850-1865, nooit echt helemaal serieus genomen werd. Dat veranderde natuurlijk na zijn dood. Vanaf zijn tienertijd leed Baudelaire aan dé sociale ziekte van zijn tijd: syfilis, en het is wel duidelijk dat hij daar ook aan gestorven is. Als dat ene deel poëzie niet zo enorm belangrijk was geweest, zou je van een verloren leven kunnen spreken.
In tegenstelling tot de biografie van Rimbaud, zijn hier de gedichten wel vertaald in een metrische en rijmende vertaling, die overigens volgens recensenten niet serieus te nemen is.

Harry G. M. Prick - In zekerheid van eigen heerlijkheid : het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890


Dit is een elfhonderd pagina’s dikke biografie van slechts de eerste vierentwintig jaar van het leven van de literator. Het tweede deel, Een vreemdeling op de wegen (1430 pagina’s) bezit ik niet.
De eerste indruk die je krijgt bij de jeugd van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm (Amsterdam, 22 september 1864 - Haarlem, 26 januari 1952) is die van nestgeur. De familie Alberdingk Thijm was door en door katholiek, met vele ooms en tantes, huisvrienden en collega’s die ook allemaal goed katholiek waren. Al dan niet verre familie waren de componist Alphons Diepenbrock en de architect Pierre Cuypers.
Jonge Karel ging een paar jaar naar Rolduc, alvorens het vroegrijpe, loensende jongetje te werk gesteld werd in het uitgeversbedrijf van de familie. Al op zestien jarige leeftijd schreef hij opstel na opstel. Net als in vele door mij hiervoor gelezen levens, gaat het ook hier weer over een zeer voorlijk jongetje.
Hij publiceerde in het blad van zijn vader, De Dietsche Warande en toen hij zeventien was mat hij zich als polemist het pseudoniem Lodewijk Van Deyssel aan. Hij kreeg het aan de stok met Dr. Schaepman.
In zijn welbekende, enigszins kokette schrijfstijl notuleert Harry Prick minutieus het leven van de jonge hemelbestormer. Alles komt aan bod, van zijn favoriete gebakjes of haarwater, tot aan zijn meer dan negentig stropdassen.
De late puberteit van de jonge Karel is een ware hel voor zijn godvrezende ouders, maar na een sliert van romances, dronkenschappen en “gesjouw” (hoerenloperij), lijkt het beest plotseling getemd. Karel is weer welkom in het ouderlijke huis en werkt hard in de boekwinkel/drukkerij. Hij is nog geen twintig maar heeft onder zijn bekendste pseudoniem Lodewijk van Deyssel al heel wat reuring in de Nederlandse letteren veroorzaakt. Ook is hij ondertussen bevriend geraakt met mannen als Van Eeden, Kloos, Van der Goes en Erens.
Minutieus beschrijft Prick het leven van de jongeman, zijn uitspattingen, zijn woede jegens zijn ouders, van wie hij ook wel weer erg veel houdt, de dwangmatige documentatie van zijn leven en toekomst, zijn enorme werkdrift, zijn reisjes naar Parijs, Laroche.
Een beetje vreemd is dat Prick bepaalde onderwerpen nadrukkelijk vermijdt: over de geaardheid van zus Catherine, die voortdurend bij hartsvriendinnen logeert tot het weer uit is wordt nergens gespeculeerd. Naïef van Prick of alleen maar kiesch? Ik houd het op het laatste, hoewel hij wel onbevreesd ingaat op Karels masturbaties en liefdeleven.
Het leven van Van Deyssel gaat verder en verder. Met uiterste precisie worden de details genoteerd, in de altoos kokette stijl van de intieme sympathisant die Harry Prick was. Er wordt een beeld geschetst van vóór alles een enorme lijder aan OCD, obsessive compulsive disorder. Van Deyssel leeft van lijstjes. Alles moet geboekstaafd worden, van hoeveelheden houtblokjes gehakt die dag en keukeninventarissen tot aan het onaniegedrag.
Op het einde trouwt Karel en krijgt een kind dat heel schetsmatig blijft, zoals we ons kunnen voorstellen dat dat bij de hoofdpersoon zelf ook het geval zal zijn: een warme, intieme huisvader zal hij zonder twijfel niet geweest zijn.
De biografie eindigt rustig, maar zeker niettemin nogal willekeurig bij de dood van Van Deyssels vader. Wil ik ooit het tweede deel lezen? Alleen als iemand het me schenkt.

zaterdag 31 mei 2025

Bedlezerig 6

Maurizio De Giovanni introduceerde met diens grotendeels door de ons reeds bekende Antony Shugaar vertaalde boeken over Commissario Ricciardi in Napels een crime-element dat mij helemaal niet bevalt: het bovennatuurlijke. Commissario Ricciardi is namelijk in staat levensecht de laatste woorden van op onnatuurlijke wijzen om het leven gekomen personen te horen of voelen. Hoe hij dat kan weet hij niet, maar het gebeurt en hij lijdt intens onder dit paranormale vermogen, zodanig zelfs dat hij geen relaties aangaat, want hij wil zijn kinderen deze vloek besparen. In eerste instantie leek het me niets anders als een goedkope truc van een schrijver die geen zin had zijn enkelzijdige psychisch perspectief los te laten en toch bepaalde dingen wilde vertellen die de hoofdpersoon niet kon weten, maar naderhand blijkt hij dat perspectief wel degelijk voortdurend te verleggen, en in latere delen zwalkt dat perspectief zelfs over het gehele spectrum en worden we intiem op de hoogte gehouden van het innerlijke denkleven van zoveel verschillende personen, daders en slachtoffers, dat je er eigenlijk een personenregister bij zou moeten hebben. Kennelijk ziet De Giovanni het bovennatuurlijke dus toch voornamelijk als een wezenlijke en waardevolle toevoeging bij zijn verhalen. Ik vind van niet.
Luigi Alfredo Ricciardi is een jongeman, even oud als zijn eeuw. Hij is 31 en Italië is aan haar negende fascistische jaar bezig. Hij is subtiel genoeg om politiek onder de radar te blijven. Een van zijn love interests is een intieme kennis van Il Duce, maar het wordt duidelijk dat Ricciardi niets met de fascisten te maken wil hebben, die voor het merendeel voorgesteld worden als brute imbecielen. Uiteraard is Ricciardi een soort beschaafde rebel die elke autoriteit aan zijn laars lapt en hij is meer dan opgewassen tegen de boven hem gestelden. Zijn directe meerdere op het politiebureau is een pedante, incapabele opportunist, zoals zo vaak in dit soort boeken.
De hele set-up, met het bovennatuurlijke en een ongenaakbare commissaris die het niet hoeft te doen voor het geld - hij is van adel en zit er warmpjes bij - en die vreemd onbereikbaar blijft voor de vrouwen om hem heen, doet me onweerstaanbaar denken aan de Simon Serailler reeks van Susan Hill, die echter nog wel net aan onze zijde van de realiteit blijft, dat wil zeggen: alle goth en gruwel in haar boeken wordt uiteindelijk redelijk verklaard.
Als we eenmaal die bovennatuurlijke schil van De Giovanni laten voor wat die is, komen we in een reeks tamelijk conventionele whodunnits terecht, die in bepaalde opzichten doen denken aan Donna Leon, compleet met vermoorde operazanger.
Ik denk niet dat ik na twee deeltjes verder ga lezen. De boeken zijn beslist goed geschreven, maar het principe van een whodunnit met een detective met paranormale gaven kan ik niets anders vinden als valsspelen. Ook vind ik de plots wel wat dunnetjes. Of ik de televisieserie van de RAI verder ga bekijken weet ik niet. Deze reeks, sinds 2020 verfilmd in een prachtige cinematografie die uit de traditie lijkt te komen van Luchino Visconti, kent tot op heden 10 episodes. Hoofdrolspeler Lino Guanciale is haast een dubbelganger van de jonge Alain Delon. Wie de hand kan leggen op de reeks moet het zeker proberen. Ik vond hem na een paar afleveringen een beetje saai worden.De Giovanni is verantwoordelijk voor nog een tweede reeks, I bastardi di Pizzofalcone. Het eerste deel ervan, eigenlijk een soort prequel, is Il metodo del coccodrillo, in het Engels eenvoudig vertaald als The Crocodile. Opnieuw treffen we korte, ogenschijnlijk los van elkaar staande hoofdstukjes aan, vanuit diverse perspectieven geschreven, sommige in de ik-vorm. De fragmenten blijken in de loop van de vertelling steeds meer een verband met elkaar te hebben. Hierbij is in één geval een truc toegepast die ik nog niet eerder gezien heb: een aantal  korte hoofdstukjes blijken tegen het eind niet over de ene persoon te gaan, zoals de lezer moet geloven, maar over een heel andere, in een heel andere tijd. Na wat verwarring blijkt wat aanvankelijk aangezien wordt voor een dader, juist een slachtoffer te zijn. Uiteindelijk niet echt ingewikkeld, maar wel knap, en heel vervreemdend. Gelukkig maakt De Giovanni voor deze reeks geen gebruik van het bovennatuurlijke. Ook nu bevinden we ons in Napels, maar nu in een hedendaagse variant ervan, met punks en drugkoeriertjes en voorlijke meisjes. Veel pisstank in de straten, veel graffiti op de muren.
En opnieuw is de onvermoeibare Anthony Shugaar verantwoordelijk voor de uitstekende vertaling. De boeken zijn verder vrij conventioneel (lone wolf politieman met relatieproblemen lost ondanks tegenwerking door de boven hem gestelden alles uiteindelijk op) en leveren op die manier een paar uurtjes ongecompliceerde noir op. De Giovanni verklaart zich schatplichtig aan Ed McBain. Zijn wederwaardigheden, nu omringd door een team van misfits, worden voortgezet in een hele reeks.
De cast van I Bastardi di Pizzofalcone
Ook hier is een mooie televisieserie van gemaakt die ik bezit, met Alessandro Gassman (inderdaad: zoon van de legendarische acteur Vittorio Gassman) in de rol van inspecteur Giuseppe Lojacono. De in een heel andere stijl dan de Ricciardi reeks opgenomen episodes zijn een tamelijk getrouwe afspiegeling van de boeken. Veel kleine humor, veel klein melodrama. Wederom: wie er de hand op weet te leggen zou het kunnen proberen. Mij bevalt deze serie meer dan de Ricciardi-reeks.
Sandrone Dazieri introduceert met agente Colomba Caselli en ervaringsdeskundige Dante Torre een wel heel beschadigd duo. Caselli houdt zichzelf verantwoordelijk voor een bomaanslag in Parijs die ze geprovoceerd zou hebben - ze is door een commissie van iedere blaam gezuiverd maar niettemin… Torre is een voormalig slachtoffer van een jarenlange ontvoering en zit vol met angsten en dwanghandelingen. Binnen de politie en magistratuur is natuurlijk weer de nodige animositeit. Het lijkt wel alsof in dit genre de hoger geplaatsten uitsluitend bezig zijn met het actief dwarsbomen van deugdelijk politieonderzoek. Aanvankelijk vond ik het eerste deel, Kill the Father, goed geschreven, met een diep doordachte en soms provocerende en grimmige psychologie. De lezer loopt tegen veel onverwerkte zaken aan. Een seriemoordenaar die het op jonge jongetjes voorzien heeft maakt het boek heel hard. Het tempo wordt op voorspelbare wijze steeds meer opgevoerd en aan dat procedé kleven wel wat bezwaren. Want wat aan Dazieri’s boeken op den duur wel begint te storen zijn de niet al te subtiele, bombastische effecten.
Na dit niettemin intrigerend eerste deel las ik ook het tweede deel, Kill the Angel, waarin het lijkt te gaan om een aanslag van IS. Ik vermoedde (en hoopte) al snel dat het uiteindelijk heel anders zou gaan lopen, maar vooral in het begin was er dat Forsyth/Ludlum-achtige sfeertje waardoor ik dit boek met aanzienlijk minder enthousiasme ter hand nam dan het eerste deel. Ondanks de thematiek die mij anathema is, bleef het wel allemaal goed geschreven. Dazieri neemt rustig zijn tijd zonder ooit traag te zijn. Door de allengs grover wordende effecten en de tientallen slachtoffers wordt ook dit boek helaas op den duur steeds minder aantrekkelijk. Ik denk dat het beschrijven van gevechten zo mogelijk nog moeilijker is dan van seks. Het resultaat is maar al te vaak een droge opsomming van fysieke handelingen. Het boek bevat veel van dit soort beschrijvingen, maar ook heel veel flauwe Dan Brownachtige plotwendingen, van die soort wendingen waar je wel een beetje moe van wordt. En wat meer is: je raakt er ook op voorbereid. Wordt er een patholoog-anatoom of een rechter-commissaris geïntroduceerd of, zoals in het tweede deel een vriendschappelijke politieman, dan denk je meteen: ‘Tja, zou dat dan de boef blijken te zijn?’ En als dan aan het eind onthuld wordt wie de boef was en wie de held, haal je je schouders op: ik had het zo wel gedacht, maar het had net zo goed andersom gekund. Zo worden deze boeken steeds minder procedurele politiethrillers en steeds meer complot- en grofgeweldthrillers. En dat wordt mij wat zwaar op den duur.

donderdag 15 mei 2025

Leesrapportje 15

Enid Starkie - Arthur Rimbaud 

Eindelijk heb ik deze biografie gelezen van een schrijver die op zijn twintigste stopte met dichten en die daarna nog 18 jaar leefde als een zieke kolonialist. Een dergelijk onevenwichtig leven zal noodzakelijkerwijs een onevenwichtige biografie opleveren. Dat blijkt: de eerste twintig jaar zijn pas afgelopen rond pagina 330, de rest van zijn leven (die mij op voorhand eigenlijk het meeste interesseerde) vulde slechts de resterende 115 pagina’s.
Ik heb de indruk dat het niet zo’n overtuigende biografie is. Rimbaud wordt een bepaalde richting uit geïnterpreteerd: als kinderlijk en gestoord, vooral in zijn verhouding met zijn moeder die enorme invloed op de jonge dichter gehad heeft. Maar ook als een soort religieuze sjamaan. Er wordt opmerkelijk diep ingegaan op de alchemistische kant van zowel leven als werk.
De jonge Rimbaud was nog een voorbeeldige jongeman die prijzen won op school en voor wie men een gouden toekomst voorzag. Vanaf zijn vijftiende echter ontwikkelde hij zich tot een ware rebel. In haar boek verdedigt Enid Starkie de moeder, maar eigenlijk zien we een manipulatieve vrouw, die machteloos staat bij de schade die ze zelf heeft aangericht bij haar zoon. Zij was de geest die Rimbaud in zijn leven boven alles moest bestrijden.
Starkie beschrijft iemand die, teneinde het leven zo puur en intens mogelijk te leiden, zich vanuit een alchemistische invalshoek moest onderwerpen aan alle denkbare en ondenkbare smerigheden. Zo had hij een homoseksuele verhouding met Verlaine, terwijl hij zelf waarschijnlijk helemaal niet homo was. Zo ook zoop hij zich keer op keer bewusteloos en liep hij het hele jaar rond in dezelfde lompen. Dit alles dus niet pour épater le bourgeois, maar om de bodem van het leven en de menselijke ziel te leren kennen. Zonder dergelijke afdalingen naar de hel kan er geen poëzie zijn, is een credo waar Starkie op blijft hameren. Ik ben helemaal niet overtuigd. Net als bij Alfred Jarry voel ik me diep ongemakkelijk bij het concept van zelfvernietiging als kunst.
Alchemistisch was in ieder geval wel Rimbauds poëzie zelve, het duidelijkst in een beroemde regel als: A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu : voyelles: de synesthetische dichter creëert de taal, de taal creëert de dichter. Maar of dit werk, zoals Starkie suggereert, religieus van aard is, ik weet het niet.
Rimbaud was na zijn wilde jaren fysiek al vrijwel op. Toen hij in 1875 de letterkunde vaarwel had gezegd, probeerde hij een bestaan op te bouwen als “ondernemer” in Abessinië: dat behelsde diplomatiek werk en toezicht op handelsposten, maar ook wapenhandel en waarschijnlijk slavenhandel.
Hij werd een zieke man, die zeer aardig kon zijn voor zijn naasten, maar totaal onbereikbaar bleef voor wie vroeger ooit zijn vrienden geweest waren. Hij stierf gedurende vijf jaar aan wat ostentatief beenkanker genoemd wordt, maar die ook syfilis zou kunnen zijn geweest. Zo slecht kennen we dus zijn beklemmende leven, in dit niet helemaal overtuigend boek beschreven. Alle poëziefragmenten zijn trouwens in onvertaald Frans weergegeven, waar ik, laat ik dat toegeven, best moeite mee had. Een notenapparaatje zou op zijn  plaats geweest zijn.

Heinrich Heine - De Harzreis

In de Harz las ik dit dunne boekje. Het beschrijft een wandeltocht die Heine (1797-1856) in de herfst van 1824 ondernam. De tekst verscheen in 1826 als eerste van vier delen Reisebilder. Het was Heines eerste succes als publicist en is tot de dag van vandaag een van zijn geliefdste teksten gebleven.
De relatief korte tekst is een beetje branieachtig en studentikoos en weinig ontsnapte aan Heine’s spot. Die Stadt selbst ist schön, und gefällt einem am besten, wenn man sie mit dem Rücken ansieht.
Erg veel stelt het boekje eigenlijk niet voor, maar het was leuk om al die plaatsen die hij bezoekt van dichtbij te zien, waarbij natuurlijk wel een heleboel veranderd was, vooral dank zij de Tweede Wereldoorlog. Bezorger Martin van Amerongens verslag van zijn remake van de wandeltocht was vaak minstens zo boeiend. Bij van Amerongen ging het niet zozeer over de stadjes, maar Heine’s biografie, en dan vooral die van een intellectuele jood in negentiende-eeuws Duitsland. Van Amerongens journalistieke hoofdonderwerp is altijd het antisemitisme geweest dat diep geworteld is in de West-Europese cultuur. Zijn schrijfstijl is altijd goed, scherp maar fatsoenlijk. Ik las het met veel plezier op terrasjes in Quedlinburg, Halberstadt en Goslar.

Georges Rodenbach - Brugge de dode

Dit boekje heb ik herlezen in Brugge, gedurende een verblijf van een weekje.
In deze korte roman of novelle, in het Frans onder de titel Bruges la morte verschenen als feuilleton in de Figaro van 4 tot 14 februari 1892 en in juni van dat jaar in boekvorm uitgegeven bij Flammarion, beschrijft Georges Rodenbach (1855-1898) de obsessieve liefde van de weduwnaar Hugues Viane voor zijn overleden vrouw. Hij dwaalt rond, verstervend in zijn onverwerkte leed, door de straatjes van Brugge, totdat hij een danseresje ontdekt dat hem in alle uiterlijke opzichten doet denken aan zijn vrouw. Hij begint een relatie met haar, maar raakt snel geïrriteerd door het feit dat ze innerlijk in geen enkel opzicht op haar kan lijken. De danseres als Ersatz faalt in zijn volstrekt onredelijke ogen en voorspelbaar doodt hij haar.
Als roman is het geen meesterwerk, als nogal dubbelzinnige liefdesverklaring voor de stad is het een vreemd, biologerend werkje geworden. De Bruggenaren verafschuwden het boek maar het werd een internationaal succes. Men kan betogen dat het boek mede verantwoordelijk was voor de Brugse ontwikkeling tot een toeristenstad.
‘Rodenbach zong de lof van Brugge, omdat hij vond dat zij van alle steden ter wereld het meest in overstemming was met zijn zin voor weemoed.’ Émile Verhaeren

Richard Holmes - Shelley : the Pursuit

Van Richard Holmes had ik al eens een boek gelezen: het sympathieke, hier en daar autobiografische Footsteps. Een zelfportret in de vorm van korte portretten van personen uit de Engels literatuurgeschiedenis. Ik was dus benieuwd naar dit werk over een zeer gecompliceerde, controversiële persoon, die vele tegenstrijdigheden in zich herbergt.
Het blijkt een vreemde ervaring om te zien hoe in één persoon een hoogstaande, puriteins kuise geestelijke adel kan huizen, terwijl hij tegelijkertijd een veelneuker kan zijn, altijd omringd door idolate, veel jongere meisjes en vrouwen, die hem aanbaden en die hij gaarne bereid was te bezwangeren. Shelley als cult-leider, zijn menagerie als een commune.
Zijn haat/liefdeverhouding met Lord Byron, die bij uitstek het immorele aspect belichaamde, doet dan ook vreemd aan. Er zou eigenlijk helemaal niets moeten zijn dat tussen de twee mannen enige sympathie zou kunnen opleveren. Het zijn allebei alfamannen, maar komen uit twee diametraal verschillende morele achtergronden voort.
Indoloog en Shelley-liefhebber Bob schreef me ooit: "biografen zijn bijna altijd ófwel gelovige missionarissen die over een heilige schrijven, ófwel mud rakers die het niet kunnen laten om met grote ijver op zoek gaan naar de zwartste schandalen van het object van hun biografie". In dat opzicht doet Holmes het wel goed: hij neemt nadrukkelijk een middenpositie in: ook hij weet het nu en dan niet. Hij schrijft zorgvuldig, citeert ook veel dichtregels, maar de Shelley die hij schetst is noch een bijzonder aantrekkelijke, noch een uitgesproken afstotende figuur.
Naast een groot dichter was hij een dwarse en manipulatieve persoon. Hij was behoorlijk meedogenloos in zijn omgang met anderen, dan weer ongekend genereus, dan weer zuur en hebberig. Hij had permanent schulden en was altijd maar bezig die beetje bij beetje, maar meestal niet volledig terug te betalen. Hij verleidde meisjes die hem met blinde hondentrouw volgden, alvorens onvermijdelijk weer verworpen te worden, waarbij Shelley, nadat hij ze uit zijn binnenste kring verwijderd had, vaak wel weer uit plichtsbesef voor ze bleef zorgen. Een buitengewoon egocentrische altruïst.
Ik heb de afgelopen periode heel wat biografieën gelezen (die van Achterberg, Jarry, Reve, Larkin en Waugh waren, samen met nu Rimbaud en Shelley, de recentste) en wat me opviel was dat, met uitzondering wellicht van Alfred Jarry, al deze figuren extreem egoïstisch waren. Soms waren ze dat op naïeve wijze en met schijnbaar de beste bedoelingen (Shelley), soms uit bestaanspaniek (Larkin, in mindere mate de psychopaat Achterberg) of uit blinde arrogantie (Waugh natuurlijk), maar altijd volkomen op zichzelf gericht en refererend aan niets anders. Ik vraag me af of dat de reden is waarom ik in mijn vriendenkring geen enkele bekende kunstenaar hebben mogen meemaken: er was talent genoeg, we waren eenvoudig niet egoïstisch genoeg. En dan heb ik het over egoïsme in zijn meest aardse betekenis: egoïsme als afwezigheid van empathie.
Het einde van Shelley was prozaïsch: een scheepsongeluk voor de kust van Livorno gedurende een felle storm. Zijn weduwe Mary nam bezit van zijn nalatenschap en vermoedelijk heeft ze, zoals schrijversweduwen dat wel vaker doen, een groot en belangrijk deel van die nalatenschap vernietigd. Zo is het zijne in meer dan één opzicht een onvolledig leven gebleven.