Posts tonen met het label Culinaria. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Culinaria. Alle posts tonen

maandag 1 juli 2019

Eten



In Spanje ontbijt je twee keer heel licht, heb je van twee tot half vier de hoofdmaaltijd: de Menú del diá en ’s avonds laat, na negenen meestal, een paar tapas bij je bier. Omdat wij in een hotel met een vorstelijk ontbijtbuffet zaten, is de middagmaaltijd wegens verzadiging nooit helemaal van de grond gekomen, en moesten wij het juist weer hebben van de avondtapas, die we wat naar voren schoven, naar een uur of acht.

Op maandag zijn alle eettentjes in Valencia gesloten, met uitzondering van restaurants en terrassen die horen bij hotels. Die blijven vreemd genoeg wel open. Wij vonden het terrasje van Ramirez Flats (een design-aparthotel, niet geheel toevallig om de hoek bij ons hotel gelegen), waar we vier gerechtjes namen.
Steak tartar
Wie het leven tot de grens wil leven, moet natuurlijk in den vreemde rauwe kost gaan eten. De Steak tartar was in dat opzicht een verrukkelijke uitdaging. Subtiel en vluchtig, maar aards tegelijk. En de volgende dag leefden we nog!
De Caracoles cabrilla waren een klein beetje vlak. Eigenlijk smaken slakken nergens naar en moet het knoflook/oliesausje de zaak pimpen. Atùn marinado en Sepia con mayonesa, de twee visgerechten, waren volledig naar genoegen. Alles was goed en vers, en met panache klaargemaakt. Als wij in Nederland inktvis zeggen, zeggen de Spanjaarden sepia, of chipiron, pulpo of calamar (waarvan de tentakels weer puntillitas genoemd worden). Inktvis bestaat hier niet.

Jenet ziet eruit als een geboren Spaanse, zodat zij en haar eigenaardige, bleke reus overal meteen een soort rapport met de bediening en de aanpalende tafeltjes hadden. Helaas beperkt Jenet haar Spaans zich tot “No hablo español”. Het mijne ook, trouwens. Maar met flarden Ivriet en Swahili (Jenet), en Italiaans (ik), redden we ons niettemin verder uitstekend, wel hier en daar enkele verbijsterde blikken veroorzakend.

Omdat ons hotel buiten het centrum van Valencia ligt, namelijk aan de voormalige oostoever van de drooggelegde rivier Turia, thans een zeer indrukwekkend stadspark, hadden wij het geluk dat we voor ons avondeten onze toevlucht konden zoeken bij eenvoudige, ééntalige en niet op toeristen ingestelde pretentieloze eetstalletjes, met wat wrakkige tafeltjes op straat en voor minder dan de helft van de prijs die ze durven vragen in het toeristische centrum. Het spreekt vanzelf dat zulks precies is wat we wensten.

12 Intenciones
De meeste avonden vond men ons dan ook terug bij het tentje 12 Intenciones aan de Carrer de Vicent Sancho Tello. Daar zit je echt tussen de Spaanse buurtgenoten en de geparkeerde auto’s.

De Sepia a la plancha met mayonaise en de Colas de gambon al ajillo (grote garnalen met knoflook) waren zodanig smakelijk dat we die meerdere malen genomen hebben. Verder passeerden een paar oude bekenden de revue. Om te beginnen natuurlijk Patatas bravas, in Valencia consequent kortweg Bravas genoemd. Een wat machtige variant hier, met naast de bekende hot pimenton ook een gulle portie room. Croquetas caseras, truffel-, ham- en preikroketjes mochten natuurlijk ook niet ontbreken. Een standaard groentegerecht is Esgarraet casero con ajo negro, een in de oven gebakken schaaltje paprika met groenten en zoute stokvis. 

Het grootste waagstuk was Morcilla de Burgos. Bloedworst met rijst, lieve lezer, en daar een rauw ei overheen gebroken. Ik denk dat je dat in Nederland niet eens mág serveren. Ik dacht: durf het leven te leven, al is het het laatste dat je doet!
Morcilla de Burgos
Dit alles werd weggespoeld met een vederlicht, ijskoud wit wijntje waarvan vier glazen net zoveel kostten als één tapa.

dinsdag 30 april 2019

Eten in een sprookjesboek



Ter afsluiting van een verblijf van een week in het Ourthedal, hadden we onszelf getrakteerd op een diner in het restaurant La Maison de Hary Cot, gelegen aan de Rue de Dolmens in het dorpje Wéris. Die dolmen liggen in een kruispunt van de weg en doen wel een beetje denken aan Drenthe: een paar menhirs, een soort megalithisch huisje en iets dat herinnert aan een hunebed. Verrassend en bijzonder, zeer zeker, maar ik mag in dit soort situaties graag Willem Kloos citeren: 'Ik houd erg van een mooi uitzicht buiten maar ik móet er iets te drinken bij hebben.'


Dolmen van Wéris

Het bovenop een glooiende Ardennenheuvel gesitueerde restaurant is gevestigd in een heel wonderbaarlijk gebouw dat we al een paar keer met de auto waren gepasseerd en waar een malle tovenaar lijkt te wonen met zijn katten en kabouters. Het bleek niet zomaar een eettent te zijn, maar een serieus restaurant: toen we op een doordeweekse dag op de bonnefooi naar binnen wilden, werden we door een spijkerdunne, licht getatoeëerde, zwartharige jonge vrouw met assertieve borsten en een doorrookt hese stem vriendelijk maar zeer beslist weggebonjourd. Thuis op internet bekeken we voor alle zekerheid toch maar eerst even de menukaart alvorens voor een paar dagen later alsnog te reserveren.

Dominique Noël
De eerste indruk die het gebouw van ambachtsman/architect Dominique Noël achterlaat is er een van jugendstil vermengd met Anton Pieck. Rechte hoeken zijn nergens te bekennen. De  muren zijn, net als bij de meeste gebouwen in de streek, opgetrokken uit grijze en roodbruine natuurkeien, afgewerkt met golvende, bakstenen randjes. Veel hout was er gebruikt, grote, zware balken. Het interieur was een doolhof van verschnörkelde trapjes, panelen, glas-in-loodramen. Deuren van onregelmatige platen zwarte lei sloten het toilet af. Er hingen schepen aan het plafond en ook dobberde een boot onder de doorzichtige vloer in een inpandige vijver. De houten eettafel was lang en (iets te) breed, bezaaid met katrollen en ankerkettingen en aqualongen en sextanten. Een zeevaartthema, zoveel was duidelijk.

De toiletten
De diverse gezelschappen zaten aan dezelfde lange tafel, van elkaar gescheiden door barrières van aangespoeld olijvenhout. Wij zaten aan het uiterste stuk en naast ons had een familie postgevat van een deftige, luidruchtige dame, haar muisachtige echtgenoot, wat kinderen met aanhang en een stelletje kleinkinderen die zoet aan het tekenen waren. De grote mensen waren een beetje tegen elkaar aan het opbieden: ‘Dat had ik laatst in Japan. Daar zijn die kamers zo klein…’ ‘Als je een volgende keer in Argentinië bent, moet je…’ ‘Dat doet me denken aan toen ik in Rome woonde…’ Wij keken elkaar een beetje lacherig aan en ik vrees dat we het een en ander niet geheel zonder commentaar hebben kunnen laten passeren, onder dergelijke omstandigheden wordt een mens immers vanzelf melig. Iemand van ons merkte zachtjes (maar mogelijkerwijs voor de buren wel hoorbaar) op: ‘Ik ben vorig jaar weer eens in Narnia geweest. Had ik niet moeten doen: zo’n derde keer valt altijd een beetje tegen.’ Eén vrouw in het gezelschap die niet meedeed aan het opbieden moest moeite doen haar lach in te houden.

Toen het gekwebbel ophield – er moest ten slotte ook nog gegeten worden – viel het mij een beetje tegen dat er middels het geluidssysteem een heel album van Katie Melua ten gehore gebracht werd. Niet te hard, maar wel hard genoeg om gehoord te worden. Ik geef daar niet om, persoonlijk houd ik het meest van muziekloze horeca.
Het eten was Frans en bedelde een beetje om een Michelin-ster. Deconstructie van worteltjes (wortel pureren, mengen met gepureerde vergeten groenten, op laten stijven in worteltjesvorm en serveren als oranje staafjes), geestige granen met wilde kruiden en spek onder een hartige schuim, alsook drie bereidingen van ananas als toetje.
Als ik heel eerlijk ben: voor mij hoeft dat allemaal niet zo. Het was zeker lekker, maar een duiveltje op mijn schouder begint altijd een beetje meewarig te grinniken bij zoveel culinaire poeha en haalt me uit mijn rozige gemoed.

Enfin: het was het enige fatsoenlijke restaurant dat we in die contreien tegen waren gekomen en als aparte ervaring was het zeer zeker de moeite waard geweest.

donderdag 28 september 2017

De taal van het strand - de keuken van het strand

Wie de dwarse man een beetje kent, zal er verbaasd over staan hem aan te treffen op één der Spaanse Costa’s. En eerlijk gezegd: hijzelf had dat ook niet kunnen vermoeden. Ik ben verknocht aan de Griekse stranden, die meestal klein zijn, intiem, een tikkeltje rommelig, maar overweldigend puur, met duizend kleuren blauw in een rustige, glasheldere lauwe zee, waar je naakt en lui in ronddobbert, genietend van wat er op de bodem, drie meter onder je, allemaal te zien is. De Costa del Sol van Málaga is dat alles niet. De Costaganger heeft altijd minstens één tatoeage en behalve die ene bebaarde zonderling van El Palo houdt iedereen de kleren aan. De vrouwelijke leden van de soort bedekken te allen tijde kuis de borsten. Wij hadden gehoopt in de directe omgeving van de stad een net niet typische, net even leukere Costa aan te treffen en, hoewel ik geen vergelijkingsmateriaal heb, vermoed ik dat we, weliswaar onvergelijkbaar met onze geliefde Griekse stranden, wel degelijk in dat streven geslaagd zijn. Er was in ieder geval geen lawaai, er waren geen Russen, geen disco’s of zelfs maar transistorradio’s. En zeer tot mijn genoegen was er wel heel veel te genieten van strandgrammatica.

Een jonge Afrikaan prees zijn koele drankjes aan met een door veelvuldig gebruik afgesleten mantra: “Sefies, Akwa, Kaka Kakwaka” (Cervezo, Agua, Coca Cola). Een andere, diepzwarte Afrikaanse tenor zong in lachende guirlandes met lichtgevend blinkende tanden de vragende aanprijzing: ‘Coca. Colalaia?’ (Coca-Cola light). Het klonk als een eeuwenoude animistische bezweringsformule uit de binnenlanden van Senegal. Een wat mismoedige Algerijn hield er een geheel eigenzinnige grammatica op na. Blijkbaar waren woorden in het begin en midden van een zin vrouwelijk, het laatste woord echter mannelijk. Hij varieerde de volgorde van zijn producten om deze voor mij volstrekt unieke grammaticale opvatting te illustreren:
‘Fanta, Coca-Cola, Cervezo’
‘Cerveza, Coca-Cola, Fantó’
Ettelijke Thaise dames vroegen of ik een Massaccio wilde kopen. Nu, wat graag natuurlijk! Maar, ook niet helemaal achterlijk, vreesde ik dat je voor dertig euro slechts een inferieure vervalsing zou kunnen krijgen. Of een massage.

Tot zover de taal. Ik wil nog iets vertellen over het meest curieuze restaurant dat we in Spanje bezocht hebben, El Tintero.

El Tintero een strandtent noemen, is zoiets als Lincoln Cathedral een kapel noemen. Het is gevestigd in het dorpje El Palo, zo’n acht kilometer ten oosten van de haven van Málaga. Stel u een immens terras voor met honderden zitplaatsen, in de schaduw gehouden door misschien wel vijftig kingsize parasols. Heel veel Spanjaarden zitten er, een enkele toerist durft het ook aan. Als je herkend wordt als toerist, krijg je een menukaart. De eerste keer dat we er aten werd Jenet (gezien haar uiterlijk volkomen terecht) als volbloed Spaanse ingeschat, dus moesten we onze keus baseren op het uiterlijk van het voedsel en een benauwend rudimentaire kennis van het Spaans. We waren van het bestaan van een menukaart niet eens op de hoogte!

Wat is het concept? Tientallen obers lopen rond met drie, vier, vijf schalen voedsel dat vers uit één van de keukens komt. Als ze iets dragen dat je interesseert, laat je ze naderbij komen. Je keurt het aangebodene en knikt of schudt het hoofd. Het doet wat denken aan een groot uitgevallen sushibar.

Met door muren heen dringende stentorstemmen roepen de obers wat ze op dat moment balanceren: Angulas (glasaaltjes), Bacalao (liefst met een vette Aioli), Rosada (zeer populair in Spanje, wat eigenlijk vreemd is, want het is geen Spaanse vis. De volledige naam is Rosada del Cabo. Er zijn vreselijk veel verschillende vertalingen en interpretaties in omloop, maar in feite is het een Zuid-Afrikaanse vis, de Kaapse koningsklip), Calamares natuurlijk, en zure salades van gegrilde paprika’s, Tortitas de camarones (garnalenkoekjes: stel u een ouderwetse kletskop voor maar dan met hardgebakken kikkererwtenmeel als beslag en gevuld met minuscule garnaaltjes), maar ook een complete octopus, een bord scheermesjes, venusschelpen of jakobsschelpen.

Alles komt op onregelmatige tijden langs. Plotseling passeert er een complete kreeft, of een dorado van dertig centimeter, het houdt niet op. Je menu plannen is niet mogelijk. Je wordt vanzelf in een opportunistische rol gedrongen: je past je plannen aan aan wat er langskomt. Wachten op een specifiek gerecht heeft geen zin: het kan drie kwartier duren.

Aan het eind van het maal komt een rekenober die aan de vorm van de borden (die dus nooit afgeruimd mogen worden!) berekent wat het allemaal gekost heeft. Er zijn drie standaard formaten borden en dito prijzen. De wijnflessen worden meegeteld en voilà: de rekening, haastig op het papieren tafelkleed geschreven.

Als men één extra reden nodig heeft om naar Málaga te gaan, is het El Tintero in El Palo.

donderdag 20 april 2017

Honger in Rotterdam

Ik heb het al eerder benadrukt: wie naar Rotterdam reist, wordt onherroepelijk geconfronteerd met architectuur. Het ene ambitieuze project lost het andere af. Torens gaan de hoogte in, scheve en brutale gebouwen wenken je in de straffe zuidwestenwind. Een ontworpen stad is Rotterdam, met dank aan de Duitsers.

Het is leuk om de architectonische nieuwbouw te vergelijken van Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Die van Amsterdam speelt zich uiteraard voornamelijk af aan de rand van de bebouwing. Veel van de nieuwe gebouwen in het centrum, aan de Prins Hendrikkade, rond de ringspoorweg of in stadsdeel Noord blijven, hoewel ze zeker niet kleinschalig te noemen zijn, redelijk behapbaar. Door gebruik van veel baksteen en andere vriendelijk ogende materialen blijft de menselijke maat (daar is-ie-weer!) aanwezig.

In scherp contrast hiermee lijkt de Haagse stijl wel een beetje verdwaald en op zoek naar een identiteit. Ik vind die nieuwe architectuur van Den Haag niet spannend, ook niet troostend of rustgevend. Bestaat er zoiets als verongelijkte architectuur?

De Rotterdamse architectuur is veel spannender, avontuurlijker en brutaler. Niet in het minst doordat hier juist het centrum volgezet wordt. Door het bombardement van 1940 is er een unieke kans ontstaan om een nieuwe stad te ontwerpen en dat wordt nu, na een wat naargeestige periode in 1950-1980, flink ter hand genomen. Het ene fantastische gebouw tuimelt over het volgende. En hoewel ik werkelijk geen liefhebber ben van moderne architectuur moet ik toegeven dat die tomeloze levenskracht van de Rotterdamse nieuwbouw me wel vrolijk maakt.

Eén gebouw dat we per se wilden bekijken tijdens ons Rotterdam-weekend was de Markthal. Veel over gelezen natuurlijk – lovende beschrijvingen in de krant te over – maar tot op heden nog nooit bezocht. En ondertussen was het nieuwe ervan af, sleetse plekken leken zich te tonen. ‘Ga daar maar niet naartoe,’ werd ons geadviseerd, ‘het zal lelijk tegenvallen.’ Het zou er tochten gelijk de neten, er zouden tientallen kale plekken zijn waar kraamhouders de pijp aan Maarten hadden gegeven, je zou er struikelen over de drommen volk uit oost en west en alles zou er veel te duur zijn. Daar bleek allemaal niets van waar te zijn. Het was een vrolijke mengelmoes van exotisch en nuchter Hollands, een enkele lege plek viel niet echt op, er was een samballerie die tientallen, ja, een half honderd verschillende sambals verkocht die je allemaal mocht proeven: van zoet tot ondraaglijk heet. Tientallen restaurantjes, sommige (zoals dat hoort) op verhogingen midden in de hal, lokten ons. We kozen uiteindelijk voor een pintxos-bar.

Alle onheilsboodschappen van goedwillende vrienden ten spijt dus, heb ik intens genoten van dit architectonisch wonder: een woonflat in de vorm van een poort, met een one-stop microkosmos in zijn ingewanden. Ik vond het schitterend.


Aan de andere kant van de stad, in Katendrecht is ook een markthal, de Fenix Food Factory. Deze is ook heel leuk, maar wel totaal anders. Een beetje alternatief, rommelig in een oud havengebouw gepropt, met de industriële resten open en bloot. Veel linkse gezinnetjes, rastakoppen en bluesmensen. Ach, ik hou nu eenmaal van overdekte voedselmarkten. In Madrid en Florence, in Amsterdam of hier, in die rare stad, de geboortestad van mijn vader, hier in Rotterdam.



dinsdag 4 oktober 2016

Ithaca 2

Het gekantelde eiland (foto: Jenet)
Vrienden schrikken altijd een beetje als we vertellen hoe wij op vakantie gaan. Jenet en ik geven er de voorkeur aan om drie weken lang op één Grieks eiland te verblijven, ieder jaar een ander, en om daarbij af te zien van het huren van gemotoriseerde vervoermiddelen. Fietsen mogen wel, maar ja, die eilanden zijn vaak niet helemaal vlak... Ithaca is zelfs uitgesproken slordig in elkaar gezet en zwaar gekanteld. Zo zijn we afhankelijk van het openbaar vervoer en onze benen. En het weer. Doorgaans loopt dat allemaal wel los: er is altijd wel een bus naar de hoofdstad of naar de andere kant van het eiland, en het weer is normaal gesproken altijd prachtig. Ondertussen stellen we ons voor dat op deze wijze onze microwereld zich meer verdiept dan bij de gemiddelde toerist die rond raast en zich geen tijd gunt voor échte onthaasting.
Tot zover de theorie.

In de praktijk ging het deze keer allemaal wat minder soepel. Van alle Griekse eilanden die we in de afgelopen jaren bezocht hebben, is Ithaca met een zekere voorsprong het moeilijkst te temmen gebleken. Er is op het Ionische eiland geen openbaar vervoer te bekennen, behoudens een (vrij dure) bootdienst naar een strand in het noorden, die we een paar keer genomen hebben. Dus waren we meer dan ooit aangewezen op de gestaag gespierder wordende benen. En het weer was zeer wisselvallig, met een paar verpletterende onweersbuien die uitbundig tegen de omringende heuvels oprolden.

Perachori
Vanuit Vathi kun je de vier windrichtingen uit, vrijwel steeds inclusief een paar heel venijnige klimmetjes. Een zeer nijdige klim was het naar het ruim 350 meter hoog gelegen dorp Perachori dat we vanuit ons huis lui op een bergflank zagen liggen. In de meeste gevallen ligt er aan het einde van wandeling als beloning een strandje op ons te wachten, vaak behoorlijk verlaten en in ieder geval niet overdreven rijk voorzien van uitspanningen. In het algemeen zoek je hier, zodra je het jachthavenachtige gedeelte verlaat, sowieso tevergeefs naar terrasjes. Bovendien waren wij laat in het seizoen en wie aanvankelijk nog in hippieachtige hutconstructies lichte consumpties verschafte hield daar halverwege ook mee op.

Hippieachtige hutconstructie (foto: Jenet)
Dat seizoenseinde, we hebben het al vaker meegemaakt. Op Andros was het de derde week van september zo goed als uitgestorven met, speciaal voor de Ross-mensen, nog één fatsoenlijk restaurant geopend. Hier op Itahaca viel dat nog wel mee, maar de twee beste restaurants gaven het advies ons maar niets meer aan te trekken van de menukaart en binnen te kijken wat ze in de vitrine nog hadden en aan te wijzen wat je beliefde. Ik wees een keer een punt champignontaart aan, maar even later kwam de bediende bedremmeld melden dat na mij een grote, luidruchtige groep Italianen van een jacht de hele taart ingepikt had. Sorry. Zo heb ik noodgedwongen voor het eerst van mijn leven moussaka gegeten. Gezien het feit dat ik niet dol ben op aubergine en zelfs een lichte hekel heb aan bechamel, een opmerkelijke ontwikkeling. 

Eten wat de vitrine schaft in Trehantiri
Wel had diezelfde taveerne altijd gestoofde geit en dat was zeker de moeite waard. Het blijft een wonder hoe diep hartig een gerecht kan worden als je het een aantal uren stooft in niets dan zout, peper, Griekse oregano en wat wijn.

De terugweg was nog interessant vanwege een staking. De veerdienst lag plat en we moesten met de boottaxi terug naar Kefalonia, waar het vliegveld is. We deelden vroeg in de ochtend het bootje met de burgemeester van Vathy, een ietwat smoezelig ogende figuur die in drie verschillende mobieltjes tegelijk tetterde en vergezeld werd van twee grote kerels met zonnebrillen (wat dat toch is? Verblindt het intense sterrenlicht ze?)

Volgend jaar maar weer eens terug naar de Egeïsche zee.



vrijdag 8 april 2016

Het echte Madrid

Madrid was voor mij een verrassing. Ik had een statige, rustig-energieke, mogelijk zelfs lichtelijk pompeuze stad verwacht, met brede lanen, protserige paleizen en veel jugendstil of (neo)-barokke warenhuizen van wit marmer in dure winkelstraten.
Ze waren er wel, die lanen, maar voornamelijk als omlijsting van de echte stad, die veeleer een beetje smoezelig, alternatief, artistiek en studentesk was. De hobbelige stad blijkt in feite een soort heuvelachtige Pijp te zijn. Die befaamde brede en strenge boulevards, zoals de Calle Gran Via of de Calle de Atocha lijken er hoofdzakelijk te zijn als afbakening van de diverse kleinschalige wijkjes. Daardoor is het binnenste van Madrid tamelijk geborgen gebleven, en dat is beslist niet waar ik voorshands rekening mee gehouden had. Het voelde tegelijkertijd heel vervreemdend en heel vertrouwd aan.

Levend standbeeld
Vrouwen met blauw of lila haar, een paar Hare-Krishna’s, heel veel bebaarde hipsters-light: metromannen met schoothondjes en opgevouwen kruinstaartjes, al dan niet openlijk en opmerkelijk ontspannen homo. Op de pleinen treedt de nieuwste generatie levende standbeelden in steeds ambitieuzere houdingen op en altijd en overal zitten er groepjes jongelui aan straattafeltjes, etend, drinkend, rokend.  

Die ontspannen atmosfeer hier zou wel eens mede een gevolg kunnen zijn van de plaatselijke eetgewoontes. Het ontbijt, desayuno, is meestal nogal karig. Een kop koffie, een churro (gefrituurd deeg) met suiker, of een zoet taartje. De lunch, comida, wordt na 2 uur ’s middags gegeten. Overal in de stad kun je een menu del dia krijgen tegen een vaste prijs: keuze uit een voorgerecht, een hoofdgerecht, iets zoets na, een fles gekoelde rode wijn en een fles water ernaast. Tientje per persoon. Het is de belangrijkste maaltijd van de dag. Arbeiders met reflecterende kleren en schoenen met stalen neuzen en ambtenaren met blauwe overhemden en nét iets te korte pantalons treffen elkaar in een van de duizenden lunchbarretjes.
Het avondeten, cena is daarna weer een stuk bescheidener en bestaat meestal uit wat tapas of pintxos met bier of wijn (de vrouwen drinken hier meer bier dan de mannen!). Op z’n allervroegst kun je aanschuiven rond half negen. Al dit buiten de deur eten maakt dat Madrid sociaal een heel actieve indruk maakt. Het privéleven en het sociale worden veel minder streng van elkaar gescheiden gehouden dan bijvoorbeeld bij ons in Nederland.

Koninklijk paleis
Mensen die van tevoren een beetje bang waren dat zo’n massale stad als Madrid wat te zwaar voor mijn gemoed zou zijn (en die bestaan!) kan ik dus geruststellen. Gedurende ons verblijf viel vooral de speelse lichtheid van de stad erg in de smaak. En nu we weer thuis zijn is Madrid langzamerhand terug die statige, rustig-energieke, mogelijk zelfs lichtelijk pompeuze stad aan het worden met haar brede lanen, protserige paleizen en veel jugendstil of (neo)-barokke warenhuizen van wit marmer in dure winkelstraten.

Ik realiseer me dat dit enige uitleg behoeft.

Het ligt helemaal niet in mijn aard om vooraf een uitgebreide studie te maken van de plekken waar ik naartoe ga. Vluchtig check ik de verplichte nummers (musea, paleizen, een paar aanbevolen restaurants in de buurt), maar verder treed ik zo’n stad onbevangen tegemoet. Wel heb ik dan in mijn hoofd de stad reeds enigszins ingevuld, ik heb een nogal actieve fantasie. Het curieuze is: nadat ik mijn voorstelling op alle fronten had moeten aanpassen en ik de stad moest bezien zoals ze werkelijk was, lijkt dat beeld zich, nu ik teruggekeerd ben in het Vaderland, weer helemaal terug te vechten. Hoewel ik dus weet dat mijn voorstelling volslagen fout is, blijft toch iets in mijn kop hardnekkig in dat oorspronkelijke beeld geloven. Alsof ik mijn oorspronkelijke fantasie meer vertrouw dan de bewezen werkelijkheid. En dit is bepaald niet de eerste keer dat zoiets me overkomt.


dinsdag 11 november 2014

Kosjer

Deze keer hadden we een hotel in Antwerpen geboekt pal tegenover het majestueuze Centraal Station. Zodoende bevonden we ons in een wel zeer kleurrijk gedeelte van de stad: recht voor ons torende in de verrassend milde late oktoberzon deze kathedraal van het moderne treinvervoer hoog boven ons uit, daarachter en ertegenaan gebouwd lag de negentiende-eeuwse dierentuin, links de kleine Chinese buurt en achter onze rug, ten slotte, strekte zich de diamantenwijk uit, waar de chassidische joden als buitenaardse wezens bedrijvig door Antwerpens straten beenden. Traditioneel is de handel in diamanten een joodse bedrijfstak, vroeger nog veel meer dan tegenwoordig.

Een oudere man liep in zijn eigen gedachten verzonken door een uitbundig glinsterende straat. Tientallen juwelierszaakjes schetterden ons hun met LED-lampjes aangezette rijkdom tegemoet. Het contrast tussen de man en zijn lichtgevende omgeving kon niet groter zijn. Hij had een lange, grijze baard. Zijn bril ging half verborgen onder de rand van een grote, nogal houterige en heel hoog, bijkans op het achterhoofd balancerende, zwarte hoed. Twee lange pijpenkrullen (later leerde ik dat die payots heten) van donkerrossig haar hingen langs zijn oren naar beneden. Hij droeg een halflange, zwarte jas, een zogenaamde kapoteh, zware zwarte schoenen en lange, zwarte kousen die in ieder geval tot zijn kuiten doorgingen. Vanonder zijn jas kwam hier en daar wat franje tevoorschijn van een lichtgekleurd gebedskleed, een tzitzit, zoals wikipedia me later uitlegde.
Ik merkte tegen Jenet op dat ik zo iemand alleen maar kon zien als een alien, zoals vrouwen in een Niqab bij mij ook altijd, meer nog dan aversie of wrevel, vooral een heel directe vervreemding opwekken. Alsof ik in een space-adventure van Jack Vance terechtgekomen was.
Jenet wilde daar niets van weten. ‘Het zijn gewoon mensen,’ merkte ze correct op.
In één adem overspeelde ze, in mijn ogen althans, meteen daarop haar hand door voort te gaan met: ‘het vreemde zit alleen maar in jouw hoofd.’
Kijk, daar was ík dan weer niet zo heel zeker van.

In de Lange Kievitstraat is Hoffy’s gevestigd, een Jiddisch eethuisje, dat genoemd is naar de uitbaters, de drie gebroeders Hoffmann, geboren en getogen Antwerpenaren van Oost-Europese afkomst. En het is niet zomaar een tentje, bleek: ‘Het enige echte Jiddische restaurant van Europa, zelfs in New York kunnen ze niet tippen aan Hoffy’s’, schrijft Claudia Roden, auteur van het boek De Joodse keuken, 800 authentieke recepten uit de diaspora.
Amaai! Dat is nogal wat!

De prijzen bleken er heel redelijk te zijn en het was ook nog eens om de hoek bij het hotel, dus natuurlijk reserveerden we er, ondanks dat het er van de buitenkant niet uitgesproken gezellig uitzag. Het voorstuk van het restaurant is namelijk een uitgebreid afhaalcafetaria en rond etenstijd zie je er vele in het zwart geklede mannen hun maaltijd samenstellen uit de diverse tentoongestelde lekkernijen. Een enkele eet het ter plaatse op, schuw in zichzelf gekeerd, enigszins woedend het voedsel wegwerkend alsof eten eigenlijk een schaamtevolle bezigheid was. Heel snel ook: binnen twintig minuten heeft zo iemand een complete maaltijd op.

Wij kregen daarentegen een tafeltje verder achterin en mochten gelukkig aanzienlijk langer doen over het avondmaal.
Ik zal niet te veel gaan uitweiden over het eten: het was heel lekker, gevarieerd en verrassend subtiel. Bietensalade met mierikswortel, gefilte fish, quichke, wat een soort Poolse rösti blijkt te zijn, of kalfsgehakt in aubergine. Alles uiteraard strikt kosjer. Een aanrader.

Na het voorgerecht kwam de middelste van de drie broers Hoffman, Yumi (een koosnaampje voor Benjamin), bij onze tafels zitten voor een praatje. Of preciezer: een les. Hij was dun, nerveus en ouwelijk, maar zijn oogjes glinsterden met een mengsel van humor en serieuze luciditeit. Hij droeg zijn traditioneel joodse grijs/bruine werkjas, een Rekel. Zijn linkerbeen leidde een eigen leven en begon om de haverklap te shaken. Een keppeltje zat enigszins scheef op de beginnende kaalheid van zijn hoofd. Hij combineerde een sappig Antwerps accent met de lispel die je traditioneel bij het Jiddisch verwacht. Geroutineerd legde hij iets uit omtrent de kasjroet, de set van 613 spijswetten zoals die in de Torah opgetekend staan. Hij legde uit wat het woord kosjer betekent (“rein”) en noemde zoal wat diersoorten op die wel, een paar andere die juist niet rein waren. Dat het varken niet deugt, wisten we wel. Maar vissen moeten per se schubben en vinnen hebben, anders mogen ze niet. Insecten mogen niet, met uitzondering van sprinkhanen dan weer. Evenhoevig vee mag wel, maar kamelen daarentegen weer niet. Wijn moet altijd onder rabinaal toezicht vervaardigd zijn. Oi ve!

Wat een uitgebreide verzameling spijswetten! Sommige zijn zo gecompliceerd dat je je gaat afvragen of ze niet op een of andere misinterpretatie van de Torah gebaseerd zouden kunnen zijn. Eén van de kernwetten, namelijk dat je geen vlees- en zuivelgerecht mag combineren is bijvoorbeeld terug te voeren op Deuteronomium 14:21 en Exodus 23:19, waarin staat dat het verboden is een geitje te koken in de melk van zijn moeder. Een dergelijke wet kun je, dunkt me, heel specifiek interpreteren, of juist heel breed generaliseren. De Chassidim hebben duidelijk voor het laatste gekozen, zodat je minimaal zes uur moet wachten voordat je na de ene, van de andere soort spijzen mag eten. De uiterste consequentie is dat ieder goed joods huishouden beschikt over minimaal twee keukens: één voor de bereiding van vlees, en één voor die van zuivel. Ieder jaar verschijnt de nieuwe kasjroetlijst van producten die wel, of juist niet gebruikt mogen worden, en dat gaat heel ver: sommige M & M’s mogen niet omdat daar een kleurstof op basis van druiven in verwerkt is, bepaalde kaaskoekjes mogen wel, omdat er helemaal geen zuivel in verwerkt is!

Het ging mij, als niet-gelovige, wel wat erg ver en ik begon te broeden op iets. Maar voordat ik de kans kreeg, beet Jenet me toe: ‘Jij gaat hier niet om een ham/kaas tosti vragen, heb je dat begrepen?’ Ze kent me.

Yumi legt uit
Het grote gezelschap naast ons was openlijker nieuwsgierig dan wij en bestookte de kleine restauranthouder met vragen.
‘Maar waarom al die ingewikkelde spijswetten?’ vroeg de meest inquisitieve van de vrouwen. Yumi weifelde geen seconde.
‘Waarom? Omdat het zo gesjreven staat!’
Dat accepteerde ze meteen, maar…
‘Waarom sta da zo geschreven? Waarom wel de ene vis en niet de andere? Wat is de reden daarachter?’ Yumi haalde gelaten zijn schouders op.
‘Denkt u dat wij da ons niet ook allemaal nie afvragen? Iedere dag, in de sjoel, tijdens de Torah-klas, vragen we voortdurend: “waarom toch?” Nooit krijgen we antwoord, maar toch doen we het zo, al vele eeuwen lang, omdat het zo gesjreven staat.’
‘Ik zou altijd een reden willen weten.’
‘Mevrouw, mag ik vragen: eet u kat?’
Vet Vlaams knorde ze: ‘Neu’
‘Voilà.’
‘Ik eet ook geen hond, maar dat is uit vrije wil. Da hebbekik zelf beslist.’
Je zag aan Yumi dat hij beet had. Hij keek nog een keer nerveus om zich heen, zijn linkerbeen begon weer te shaken, en met iets van linkheid in zijn stem vroeg hij onschuldig: ‘Waarom nie?’
‘Nu ja, da doe man nie, eh?’
Yumi herhaalde zijn vraag: ‘Waarom nie?’
De vrouw bleef even stil. Yumi vervolgde: ‘U doe da nie omdat de andere mensjen da nie doen. Omdat u geleerd is om da nie te doen.’
Hij had deze discussie ontelbare malen gevoerd, dat kon je aan alles horen. En was keer op keer als triomfator tevoorschijn gekomen, dat kon je aan alles zien.

Hij moest weg. Hartelijk begroette hij ons, met nog een kwinkslag hier en een zenuwachtig knipoogje daar, en hij verdween naar de keuken. Een paar minuten later was hij terug voor een definitief afscheid. Nu droeg ook hij de traditionele zwartzijden jas, de zwarte hoge hoed op het achterhoofd en een prominente pijpenkrul rolde voor zijn oor langs. Die had hij kennelijk tijdens werktijd achter dat oor geklemd gehouden.

Dat was Yumi. Dat was Hoffy’s. Volgende keer komen we weer eten.

Vrijdagavond en de hele zaterdag gesloten, natuurlijk.

dinsdag 9 oktober 2012

Cabrales

Ik was laatst op een feestje en vond mij op een gegeven moment terug in de keuken, een voor mij niet geheel vreemde ontwikkeling omdat ik op partijtjes altijd enorme peuzelhonger heb en me met mijn lage bromstem toch niet verstaanbaar kan maken als er ergens muziek hard staat. Op een grote keukentafel waren de versnaperingen uitgestald. Naast manden met stokbrood, een fraaie pastasalade en enkele schalen met aardnoten, trof ik er ook een uitgebreide en fantasierijke selectie kazen aan. Het stonk in die keuken dat het een aard had. Een platte Munsterkaas walmde gezellig alle windrichtingen uit en allerlei andere kazen voor gevorderden deden enthousiast mee. Een medefeestganger selecteerde een paar stukjes en begaf zich met zijn kartonnen bordje weer naar zijn vrouw. Angstvallig, zo zag ik, had hij één schotel links laten liggen. Ik glipte wat dichter naar die schotel toe. Erop lag iets dat nog het meeste leek op bedorven paté, of het inwendige van een weggerotte boom. Ik durfde met geen mogelijkheid te zeggen wat dit grauwe, schimmelige hoopje afval moest voorstellen. Was het eigenlijk wel kaas?

Met twee kiese, tentatieve vingers plukte ik een minimaal stukje uit de angstaanjagende massa en dapper legde ik die op mijn tong.
In eerste instantie weigerden mijn hersenen te registreren dat ze iets proefden: ze waren in shock. Toen het rationele zenuwstelsel hen ervan overtuigd had dat ze weer aan de slag moesten, begonnen ze allerlei alarmsignalen te verspreiden. Zilt, scherp en mateloos intimiderend was de smaak van dit spul dat uit een nachtmerrie gekomen leek te zijn. Maar wat was die smaak zuiver! Geen spoor was er te bekennen van die typische, bittere ammoniaklucht als van gedragen ondergoed, die zo al te veel belegen kaas oneetbaar maakt. Ik nam een tweede stukje, weer zo klein mogelijk. Ik liet het smelten op mijn tong en zocht naar de gastheer. ‘Wat, in naam van de goden, is dit?’

Gerard glimlachte en zei eenvoudig: ‘Cabrales.’

‘O,’ zei ik.

Ik heb de monsterkaas op internet opgezocht. Cabrales is een Spaanse blauwschimmelkaas van ongepasteuriseerde melk. De beste wordt gemaakt in het voorjaar, wanneer de koemelk aangevuld kan worden met geiten- en schapenmelk. Door de zilte zeelucht van dat deel van Asturië, de alom aanwezige esdoornbladeren, waar de kaas in verpakt wordt, en door de werkelijk indrukwekkend actieve blauwschimmel die ervoor zorgt dat een goed rijpe Cabrales voor 65% uit schimmel, en nog maar voor 35% uit kaassubstantie bestaat, maakt dat deze grijsgele kaas een volstrekt unieke smaak heeft gekregen. Een smaak die je nooit meer vergeet en waar je de rest van je leven naar blijft verlangen.

‘Ik heb hem meegenomen uit de streek zelf,’  vertelde Gerard trots. ‘Deze kaas kun je in Nederland niet krijgen.’

Sterker: vermoedelijk mag hij hier niet eens verkocht worden van de warenwet. Ik moest denken aan het bekende Engelse kookduo The Two Fat Ladies, van wie de dikste in een kaaswinkel de kijkers adviseerde om heel scherp de uiterste houdbaarheidsdatum in de gaten te houden. Alleen kaas die daar ver overheen was, kon wat haar betreft door de beugel.

Ik nam nog een derde stukje en rende toen de feestzaal in om iedereen ongevraagd te adviseren zo snel mogelijk hun insipide en obligate borrelgesprekken te staken, zich de keuken in te haasten en die rare toverkaas te proeven.

Nog niet zo lang geleden heb ik eens beweerd dat ik me een beetje begon te vervelen met kaas. Hoe dom kan een mens zijn!