Posts tonen met het label Italië. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Italië. Alle posts tonen

maandag 11 augustus 2025

Bedlezerig 7 (slot)

Ik loop ondertussen allang weer als een (wel heel oude, vermoeide en door het leven gefnuikte) kievit, maar ben nog steeds niet klaar met mijn leesproject. Dus ga ik nog even door, niet langer bedlezerig, maar ambulant lezerig. 
Na de wat atypische boeken uit de vorige aflevering, met paranormale detectives in de ene hoek, autistische wijsneuzen in de andere, lezen we nu weer een normale reeks, over een normale commissaris in Florence (de derde al in deze reeks!) die normaal getrouwd is en een normaal team onder zich heeft.

Michele Giuttari vertelt, ook alweer vertaald door Howard Curtis, over de zaken van commissaris Michele Ferrara.
Het toeval wil dat de geboren Siciliaan Michele Ferrara uit de boeken precies dezelfde functie heeft als zijn schepper, de geboren Siciliaan Michele Giuttari tijdens zijn werkzaam leven had en dat blijkt vooral uit de enorme insiderkennis die uit de boeken blijkt. Deze romans zijn policiers geworden zo waarheidsgetrouw, dat sommige hoofdstukken dreigen niets meer te worden dan opsommingen van procedures. Zoals het hoort zijn ook in dit geval de boven ons gestelden uitsluitend bezig met het ondermijnen van deugdelijk politieonderzoek, en zoals gebruikelijk blijft onze hoofdinspecteur onder die omstandigheden laconiek en tegendraads.
Wat de boeken dan toch een beetje smeuïg probeert te maken is het toevoegen van allerlei seksuele aberraties, iets dat niet altijd even goed uit de verf komt.
In de eerste vertaalde roman, A Florentine Death komt een ontluikende seksrelatie tussen een “soort” homo en een “soort” lesbienne ons rauw op het dak vallen. Dit gegeven eist een zo grote dosis psychologisch inlevingsvermogen, dat deze lezer althans een aantal malen verbluft uitriep: ‘Tut tut.’ En zelfs een keer: ‘Nou nou.’ Dergelijke, psychologisch niet of nauwelijks onderbouwde salto mortales willen er bij mij niet makkelijk in, maar omdat de nogal ongemakkelijke ontwikkeling essentieel is voor de plot (die neerkomt op homohaat, dat voel je meteen tijdens de eerste introductie van het motief), zuchtten we eens diep en ploegden we verder door het boek. En ploegen was het wel een beetje, want eerlijk gezegd vond ik het geheel een beetje saai. Het deed hier en daar denken aan Donna Leon, maar dan zonder haar kleine, vileine grapjes.
Het tweede deel A Death in Tuscany is een stuk strakker gehouden, met veel minder van die sprongen in het psychisch perspectief die je eigenlijk helemaal niet nodig hebt en die het eerste deel wat pretentieus doet overkomen. In dit deel worden we getrakteerd op heroïne en pedofilie, opgehangen aan vrijmetselarij. U heeft het door: geen cliché wordt geweerd. Maar het boek is beslist soepeler geschreven en ik heb het allengs geboeider uitgelezen.

Donato Carrisi heeft een soort Stieg Larsson-achtige faam opgebouwd met zijn ijselijke, literaire thrillers. Ik heb van hem alleen Il suggeritore gelezen, vertaald als The Wisperer. Ik ben niet zo van serial killers en pedofilie, noch van internationale topsuccessen en al helemaal niet van het koket gemunte literaire thriller, dus de stemming was vanaf enige tientallen pagina’s al wel enigszins gezet. Maar ja, ik laat me graag overhalen dus bleef ik aanvankelijk open en onbevooroordeeld (omdat ik dit allemaal toen nog niet wist!) aan het eerste deel van de Mila Vasquez-serie doorlezen.
Wat me van meet af aan opviel was dat het verhaal nergens speelde. Ik bedoel: het was me na enige honderden pagina’s niet duidelijk in welk land we ons bevonden. Niet in Italië, in ieder geval. Gezien de achternamen van de personen, en gezien de naam van een snelweg, Highway 115, moest ik concluderen dat we of in de Verenigde Staten of in Canada waren.
Alles in dit boek is clichématig en gemakzuchtig. Zoals het landschap niet uitgewerkt wordt, zo krijgen de diverse innerlijke landschappen van de hoofdpersonen al evenmin een herkenbare vorm. Ze blijven stuk voor stuk lede poppen die in een leeg decor hun handelingen verrichten. Slechts de ongewone wreedheid van de misdaden maken dat het boek zich onderscheidt.
Mijn ergernis werd allengs zo groot dat ik het nog voor de helft terzijde heb gelegd. Nooit zal ik weten wie die vijf kinderen heeft vermoord door hun een arm af te kappen. Nooit zal ik weten of de zesde nog in leven is. Nooit zal ik ontdekken dat een lid van het onderzoeksteam bij dit alles betrokken is (nu ja, dat las ik dus ergens op Goodreads, maar doet nauwelijks ter zake: de verdachtenpool was zodanig klein dat het wel een van de “good guys” moest zijn!)

Van de Sardijnse auteur Piergiorgio Pulixi heb ik Een steek door het hart (oorspronkelijke titel: Un colpo al cuore) gelezen. En net als bij The Wisperer was dat geen onverdeeld genoegen. Ook de boeken van deze schrijver worden gekenschetst als “literaire thrillers”, en dan gaan mijn schaarse haren al meteen weer rechtop staan. Want meestal zijn zulke boeken erg pretentieus, bij definitie bijna. Daar komt nog bij dat deze thriller in het geheel niet literair blijkt te zijn: de karakters zijn raar uitgewerkt en onplezierig, hun innerlijk zielenleven oninteressant en clichématig. Strega, de mannelijke hoofdpersoon is niet van de straat en citeert links en rechts uit de klassiekers, draait zijn eclectische muziekkeuze en houdt diepe conversaties met zijn humeurige kat, allemaal net als Nathan Sutherland van Philip Gwynne Jones, maar die wordt met humor en lichtvoetigheid gebracht, iets dat in dit zwoegende boek ver te zoeken is.
Ook de plot is niets bijzonders. Een vrij dun verhaaltje, gelardeerd met weer een grote dosis hoogst origineel sadisme, maakt dat je dan maar gaat verder lezen om wat meer te weten te komen van de Sardijnse cultuur en psychologie. Tevergeefs helaas.
Bovendien is dit boek, dat ik niet in een Engelse vertaling heb kunnen vinden, behoorlijk bedorven door de Nederlandse vertaling van Guanita Milder-Wolbers en Saskia Peterzon-Kotte die zich met lompe, onhandige en soms zelfs ongrammaticale zinnen door het oorspronkelijke Italiaans hebben gewerkt. Wat in het Italiaans als “casual cursing” geldt, wordt in het Nederlands nijdig en vulgair schelden met veel meer lading dan bedoeld. Zo worden de twee vrouwen die de hoofdrol spelen ware kijvende secreten, niettegenstaande hun aangrijpende (snik) persoonlijke geschiedenissen. In tegenstelling tot het vorige boek heb ik dit wel uitgelezen, maar ik zal beslist geen volgend deel oppakken.
En nu ben ik het meteen zat ook. Ik ga een paar jaar geen Italiaanse thrillers meer lezen. Ik ben genezen!

zaterdag 31 mei 2025

Bedlezerig 6

Maurizio De Giovanni introduceerde met diens grotendeels door de ons reeds bekende Antony Shugaar vertaalde boeken over Commissario Ricciardi in Napels een crime-element dat mij helemaal niet bevalt: het bovennatuurlijke. Commissario Ricciardi is namelijk in staat levensecht de laatste woorden van op onnatuurlijke wijzen om het leven gekomen personen te horen of voelen. Hoe hij dat kan weet hij niet, maar het gebeurt en hij lijdt intens onder dit paranormale vermogen, zodanig zelfs dat hij geen relaties aangaat, want hij wil zijn kinderen deze vloek besparen. In eerste instantie leek het me niets anders als een goedkope truc van een schrijver die geen zin had zijn enkelzijdige psychisch perspectief los te laten en toch bepaalde dingen wilde vertellen die de hoofdpersoon niet kon weten, maar naderhand blijkt hij dat perspectief wel degelijk voortdurend te verleggen, en in latere delen zwalkt dat perspectief zelfs over het gehele spectrum en worden we intiem op de hoogte gehouden van het innerlijke denkleven van zoveel verschillende personen, daders en slachtoffers, dat je er eigenlijk een personenregister bij zou moeten hebben. Kennelijk ziet De Giovanni het bovennatuurlijke dus toch voornamelijk als een wezenlijke en waardevolle toevoeging bij zijn verhalen. Ik vind van niet.
Luigi Alfredo Ricciardi is een jongeman, even oud als zijn eeuw. Hij is 31 en Italië is aan haar negende fascistische jaar bezig. Hij is subtiel genoeg om politiek onder de radar te blijven. Een van zijn love interests is een intieme kennis van Il Duce, maar het wordt duidelijk dat Ricciardi niets met de fascisten te maken wil hebben, die voor het merendeel voorgesteld worden als brute imbecielen. Uiteraard is Ricciardi een soort beschaafde rebel die elke autoriteit aan zijn laars lapt en hij is meer dan opgewassen tegen de boven hem gestelden. Zijn directe meerdere op het politiebureau is een pedante, incapabele opportunist, zoals zo vaak in dit soort boeken.
De hele set-up, met het bovennatuurlijke en een ongenaakbare commissaris die het niet hoeft te doen voor het geld - hij is van adel en zit er warmpjes bij - en die vreemd onbereikbaar blijft voor de vrouwen om hem heen, doet me onweerstaanbaar denken aan de Simon Serailler reeks van Susan Hill, die echter nog wel net aan onze zijde van de realiteit blijft, dat wil zeggen: alle goth en gruwel in haar boeken wordt uiteindelijk redelijk verklaard.
Als we eenmaal die bovennatuurlijke schil van De Giovanni laten voor wat die is, komen we in een reeks tamelijk conventionele whodunnits terecht, die in bepaalde opzichten doen denken aan Donna Leon, compleet met vermoorde operazanger.
Ik denk niet dat ik na twee deeltjes verder ga lezen. De boeken zijn beslist goed geschreven, maar het principe van een whodunnit met een detective met paranormale gaven kan ik niets anders vinden als valsspelen. Ook vind ik de plots wel wat dunnetjes. Of ik de televisieserie van de RAI verder ga bekijken weet ik niet. Deze reeks, sinds 2020 verfilmd in een prachtige cinematografie die uit de traditie lijkt te komen van Luchino Visconti, kent tot op heden 10 episodes. Hoofdrolspeler Lino Guanciale is haast een dubbelganger van de jonge Alain Delon. Wie de hand kan leggen op de reeks moet het zeker proberen. Ik vond hem na een paar afleveringen een beetje saai worden.De Giovanni is verantwoordelijk voor nog een tweede reeks, I bastardi di Pizzofalcone. Het eerste deel ervan, eigenlijk een soort prequel, is Il metodo del coccodrillo, in het Engels eenvoudig vertaald als The Crocodile. Opnieuw treffen we korte, ogenschijnlijk los van elkaar staande hoofdstukjes aan, vanuit diverse perspectieven geschreven, sommige in de ik-vorm. De fragmenten blijken in de loop van de vertelling steeds meer een verband met elkaar te hebben. Hierbij is in één geval een truc toegepast die ik nog niet eerder gezien heb: een aantal  korte hoofdstukjes blijken tegen het eind niet over de ene persoon te gaan, zoals de lezer moet geloven, maar over een heel andere, in een heel andere tijd. Na wat verwarring blijkt wat aanvankelijk aangezien wordt voor een dader, juist een slachtoffer te zijn. Uiteindelijk niet echt ingewikkeld, maar wel knap, en heel vervreemdend. Gelukkig maakt De Giovanni voor deze reeks geen gebruik van het bovennatuurlijke. Ook nu bevinden we ons in Napels, maar nu in een hedendaagse variant ervan, met punks en drugkoeriertjes en voorlijke meisjes. Veel pisstank in de straten, veel graffiti op de muren.
En opnieuw is de onvermoeibare Anthony Shugaar verantwoordelijk voor de uitstekende vertaling. De boeken zijn verder vrij conventioneel (lone wolf politieman met relatieproblemen lost ondanks tegenwerking door de boven hem gestelden alles uiteindelijk op) en leveren op die manier een paar uurtjes ongecompliceerde noir op. De Giovanni verklaart zich schatplichtig aan Ed McBain. Zijn wederwaardigheden, nu omringd door een team van misfits, worden voortgezet in een hele reeks.
De cast van I Bastardi di Pizzofalcone
Ook hier is een mooie televisieserie van gemaakt die ik bezit, met Alessandro Gassman (inderdaad: zoon van de legendarische acteur Vittorio Gassman) in de rol van inspecteur Giuseppe Lojacono. De in een heel andere stijl dan de Ricciardi reeks opgenomen episodes zijn een tamelijk getrouwe afspiegeling van de boeken. Veel kleine humor, veel klein melodrama. Wederom: wie er de hand op weet te leggen zou het kunnen proberen. Mij bevalt deze serie meer dan de Ricciardi-reeks.
Sandrone Dazieri introduceert met agente Colomba Caselli en ervaringsdeskundige Dante Torre een wel heel beschadigd duo. Caselli houdt zichzelf verantwoordelijk voor een bomaanslag in Parijs die ze geprovoceerd zou hebben - ze is door een commissie van iedere blaam gezuiverd maar niettemin… Torre is een voormalig slachtoffer van een jarenlange ontvoering en zit vol met angsten en dwanghandelingen. Binnen de politie en magistratuur is natuurlijk weer de nodige animositeit. Het lijkt wel alsof in dit genre de hoger geplaatsten uitsluitend bezig zijn met het actief dwarsbomen van deugdelijk politieonderzoek. Aanvankelijk vond ik het eerste deel, Kill the Father, goed geschreven, met een diep doordachte en soms provocerende en grimmige psychologie. De lezer loopt tegen veel onverwerkte zaken aan. Een seriemoordenaar die het op jonge jongetjes voorzien heeft maakt het boek heel hard. Het tempo wordt op voorspelbare wijze steeds meer opgevoerd en aan dat procedé kleven wel wat bezwaren. Want wat aan Dazieri’s boeken op den duur wel begint te storen zijn de niet al te subtiele, bombastische effecten.
Na dit niettemin intrigerend eerste deel las ik ook het tweede deel, Kill the Angel, waarin het lijkt te gaan om een aanslag van IS. Ik vermoedde (en hoopte) al snel dat het uiteindelijk heel anders zou gaan lopen, maar vooral in het begin was er dat Forsyth/Ludlum-achtige sfeertje waardoor ik dit boek met aanzienlijk minder enthousiasme ter hand nam dan het eerste deel. Ondanks de thematiek die mij anathema is, bleef het wel allemaal goed geschreven. Dazieri neemt rustig zijn tijd zonder ooit traag te zijn. Door de allengs grover wordende effecten en de tientallen slachtoffers wordt ook dit boek helaas op den duur steeds minder aantrekkelijk. Ik denk dat het beschrijven van gevechten zo mogelijk nog moeilijker is dan van seks. Het resultaat is maar al te vaak een droge opsomming van fysieke handelingen. Het boek bevat veel van dit soort beschrijvingen, maar ook heel veel flauwe Dan Brownachtige plotwendingen, van die soort wendingen waar je wel een beetje moe van wordt. En wat meer is: je raakt er ook op voorbereid. Wordt er een patholoog-anatoom of een rechter-commissaris geïntroduceerd of, zoals in het tweede deel een vriendschappelijke politieman, dan denk je meteen: ‘Tja, zou dat dan de boef blijken te zijn?’ En als dan aan het eind onthuld wordt wie de boef was en wie de held, haal je je schouders op: ik had het zo wel gedacht, maar het had net zo goed andersom gekund. Zo worden deze boeken steeds minder procedurele politiethrillers en steeds meer complot- en grofgeweldthrillers. En dat wordt mij wat zwaar op den duur.

dinsdag 29 april 2025

Bedlezerig 5

De quasi-gitzwarte Massimo Carlotto begon zijn romans te schrijven terwijl hij in de gevangenis zat voor een moord die hij niet begaan had. Zijn hoofdpersoon, Marco Buratti, bijgenaamd Alligator, is een soort enforcer die goede daden verricht, voor geld uiteraard. Zijn wereld is een smerige, met veel achteloze liquidaties en ander grof geweld, alles uitvergroot tot in het absurde. Hij werkt samen met twee andere bajesklanten, van wie er één niet terugdeinst voor een nonchalante moord hier en daar.
Het is alsof Carlotto het op zich heeft genomen om de ultieme Mickey Spillane pastiche te schrijven. Alles is net iets meer dan levensgoot en overdreven clichématig aangezet. Hij is een Scerbanenco in het kwadraat. De plaats van handeling is Padua en omgeving, dat overigens niet of nauwelijks beschreven wordt. Buratti heeft er een jazz/blueskroeg. Hij heeft zelf vroeger ook de blues gezongen, drinkt uitsluitend calvados (ook ’s ochtends) en heeft zijn vrienden en compagnons in de bak opgedaan. Als iemand een hond heeft is het een rottweiler of een mastiff, als iemand een PA heeft is dat meteen ook een parttime killer. Als iemand een vrouw heeft, heeft ze indrukwekkende rondingen en heet ze Tootsie (bij wijze van spreken dan).
Vreselijk hoogstaand van inhoud of subtiel geschreven zijn de Alligator-boeken geenszins. Heel vervreemdend zijn de wisselingen van psychisch perspectief. Het grootste deel is geschreven in de bekende hard-boiled ik-vorm. Maar sommige stukken, die de lezer kennelijk wel, maar de ik-persoon niet mag weten worden plotseling in de derde persoon aangeboden door een alwetende verteller. Ik vind dat knullig en amateuristisch. Ook vind ik de boeken slechts in beperkte mate amusant - ze liggen ver af van mijn ideaal. Naarmate Carlotto meer delen schrijft worden ze wel beter, dat moet ik toegeven. Niettemin: Snel geschreven, snel uitgelezen. Evenmin als Marco Vichi doet Carlotto aan hoofdstukken.
Irritant is dat de Engelse vertalingen pas beginnen bij deel 4. Misschien heeft dat te maken met het bovenstaande en waren de eerste deeltjes eenvoudig niet goed genoeg. De vertalingen worden eerst verzorgd door Christopher Woodall, later een keer door Will Schutt en daarna, tot nu, door veelvertaler Antony Shugaar, Die laatste twee zijn Amerikaan en dat merk je aan sommige details (aluminum in plaats van aluminium). Mijn Italiaans is, zoals reeds vastgesteld, niet voldoende om de boeken in hun oorspronkelijke taal te lezen en mijn OCD maakt dat ik me onbehaaglijk voel bij een onvolledige reeks, maar ja, ik ben er toch maar in begonnen, in deel vier dus. Deel vijf was al een stuk beter, hoewel het overdreven gangsterjargon met volle kracht doorgezet wordt. Na een paar deeltjes, telkens beter geschreven, hield ik het, ondanks mijn groeiende waardering, toch maar voorlopig voor gezien.

De boeken die Gianrico Carofiglio schreef over Guido Guerrieri, een advocaat in het Zuid-Italiaanse Bari, zijn van een heel andere orde. Het ligt voor de hand om een vergelijking te maken met John Grisham, maar dat zal ik niet doen, omdat ik in een ver verleden slechts één boek van Grisham gelezen heb en me daar niet te veel meer van kan herinneren. Vanaf het tweede deel wordt deze reeks vertaald door Howard Curtis, een zeer productieve literair vertaler, die net zo makkelijk Simenon als Pirandello onder handen neemt.
Dit soort rechtbankthrillers kunnen mij slechts in geringe mate boeien. Er zijn goed beschouwd maar twee varianten: iemand (bij voorkeur een sociaal ingewikkeld persoon: een migrant, een homoseksueel, iemand met reeds een strafblad, kortom een underdog) wordt van iets vreselijks beschuldigd. Al het bewijsmateriaal wijst op hun schuld. De strafpleiter redt ze. Het enige spannende is, denk ik, of er aan het eind nog een draai komt zodat de vrijgesprokene alsnog de dader blijkt te zijn en de strafpleiter met een gewetenscrisis opgezadeld wordt. De tweede variant behelst een dader die levensgevaarlijk is en zeer machtig, zodat onze advocaat het op moet nemen tegen niet alleen de hele conventie van corrupte rechterlijke blokkades, maar tegen het fysieke levensgevaar dat hun werk met zich meebrengt. Vooral in Italië is dat actueel, maar in Nederland weten we daar inmiddels ook veel van af. Erg veel meer lijkt me verder niet in dit genre te zitten. Dus moeten de boeken het van de karakters hebben.
Van advocaat Guido Guerrieri is in het eerste deel wel getracht een gelaagd persoon te maken, maar op een rare, halfslachtige wijze. In de eerste helft van dat boek wordt hij geschetst als een na een scheiding beschadigd mens met angstaanvallen en obsessief gedrag. Daarna bijt hij zich vast in de zaak en is alle ellende schijnbaar als bij toverslag verdwenen. In de volgende delen komt die gelaagdheid, zo die nog aanwezig is, tamelijk gekunsteld over, haast alsof de schrijver spijt heeft van sommige onderdelen van deze backstory.

De commissario Soneri Mysteries van Valerio Varesi ademen weer een heel andere sfeer uit. Helaas zijn van de zeventien verschenen delen maar een paar vertaald en dan nog buiten de oorspronkelijke volgorde. Men begrijpt, uw chroniqueur wordt daar erg zenuwachtig van. In het eerste, overigens voortreffelijk door Joseph Farrell vertaalde deel (in werkelijkheid deel vier 4) zitten we in de Povlakte en zowel de natuur als de mensen die er optreden zijn weerbarstig. De commissaris is een misantroop, die maar moeilijk met zijn medemensen op kan schieten. Hij is gescheiden (uiteraard!) en legt het aan met een officier van justitie met een hang naar kinky seks. Er leeft veel oud zeer in de omgeving van Mantua en communisten en fascisten vliegen elkaar nog steeds in de haren.
De sfeer van dat deel deed me sterk denken aan Le charretier de la Providence, één van Simenons vroegste Maigrets: een waterweg, een boot, een dode, door het leven getekende scheepsmensen met handen als kolenschoppen, en regen, heel veel regen. Het boek is traag en literair geschreven. Er wordt veel gepraat met vereelte tachtigers, maar in feite is het hoofdpersonage in dit eerste deel de Po zelf, die onstuimig en onvoorspelbaar is.
Het tweede deel (in werkelijkheid deel 6) speelt geheel in de Apennijnen, op de berg Montelupo. Ook hier weer zijn de protagonisten allemaal knoestige, oude mannen. Deze keer is het bijna winter en nevelt het, ook deze keer is de stijl literair en bedaagd. En ook deze keer kun je stellen dat de eigenlijke hoofdpersoon de ongerepte natuur zelf is. En wederom is de geest van Maigret nooit helemaal afwezig.
Het zijn zeker fijne boeken, maar de lezer moet er wel tijd voor maken. Uiteindelijk liggen de aanwijzingen die tot de oplossing van de zaak leiden meestal in het verre verleden. Brede boeken, die het geduld van de lezer belonen.

woensdag 26 maart 2025

Bedlezerig deel 4

In de volgende delen behandel ik een aantal Italianen, die Italiaanse misdaadfictie schreven. Mijn Italiaans is uitermate pover, dus beperk ik me noodgedwongen tot die schrijvers die een (bij voorkeur Engelse) vertaling hebben gekend. Dat zijn er nog best veel.

De godfather van het genre was de in Kyiv geboren Giorgio Scerbanenco (Володимир Щербаненко, 1911-1969). Vanaf 1935 heeft hij vele tientallen thrillers gepubliceerd, aanvankelijk onder Amerikaans aandoende pseudoniemen, later onder de Italiaanse versie van zijn Oekraïense naam. Helaas heb ik van hem maar heel weinig vertaald materiaal gevonden. Die paar boeken die ik heb kunnen vinden komen uit zijn latere oeuvre. De Milano tetralogie (1966-1969) valt onder de categorie Italiaanse noir, een genre dat Scerbanenco min of meer op de kaart heeft gezet. De sfeer in A private Venus (Venere privata) is die van de jaren zestig, met minirok en Beatle-haar. Hoofdpersoon Duca Lamberti is een jonge arts die drie jaar in de gevangenis heeft gezeten en zijn doktersvergunning is kwijtgeraakt vanwege een euthanasie die hij had toegepast op een terminale vrouw, en die nu diverse baantjes aanneemt. Als “lijfarts” van een jonge, zelfvernietigende alcoholist loopt hij tegen iets aan dat een jaar geleden officieel de boeken is ingegaan als de zelfmoord van een jong hoertje, maar dat bij nader inzien waarschijnlijk een moord was. In een toon die enigszins blasé is en hier en daar lichtelijk sarcastisch, wordt minutieus beschreven hoe de arts met zijn vriend in de politie het geval onderzoekt, en vanzelfsprekend komt er van alles aan het licht. De zelfmoord was inderdaad geen zelfmoord (uiteraard) en de daders bleken in de blanke slavinnenhandel te zitten. En als er iets is dat Duca haat, is het uitbuiting en hypocrisie.
De toegepaste psychologie in het boek is extreem primitief: een vriendin van de gestorven vrouw is bereid vreselijke verminkingen te ondergaan, de zware drinker geneest zomaar door Duca te helpen bij diens zoektocht en het angstige gedrag van een van de boeven wordt verklaard door de ontdekking dat hij homo is! Scerbanenco was een kind van zijn tijd, laten we het daar maar op houden.
Ook het tweede boek dat ik van Scerbanenco heb kunnen vinden blinkt niet uit in thans nog aanvaardbare psychologie. De vertalingen van Howard Curtis (een naam die we vaker zullen tegenkomen) zijn uitstekend. Als ik meer werk van Scerbanenco in handen krijg zal ik het wel lezen, het is vlot geschreven en je bent er in een paar dagen doorheen.
Scerbanenco was een zeer populaire schrijver en veel van zijn werk is verfilmd. Eén van mijn favoriete Italiaanse rockgroepen, Osanna, heeft de soundtrack gemaakt bij de, naar mijn smaak nogal primitief rauwe film Milano Calibro 9. Uit de diverse genoemde titels kan men terecht opmaken dat al zijn werk in Milaan speelt, en dat wel zonder uitzondering. 

Andrea Camilleri’s commissario Salvo Montalbano, die in het denkbeeldige Zuid-Siciliaanse stadje Vigàta zijn commissarispost bekleedt, is vermoedelijk de bekendste van alle hier genoemde personages. Naast het oplossen van moorden vormen het uit eten gaan en intens genieten van de plaatselijke visspecialiteiten, het beschouwen van de geringste veranderingen in de weersomstandigheden, en het maar steeds niet echt lekker op de rails krijgen van zijn relatie met vriendin Livia zijn voornaamste tijdbesteding.
De boeken, briljant in het Engels vertaald door Stephen Sartarelli, zijn in een “gezellige” maar tegelijk sardonische en vaak hilarische stijl geschreven, vol met toespelingen en scheldkanonnades. Veel van de “sicilianismen” worden, mede door een notenapparaat aan het einde van de boeken, in de Engelse vertaling gered. Dat wordt niet beweerd van de Nederlandse vertalingen. Ik kan daar zelf niet over oordelen: ik las de boeken niet in het Italiaans, noch in het Nederlands.
De commissaris leeft als Siciliaan tussen de Sicilianen, hij gaat om met iedereen of ze nu mafiosi zijn of priesters. De enige bevolkingsgroep waar hij een diepe hekel aan heeft zijn de politici, een sentiment dat in het Italië van na de oorlog wel te begrijpen valt. Of ze nu links zijn of rechts, communist of Christendemocraat, iedere politicus is omkoopbaar en achterbaks. In hun slagschaduw zijn ook alle topfunctionarissen bij de politie corrupt. Dat maakt de wereld wel heel helder, zij het in zwart en wit.

Catarella, Montalbano, Fazio en Mimì

Ik moet trouwens iedereen aanraden om ook naar de veeldelige Italiaanse televisieserie te kijken, waarin Montalbano’s naaste medewerkers Fazio, Mimì en Catarella onvergetelijke commedià dell’arte karakters vormen in de sardonische wereld van de door Luca Zingaretti fantastisch vormgegeven commissaris. Ook de prequel, de korter lopende serie Il Giovane Montalbano, met Michele Riondino in de hoofdrol, is beslist de moeite van het bingen waard. Net als van David Hewson heb ik ook van Andrea Camilleri nog een paar deeltjes klaarliggen voor vakanties en tripjes.

Een schrijver die ik heel recent, namelijk tijdens mijn ziekbed ontdekte is Marco Vichi, die met zijn commissario Bordelli in het Florence van de zestiger jaren een politieman gecreëerd heeft die uit de verte wel wat doet denken aan Montalbano. Bordelli trekt ook op met kleine boeven, excentriekelingen en prostituees. Hij is kettingroker, drinkt grappa met sloten en rijdt halfdronken rond in een Volkswagen Kever. Ook deze boeken zijn vertaald door Stephen Sartarelli. Qua sfeer doet Bordelli me, met zijn geschiedenis als partizaan in de Tweede Wereldoorlog, verder een klein beetje denken aan Inspector George Gently, de creatie van Alan Hunter, die in de televisieserie van die naam schitterend sober vertolkt wordt door Martin Shaw. Bordelli’s piepjonge assistent Piras doet me dan op een vergelijkbare manier een klein beetje aan Gently’s assistent Bacchus denken.
Bordelli houdt niet van de strikte letter van de wet en oogluikend laat hij veel kruimelmisdaad toe, vaak om in zijn beschermelingen betrouwbare informanten te winnen. Hij is bevriend met Rosa, een prostituee op leeftijd, bij wie hij een nekmassage en een glas grappa haalt. Verder is hij alleenstaand en drieënvijftig. Enigszins treurig is het allemaal wel.
Vichi doet niet aan hoofdstukken. Als een bioscoopfilm rollen zijn boeken uit:  lange vertellingen in duidelijk afgeronde scenes. De humor is mild en ingetogen, en de gewone mensen zijn nooit het slachtoffer van zijn pen.

maandag 3 maart 2025

Bedlezerig deel 3

Van de nieuwe lichting Britse schrijvers van in Italië spelende thrillers moet ik noemen de Welshman Philip Gwynne Jones, op wie Rookzanger me ooit attent maakte. Zijn protagonist Nathan Sutherland is een blijmoedige Britse honorair consul in Venetië die misdaden oplost met de hulp van onder andere zijn communistische vrienden. Als altijd komen ook hier de recente schaamtevolle jaren van de Italiaanse geschiedenis weer volop aan bod. Jones’ wereld is echter luchtig, laconiek en idiosyncratisch (zijn hoofdpersoon houdt, net als zijn schepper, van het aperitief Spritz en van de vreemde rockmuziek van Jethro Tull, Pink Floyd en Hawkwind). Zijn schrijfstijl is niet altijd helemaal evenwichtig en soms zou een strengere redactie wel wat geholpen hebben. Toch heeft hij me al in zeven deeltjes plezierig beziggehouden. Hij is een goedige, gezellige man die in zijn boeken nooit de volumeknop al te hoog zet. In dat opzicht doet hij me nog het meest denken aan Iain Pears. Het is jammer dat er sedert het opstarten van deze reeks in de Verenigde Staten een nogal onplezierig individu met de zelfde naam Nathan Sutherland enige naamsbekendheid heeft verworven.

Iemand die welhaast weer een navolger van Philip Jones lijkt te zijn is Tom Benjamin, wiens Daniel Leicester sedert kort als privédetective in Bologna actief is. De bijnaam van Bologna is La Rossa, niet alleen zo genoemd vanwege de kleur van haar daken, maar ook vanwege haar traditionele politieke klimaat. Dus ook de jong middelbare weduwnaar Leicester trekt veel op met communisten en anarchisten in een soortgelijke plezierige stijl als die van Philip Jones, zij het wat minder licht en humoristisch. En ook hij zou nu en dan een kleine extra redactieronde hebben kunnen gebruiken.

Van de Britse schrijvers vind ik David Hewson’s boeken verreweg de beste. In een superieure stijl beschrijven ze de avonturen van de vegetarische en melancholieke politieagent Nic Costa, gestationeerd in Rome, zoon van een ouderwetse communist, jong weduwnaar geworden door een schietpartij, gefascineerd door de werken van Caravaggio, en zo jong als hij is al wijs, gelaagd en gelouterd. Voorlopig is hij van alle hoofdpersonages die in deze stukjes de revue hebben gepasseerd het meest volledige.
Hewsons enige misstap in de reeks tot nog toe was het teleurstellende City of Fear, een nagenoeg plotloze emulatie van het ledige verschijnsel Dan Brown, compleet met de bekende, teleurstellende plotwending aan het eind dat de bad guys in werkelijkheid de good guys bleken te zijn en omgekeerd. Ik blijf positief: ik heb voor komende vakantiereisjes gelukkig nog deeltjes 9 en 10 in de reeks klaarliggen. Die móeten beter zijn. Hewson is, samen met de Siciliaan Andrea Camilleri, mijn favoriet.

Conor Fitzgerald, door critici wel eens de natuurlijke opvolger van Michael Dibdin genoemd (waar ik het niet mee eens ben: ik zou hem een opvolger van Dashiell Hammett of Ross Macdonald noemen…), schrijft over Commissario Alec Blume, een geboren Amerikaan uit Seattle die ook in Rome opereert. Zijn boeken zijn van alle hier genoemde het minst… hoe zal ik het zeggen… Italiaans. Akkoord, ze spelen in Italië, de handelende personen zijn (op de commissaris na) Italianen, de motieven en geschiedenissen achter de personages zijn Italiaans, de moord op Aldo Moro, een corrupte carabinieri-officier, alle Italiaanse clichés komen langs, maar toch, maar toch. Mutatis mutandis zou deze reeks ook in Parijs, Berlijn of Washington kunnen spelen. Het zijn goede boeken, daar niet van. Ze ontvouwen zich in een rustig tempo, zonder ook maar een moment te vervelen. Ze zijn heel goed geschreven in een heldere en krachtige stijl en ik lees ze met veel plezier, maar echt diep Italiaans, neen, zo voelen ze niet aan.
Het zijn typische “procedurele” policiers: van begin tot eind volgen we heel precies hoe een misdaad door de politie aangepakt en opgelost wordt. Actie wordt tot een minimum beperkt en de juridische en competitieve kant van misdaadbestrijding komen uitgebreid aan bod: welk bewijsmateriaal mag wel, welk juist niet gebruikt worden? Wiens jurisdictie ligt waar? Klassiek is dat de held door zijn eigen superieuren tegengewerkt wordt en dat er allerlei lijntjes lopen tussen politie, politiek en geboefte die er niet zouden mogen zijn. Maar de mafiabaas Innocente uit The Dogs of Rome zou net zo goed een Californische mafiabaas kunnen zijn, en Colonel Farinelli uit The Fatal Touch een Britse machtsmisbruiker en bedrieger uit Tinker Tailer Soldier Spy. Ook mankeert er hier en daar wel iets aan de psychologie: in het tweede deel duiken Blume en zijn DI het bed in, iets dat wel min of meer half aangekondigd was, maar dat weinig of geen psychologische onderbouwing krijgt. Desondanks: een gritty aanrader.

maandag 27 januari 2025

Bedlezerig deel 2

Ook het tweede en derde deel van deze serie over Italiaanse misdaadlectuur zullen gaan over van oorsprong Engelstalige boeken. De Britse Magdalen Nabb, in het vorige deel ter sprake gekomen, was voor zover ik kan zien de eerste die vanuit de Angelsaksische misdaadtraditie opereerde. Haar directe navolgster was de Amerikaanse Donna Leon, die ondertussen 33 deeltjes heeft geschreven over de daden van commissario Guido Brunetti in Venetië. Mijn vriend Voorheen Rookzanger schrijft over haar “Ik geloof niet dat ik saaiere misdaadlectuur ken dan de boeken van Donna Leon”. Daar scheiden bij wijze van uitzondering onze wegen eens een keer. Hij zou Magdalen Nabb moeten proberen!
Ik houd wel van de boeken van Leon. Rookzangers bezwaren snap ik, zeker als je in aanmerking neemt dat zijn benchmark Simenon is, maar Leons boeken zijn lang zo erg niet als hij beschrijft. Jazeker, de sociaaldemocraat Brunetti is een politiek correcte Gutmensch (onbegrijpelijk dat zoiets tegenwoordig een pejoratief kan zijn!) en zijn nogal clichématig geschetste adellijke, maar tegelijk communistische echtgenote Paola en hun kinderen zijn misschien niet de opwindendste karakters aller tijden, maar Leon schrijft met humor en haar beschrijvingen van falende personages hebben een lekkere dosis vinnig sarcasme die mij enorm bevalt. Dit is beslist niet de zwaarst denkbare kost, en wie het om gruizigheid te doen is kan beter doorzoeken. Maar ze heeft school gemaakt: haar aanpak en sfeer is bijvoorbeeld zeer herkenbaar terug te vinden in het werk van Iain Pears en Philip Gwynne Jones. 

Van haar boeken is een televisiereeks gemaakt, maar verrassend genoeg in het Duits, door de ARD. In de eerste vier afleveringen vertolkte Joachim Król de commissaris. Hij moest daarna wegens verplichtingen elders voor de rol bedanken. Uwe Kockisch (illustratie) nam het stokje over en kennelijk tot tevredenheid, want hij bleef aan in nog eens 22 afleveringen. Tot zijn 75e bleef hij Brunetti. Ook Paola veranderde van uiterlijk. Wat te zeggen over deze serie? In feite zijn het gewone Krimis, die toevallig eens een keer niet in München, maar in Venedig spelen. De bekende Italiaanse thema's komen weliswaar ruim aan bod, maar daar staat tegenover dat veel van de personages in hun uiterlijk en hun doen en laten grondig Duits zijn, met uitzondering van Karl Fischer die een zeer overtuigend Italiaanse sergente Lorenzo Vianello neerzet. Ik heb voor u een aantal afleveringen bekeken en naar mijn smaak was de Brunetti van Król de net iets meer overtuigende.

Michael Dibdin geeft ons de melancholieke detective Aurelio Zen. Zoals zijn naam al suggereert is Zen een geboortige Venetiaan. De Brit Dibdin is zeer op de hoogte met de Italiaanse mores en daardoor komt het Italië van zijn boeken zeer overtuigend over. Doordat Zen een specialist is opereert hij als kidnap-deskundige door heel Italië. Zo krijgen we een zeer compleet beeld van het land in al zijn uithoeken. In de elf delen bevinden we ons in Perugia, Sardinië. het Vaticaan, Venetië (een thuiswedstrijd), Napels, Rome, Catalina in Sicilië, de Dolomieten, Bologna en Calabrië.
Aurelio Zen is een gecompliceerd mens. Van alle schrijvers over Italiaanse misdaad, is Dibdin wel de meest literaire, niet alleen in schrijfstijl, maar ook in de uitgewerkte ideeën. Ambitieuze monologues intérieurs trachten van meet af aan een diepere psychologie aan te brengen dan in vergelijkbare boekreeksen. We leren Zen kennen als een bewogen ziel, met veel onverwerkt verleden.
Bovendien zijn de boeken geknipt voor verfilming - ze lijken zelfs uitdrukkelijk met dat oogmerk geschreven te zijn - dus is het raar dat er maar één, kort reeksje van drie afleveringen gemaakt is, waarin de boeken ook nog eens zwaar bewerkt werden.
Niemand begreep waarom de BBC het hierbij gelaten had, want de serie werd (terecht) goed ontvangen. Rufus Sewell, die binnen de gedeeltelijk locale cast overtuigend Italiaans overkomt en ex-bondgirl Caterina Murino (illustratie) zetten overtuigende karakters neer en de coleur locale was zeer precies gevangen.

Ook bij Zen keren natuurlijk weer de bekende thema’s terug: de Italiaanse familie, de Mafia, de incompetente superieuren met hun eigen agenda’s die na de onvermijdelijke flater hunnerzijds de verantwoordelijkheid trachten af te wentelen op de onder hen gestelden. Ook de animositeit tussen politie en carabinieri wordt geregeld benadrukt. Je kunt van clichés spreken, maar ooit was dit alles fris en nieuw. Bij Nabb dus, en in mindere mate bij Dibdin, Pears en Leon, de oude garde.

In het volgende stukje kijken we naar de nieuwere garde.

zondag 5 januari 2025

Bedlezerig deel 1

Toen ik aan het begin van een korte road trip door de Ardennen en het Moezelgebied op 3 september midden in de nacht wakker werd van de rugpijn, kon ik niet bevroeden dat ik de volgende vier maanden min of meer aan mijn bed gekluisterd zou blijven. Nadat we terug naar het vaderland gesneld waren, werd in het ziekenhuis vastgesteld dat ik aan spondylodiscitis leed, een bacteriële infectie van een van de onderste tussenwervelschijven. Plat liggen en mijn tijd beiden, daar kwam het op neer. Gelukkig had ik de beschikking over mijn trouwe tablets, die me internet, een discotheek, een keur aan sudokuboekjes en een uitgebreide bibliotheek verschaften. Ik heb in de afgelopen drie maanden zeker vijfenveertig boeken gelezen.

Door de omstandigheden (eerst een tijd in het rumoer van het ziekenhuis, later in de dwingende en nogal afstompende dagroutine van de antibiotica) kon ik me maar moeilijk concentreren, dus greep ik al gauw naar die lichte kost die ik het liefst tot me neem als ik me wil ontspannen: politieromans spelende in Italië. Daar zijn er verrassend veel van. Vreemd genoeg met name vanuit Engelstalige gebieden.

Wat maakt Italië zo geschikt voor thriller- en misdaadromans? Het lijkt voor de hand te liggen. Daar is ten eerste het karakter van het land zelf, met haar kunst, architectuur en cuisine. Dan speelt mee haar rijke sociale geschiedenis, met Mafia, Brigate Rosse en de mede door deze groepering geïnstigeerde Anni di piombo, de geweldadige Jaren van lood. Italië is een land met springlevend fascisme, communisme, schimmig katholicisme, met bandieten en partizanen en recentelijk met enorme vluchtelingenstromen. Ook is er in Italië een pittoreske, bittere concurrentiestrijd gaande tussen twee politiemachten, de Polizia en de Carabinieri. Voeg daar nog bij de enorme binnenlandse verschillen in leefomstandigheden, van de gortdroge arme steppegrond van Calabrië tot de luxueuze penthouses van Milaan, en er ontvouwt zich een weids panorama van uitersten. Italië is als het ware een continent in landgedaante, verbonden (of gescheiden) door dezelfde taal in rijke regionale verscheidenheid.

Toch lijkt het erop dat er meer aan de hand is. Italiaanse misdaadfictie is kennelijk echt een “ding”, want je zou op grond van deze overwegingen verwachten dat er ook een vergelijkbare, rijke misdaadliteratuur moet bestaan van en over bijvoorbeeld Spanje, dat immers net zo’n druistige geschiedenis, sociale structuur en veelzijdige couleur locale kent. Toch kost het me veel meer moeite om boeken in dat subgenre te vinden, indien ze al überhaupt bestaan. Ik heb wat vertaald werk van Manuel Vazquez-Montalban, en dat is het wel zo’n beetje. Waar het verschil in zit kan ik niet goed duidelijk krijgen.

Zoals gezegd is Italië een grote favoriet bij Engelstalige schrijvers. Mijn verhouding met de in Italië gesitueerde, Engelstalige misdaadromans begon een jaar of twintig geleden toen ik de zeven boeken ontdekte die de Engelse kunsthistoricus Iain Pears publiceerde over de Engelse kunsthistoricus Jonathan Argyll. Vreemde kunstgerelateerde misdaden worden opgelost door Argyll en twee bevriende politiemensen, generaal Taddeo Bottando en diens naaste medewerkster Flavia Di Stefano, met wie de excentrieke Brit in de loop der tijd een liefdesrelatie aan zal gaan. De boeken zijn vrolijk, ironisch en lekker nonchalant. Een diepe, beroepshalve kennis van de Italiaanse kunstwereld wordt gekoppeld aan een vlotte stijl en gedegen plotwerk. Er heerst een permanente staat van oorlog tussen de Polizia, de Carabinieri en de Kunstpolitie. Vaak zijn de plots gewiekst, nu en dan op het overgecompliceerde af, maar in de laatste tien bladzijden komt alles toch altijd weer op zijn pootjes terecht, meestal met nog een extra scherpzinnigheid van Argyll die een ultieme draai aan het geheel weet te geven.

Na deze reeks is Iain Pears een ander soort boeken gaan schrijven die allemaal wel steeds een zekere complexiteit in de plots behielden. Over zijn recentste boek, Arcadia, met zijn buitengewone structuur valt heel wat te schrijven.

Maresciallo Guarnaccia van de carabinieri, gecreëerd door Magdalen Nabb, opereert in het zuidelijke deel van Florence, onder de Arno. Deze verdwaalde Siciliaan die in Florence werkt terwijl zijn gezin achtergebleven is bij zijn stervende moeder in Siracusa, is groot, zwaar en bedachtzaam, als een ietwat sullige soort Maigret. Wat precies zijn officiële functie in de wirwar van Italiaans wetshandhavers is, wordt niet meteen duidelijk. Ondanks het aplomb van de titel, staat een maresciallo niet erg hoog in de pikorde. De carabinieri zijn militaire politie, en Guarnaccia is dan dus een onderofficier. De Nederlandse vertaling laat de functie zoals hij is, de VN-Thrillergids probeert het met “wachtmeester” en dat klinkt niet slecht. 

In sfeerrijk, kordaat proza komt de stad tot leven (het moge de lezer duidelijk zijn dat je dit soort boeken voornamelijk leest om de plaatsen en de personen, veel minder om de misdaden en het detectivewerk) en al snel ken je de weg in Florence. Toch kleeft er aan het werk van Magdalen Nabb een zeer groot bezwaar. Ze houdt heel veel van excentrieke mensen en ze laat ze volledig uitpraten over hun kleine drama’s. Dit haalt het tempo geregeld finaal uit de verhalen en verdoezelt de hoofdplot niet zo’n klein beetje. Ze gaat hier heel ver in, zodat men in haar boeken geregeld erg saaie en meanderende hoofdstukken kan aantreffen. Soms ook neemt een subplot het helemaal over. Zo bederft de onfortuinlijke dood zonder enige plot-reden van Guarnaccia’s assistent Gigi de ontrafeling van het mysterie van de dood van de Nederlander. Ik laat het wat Nabb betreft bij die paar deeltjes waar ik me doorheen geworsteld heb. De goede stukken wegen niet op tegen de taaie. Het leven is te kort.