Posts tonen met het label Politiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Politiek. Alle posts tonen

zondag 22 maart 2015

Conservatieve ruimte op links

Gedurende mijn sociale en politieke vormingsjaren, had je duidelijke vleugels. Links was nog echt links en rechts was rechts. Links van het midden woonde D’66.  De PVDA van Joop den Uyl was linkser dan tegenwoordig de SP, en daar weer ter linkerzijde van had je ook nog eens de PSP en de CPN. Op rechts zetelden de Christelijke partijen (ARP was iets linkser dan de KVP, de CHU iets rechtser) en daar ter rechter zijde van bevond zich de VVD. Nog weer verder rechts kon je de malloten van de Boerenpartij, SGP of Binding Rechts aantreffen.

Links was progressief, rechts conservatief. En dat was de reden waarom ik in een vreselijke spagaat zat. Ik was sociaal/cultureel gezien namelijk beslist conservatief , maar politiek toch wel een beetje linksig (al moest ik weinig hebben van mijn mede Zware van Nelle-rokende, mede-langharige en bebaarde leeftijdgenoten). Wat nu? Ik was geen Christen en bij die zelfingenomen cacque-figuren van de VVD zou ik nog niet dood aangetroffen willen worden. Het kwam erop neer dat ik dan dus maar D’66 stemde, maar nooit hartstochtelijk.

Waarin uitte zich dat conservatisme dan? Ik geloofde in de leidende waarde van de traditie. Ik geloofde niet in rigoureuze veranderingen: ik was ervan overtuigd dat waswater telkens weer grondig moest worden gecontroleerd op kinderen. Ik hield van de grootheid van de geschiedenis, de ernst van instituten. Een bibliotheek behoorde een marmeren trap te hebben, met links en rechts een gebeeldhouwde leeuw. Ik geloofde dat industriële actie zich strikt tot het gewraakte bedrijf moest richten, en dat ik als publiek er niet mee lastig gevallen moest worden. Ik was ervan overtuigd dat het, cultureel gezien, vroeger beter was dan nu.

Het grappige is dat ik in mijn conservatisme helemaal niets veranderd ben. Ik geloof nog steeds dat het vroeger allemaal beter was, dat de politisering en democratisering van de cultuur funeste gevolgen heeft, dat de waardigheid - nee: de Waardigheid van de cultuur in het geding is. Ik ben zo conservatief als de pest.

Pjotr Kropotkin
Maar politiek ben ik finaal doorgeschoten naar een positie die in de zeventiger jaren ergens ter linkerzijde van de CPN gezocht moest worden. Mijn politieke landschap bestaat uit een idyllisch soort pre-marxistisch communisme dat geen enkele praktische waarde heeft, maar als moreel referentiepunt voor mij zijn diensten meer dan bewezen heeft. De basispremissen zijn simpel en echoën elkaar. Zorg dat anderen zo weinig mogelijk last van jou hebben, zorg dat jij zo weinig mogelijk last van anderen hebt. Dat tweede ervaar ik als aanzienlijk lastiger dan het eerste, al zullen mensen om mij heen het daar waarschijnlijk weer niet mee eens zijn! Wie heeft tegenwoordig nog tijd voor de ethische onthaasting van Louis Blanc of Pjotr Kropotkin? U ziet het: in wezen een aartsconservatief standpunt.

En als je er even over doordenkt, klopt het ook wel: progressie, “vooruitgang” is tegenwoordig toch vooral synoniem met “economische vooruitgang”, een bij uitstek rechtse specialiteit. En wat ik tegenwoordig stem, nu er nog steeds geen partij is voor mij? Zo conservatief en links mogelijk. Wie het weet mag het zeggen.

woensdag 24 oktober 2012

Stukje over taal, macht en maatschappij – en niet over schaken



Wie de Dwarse Man al reeds wat langer volgt, weet dat ik in het verleden heb geschaakt. Of om het preciezer te zeggen: heb geprobeerd te schaken. Ik was niet erg sterk en er zat geen progressie in en uiteindelijk ben ik er maar mee gestopt.
Wat de meeste mensen niet weten is dat ik ook gediplomeerd schaakscheidsrechter was. Vermoedelijk nog steeds ben, al zal een grondige inhaalcursus wel noodzakelijk zijn. Iemand die wel bekend was met dit merkwaardige feitje, heeft me een aardig boekje cadeau gedaan dat verscheen naar aanleiding van het Nederlandse Kampioenschap Bedrijvenschaak 2012, deze keer georganiseerd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie ten Haag. Het boekje draagt de ernstige titel Een introductie in het schaakrecht. Het is uitgegeven in de onverbiddelijk gestrenge stijl die alle publicaties van dat instituut kenmerkt, maar natuurlijk is het een beetje tongue-in-cheek. Niettemin: een boekje over spelregels, daar kun je me altijd mee plezieren.
Ik wil het naar aanleiding van dit boekje niet over schaken hebben, maar over taal, macht en maatschappij, en dat zal ik doen aan de hand van het voorwoord door de staatssecretaris van veiligheid en justitie, een zekere Fred Teeven. Na een beleefde inleidende alinea barst de staatssecretaris los met:

‘Ik vind schaken belangrijk. Er bestaan harde bewijzen dat schaken goed is voor de jeugd. Schaken helpt leerlingen beter na te denken, te analyseren, te concentreren en hen te helpen aan grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen. Er is minder studieuitval, minder strafrechtelijk gedrag en minder druggebruik. Schaken is goed voor de bevordering van emancipatie.
En voor ouderen geldt dat schaken een goed middel is tegen Alzheimer.’

Zozo! Daar staat nogal wat. Laten we het maar eens zin voor zin doornemen.
‘Er bestaan harde bewijzen dat schaken goed is voor de jeugd’, schrijft de staatssecretaris. Ik weet bijna zeker dat die harde bewijzen niet bestaan. Misschien zijn er goede aanwijzingen, maar een goede aanwijzing is geen bewijs, laat staan een hard bewijs.
‘Schaken helpt leerlingen beter na te denken, te analyseren, te concentreren en hen te helpen aan grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen.’ Schaken helpt leerlingen hen te helpen?? Beetje haastwerk, dit voorwoord, vrees ik. Of de staatssecretaris is zelf geen schaker, en heeft dus concentratieproblemen. Wat de staatssecretaris eigenlijk nodig heeft is iemand die zijn gedachtegang kan vertalen naar eenvoudig en correct Nederlands. ‘Grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen’. De zelfvertrouwen?
‘Er is minder studieuitval, minder strafrechtelijk gedrag en minder druggebruik.’ Teeven bedoelt: ‘De verwachting is, dat er … zal zijn, indien....’ De veronderstelling wordt, net als in de tweede zin, voor het gemak maar vast als feit gepresenteerd. Dat scheelt tijd. ‘Studieuitval’ staat trouwens niet in de van Dale. ‘Strafrechtelijk gedrag’?? ’t Zal wel jargon zijn, maar ik vind het een versluierende manier van formuleren. In eerste instantie doet het koddig aan, maar er zit iets kwaadaardigs, want onbepaalbaars, in dergelijke mistige bewoordingen.
‘Schaken is goed voor de bevordering van emancipatie.’ Let wel: goed voor de bevordering ervan, niet voor de emancipatie zelf. En dan: welke emancipatie? En waar in het Grote boek van onweerlegbaar bewezen zaken staat dit allemaal? Wat heeft een dergelijke betekenisloze kreet voor waarde?
Oh, kijk! ‘Voor ouderen geldt dat het een goed middel tegen Alzheimer is’. Zelfs dat is tegenwoordig niet algemeen meer aanvaard. Neurologen wijzen er de laatste tijd op dat de waarde van hersentraining de afgelopen jaren waarschijnlijk behoorlijk overschat is geweest.
Trouwens: schaken is dus hartstikke goed voor leerlingen en bejaarden? Verder niet? Iedereen tussen de 16 en 75 ondervindt geen gunstige effecten van de beoefening van het spel?
Natuurlijk, dit is maar een klein stukje uit een voorwoord voor een onbenullig boekje, maar deze zelfde Fred Teeven gaat morgen in zijn kantoortje wel de Nederlandse wet veranderen op grond van als feiten gepresenteerde veronderstellingen, onbewezen kreten en slecht geformuleerde verwachtingen. En hij niet alleen natuurlijk. Iedere bewindvoerder, iedere manager, iedere beslissingennemer doet dat en vandaar de titel van dit stukje. De filosofen hebben ons sedert Plato ervan doordrongen dat goede taal, gecombineerd met goede redeneringen een enorme macht kan hebben. Maar de huidige generatie machthebbers overtuigt ons ervan dat slechte taal, gecombineerd met ondeugdelijke redeneringen, een nog veel grotere macht heeft.
Dat doet huiveren.

donderdag 15 december 2011

Luie Grieken


 Waar ik me steeds kwader over maak, is de enorme hoeveelheid redeneerfouten die er sluipen in de discussie betreffende die luie Grieken en Spanjaarden. Zelfs een “intellectueel” als Holman raaskalt in Het Parool als een aartsreactionaire oom die nooit verder is gekomen dan LTS lassen, en nu als ultieme vervulling van zijn ambities de C-pupillen mag coachen. Het moge misschien als postmoderne ironie gepresenteerd worden, maar het is doodgewoon racisme. En dat meehuilen met de reactionaire wolven vindt altijd weer plaats met die harde, door teveel bier en zware shag hees geworden, smalende voetbalkantinestem.
 Ten eerste is niet het Griekse volk schuldig aan hun economische puinhoop. Dat zijn de boven hen gestelden, de mensen met macht: politici, topambtenaren en bankiers, drie beroepsgroepen die bij definitie zijn: corrupt, kortzichtig en misdadig. Het enige dat je in dit geval de Griekse bevolking kunt verwijten is dat ze niets tegen deze hun opgelegde incompetentie ondernomen heeft, maar dergelijk verwijt hoor je nu weer niet uit de mond van de aartscynische VVD die, als een kleine groep hier in Nederland nu eens wel in opstand komt tegen die incompetentie en misdadigheid en demonstratief gaat kamperen op het Beursplein, met een smeercampagne terugslaat en het liefste de protesterenden hun uitkering wil afnemen. Begrijpelijk natuurlijk, want de VVD staat pal aan de zijde van de georganiseerde economische misdaad. De ultieme taak van de VVD als regeringspartij zou moeten zijn om hun misdadige vriendjes in Griekenland af te vallen, maar dat doet ze natuurlijk niet. Daarom is het ook zo bizar dat uitgerekend de VVD de puinhopen op moet ruimen. Dat daar dus een aanzienlijke hoeveelheid gedraai, gelieg en gekonkel plaats gaat vinden, spreekt vanzelf.
 Een tweede redeneerfout is dat die luie Grieken hun gejammer moeten staken en gewoon, net als wij, tot hun vijfenzestigste door moeten blijven werken. Een driedubbel domme en ook weer nogal misdadige redeneerfout. Ten eerste is het een volledig uit de lucht gegrepen fabeltje dat de Grieken, na een arbeidsleven waarin ze zogenaamd toch al weinig of niets hebben uitgevoerd, van hun staat al op hun vijftigste met pensioen mogen. De pensioenleeftijd ligt daar net zo hoog als in de rest van Europa. Daar staat tegenover dat de gemiddelde levensverwachting van de Grieken aanzienlijk lager is dan de onze. Het gaat er dus om hoe je rekent: vanaf het einde of vanaf het begin. Bismarck, de uitvinder van het pensioen, rekende vanaf het einde toen hij de Duitse arbeiders met een levensverwachting van gemiddeld 67 jaar, twee jaren gemeenschappelijk betaalde rust gunde, en wie zijn wij om het dan andersom te willen? En ten derde, en dit is het belangrijkste, is het duidelijk dat in welk sociaal stelsel de Grieken ook mogen leven, het er een is dat hun aangeleerd is, zoals wij het onze hebben aangeleerd. Uiteraard is er geen objectieve maat. ’s Lands wijs ‘s lands eer. Dat roepen de politieke gangsters van onze regering ten slotte ook als een buitenlander het waagt zich in ons land te vestigen. Aanpassen of opdonderen. Nu is daar op zich iets voor te zeggen, al zou ik het eerder als een verzoek dan als een plicht willen formuleren, maar dat zou meteen ook moeten betekenen dat, zomin als buitenlanders in ons land ons hun levenswijze kunnen opdringen, wij dat niet in het buitenland kunnen en mogen. Dat noemen ze: meten met twee maten. Dat noem ik: verkapt racisme. Wie er aangesproken moet worden op het veronderstelde feit dat de Grieken al met hun vijftigste met pensioen mogen? De Grieken? Of toch eigenlijk hun overheid? Zeg het maar. Ik word ondertussen onpasselijk van het hermetische cynisme der machthebbers.