Posts tonen met het label Vreemde geschiedenissen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vreemde geschiedenissen. Alle posts tonen

woensdag 14 juli 2021

Herlezen: Frederick Rolfe - Hadrian VII

Ik denk dat ieder van ons er wel eens van gedroomd heeft hoe het zou zijn om zomaar, plotseling in een positie van macht te geraken: gevraagd te worden als CEO van een wereldomspannend techbedrijf, een erfenis van enige miljarden te ontvangen, of een kroonprins van een belangrijk land te blijken te zijn. 
Fr. Rolfe, door hemzelf zo geschreven liever dan voluit, om met de gebruikte afkorting een positie in de katholieke kerk te suggereren, had een dergelijke droom ook. 

Frederick William Rolfe leefde van 1860 tot 1913. Zijn leven was moeilijk, niet in het minst door zijn eigen allesoverheersende neiging tot compromisloos ruzie maken. Hij trad officieel toe tot de katholieke kerk toen hij 26 was. Hij ondernam een aantal pogingen om het priesterschap te bereiken, maar hij werd het seminarie uitgejaagd en zette zijn ruzieachtige leven voort als schrijver van semi-autobiografische romans. Er deden de wildste verhalen over hem de ronde, hij zou homoseksueel en pedofiel zijn, maar tegelijk heerst er in brede kring een gevoel dat toen deze onmogelijke man uiteindelijk stierf, verbitterd, eenzaam en straatarm in Venetië, hij dat deed als een onbeminde maagd. 

Zijn bekendste roman is Hadrian VII uit 1904, het relaas van een querulante Engelse broodschrijver genaamd George Arthur Rose die volkomen onverwacht uitgenodigd wordt om paus te worden. Een vreemd boek, alleen al door deze premisse, maar zeker ook door de merkwaardige schrijfstijl, die algemeen tot de Decadentie gerekend wordt. Neologismen, latinismen en graecismen doorspekken het proza. Heel pedant detail: vanaf het exacte moment dat Rose tot Paus gekroond is, wordt aan hem met hoofdletters gerefereerd: het wordt He, Him en His, ook midden in een zin. 

Het is een zelfportret geworden natuurlijk, zij het zwaar geïdealiseerd. George Arthurs Rose is een geperfectioneerde uitvoering van Frederick William Rolfe en wordt met onverholen bewondering (aanbidding welhaast) beschreven. Het is een zeer ijdel boek over een man die juist alle ijdelheid beweert af te wijzen. De lezer ontwikkelt al spoedig een immense hekel aan deze zelfingenomen kwast, beschreven door een zelfverliefde kwezel.

Het boek biedt een breed inzicht in de onderliggende machinerieën van de Katholieke kerk zoals die was rond 1900.  
George Rose de Paus wordt een progressieve kerkvorst, die eenvoud en armoede predikt en alle rijkdom van de kerk verkoopt om met het geld goed te doen. Die zijn eigen sigaretten rolt die hij ketting rookt, die getalenteerde mannen die het verdienen met fortuinen overlaadt en knoeiers heen stuurt. Maar tegelijkertijd is hij een uiterst reactionaire, misogyne politicus, die ook nog even en passant de wereld verdeelt in heersersvolken en onderrassen. Hij laat Duitsland allerlei Balkanstaatjes annexeren en moedigt Engeland aan de Afrikaanse en Aziatische rassen onder haar hoede te nemen. Dramatische handeling wordt bij herhaling geheel stopgezet voor het geven van een soort “college”. Het is in alle opzichten een ideeënroman, wat men ook vinde van die ideeën. 

Dit kan allemaal niet goed gaan, natuurlijk. Nadat Rose tot mijn verbazing wel degelijk het Roomse establishment voor zich heeft weten te winnen, blijft hij problemen houden met slechte kennissen van vroeger (Liblabs ofte wel socialisten), die hem eerst trachten te chanteren, maar uiteindelijk overgaan tot moord. Zelden heb ik een dramatische climax zo laconiek af zien doen als de moord op de Paus. Eén regeltje was voor Rolfe voldoende, haast alsof hij plotseling tot de ontdekking was gekomen nog maar twee vel papier over te hebben.

Waarom in vredesnaam dit boek? Ik hoor het de lezer denken. Laat ik vooropstellen dat veel van wat ik in mijn jeugd las, door het werk van het schrijverscollectief Joyce & Co. (Geerten Meijsing en Kees Snel hoofdzakelijk) onder mijn aandacht gebracht was. Werd iets door deze heren gesanctioneerd, dan moest het wel goed zijn. Hadrian VII las ik veertig jaar geleden in hun vertaling. 
Maar de vraag blijft: waarom? Ook bij herlezing heb ik hier en daar toch weer luid geschaterd. Rolfe was namelijk een buitengewoon geestig schrijver. Hij was sarcastisch, bont, pedant, decadent, idiosyncratisch en excentriek. Hadrian VII is een curiosum van de eerste orde. Ik heb het met veel plezier herlezen, maar durf het niettemin niemand aan te raden. Zo gaat dat met geheime liefdes…

dinsdag 21 maart 2017

Een nieuw blogje

Het zal de scherpzinnige volger van De dwarse man wellicht opgevallen zijn dat er sedert enige tijd rechtsboven een linkje bijgekomen is: Amsterdam-West Essef. Misschien heeft u zelfs al eens geklikt en gezien waar dat over gaat. Voor de anderen volgt hier een korte uitleg. Ik heb van jongs af aan een aantal constanten in mijn leven die ik, eens me eigen gemaakt, heel trouw tot mijn belevingswereld blijf rekenen. Een van die zaken is de sciencefictionliteratuur. Ik geef veel minder om sciencefictionfilms, het gaat me echt om de geschreven flights of fancy, historisch of modern.

Toen mijn vrienden en ik twaalf of dertien waren, begonnen we ons voor andere dingen te interesseren dan de geheide zaken als Batman, de Kameleon, Suske en Wiske of Airfix modelvliegtuigjes.
Roken, seks, Jethro Tull en VPRO’s Piknik veranderde ons van onschuldige kinderen in onschuldige beginnende hippies.
We gingen ook een ander soort boeken lezen. Sciencefiction! In ieders jongenskamer verschenen wel een paar van die witte deeltjes uit Meulenhoffs M=SF reeks. Deeltjes die vrijelijk geherdistribueerd werden: als een boekje je beviel, nam je het gewoon mee. Ik had een paar deeltjes geroofd uit het zolderkamertje van Thijs, en ik weet zeker dat Jan-Paul een paar van mijn deeltjes gejat had. Het gaf niet, we hechtten niet zo aan spullen.

In latere jaren kwamen we nog wel eens te praten over die iconische deeltjes. Onze nostalgie kende geen grenzen en vaak verzuchtten we dat er niet meer van die gezellige SF-romannetjes bestonden die precies, tot vier cijfers achter de komma nauwkeurig de sfeer opriepen van die tijd, de vroege zeventiger jaren, in Amsterdam-Geuzenveld. Het was Jan-Paul die de generieke term Amsterdam-West Essef muntte, en die term is altijd blijven hangen om dat onvangbare aan te duiden, dat intens bekende, nèt ongrijpbare dat je in je ooghoek denkt te zien en dat weg is zodra je je erop focust. Natuurlijk werden de boeken niet anders toen we ouder werden: wijzelf werden anders. Amsterdam-West Essef ging staan voor de onbevangen gemoedstoestand van de prille jeugd, toen alles nieuw was, en elk nieuw inzicht een openbaring, elke nieuwe ontdekking zo spoedig mogelijk met de anderen gedeeld moest worden.

Onlangs heb ik door tussenkomst van een collega alle ruim 375 deeltjes van de langlevende serie in ePub-vorm verworven. Ik heb ze allemaal geïmporteerd in mijn iPad en nu lees ik ze, terwijl ik tussen Haarlem en Den Haag forens, op mijn karakteristieke, dwangmatige manier in numerieke volgorde. Wat wil ik daarmee bereiken? Geen idee eigenlijk. Misschien is het niet veel meer dan het bevredigen van mijn nieuwsgierigheid. Hoe was het ook weer, 48 jaar geleden? Kennelijk is iets in mij toch nog steeds op zoek naar dat vluchtige Amsterdam-West Essef-gevoel. Enfin, voor de liefhebber plaats ik in mijn nieuwe blog nu en dan een leesrapportje wanneer ik weer een deeltje van de M=SF-reeks uit heb. U bent welkom!


vrijdag 14 oktober 2016

De bizarre familie Mitford

Dat de Britse eilanden rijk zijn aan merkwaardige families en personen, mag algemeen bekend zijn. Het lijkt welhaast alsof excentriciteit er de norm is. Een keur aan scheefgegroeide families passeert de revue als men een weekje naar de Engelse televisie kijkt: Brideshead Revisited, sommige afleveringen van Midsomer Murders of Downton Abbey schetsen een wereld die, hoewel vlak naast ons land gelegen, evengoed enige lichtjaren van ons verwijderd lijkt. Zijn deze series overdreven? Niet in het minst: de werkelijkheid is vaak nog bizarrer. Eén familie waar Dowton Abbey nog maar bleekjes bij afsteekt was die van de Mitfords. En uit deze familie dan met name de zes zussen Mitford.

Nancy Mitford
Deze zes dochters van David Freeman-Mitford, 2nd Baron Redesdale en Sydney Bowles werden bekende en vaak scandaleuze figuren. De oudste was Nancy (1904-1973), de bekende schrijfster. Haar reputatie werd gevestigd door twee autobiografische romans, The Pursuit of Love (1945) en Love in a Cold Climate (1949). Ze begaf zich in de Britse society en was bevriend met bekende Britten als de schrijver Evelyn Waugh, de latere Poet Laureate John Betjeman en de fotograaf Cecil Beaton. Ze was zo excentriek als een Britse schrijfster maar kan zijn, maar niet meer dan dat: naast haar zussen was zij een van de normaalste.

Pamela Mitford
De tweede, Pamela (1907-1994) had van de zes zussen waarschijnlijk het rustigste leven. Zij gaf de voorkeur aan een eenvoudig, landelijk leven. Ze stond bekend als the unobtrusive poultry lover. Maar helemaal normaal was haar leven toch ook niet. Eerst was ze getrouwd met een miljonair, later werd ze aanbeden door de dichter John Betjeman, maar uiteindelijk koos ze de Italiaanse amazone Giuditta Tommasi als levensgezellin. In een brief aan een van haar zusters omschreef ze zichzelf als een you-know-what-bian. De term poultry-lover heeft ook een slang betekenis in die richting en is dus heel dubbelzinnig bedoeld!

Diana tijdens de Neurenberg-rally
Nadat haar eerste huwelijk was vastgelopen, trouwde de derde zus, Diana (1910-2003) in het huis van Joseph Goebbels met Sir Oswald Mosley, 6th Baronet of Ancoats en leider van de British Union of Fascists. De belangrijkste gast aanwezig bij het huwelijk was Adolf Hitler. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het echtpaar onder zeer welwillende omstandigheden geïnterneerd in Holloway prison. Zo kregen ze een apart huisje te bewonen op het gevangenisterrein. Na de oorlog werd Diana schrijfster, correspondente en recensente. Hoewel ze nooit haar Nationaal-socialistische idealen officieel had afgezworen, bekende ze veel later dat ze nooit geweten had van de holocaust, die ze omschreef als a dreadfully wicked thing. Menige historicus gelooft daar geen word van. Over Hitler zei ze: "I'm sure he was to blame for the extermination of the Jews. He was to blame for everything, and I say that as someone who approved of him."

Unity met Adolf Hitler
Van jongs af aan was de vierde en meest tragische zuster Unity Valkyrie Mitford (1914- 1948) gefascineerd geweest door het fascisme en met name door de persoon Adolf Hitler zelf. Wat wil je ook met zo’n tweede voornaam? Ze reisde enige tijd door Duitsland, waar ze onder andere de beroemde Reichsparteitage in Neurenberg bijwoonde. Ze stalkte Hitler, totdat hij haar uiteindelijk opnam in zijn binnenste kring. Haar wereldvisie was romantisch en onrealistisch. Ze geloofde niet in een oorlog, maar in een natuurlijke erkenning van de grootheid van Hitler en zijn rijk. Toen die oorlog tussen Engeland en Duitsland toch was uitgebroken, schoot ze zich gedesillusioneerd door het hoofd, maar bleef leven. Ze werd thuis opgevangen en verzorgd tot ze stierf in 1948. Er zijn hardnekkige geruchten dat zij een liefdeskind van Hitler zou hebben gehad, maar er is geen enkele serieuze historicus die dat gelooft.

Decca
Niet alle Mitford zusjes waren fascisten. Jessica (Decca) Mitford (1917-1996) schoot juist de diametraal andere kant uit. Zij was de enige in de familie die hartstochtelijk de privileges weigerde waarmee ze geboren was. Zij verkoos het om met een neef van Winston Churchill naar Spanje te vertrekken om daar aan de kant van de linkse Republikeinen te vechten tegen de Nationalisten van Franco. Toen die strijd verloren was vertrok ze naar Amerika waar ze een notoire communistische activiste werd. Uiteraard moest ze getuigen voor het House of Un-American Activities Committee, de officiële benaming voor de Amerikaanse door de zeer rechtse Republikeinse senator Joe McCarthey aangevoerde heksenjacht op alles wat maar enigszins links was. Als ze niet aan het actievoeren was, zong ze in een kazoo-orkest. Een veelzeggend citaat van haar: “You may not be able to change the world, but at least you can embarrass the guilty”.

Deborah Vivian Cavendish, Duchess of Devonshire
De jongste en langstlevende van de zusters is Deborah Mitford (1920- 2014). Zij was degene die het beheer over de bezittingen op zich nam en in veel opzichten werd zij de archetypische Engelse gentlewoman. Na haar huwelijk met de Duke of Devonshire, beijverde zij zich om het grandioze Chatsworth House te redden. Aartshertogin Deborah was natuurlijk een soliede lid van de Conservative Party en zij ageerde tegen nieuwerwetsigheden als successierechten of het verbod op de vossenjacht.

De zes zussen hadden ook nog een broer, Thomas (1909-1945), die sneuvelde in Birma. Volgens zijn zus Jessica was ook hij een openlijke aanhanger van het fascisme.

Bronnen:

Chatsworth House




zondag 6 april 2014

Rosslyn Chapel

Een boek dat nogal wat
op zijn geweten heeft
Ik denk dat ik, toen de paperback-editie van The Holy Blood and the Holy Grail verscheen, één van de allereersten in Nederland was die dat boek kochten. Ik had bij de American Book Center de hardback al eens doorgebladerd en wist dat ik een boek, dat zo rijk gevuld was met glorieuze, creatieve en waarschijnlijk op totale nonsens gebaseerde speculaties, beslist eens in mijn kast zou moeten zetten.

Ruim dertig jaar later, is het boek allang volledig met de grond gelijk gemaakt, en is alle onzin, onwaarheid en hoopvolle hineininterpretatie ragfijn gefileerd door de mensen die er verstand van hebben. De geheime organisatie genaamd Prieuré de Sion bestaat niet en is, net als de indrukwekkende lijst van haar vroegere Grand-Maitres, van Leonardo Da Vinci (hé, daar is-ie-al!), via Claude Debussy tot aan Jean Cocteau, een verzinsel van de schelm en oplichter Pierre Plantard de Saint-Clair, een mysterieuze en ongrijpbare meneer die innige banden onderhield met allerlei extreemrechts geboefte.
Pierre Plantard
Niettemin moet ik bekennen dat ik nog steeds een zwak heb voor dit stukje “alternative history” van Michael Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln, zelfs in aanmerking nemend de ietwat noodlottige invloed die het boek op latere ontspanningsliteratuur heeft gehad. Dan Brown was niet de eerste en niet de laatste die de thematiek verwerkt heeft. Integendeel, hun naam is Legioen. Sommige schrijvers hebben hun inzichten in nog ellendiger bewoordingen neergekrabbeld dan Brown, maar vele anderen zijn aanzienlijk beter uit hun woorden gekomen. Hoe triest dat niemand van hen in het succes van de hausse heeft kunnen delen. 

De centrale premisse van The Holy Blood and the Holy Grail is dat Christus niet stierf aan het kruis, maar gered werd, met zijn vrouw Maria Magdalena naar Europa vluchtte (via het Zuid-Franse Rennes le Chateau) en een bloedlijn in gang zette die, bijvoorbeeld via de Merovingische koningen in Frankrijk, tot op de dag van vandaag in stand gehouden is.
De heilige Graal
Verscheidene familienamen behoren tot die lijn, zoals de reeds genoemde Plantard en Sinclair (St. Clair). Volgens het boek waren deze families de krachten achter de schermen die van de Tempeliers een financieel imperium maakten, en die door hun bevoorrechte positie in met name Palestina een fabelachtige schat wisten te verwerven. De voornaamste bestaansreden van de organisatie was niet het beschermen van het geheim van de heilige graal (“san greal”), maar van de bloedlijn (“sang real”). Het ultieme doel: de nakomelingen van Christus terug te brengen op de Franse troon. Het moment voor actie: als de tijd rijp is. Het streven, als de troon eenmaal teruggewonnen is: het vestigen van de Nieuwe Wereldorde. De toegestane middelen: ieder denkbaar middel. Ja ja, lezer, nu gniffelt u nog!

Vrijwel alle moderne populaire complottheorieën komen dus eigenlijk voort uit één en dezelfde veronderstelling: dat Christus’ bloedlijn zich in Europa heeft voortgezet. De Illuminati, de Vrijmetselaars, de Ahnenerbe, Opus Dei, alles is verschijningsvorm van hetzelfde. Ik geef toe: gevaarlijk terrein. Vele krankzinnigen wentelen zich in deze wilde theorieën en ik wil als erkend niet-krankzinnige daar niet graag mee geassocieerd worden.

Wat het voor mij allemaal toch pikant maakt, is dat de grondaanname in het boek, namelijk dat Jezus getrouwd was en kinderen had, best aannemelijk gemaakt kan worden: hij was een rabbi en in de Joodse maatschappij moesten rabbi’s getrouwd zijn om hun functie uit te kunnen oefenen. Dit nauwelijks heterodoxe inzicht is overigens al veel ouder dan het boek en kent vele aanhangers van buiten het complottheoriewereldje.

Jacques de Molay,
laatste grootmeester der Tempeliers
Hoe dan ook: voor een halfingevoerde leek is het totaal onmogelijk om verdichtsels, leugens en feiten, speculaties en redelijke conclusies uit elkaar te houden. Dat de Tempeliers bestaan hebben, zoveel is zeker. Dat Philips de Schone tussen 1307 en 1314 de organisatie in een bloederig offensief vernietigd heeft, is zeker, en ook dat de weinige overlevenden vervolgens naar allerlei uithoeken van Europa gevlucht zijn. Met name Schotland ontving de laatsten der Tempeliers met open armen. In dat land treft men verscheidene kerken aan, voorzien van de veelzeggende symbolen der Tempeliers. Of er werkelijk een schat bestaan heeft, en of de laatste ontsnapte Tempeliers die mee hebben weten te smokkelen, Frankrijk uit, daar is officieel niets van bekend. Officieus zijn er honderden theorieën.

De bekendste van de Schotse Tempelierskerken is wel Rosslyn Chapel, gebouwd door William Sinclair, 1st Earl of Caithness. Een bescheiden kerkje, dat na het enorme succes van Dan Browns boek en de gelijknamige film haar jaarlijkse bezoekersaantal zag verveelvoudigen. Zo groot was plotseling de toestroom van toeristen, dat de uitbaters van de kapel uitermate poenerig hebben kunnen uitpakken met een kosten-noch-moeite sparend bezoekerscentrum, compleet met het toilet der toiletten. Het is duidelijk: Dan Brown heeft Rosslyn Chapel geen windeieren gelegd.

Ondanks al dit onverkwikkelijks is de kerk beslist de moeite waard. Toen wij haar gingen bezoeken, vorige week zondag, hing er een zware, sliertige nevel over het altijd glooiende Zuidschotse landschap. Heel Midlothian was onzichtbaar geworden en kil. We hadden eerder op die dag al het heilige eiland Lindisfarne bezocht en het leek een goed idee om de stemming van gedragen mystiek voort te zetten in een iets andere setting.

Door het slechte weer was het relatief rustig in de buurt: er stonden geen touringcars geparkeerd en het ontbrak volledig aan Japanners. De mensen die er wel waren (goed volk: zware wandelschoenen, North Face rugzakken, macrobiotisch haar) leken oprecht geïnteresseerd. Misschien wel bijna de helft bekeek de kerk met eigen ogen en niet door de zoeker van hun telefoontje. Zou het hun opgevallen zijn dat de gargouilles boven de ingang bij nader inzien geen leeuwen, maar bavianen zijn?

Wat meteen opvalt aan het interieur, is dat de laatgotische ornamentiek met een grote kwast overgekalkt is, zodat alle vormen zacht geworden zijn en vloeibaar, een beetje als bij de Portugese gotische estilo manuelino, die eruit ziet alsof hij twee eeuwen lang onder de zeespiegel bewaard is.

Wie de symbolen zoekt, zal ze vinden. Vermaard is de zogenaamde Apprentice pillar, waarvan gespeculeerd wordt dat een deel van de schat er in een holle ruimte opgeborgen is. Één symbool zoekt de bezoeker tevergeefs. Boven de doorgang naar de crypte, is in de film een veelbetekenend hexagram te zien. Wie het symbool terugzoekt, zal een lichte cirkel in het steen ontdekken, maar geen zespuntige ster: de filmcrew had het symbool daar vastgeplakt en naderhand weer mee naar huis genomen.

We hebben nog in de crypte rondgekeken, maar geen spoor was er te bekennen van enig onbekend werk van Leonardo Da Vinci. Dat was een beetje teleurstellend.

Wel weer leuk dan is om te vermelden is dat wij, in tegenstelling tot alle andere bezoekers, wel degelijk fabelachtige schatten gevonden hebben in de omgeving van de kerk. Ik ga de lezer niet precies vertellen waar, want omdat we in een vrij kleine Peugeot 307 reisden konden we alleen maar het allerbelangrijkste meenemen. We hebben in ieder geval nog een ossuarium van Jezus Christus, de schedel van Jozef van Arimathea (twee zelfs: één uit zijn jeugd en één van vlak na zijn dood), de Graal zelve, en de ontbrekende Dode-Zee-rollen achter moeten laten. Wat we wel hebben overgebracht is de Arke des Verbonds (de enige echte), die we tijdelijk in Haarlem in ons tuinschuurtje hebben ondergebracht, waar hij in een schemerig hoekje staat. Gelukkig hadden we een Flying Blue kaart van de KLM, zodat we niet hebben hoeven bijbetalen voor deze extra bagage. Dat komt toch al gauw op twee tientjes extra. De Arke straalt een beetje zonderling, onaards licht uit en de huisgenoten durven niet meer het schuurtje in.
De Arke des Verbonds, zoals hij nu in ons schuurtje opgesteld staat


woensdag 5 februari 2014

Oude hippies: Himmelhof en Monte Verità


Commune Der Himmelhof.
Diefenbach omringd door volgelingen

Een paar foto’s: een groep jonge mensen in een kring, hand in hand, gekleed in witlinnen kleren. Mannen en vrouwen, naakt, dansend op een weide. De mannen hebben woeste bossen schouderlang, golvend haar en volle baarden. De vrouwen dragen lelietjes van dalen in hun goudblonde lokken. Aan hun voeten teenslippers of sandalen met enkelbanden. Is dit Woodstock 1969? Kralingen 1970 misschien? Een commune op Formentera of in Zuid-Kreta? Vreemd trouwens dat de zwart-wit foto’s op zo’n rafelige, grofkorrelige manier oud lijken te zijn. Is daar iemand met photoshop overheen gegaan?



Nee, het ligt heel anders: we kijken hier naar plaatjes uit eind negentiende, begin twintigste eeuw. We zijn niet in Californië, maar Oostenrijk en Zwitserland. En misschien zijn het wel hippies, maar dan hippies van ruim honderd jaar geleden, hippies van de Belle-époque, het Fin de Siècle. Tijdgenoten van de gebroeders Wright en Marcel Proust. En we realiseren ons: alles is al eens geweest.
 

Duits is de taal van deze negentiende-eeuwse alternatieve beweging. Lebensreform is waar ze mee bezig is. Aan de vooravond van de 20e eeuw wijzen haar aanhangers radicaal de hectiek van het modern leven af. Vogels van allerlei pluimage vindt men ertussen, maar allen zoeken ze naar alternatieven voor het burgerlijk bestaan dat ze ontvlucht zijn. Er zitten vegetariërs tussen, en naturisten, anarchisten en theosofen. Maar ook loopt er een aan cocaïne verslaafde psychoanalyticus rond en een jugendstil-illustrator wiens werk niet zou misstaan op de psychedelische platenhoezen van de jaren 1965-‘70.


In het algemeen: rare snuiters dus. Idealisten. Naturmenschen werden ze genoemd, of Wandervogel, deze bohemiens, zwervers, macrobioten en communisten, allemaal met een diep verlangen om weg te vluchten uit die beklemmende, veel te ingewikkelde, materialistische en agressieve maatschappij. Sommigen hadden hun keuze op milde wijze gemaakt, bijna en passant, anderen juist zwaar, theatraal en ostentatief. Ze hebben elkaar gevonden in communeachtige herstellingsoorden als de Himmelhof bij Wenen of het veel bekendere Monte Verità bij het Zwitserse stadje Ancona, en zijn in essentie Duits.
  
Henri van Oedenkoven (links) dansend met volgelingen op de Monte Verità
Vanwaar Duitsland?

In wezen was dit een land dat het oeroude paganisme nooit geheel had losgelaten. Meer dan andere volkeren bleven de Duitsers hangen aan hun heidense afkomst, een gevoelen dat door niemand zo systematisch en succesvol uitgebuit was als door Richard Wagner.
Maar al ruim vijf eeuwen eerder had Meister Eckhart (ca. 1260 - ca. 1328) de Teutoonse mystiek tegenover die der Christenen gesteld. 



In de Middeleeuwen waren er groepen Adamieten geweest, ook in de Lage Landen trouwens: broeders en zusters van de vrije geest, die naakt bijeenkwamen in grotten om de wedergeboorte van de paradijselijke onschuld op te roepen.
In 1796 gebruikte Christoph Wilhelm Hufeland uit Weimar als eerste het woord macrobiotiek. Zijn theorieën over frisse lucht, zonnebaden, reinheid, een uitgekiend dieet en meditatie doen verbluffend modern aan. Goethe wees op de klimaatveranderingen die de mens met zijn onnatuurlijke ontbossing veroorzaakt zou hebben en pleitte voor een terugkeer naar het eenvoudige natuurleven. Kortom: nog steeds niets nieuws onder de zon.
In de zestiger jaren van de 19e eeuw publiceerde Eduard Baltzer een vierdelig werk over natürliche Lebensweise. Hij wist wat vegetariërs om zich heen te organiseren en stichtte een vrije religieuze gemeenschap. Hij was van grote invloed op een jonge schilder genaamd Karl Wilhelm Diefenbach, waarover later meer.
In 1883 publiceerde de Leipziger Louis Kuhne een boek over alternatieve geneeswijzen. Met dit werk legde hij de basis voor wat later bekend zou worden als naturopathie.
In 1896 opende Adolf Just zijn Kuranstalt Jungborn in de Harz. In zijn bestseller Kehrt zur Natur zurück! (1895) sprak hij zich uit tegen lucht- en waterverontreiniging, vleeseten, vivisectie, vaccinatie, koffie, alcohol, roken en de gangbare middelbare schoolopleiding. Net als Kuhne was hij van grote invloed op de ontwikkeling van Mahatma Gandhi’s denken.
In 1904 schreef Richard Ungewitter een boek getiteld Die Nacktheit waarin, naast nudisme uiteraard, ook weer gepleit werd voor abstinentie van vlees, drank en tabak.

De symbolistische schilder Karl Wilhelm Diefenbach (1851-1913) werd een apostel van de alternatieve levensstijl, naturisme en vredesactivisme nadat hij, volgens eigen zeggen met uitsluitend natuurmethoden was genezen van de tyfus. Met vrouw en kinderen trok hij in de commune Humanitas, waar zijn vrouw in 1890 stierf. Omdat zijn leerstellingen in München niet op bijzonder veel sympathie konden rekenen, trok hij weg uit de grote stad. Hij ontmoette de jonge schilder Hugo Höppener, die door hem Fidus gedoopt werd. Getweeën maakten ze het grote schaduwfries Per aspera ad astra. Een schilderijententoonstelling in Wenen maakte hem in 1892 in één slag beroemd, maar door malversaties van de leiding van de Oostenrijkse Kunstvereniging raakte hij vervolgens al zijn doeken kwijt.

Fidus met zijn moeder.
Interessant haar...
Hij nam de benen naar Egypte, waar hij enorme tempelcomplexen ontwierp, op papier slechts. Om zijn gestolen schilderijen terug te krijgen keerde hij enige tijd later terug naar Wenen, waar hij in 1897 op een idyllisch in de heuvels net buiten de stad gelegen terrein zijn eigen gemeenschap voor godsdienst, wetenschap en kunst stichtte: De Himmelhof. Op een heldere dag had men vanaf de bergweide een fraai uitzicht niet alleen over Wenen, maar ook over het verder gelegen Bratislava.
Diefenbach verzamelde een kring van vrienden, geestverwanten en jonge leerlingen om zich heen met wie hij in de Himmelhof een commune begon.

Onder hen bevonden zich de later beroemd geworden schilder Franticek Kupka, de dierenactivist Magnus Schwantje, de reeds eerder genoemde illustrator Fidus en de imposante Gusto Gräser, die zich allengs zou ontwikkelen tot een allround natuurfilosoof. Over de laatste twee later meer.
In zijn commune maakte Diefenbach grif gebruik van zijn “voorrecht als goeroe”: hij hanteerde heel verschillende leefregels voor zichzelf en voor de anderen: terwijl hij deed wat hij wilde en met minstens twee vrouwen gelijktijdig een vaste, zogenaamd “open” relatie had, eiste hij van zijn volgelingen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en kuisheid. De lezer begrijpt wederom: alles is al eens geweest.
Al na twee jaar ging de kunstenaarskolonie bankroet en Diefenbach vertrok naar Capri, waar hij locale artistieke faam verwierf terwijl hij in Duitsland in de vergetelheid raakte. Hij behield een zwakke gezondheid en stierf er in 1913 aan een darmverkleving.

De illustrator Fidus (1868-1949) ontwikkelde zich tot een belangrijke en baanbrekende psychedelische kunstenaar, vijftig jaar voordat de hippiebeweging in de rockmuziek met dergelijke iconografie op de proppen kwam voor haar platenhoesontwerpen.

Een vignet van Fidus
De zwervende ziener Gusto Gräser trok na het bankroet van de Himmelhof verder naar Ascona, waar hij met de Belgische zakenman Hendrik van Oedenkoven en diens vriendin Ida Hoffmann de veel succesvollere ”cooperatieve vegetarische kolonie Monte Verità” stichtte.

gustaf nagel (hij haatte hoofdletters), één der passanten op Monte Verità

De kolonie was aanvankelijk gegrondvest op eenvoudige, socialistische principes, maar ontwikkelde zich allengs tot een open kuuroord met zonne- en waterbaden, vegetarisme en onthouding. De kolonisten waren wars van privé-bezit, waren strikt vegetarisch (meestal zelfs veganistisch van de “raw-food”-variant) en waren overtuigde naturisten. Ze waren strenge moralisten en wezen ieder vorm van conventie, zij het in huwelijk, kleding, politiek of godsdienst radicaal af.

Gusto Gräser in Berlijn

Gusto Gräser was een grote, krachtige man met een sterke, charismatische uitstraling. Op een foto genomen in Berlijn steekt hij minstens een kop uit boven alle andere mannen. Hij werd een goede vriend en leraar van de Zwitserse schrijver Hermann Hesse, wiens verslag “In den Felsen” (1908) het leven beschreef dat Gräser nastreefde: slapend in grotten in de Zwitserse Alpen, mediterend, soms dagenlang vastend. In “Siddhartha” (1922) herkent men duidelijk de verhouding tussen de leerling Hesse en de goeroe Gräser.
Tot na de Tweede Wereldoorlog zou hij, zijn principes getrouw, de vrede blijven prediken, bijna zo lang dat hij de eerste moderne hippies had kunnen aanschouwen: toen hij stierf, reed Jack Kerouac met Neal Cassady naar de Westcoast van de Verenigde Staten, op zoek naar de in Big Sur bivakkerende, Amerikaanse Naturmenschen.

dinsdag 30 oktober 2012

Hedy Lamarr en frequency-hopping


Hedy Lamarr (1914-2000) was geboren in Wenen als Hedwig Eva Maria Kiesler, de dochter van de Oostenrijkse bankdirecteur Emil Kiesler en de Hongaarse pianiste Gertrud Lichtwitz. Nadat ze op haar zestiende de school verliet, ging ze naar de beroemde acteerschool van Max Reinhardt in Berlijn. In 1933 speelde ze in de Tsjechische film Extase, die ogenblikkelijk beroering bracht in het toch al opgewonden culturele wereldje van het Interbellum. De jonge hoofdrolspeelster verscheen, als eerste vrouw in de filmgeschiedenis, volledig naakt in een flink deel van de film. Na een zwempartij van tien minuten en een schier eindeloos naakt door de bossen en heuvelen achter haar paard aanrennen, beeldde ze verderop in de film nog een orale seksscène uit, inclusief orgasme. Vanzelfsprekend was ook dat weer een primeur in de filmgeschiedenis. In haar later geschreven autobiografie liet Hedy Lamarr min of meer in het midden of deze scène gesimuleerd was of niet. Het orgasme, zo stelde ze, was bereikt met “method acting reality”. Hoe dubbelzinnig kun je zijn? Ze voegde daar nog aan toe dat ze tijdens de opnamen de juiste passie in haar gezichtsuitdrukking had verkregen doordat de regisseur haar op strategische momenten met een speld in haar billen had geprikt. Hoe het ook zij, of deze scène nu echt was of gesimuleerd, het schandaal was er en heel Europa had het erover.
Het privéleven van Hedy was interessant. Al heel jong trouwde ze met de dertien jaar oudere prominente fascist en wapenhandelaar Fritz Mandl en als trophy-wife werd ze door haar man meegetroond naar bijeenkomsten, bals en onderhandelingen. In die hoedanigheid ontmoette ze Hitler en Mussolini. Ze was een intelligente vrouw en stak en passant het een en ander op over wapensystemen, iets dat haar later nog van pas zou komen.
Mandl was een buitengewoon jaloerse en bezitterige echtgenoot en Hedy kon geen stap zetten zonder dat hij op de hoogte was van haar doen en laten. Hij beijverde zich om alle copieën van Extase op te kopen en te vernietigen. De druk die hij haar dagelijks oplegde werd Hedy al snel te groot. Tijdens een feest drogeerde ze haar kamermeisje, trok haar uniform aan en wist na een spannende achtervolging, omhangen met al haar juwelen, te ontsnappen naar Parijs, alwaar ze een echtscheiding aanvroeg en verkreeg.
In Londen tekende ze al snel een contract bij filmmaatschappij MGM. Toen ze in Hollywood was aangekomen werd haar naam door Louis B. Mayer veranderd in Hedy Lamarr. Ze werd gebracht als de nieuwe Greta Garbo. In de veertiger jaren maakte ze een kleine twintig films met sterren als Charles Boyer, Clark Gable, Spencer Tracy, en Victor Mature als tegenspelers. Telkens weer speelde zij de rol van de exotische, fatale verleidster. Ze werd de mooiste vrouw van de wereld genoemd.
Gedurende de oorlog leerde ze de componist George Antheil kennen, die in Hollywood haar buurman was. Deze veelzijdige componist, die met zijn compromisloze mechanische muziek en excentriek gedrag eveneens wereldwijde schandalen had veroorzaakt, had haar belangstelling gewekt door een geheel ander aspect van zijn productie. Op grond van zijn onwaarschijnlijke boek Every man his own detective, een verhandeling over de endocrinologie als gereedschap in de criminologie, meende Hedy dat hij een specialist was die haar met haar eigen, persoonlijke probleem zou kunnen helpen. Ze vond namelijk dat haar borsten te klein waren en hoopte dat Antheil ze door middel van een hormoonbehandeling zou kunnen vergroten.
Maar tijdens de gesprekken bleek al gauw dat ze nog een andere gedeelde belangstelling hadden, één die veel urgenter was in de dramatische tijd waarin ze leefden. De Tweede Wereldoorlog en de bestrijding van de door hen beiden verafschuwde Adolf Hitler.
In de twintiger jaren reeds had Antheil geëxperimenteerd met systemen voor de automatische bediening van muziekmachines, bijvoorbeeld in zijn Ballet Méchanique, waar zestien pianola’s simultaan moesten draaien. Op basis van die vroegere muziektechnische experimenten ontwikkelden ze in 1941 samen een geheim communicatiesysteem voor torpedo’s, dat in 1942 gepatenteerd werd. Deze eerste versie van het zogenaamde frequency hopping (in lelijk Nederlands: frequentieverspringing) maakte gebruik van een pianorol om tussen 88 verschillende frequenties heen en weer te springen en het zo de vijand heel moeilijk te maken om te knoeien met de radiobestuurde torpedo’s.

Omdat het hun er alleen maar om te doen was hun steentje bij te dragen aan de oorlogsinspanning, boden ze hun patenten gratis aan het Amerikaanse Marine aan. Ondanks fanatiek gelobby van Antheil, moest de Marine evenwel niets hebben van de uitvinding, voornamelijk vanwege hun eigen foutieve veronderstelling dat het mechanisme veel te groot zou worden om in een torpedo te passen. Antheil was het daar helemaal niet mee eens en beweerde dat ze het klein genoeg konden krijgen om het in een horloge te passen. De werkelijke reden waarom de Marine zo negatief was lag volgens Antheil in het feit dat hij bij zijn presentatie het onderliggende mechanisme had vergeleken met een pianola. 'Een grote psychologische fout,' gaf Antheil toe. Vanaf dat moment kon geen marineambtenaar meer serieus naar het patent kijken zonder zich een speeldoos in een torpedo voor te stellen en in hoongelach uit te barsten.
Pas in 1962, toen het patent al een paar jaar verlopen was, maakte de Amerikaanse marine tijdens de Cuba-crisis voor het eerst (en met succes) gebruik van een methode gebaseerd op dit patent.
Nog weer veel later stond het frequency-hopping van Hedy en George aan de basis van de moderne spread-spectrum communicatie-technologie, zoals die door onder andere Bluetooth toegepast wordt in Wifi netwerken.
In haar lange, lange latere leven werd Hedy Lamarr steeds meer een zonderlinge, ietwat tragische kluizenares. Na zes keer getrouwd te zijn geweest, hield ze dat in 1965 verder maar voor gezien. Ze werd een paar keer opgepakt wegens winkeldiefstallen, maar wist één en ander telkens te sussen. Wanneer er maar de geringste aanleiding toe was, begon ze rechtszaken. Zo eiste ze tien miljoen dollar schadevergoeding van Mel Brooks vanwege het gebruik van haar naam in Blazing Saddles. Dit werd buiten de rechtbank geschikt voor een onbekend gebleven bedrag.
Pas tegen het eind van haar leven werd ze erkend als uitvindster. In 1997 ontvingen zij en de reeds in 1959 overleden George Antheil de Electronic Frontier Foundation (EFF) Pioneer Award. In datzelfde jaar werd Hedy Lamarr de eerste vrouw die de BULBIE Gnass Spirit of Achievement Award ontving, een prestigieuze prijs die bekend staat als de Oscar voor uitvinders.
Hedy Lamarr stierf in 2000, 86 jaar oud.