Ik denk dat ieder van ons er wel eens van gedroomd heeft hoe het zou zijn om zomaar, plotseling in een positie van macht te geraken: gevraagd te worden als CEO van een wereldomspannend techbedrijf, een erfenis van enige miljarden te ontvangen, of een kroonprins van een belangrijk land te blijken te zijn.
Fr. Rolfe, door hemzelf zo geschreven liever dan voluit, om met de gebruikte afkorting een positie in de katholieke kerk te suggereren, had een dergelijke droom ook.
Frederick William Rolfe leefde van 1860 tot 1913. Zijn leven was moeilijk, niet in het minst door zijn eigen allesoverheersende neiging tot compromisloos ruzie maken. Hij trad officieel toe tot de katholieke kerk toen hij 26 was. Hij ondernam een aantal pogingen om het priesterschap te bereiken, maar hij werd het seminarie uitgejaagd en zette zijn ruzieachtige leven voort als schrijver van semi-autobiografische romans. Er deden de wildste verhalen over hem de ronde, hij zou homoseksueel en pedofiel zijn, maar tegelijk heerst er in brede kring een gevoel dat toen deze onmogelijke man uiteindelijk stierf, verbitterd, eenzaam en straatarm in Venetië, hij dat deed als een onbeminde maagd.
Zijn bekendste roman is Hadrian VII uit 1904, het relaas van een querulante Engelse broodschrijver genaamd George Arthur Rose die volkomen onverwacht uitgenodigd wordt om paus te worden. Een vreemd boek, alleen al door deze premisse, maar zeker ook door de merkwaardige schrijfstijl, die algemeen tot de Decadentie gerekend wordt. Neologismen, latinismen en graecismen doorspekken het proza. Heel pedant detail: vanaf het exacte moment dat Rose tot Paus gekroond is, wordt aan hem met hoofdletters gerefereerd: het wordt He, Him en His, ook midden in een zin.
Het is een zelfportret geworden natuurlijk, zij het zwaar geïdealiseerd. George Arthurs Rose is een geperfectioneerde uitvoering van Frederick William Rolfe en wordt met onverholen bewondering (aanbidding welhaast) beschreven. Het is een zeer ijdel boek over een man die juist alle ijdelheid beweert af te wijzen. De lezer ontwikkelt al spoedig een immense hekel aan deze zelfingenomen kwast, beschreven door een zelfverliefde kwezel.
Het boek biedt een breed inzicht in de onderliggende machinerieën van de Katholieke kerk zoals die was rond 1900.
George Rose de Paus wordt een progressieve kerkvorst, die eenvoud en armoede predikt en alle rijkdom van de kerk verkoopt om met het geld goed te doen. Die zijn eigen sigaretten rolt die hij ketting rookt, die getalenteerde mannen die het verdienen met fortuinen overlaadt en knoeiers heen stuurt. Maar tegelijkertijd is hij een uiterst reactionaire, misogyne politicus, die ook nog even en passant de wereld verdeelt in heersersvolken en onderrassen. Hij laat Duitsland allerlei Balkanstaatjes annexeren en moedigt Engeland aan de Afrikaanse en Aziatische rassen onder haar hoede te nemen. Dramatische handeling wordt bij herhaling geheel stopgezet voor het geven van een soort “college”. Het is in alle opzichten een ideeënroman, wat men ook vinde van die ideeën.
Dit kan allemaal niet goed gaan, natuurlijk. Nadat Rose tot mijn verbazing wel degelijk het Roomse establishment voor zich heeft weten te winnen, blijft hij problemen houden met slechte kennissen van vroeger (Liblabs ofte wel socialisten), die hem eerst trachten te chanteren, maar uiteindelijk overgaan tot moord. Zelden heb ik een dramatische climax zo laconiek af zien doen als de moord op de Paus. Eén regeltje was voor Rolfe voldoende, haast alsof hij plotseling tot de ontdekking was gekomen nog maar twee vel papier over te hebben.
Waarom in vredesnaam dit boek? Ik hoor het de lezer denken. Laat ik vooropstellen dat veel van wat ik in mijn jeugd las, door het werk van het schrijverscollectief Joyce & Co. (Geerten Meijsing en Kees Snel hoofdzakelijk) onder mijn aandacht gebracht was. Werd iets door deze heren gesanctioneerd, dan moest het wel goed zijn. Hadrian VII las ik veertig jaar geleden in hun vertaling.
Maar de vraag blijft: waarom? Ook bij herlezing heb ik hier en daar toch weer luid geschaterd. Rolfe was namelijk een buitengewoon geestig schrijver. Hij was sarcastisch, bont, pedant, decadent, idiosyncratisch en excentriek. Hadrian VII is een curiosum van de eerste orde. Ik heb het met veel plezier herlezen, maar durf het niettemin niemand aan te raden. Zo gaat dat met geheime liefdes…
Posts tonen met het label Vreemde geschiedenissen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vreemde geschiedenissen. Alle posts tonen
woensdag 14 juli 2021
dinsdag 21 maart 2017
Een nieuw blogje
Het zal de scherpzinnige volger van De dwarse man
wellicht opgevallen zijn dat er sedert enige tijd rechtsboven een linkje
bijgekomen is: Amsterdam-West Essef. Misschien heeft u zelfs al eens geklikt en
gezien waar dat over gaat. Voor de anderen volgt hier een korte uitleg. Ik heb
van jongs af aan een aantal constanten in mijn leven die ik, eens me eigen
gemaakt, heel trouw tot mijn belevingswereld blijf rekenen. Een van die zaken
is de sciencefictionliteratuur. Ik geef veel minder om sciencefictionfilms, het
gaat me echt om de geschreven flights of
fancy, historisch of modern.
Toen mijn vrienden en ik twaalf of dertien waren,
begonnen we ons voor andere dingen te interesseren dan de geheide zaken als
Batman, de Kameleon, Suske en Wiske of Airfix modelvliegtuigjes.
Roken, seks, Jethro Tull en VPRO’s Piknik veranderde
ons van onschuldige kinderen in onschuldige beginnende hippies.
We gingen ook een ander soort boeken lezen.
Sciencefiction! In ieders jongenskamer verschenen wel een paar van die
witte deeltjes uit Meulenhoffs M=SF reeks. Deeltjes die vrijelijk
geherdistribueerd werden: als een boekje je beviel, nam je het gewoon mee. Ik
had een paar deeltjes geroofd uit het zolderkamertje van Thijs, en ik weet
zeker dat Jan-Paul een paar van mijn deeltjes gejat had. Het gaf niet, we
hechtten niet zo aan spullen.
In latere jaren kwamen we nog wel eens te praten over
die iconische deeltjes. Onze nostalgie kende geen grenzen en vaak verzuchtten
we dat er niet meer van die gezellige SF-romannetjes bestonden die precies, tot
vier cijfers achter de komma nauwkeurig de sfeer opriepen van die tijd, de
vroege zeventiger jaren, in Amsterdam-Geuzenveld. Het was Jan-Paul die de
generieke term Amsterdam-West Essef muntte,
en die term is altijd blijven hangen om dat onvangbare aan te duiden, dat
intens bekende, nèt ongrijpbare dat je in je ooghoek denkt te zien en dat weg
is zodra je je erop focust. Natuurlijk werden de boeken niet anders toen we
ouder werden: wijzelf werden anders. Amsterdam-West
Essef ging staan voor de onbevangen gemoedstoestand van de prille jeugd,
toen alles nieuw was, en elk nieuw inzicht een openbaring, elke nieuwe
ontdekking zo spoedig mogelijk met de anderen gedeeld moest worden.
Onlangs heb ik door tussenkomst van een collega alle
ruim 375 deeltjes van de langlevende serie in ePub-vorm verworven. Ik heb ze
allemaal geïmporteerd in mijn iPad en nu lees ik ze, terwijl ik tussen Haarlem
en Den Haag forens, op mijn karakteristieke, dwangmatige manier in numerieke
volgorde. Wat wil ik daarmee bereiken? Geen idee eigenlijk. Misschien is het niet
veel meer dan het bevredigen van mijn nieuwsgierigheid. Hoe was het ook weer, 48
jaar geleden? Kennelijk is iets in mij toch nog steeds op zoek naar dat vluchtige
Amsterdam-West Essef-gevoel. Enfin, voor de liefhebber plaats ik in mijn nieuwe
blog nu en dan een leesrapportje wanneer ik weer een deeltje van de M=SF-reeks
uit heb. U bent welkom!
vrijdag 14 oktober 2016
De bizarre familie Mitford
Dat de Britse eilanden rijk zijn
aan merkwaardige families en personen, mag algemeen bekend zijn. Het lijkt
welhaast alsof excentriciteit er de norm is. Een keur aan scheefgegroeide
families passeert de revue als men een weekje naar de Engelse televisie kijkt: Brideshead Revisited, sommige
afleveringen van Midsomer Murders of Downton Abbey schetsen een wereld die,
hoewel vlak naast ons land gelegen, evengoed enige lichtjaren van ons verwijderd
lijkt. Zijn deze series overdreven? Niet in het minst: de werkelijkheid is vaak
nog bizarrer. Eén familie waar Dowton Abbey nog maar bleekjes bij afsteekt was
die van de Mitfords. En uit deze familie dan met name de zes zussen Mitford.
![]() |
| Nancy Mitford |
Deze zes dochters van David
Freeman-Mitford, 2nd Baron Redesdale en Sydney Bowles werden bekende en vaak scandaleuze
figuren. De oudste was Nancy (1904-1973), de bekende schrijfster. Haar reputatie
werd gevestigd door twee autobiografische romans, The Pursuit of Love (1945) en Love
in a Cold Climate (1949). Ze begaf zich in de Britse society en was
bevriend met bekende Britten als de schrijver Evelyn Waugh, de latere Poet
Laureate John Betjeman en de fotograaf Cecil Beaton. Ze was zo excentriek als
een Britse schrijfster maar kan zijn, maar niet meer dan dat: naast haar zussen
was zij een van de normaalste.
![]() |
| Pamela Mitford |
De tweede, Pamela (1907-1994) had
van de zes zussen waarschijnlijk het rustigste leven. Zij gaf de voorkeur aan
een eenvoudig, landelijk leven. Ze stond bekend als the unobtrusive poultry lover. Maar helemaal normaal was haar
leven toch ook niet. Eerst was ze getrouwd met een miljonair, later werd ze aanbeden
door de dichter John Betjeman, maar uiteindelijk koos ze de Italiaanse amazone
Giuditta Tommasi als levensgezellin. In een brief aan een van haar zusters
omschreef ze zichzelf als een you-know-what-bian.
De term poultry-lover heeft ook een slang betekenis in die richting en is dus heel
dubbelzinnig bedoeld!
![]() |
| Diana tijdens de Neurenberg-rally |
Nadat haar eerste huwelijk was
vastgelopen, trouwde de derde zus, Diana (1910-2003) in het huis van Joseph
Goebbels met Sir Oswald Mosley, 6th Baronet of Ancoats en leider van de British Union of Fascists. De belangrijkste
gast aanwezig bij het huwelijk was Adolf Hitler. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het echtpaar onder zeer welwillende omstandigheden geïnterneerd in Holloway prison. Zo kregen ze een apart
huisje te bewonen op het gevangenisterrein. Na de oorlog werd Diana
schrijfster, correspondente en recensente. Hoewel ze nooit haar Nationaal-socialistische
idealen officieel had afgezworen, bekende ze veel later dat ze nooit geweten had
van de holocaust, die ze omschreef als a
dreadfully wicked thing. Menige historicus gelooft daar geen word van. Over
Hitler zei ze: "I'm sure he was to blame for the extermination of the Jews.
He was to blame for everything, and I say that as
someone who approved of him."
![]() |
| Unity met Adolf Hitler |
Van jongs af aan was de vierde en
meest tragische zuster Unity Valkyrie Mitford (1914- 1948) gefascineerd geweest
door het fascisme en met name door de persoon Adolf Hitler zelf. Wat wil je ook
met zo’n tweede voornaam? Ze reisde enige tijd door Duitsland, waar ze onder
andere de beroemde Reichsparteitage
in Neurenberg bijwoonde. Ze stalkte
Hitler, totdat hij haar uiteindelijk opnam in zijn binnenste kring. Haar
wereldvisie was romantisch en onrealistisch. Ze geloofde niet in een oorlog,
maar in een natuurlijke erkenning van de grootheid van Hitler en zijn rijk. Toen
die oorlog tussen Engeland en Duitsland toch was uitgebroken, schoot ze zich gedesillusioneerd
door het hoofd, maar bleef leven. Ze werd thuis opgevangen en verzorgd tot ze
stierf in 1948. Er zijn hardnekkige geruchten dat zij een liefdeskind van
Hitler zou hebben gehad, maar er is geen enkele serieuze historicus die dat gelooft.
![]() |
| Decca |
Niet alle Mitford zusjes waren fascisten.
Jessica (Decca) Mitford (1917-1996) schoot juist de diametraal andere kant uit.
Zij was de enige in de familie die hartstochtelijk de privileges weigerde
waarmee ze geboren was. Zij verkoos het om met een neef van Winston Churchill
naar Spanje te vertrekken om daar aan de kant van de linkse Republikeinen te
vechten tegen de Nationalisten van Franco. Toen die strijd verloren was vertrok
ze naar Amerika waar ze een notoire communistische activiste werd. Uiteraard
moest ze getuigen voor het House of
Un-American Activities Committee, de officiële benaming voor de Amerikaanse
door de zeer rechtse Republikeinse senator Joe McCarthey aangevoerde
heksenjacht op alles wat maar enigszins links was. Als ze niet aan het
actievoeren was, zong ze in een kazoo-orkest. Een
veelzeggend citaat van haar: “You may not be able to change the world, but at
least you can embarrass the guilty”.
![]() |
| Deborah Vivian Cavendish, Duchess of Devonshire |
De zes zussen hadden ook nog een
broer, Thomas (1909-1945), die sneuvelde in Birma. Volgens zijn zus Jessica was
ook hij een openlijke aanhanger van het fascisme.
Bronnen:
![]() |
| Chatsworth House |
zondag 6 april 2014
Rosslyn Chapel
![]() |
| Een boek dat nogal wat op zijn geweten heeft |
Ruim
dertig jaar later, is het boek allang volledig met de grond gelijk gemaakt, en
is alle onzin, onwaarheid en hoopvolle hineininterpretatie ragfijn gefileerd
door de mensen die er verstand van hebben. De geheime organisatie genaamd Prieuré de Sion
bestaat niet en is, net als de indrukwekkende lijst van haar vroegere Grand-Maitres,
van Leonardo Da Vinci (hé, daar is-ie-al!), via Claude Debussy tot aan Jean
Cocteau, een verzinsel van de schelm en oplichter Pierre
Plantard de Saint-Clair,
een mysterieuze en ongrijpbare meneer die innige banden onderhield met allerlei
extreemrechts geboefte.
![]() |
| Pierre Plantard |
Niettemin moet ik bekennen dat ik nog steeds een zwak
heb voor dit stukje “alternative history” van Michael
Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln, zelfs in aanmerking nemend de ietwat
noodlottige invloed die het boek op latere ontspanningsliteratuur heeft gehad.
Dan Brown was niet de eerste en niet de laatste die de thematiek verwerkt heeft.
Integendeel, hun naam is Legioen. Sommige schrijvers hebben hun inzichten in
nog ellendiger bewoordingen neergekrabbeld dan Brown, maar vele anderen zijn aanzienlijk
beter uit hun woorden gekomen. Hoe triest dat niemand van hen in het succes van
de hausse heeft kunnen delen.
De
centrale premisse van The Holy Blood and the Holy Grail is dat Christus niet
stierf aan het kruis, maar gered werd, met zijn vrouw Maria Magdalena naar
Europa vluchtte (via het Zuid-Franse Rennes le Chateau) en een bloedlijn in gang zette
die, bijvoorbeeld via de Merovingische koningen in Frankrijk, tot op de dag van
vandaag in stand gehouden is.
![]() |
| De heilige Graal |
Verscheidene familienamen behoren tot die lijn, zoals
de reeds genoemde Plantard en Sinclair (St. Clair). Volgens het boek waren deze
families de krachten achter de schermen die van de Tempeliers een financieel
imperium maakten, en die door hun bevoorrechte positie in met name Palestina
een fabelachtige schat wisten te verwerven. De voornaamste bestaansreden van de
organisatie was niet het beschermen van het geheim van de heilige graal (“san
greal”), maar van de bloedlijn (“sang real”). Het ultieme doel: de nakomelingen
van Christus terug te brengen op de Franse troon. Het moment voor actie: als de
tijd rijp is. Het streven, als de troon eenmaal teruggewonnen is: het vestigen
van de Nieuwe Wereldorde. De toegestane middelen: ieder denkbaar middel. Ja ja,
lezer, nu gniffelt u nog!
Vrijwel
alle moderne populaire complottheorieën komen dus eigenlijk voort uit één en
dezelfde veronderstelling: dat Christus’ bloedlijn zich in Europa heeft
voortgezet. De Illuminati, de Vrijmetselaars, de Ahnenerbe, Opus Dei, alles is verschijningsvorm
van hetzelfde. Ik geef toe: gevaarlijk terrein. Vele krankzinnigen wentelen
zich in deze wilde theorieën en ik wil als erkend niet-krankzinnige daar niet
graag mee geassocieerd worden.
Wat het voor
mij allemaal toch pikant maakt, is dat de grondaanname in het boek, namelijk
dat Jezus getrouwd was en kinderen had, best aannemelijk gemaakt kan worden:
hij was een rabbi en in de Joodse maatschappij moesten rabbi’s getrouwd zijn om
hun functie uit te kunnen oefenen. Dit nauwelijks heterodoxe inzicht is overigens
al veel ouder dan het boek en kent vele aanhangers van buiten het
complottheoriewereldje.
![]() |
| Jacques de Molay, laatste grootmeester der Tempeliers |
Hoe dan
ook: voor een halfingevoerde leek is het totaal onmogelijk om verdichtsels,
leugens en feiten, speculaties en redelijke conclusies uit elkaar te houden.
Dat de Tempeliers bestaan hebben, zoveel is zeker. Dat Philips de Schone tussen
1307 en 1314 de organisatie in een bloederig offensief vernietigd heeft, is
zeker, en ook dat de weinige overlevenden vervolgens naar allerlei uithoeken
van Europa gevlucht zijn. Met name Schotland ontving de laatsten der Tempeliers
met open armen. In dat land treft men verscheidene kerken aan, voorzien van de
veelzeggende symbolen der Tempeliers. Of er werkelijk een schat bestaan heeft,
en of de laatste ontsnapte Tempeliers die mee hebben weten te smokkelen,
Frankrijk uit, daar is officieel niets van bekend. Officieus zijn er honderden
theorieën.
De
bekendste van de Schotse Tempelierskerken is wel Rosslyn Chapel, gebouwd door William
Sinclair, 1st Earl of Caithness. Een bescheiden kerkje, dat na het enorme
succes van Dan Browns boek en de gelijknamige film haar jaarlijkse bezoekersaantal
zag verveelvoudigen. Zo groot was plotseling de toestroom van toeristen, dat de
uitbaters van de kapel uitermate poenerig hebben kunnen uitpakken met een
kosten-noch-moeite sparend bezoekerscentrum, compleet met het toilet der
toiletten. Het is duidelijk: Dan Brown heeft Rosslyn Chapel geen windeieren
gelegd.
Ondanks
al dit onverkwikkelijks is de kerk beslist de moeite waard. Toen wij haar
gingen bezoeken, vorige week zondag, hing er een zware, sliertige nevel over
het altijd glooiende Zuidschotse landschap. Heel Midlothian was onzichtbaar
geworden en kil. We hadden eerder op die dag al het heilige eiland Lindisfarne
bezocht en het leek een goed idee om de stemming van gedragen mystiek voort te
zetten in een iets andere setting.
Door het
slechte weer was het relatief rustig in de buurt: er stonden geen touringcars
geparkeerd en het ontbrak volledig aan Japanners. De mensen die er wel waren (goed
volk: zware wandelschoenen, North Face rugzakken, macrobiotisch haar) leken
oprecht geïnteresseerd. Misschien wel bijna de helft bekeek de kerk met eigen
ogen en niet door de zoeker van hun telefoontje. Zou het hun opgevallen zijn
dat de gargouilles boven de ingang bij nader inzien geen leeuwen, maar bavianen
zijn?
Wat
meteen opvalt aan het interieur, is dat de laatgotische ornamentiek met een
grote kwast overgekalkt is, zodat alle vormen zacht geworden zijn en vloeibaar,
een beetje als bij de Portugese gotische estilo
manuelino, die eruit ziet alsof hij
twee eeuwen lang onder de zeespiegel bewaard is.
Wie de
symbolen zoekt, zal ze vinden. Vermaard is de zogenaamde Apprentice pillar, waarvan gespeculeerd wordt dat een deel van de
schat er in een holle ruimte opgeborgen is. Één symbool zoekt de bezoeker
tevergeefs. Boven de doorgang naar de crypte, is in de film een veelbetekenend
hexagram te zien. Wie het symbool terugzoekt, zal een lichte cirkel in het
steen ontdekken, maar geen zespuntige ster: de filmcrew had het symbool daar vastgeplakt
en naderhand weer mee naar huis genomen.
We
hebben nog in de crypte rondgekeken, maar geen spoor was er te bekennen van enig
onbekend werk van Leonardo Da Vinci. Dat was een beetje teleurstellend.
Wel
weer leuk dan is om te vermelden is dat wij, in tegenstelling tot alle andere
bezoekers, wel degelijk fabelachtige schatten gevonden hebben in de omgeving
van de kerk. Ik ga de lezer niet precies vertellen waar, want omdat we in een
vrij kleine Peugeot 307 reisden konden we alleen maar het allerbelangrijkste
meenemen. We hebben in ieder geval nog een ossuarium van Jezus Christus, de
schedel van Jozef van Arimathea (twee zelfs: één uit zijn jeugd en één van vlak
na zijn dood), de Graal zelve, en de ontbrekende Dode-Zee-rollen achter moeten
laten. Wat we wel hebben overgebracht is de Arke des Verbonds (de enige echte),
die we tijdelijk in Haarlem in ons tuinschuurtje hebben ondergebracht, waar hij
in een schemerig hoekje staat. Gelukkig hadden we een Flying Blue kaart van de
KLM, zodat we niet hebben hoeven bijbetalen voor deze extra bagage. Dat komt
toch al gauw op twee tientjes extra. De Arke straalt een beetje zonderling,
onaards licht uit en de huisgenoten durven niet meer het schuurtje in.
![]() |
| De Arke des Verbonds, zoals hij nu in ons schuurtje opgesteld staat |
woensdag 5 februari 2014
Oude hippies: Himmelhof en Monte Verità
De zwervende ziener Gusto Gräser trok na
het bankroet van de Himmelhof verder naar
Ascona, waar hij met de Belgische zakenman Hendrik van Oedenkoven en
diens vriendin Ida Hoffmann de veel succesvollere ”cooperatieve vegetarische
kolonie Monte Verità” stichtte.
![]() |
| Commune Der Himmelhof. Diefenbach omringd door volgelingen |
Een paar foto’s: een groep jonge mensen
in een kring, hand in hand, gekleed in witlinnen kleren. Mannen en vrouwen,
naakt, dansend op een weide. De mannen hebben woeste bossen schouderlang,
golvend haar en volle baarden. De vrouwen dragen lelietjes van dalen in hun
goudblonde lokken. Aan hun voeten teenslippers of sandalen met enkelbanden. Is
dit Woodstock 1969? Kralingen 1970 misschien? Een commune op Formentera of in
Zuid-Kreta? Vreemd trouwens dat de zwart-wit foto’s op zo’n rafelige,
grofkorrelige manier oud lijken te zijn. Is daar iemand met photoshop overheen
gegaan?
Nee, het ligt heel anders: we kijken
hier naar plaatjes uit eind negentiende, begin twintigste eeuw. We zijn niet in
Californië, maar Oostenrijk en Zwitserland. En misschien zijn het wel hippies, maar
dan hippies van ruim honderd jaar geleden, hippies van de Belle-époque, het Fin
de Siècle. Tijdgenoten van de gebroeders Wright en Marcel Proust. En we
realiseren ons: alles is al eens geweest.
Duits is de taal van deze negentiende-eeuwse
alternatieve beweging. Lebensreform
is waar ze mee bezig is. Aan de vooravond van de 20e eeuw wijzen haar
aanhangers radicaal de hectiek van het modern leven af. Vogels van allerlei
pluimage vindt men ertussen, maar allen zoeken ze naar alternatieven voor het
burgerlijk bestaan dat ze ontvlucht zijn. Er zitten vegetariërs tussen, en
naturisten, anarchisten en theosofen. Maar ook loopt er een aan cocaïne
verslaafde psychoanalyticus rond en een jugendstil-illustrator wiens werk niet
zou misstaan op de psychedelische platenhoezen van de jaren 1965-‘70.
In het algemeen: rare snuiters dus.
Idealisten. Naturmenschen werden ze
genoemd, of Wandervogel, deze bohemiens,
zwervers, macrobioten en communisten, allemaal met een diep verlangen om weg te
vluchten uit die beklemmende, veel te ingewikkelde, materialistische en
agressieve maatschappij. Sommigen hadden hun keuze op milde wijze gemaakt, bijna
en passant, anderen juist zwaar, theatraal en ostentatief. Ze hebben elkaar
gevonden in communeachtige herstellingsoorden als de Himmelhof bij Wenen of het veel bekendere Monte Verità bij het Zwitserse stadje Ancona, en zijn in essentie
Duits.
![]() |
| Henri van Oedenkoven (links) dansend met volgelingen op de Monte Verità |
Vanwaar Duitsland?
In wezen was dit een land dat het oeroude
paganisme nooit geheel had losgelaten. Meer dan andere volkeren bleven de
Duitsers hangen aan hun heidense afkomst, een gevoelen dat door niemand zo
systematisch en succesvol uitgebuit was als door Richard Wagner.
Maar al ruim vijf eeuwen eerder had Meister
Eckhart (ca. 1260 - ca. 1328) de Teutoonse mystiek tegenover die der Christenen
gesteld.
In de Middeleeuwen waren er groepen Adamieten geweest, ook in de Lage Landen
trouwens: broeders en zusters van de vrije geest, die naakt bijeenkwamen in
grotten om de wedergeboorte van de paradijselijke onschuld op te roepen.
In 1796 gebruikte Christoph Wilhelm
Hufeland uit Weimar als eerste het woord macrobiotiek.
Zijn theorieën over frisse lucht, zonnebaden, reinheid, een uitgekiend dieet en
meditatie doen verbluffend modern aan. Goethe wees op de klimaatveranderingen
die de mens met zijn onnatuurlijke ontbossing veroorzaakt zou hebben en pleitte
voor een terugkeer naar het eenvoudige natuurleven. Kortom: nog steeds niets
nieuws onder de zon.
In de zestiger jaren van de 19e eeuw
publiceerde Eduard Baltzer een vierdelig werk over natürliche Lebensweise. Hij wist wat vegetariërs om zich heen te
organiseren en stichtte een vrije religieuze gemeenschap. Hij was van grote
invloed op een jonge schilder genaamd Karl Wilhelm Diefenbach, waarover later
meer.
In 1883 publiceerde de Leipziger Louis Kuhne
een boek over alternatieve geneeswijzen. Met dit werk legde hij de basis voor
wat later bekend zou worden als naturopathie.
In 1896 opende Adolf Just zijn Kuranstalt Jungborn in de Harz. In zijn bestseller
Kehrt zur Natur zurück! (1895) sprak hij zich uit tegen lucht- en
waterverontreiniging, vleeseten, vivisectie, vaccinatie, koffie, alcohol, roken
en de gangbare middelbare schoolopleiding. Net als Kuhne was hij van grote
invloed op de ontwikkeling van Mahatma Gandhi’s denken.
In 1904 schreef Richard Ungewitter een
boek getiteld Die Nacktheit waarin,
naast nudisme uiteraard, ook weer gepleit werd voor abstinentie van vlees,
drank en tabak.
De symbolistische schilder Karl Wilhelm
Diefenbach (1851-1913) werd een apostel van de alternatieve levensstijl, naturisme
en vredesactivisme nadat hij, volgens eigen zeggen met uitsluitend
natuurmethoden was genezen van de tyfus. Met vrouw en kinderen trok hij in de
commune Humanitas, waar zijn vrouw in
1890 stierf. Omdat zijn leerstellingen in München niet op bijzonder veel
sympathie konden rekenen, trok hij weg uit de grote stad. Hij ontmoette de
jonge schilder Hugo Höppener, die door hem Fidus gedoopt werd. Getweeën maakten
ze het grote schaduwfries Per aspera ad
astra. Een schilderijententoonstelling in Wenen maakte hem in 1892 in één
slag beroemd, maar door malversaties van de leiding van de Oostenrijkse
Kunstvereniging raakte hij vervolgens al zijn doeken kwijt.
![]() |
| Fidus met zijn moeder. Interessant haar... |
Hij nam de benen naar Egypte, waar hij
enorme tempelcomplexen ontwierp, op papier slechts. Om zijn gestolen
schilderijen terug te krijgen keerde hij enige tijd later terug naar Wenen,
waar hij in 1897 op een idyllisch in de heuvels net buiten de stad gelegen
terrein zijn eigen gemeenschap voor godsdienst, wetenschap en kunst stichtte: De Himmelhof. Op een heldere dag had men
vanaf de bergweide een fraai uitzicht niet alleen over Wenen, maar ook over het
verder gelegen Bratislava.
Diefenbach verzamelde een kring van
vrienden, geestverwanten en jonge leerlingen om zich heen met wie hij in de Himmelhof een commune begon.
Onder hen bevonden zich de later beroemd
geworden schilder Franticek Kupka, de dierenactivist Magnus Schwantje, de reeds
eerder genoemde illustrator Fidus en de imposante Gusto Gräser, die zich
allengs zou ontwikkelen tot een allround natuurfilosoof. Over de laatste twee
later meer.
In zijn commune maakte Diefenbach grif
gebruik van zijn “voorrecht als goeroe”: hij hanteerde heel verschillende
leefregels voor zichzelf en voor de anderen: terwijl hij deed wat hij wilde en
met minstens twee vrouwen gelijktijdig een vaste, zogenaamd “open” relatie had,
eiste hij van zijn volgelingen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en kuisheid. De
lezer begrijpt wederom: alles is al eens geweest.
Al na twee jaar ging de
kunstenaarskolonie bankroet en Diefenbach vertrok naar Capri, waar hij locale artistieke
faam verwierf terwijl hij in Duitsland in de vergetelheid raakte. Hij behield
een zwakke gezondheid en stierf er in 1913 aan een darmverkleving.
De illustrator Fidus (1868-1949)
ontwikkelde zich tot een belangrijke en baanbrekende psychedelische kunstenaar,
vijftig jaar voordat de hippiebeweging in de rockmuziek met dergelijke
iconografie op de proppen kwam voor haar platenhoesontwerpen.
![]() |
| Een vignet van Fidus |
![]() |
| gustaf nagel (hij haatte hoofdletters), één der passanten op Monte Verità |
De
kolonie was aanvankelijk gegrondvest op eenvoudige, socialistische principes,
maar ontwikkelde zich allengs tot een open kuuroord met zonne- en waterbaden,
vegetarisme en onthouding. De kolonisten waren wars van privé-bezit, waren
strikt vegetarisch (meestal zelfs veganistisch van de “raw-food”-variant) en
waren overtuigde naturisten. Ze waren strenge moralisten en wezen ieder vorm
van conventie, zij het in huwelijk, kleding, politiek of godsdienst radicaal
af.
![]() |
| Gusto Gräser in Berlijn |
Gusto Gräser was een grote, krachtige
man met een sterke, charismatische uitstraling. Op een foto genomen in Berlijn
steekt hij minstens een kop uit boven alle andere mannen. Hij werd een goede
vriend en leraar van de Zwitserse schrijver Hermann Hesse, wiens verslag “In
den Felsen” (1908) het leven beschreef dat Gräser nastreefde: slapend in
grotten in de Zwitserse Alpen, mediterend, soms dagenlang vastend. In
“Siddhartha” (1922) herkent men duidelijk de verhouding tussen de leerling
Hesse en de goeroe Gräser.
Tot na de Tweede Wereldoorlog zou hij,
zijn principes getrouw, de vrede blijven prediken, bijna zo lang dat hij de
eerste moderne hippies had kunnen aanschouwen: toen hij stierf, reed Jack
Kerouac met Neal Cassady naar de Westcoast van de Verenigde Staten, op zoek
naar de in Big Sur bivakkerende, Amerikaanse Naturmenschen.
dinsdag 30 oktober 2012
Hedy Lamarr en frequency-hopping
Hedy Lamarr (1914-2000) was geboren in Wenen als Hedwig Eva
Maria Kiesler, de dochter van de Oostenrijkse bankdirecteur Emil Kiesler en de
Hongaarse pianiste Gertrud Lichtwitz. Nadat ze op haar zestiende de school verliet, ging ze naar
de beroemde acteerschool van Max Reinhardt in Berlijn. In 1933 speelde ze in de Tsjechische film Extase, die ogenblikkelijk beroering
bracht in het toch al opgewonden culturele wereldje van het Interbellum. De
jonge hoofdrolspeelster verscheen, als eerste vrouw in de filmgeschiedenis,
volledig naakt in een flink deel van de film. Na een zwempartij van tien
minuten en een schier eindeloos naakt door de bossen en heuvelen achter haar paard
aanrennen, beeldde ze verderop in de film nog een orale seksscène uit, inclusief orgasme. Vanzelfsprekend was ook dat weer een primeur in de filmgeschiedenis. In haar later
geschreven autobiografie liet Hedy Lamarr min of meer in het midden of deze scène gesimuleerd
was of niet. Het orgasme, zo stelde ze, was bereikt met “method acting reality”. Hoe dubbelzinnig kun je zijn? Ze voegde daar nog aan toe dat ze tijdens de opnamen de
juiste passie in haar gezichtsuitdrukking had verkregen doordat de regisseur haar op
strategische momenten met een speld in haar billen had geprikt. Hoe het ook zij, of deze scène nu echt was of gesimuleerd, het
schandaal was er en heel Europa had het erover.
Het privéleven van Hedy was interessant. Al heel jong
trouwde ze met de dertien jaar oudere prominente fascist en wapenhandelaar Fritz
Mandl en als trophy-wife werd ze door
haar man meegetroond naar bijeenkomsten, bals en onderhandelingen. In die
hoedanigheid ontmoette ze Hitler en Mussolini. Ze was een intelligente vrouw en
stak en passant het een en ander op over wapensystemen, iets dat haar later nog
van pas zou komen.
Mandl was een buitengewoon jaloerse en bezitterige echtgenoot en Hedy kon geen
stap zetten zonder dat hij op de hoogte was van haar doen en laten.
Hij beijverde zich om alle copieën van Extase op te kopen en te vernietigen. De druk die hij haar dagelijks oplegde werd Hedy al snel te groot. Tijdens een feest drogeerde ze haar kamermeisje, trok haar uniform aan en wist na een spannende achtervolging, omhangen met al haar
juwelen, te ontsnappen naar Parijs, alwaar ze een echtscheiding aanvroeg en verkreeg.
In
Londen tekende ze al snel een contract bij filmmaatschappij MGM. Toen ze in Hollywood was
aangekomen werd haar naam door Louis B. Mayer veranderd in Hedy
Lamarr. Ze werd gebracht als de nieuwe Greta Garbo. In de veertiger jaren maakte ze een
kleine twintig films met sterren als Charles Boyer, Clark Gable, Spencer Tracy,
en Victor Mature als tegenspelers. Telkens weer speelde zij de rol van de exotische, fatale
verleidster. Ze werd de mooiste vrouw van de wereld genoemd.Gedurende de oorlog leerde ze de componist George Antheil kennen, die in Hollywood haar buurman was. Deze veelzijdige componist, die met zijn compromisloze mechanische muziek en excentriek gedrag eveneens wereldwijde schandalen had veroorzaakt, had haar belangstelling gewekt door een geheel ander aspect van zijn productie. Op grond van zijn onwaarschijnlijke boek Every man his own detective, een verhandeling over de endocrinologie als gereedschap in de criminologie, meende Hedy dat hij een specialist was die haar met haar eigen, persoonlijke probleem zou kunnen helpen. Ze vond namelijk dat haar borsten te klein waren en hoopte dat Antheil ze door middel van een hormoonbehandeling zou kunnen vergroten.
Maar tijdens de gesprekken bleek al gauw dat ze nog een andere gedeelde belangstelling hadden, één die veel urgenter was in de dramatische tijd waarin ze leefden. De Tweede Wereldoorlog en de bestrijding van de door hen beiden verafschuwde Adolf Hitler.
In de twintiger jaren reeds had Antheil geëxperimenteerd met systemen voor de automatische bediening van muziekmachines, bijvoorbeeld in zijn Ballet Méchanique, waar zestien pianola’s simultaan moesten draaien. Op basis van die vroegere muziektechnische experimenten ontwikkelden ze in 1941 samen een geheim communicatiesysteem voor torpedo’s, dat in 1942 gepatenteerd werd. Deze eerste versie van het zogenaamde frequency hopping (in lelijk Nederlands: frequentieverspringing) maakte gebruik van een pianorol om tussen 88 verschillende frequenties heen en weer te springen en het zo de vijand heel moeilijk te maken om te knoeien met de radiobestuurde torpedo’s.
Pas in 1962, toen het patent al een paar jaar verlopen was, maakte de Amerikaanse marine tijdens de Cuba-crisis voor het eerst (en met succes) gebruik van een methode gebaseerd op dit patent.
Nog weer veel later stond het frequency-hopping van Hedy en George aan de basis van de moderne spread-spectrum communicatie-technologie,
zoals die door onder andere Bluetooth toegepast wordt in Wifi netwerken.
In haar lange, lange latere leven werd Hedy Lamarr steeds meer een zonderlinge, ietwat tragische kluizenares. Na zes keer getrouwd te zijn
geweest, hield ze dat in 1965 verder maar voor gezien. Ze werd een paar keer opgepakt wegens winkeldiefstallen,
maar wist één en ander telkens te sussen. Wanneer er maar de geringste
aanleiding toe was, begon ze rechtszaken. Zo eiste ze tien miljoen dollar
schadevergoeding van Mel Brooks vanwege het gebruik van haar naam in Blazing Saddles. Dit werd buiten de
rechtbank geschikt voor een onbekend gebleven bedrag.Pas tegen het eind van haar leven werd ze erkend als uitvindster. In 1997 ontvingen zij en de reeds in 1959 overleden George Antheil de Electronic Frontier Foundation (EFF) Pioneer Award. In datzelfde jaar werd Hedy Lamarr de eerste vrouw die de BULBIE Gnass Spirit of Achievement Award ontving, een prestigieuze prijs die bekend staat als de Oscar voor uitvinders.
Hedy Lamarr stierf in 2000, 86 jaar oud.
Abonneren op:
Posts (Atom)




























