Posts tonen met het label Reizen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Reizen. Alle posts tonen

woensdag 8 oktober 2025

Mooi Land

Gedurende ons kleine weekje in Kleve leek, na een bedevaart naar het Museum B. C. Koekkoek-Haus, vervolgens een bezoek aan het Museum Kurhaus Kleve onvermijdelijk, hoezeer ik ook opzag tegen mijn hernieuwde kennismaking met de naargeestige esthetiek van Joseph Beuys. Groter contrast dan met Koekkoek is toch welhaast niet denkbaar? Toen bleek dat dit museum voor enige tijd gesloten was, kon ik een zekere opluchting niet onderdrukken. Het voelde als een soort ontsnapping. Maar wat dan verder te doen in de nogal steriele en door de oorlog zwaar verzoetermeerde stadjes in de omgeving? We hadden weinig zin om naar het Romeinse park in Xanten te gaan en Goch was zo grauw en zielloos als het huidige kabinet. Uiteindelijk stelde Jenet voor om naar Museum Schloss Moyland in Bedburg-Hau te gaan: een kasteeltje in neo-gotische stijl met een fraaie tuinaanleg, tussen Kleve en Kalkar gelegen.

Jan de Beijer - Schloss Moyland 1746
Jan de Beijer - Schloss Moyland 1746
Achteloos stemde ik meteen toe, niet beseffende dat dat kasteel beschikt over de grootste Beuyscollectie van Duitsland! Ai, van de regen in de drop.
Enig speurwerk op het internet leert ons: rond 1350 liet ridder Roland Hagedorn een kasteel bouwen dat op zijn Nederlands Mooi Land ging heten. Tussen 1854 en 1860 werd het gebouw door de Keulse domarchitect Ernst Friedrich Zwirner gerenoveerd in neogotische stijl, met een spectaculair interieur dat aan ons eigen kasteel De Haar deed denken.

Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog, met de intocht van de geallieerden op 25 februari 1945 nam veldmaarschalk Montgomery het gebouw in gebruik als stafkwartier. Churchill bezocht het gebouw. Tot zover was er niets aan de hand. Na de aftocht van Montgomery echter besloten de Canadese soldaten het gebouw volledig te gaan plunderen en strippen. In 1956 kwam daar nog eens een brand overheen, zodat er nu van het oorspronkelijke kasteel nog slechts de buitenkant is overgebleven en een kale en onaantrekkelijke, volmaakt onpersoonlijk witgekalkte binnenkant, voor niets anders meer geschikt dan als tentoonstellingsruimte.
Wat je meteen proeft aan Beuys is dat hij permanent een historisch noodlot met zich lijkt mee te torsen: ‘Hier ben ik. Mij is voorgoed de schoonheid ontnomen door dit schuldige tijdperk.’ Het lelijke op aarde is kernonderdeel geworden van zijn door de oorlog en de erop volgende koude oorlog gevormde bittere, industriële esthetiek. In dat opzicht is hij een van vele Duitse tijdgenoten: Anselm Kiefer, Arnulf Rainer, A. R. Penck, Markus Lüpertz en Georg Baselitz. Onomstreden is hij beslist niet en er zijn er die niets positiefs willen horen 
over de man die tijdens de Tweede Wereldoorlog als vrijwilliger in het leger ging.

Net als de mede tentoongestelde Marina Abramović was Beuys een mens van installaties en van performance. Als je door het aan hem gewijde museum rondloopt kun je je op een bepaald moment gaan afvragen wat hij nu eigenlijk aan echte objecten heeft gemaakt. Ja veel slordige schetsen op achteloos afgescheurd pakpapier, een sleetje met vilt en vet, wat stukken wrakhout, maar de objecten wekten de indruk vooral a propos te zijn, een bijgerecht bij het hoofdwerk: zijn performances. Video’s waarin hij op een stoel zit en iets ontregelds doet, bijvoorbeeld in een kleine ruimte aan een dode haas zijn oudere schilderijen uitleggen, foto’s van hemzelf omringd door leerlingen, steeds weer in rokerig debat. Het debat trok hem - hij was ook één der medeoprichters van de politieke partij Die Grünen. 

Wie man dem toten Hasen die Bilder erklärt, 1965
Naarmate we in dat rare kasteeltje dieper doordrongen in Beuys’ wereld, viel ons allengs steeds meer op hoezeer de Chinese kunstenaar Ai Weiwei door hem geïnspireerd moest zijn. De Chinees ontkent dat zelf met de flauwe smoes: ‘Ik zat toen in New York, ik was niet van Beuys op de hoogte.’ Wat een kokette kletskoek: ik zat in die tijd in Amsterdam-Oudwest en was wel van hem op de hoogte!
Het is natuurlijk niet voor het eerst en het zal zeker niet voor het laatst zijn dat bij de appreciatie van kunstuitingen het persoonlijke verleden van de kunstenaar in aanmerking genomen moet worden (zojuist nog de zangeres Bente, die op school gepest werd zodat haar irritante liedjes schijnbaar op een geheel andere, meer eerbiedige manier beluisterd moeten worden), maar kunstenaars als Beuys of Ai Weiwei gaan wel heel erg nadrukkelijk in beeld staan, omdat ze zelf het begin en het einde van de kunstuiting zijn. Dat ontkennen ze natuurlijk, maar ik althans zie niet hoe ik om hun dominante aanwezigheid heen kan kijken. Ik vind het eigenlijk allemaal pretentieuze fopperij. Meestal is mijn reisgenote het oneens met mijn ongenuanceerd klinkende, maar uit een consistent engagement voortkomende kritiek, maar ditmaal hoorde ik weifelend instemmende geluiden.

Naar buiten dan maar. Het park rond het kasteel, dat weinig of niets wilde bewijzen, was ons veel aangenamer, met kruiden- en wilde bloementuin. De bloemen hadden natuurlijk wel hun hoogseizoen achter de rug, maar in het lekkere nazomerzonnetje, met prachtige lichtinvallen was het er niettemin goed toeven, ook al was de beeldhouwer van dienst in het park een wel heel opvallende navolger van Richard Minne.

donderdag 2 oktober 2025

Koekkoek in Kleve

Vroeger, toen ik nog heel jong was, was hedendaagse beeldende kunst een gebeurtenis die me vele avonden aan de buis kon kluisteren. Ik was 21 en volgde bij de Hessischer Rundfunk de 6e Documenta in Kassel ademloos. Ik vernam later dat deze editie van de befaamde kunstmanifestatie beschouwd werd als een armoedige, slappe vertoning, maar ik meldde me avond aan avond, bepaald een andere persoon dan ik nu ben. De Koreaan Nam June Paik was er met zijn installaties van televisieschermen, de Amerikaan Walter De Maria liet een kilometer diepe put slaan in het Friedrichsplatz Park van Kassel (The Vertical Earth Kilometer), maar het meest bevreemdende waren de sporen die de broodmagere Krefelder Joseph Beuys links en rechts uitstrooide. Gekleed in een mouwloze safarijas, met altijd een vilten hoed op zijn doodshoofdachtige kop, liet hij me achter in grote verwarring: hier gebeurde iets, maar wat? Ik was gefascineerd. 

Mijn belangstelling voor dit soort uitingen was al lang over toen ik rond mijn vijfendertigste voor mezelf en de buitenwereld definitief had toegegeven dat mijn favoriete beeldende kunst die was van voor pakweg 1650 en als het dan toch per se moderner moest zijn, dat mijn favoriete schilder uit de negentiende eeuw de romantische Zeeuwse landschapsschilder Barend Cornelis Koekkoek was (Middelburg, 1803 - Kleve, 1862). Ik ontdekte pas veel later dat ik niet de enige was met een dergelijke, burgerlijke smaak: de robuuste hoogleraar Maarten van Rossem bleek een vergelijkbare voorkeur te hebben, al is hij in andere opzichten vaak toch nog een beetje te modernistisch naar mijn smaak. Gezien de tsunami aan onzin die de hedendaagse kunstmarkt over ons heen uitstort, ben ik assertief genoeg om me niet langer voor mijn “wansmaak” te schamen en Van Rossem al helemaal, zo heeft hij in zijn reisprogramma’s herhaaldelijk en overduidelijk laten blijken.
Deze twee extremen, Beuys en Koekkoek, komen tezamen in Kleve, het Duitse stadje net over de grens waar de beide kunstenaars zich anderhalve eeuw na elkaar gevestigd hadden en waar hun woningen en ateliers sedertdien omgebouwd waren tot musea: het Museum B. C. Koekkoek-Haus en het Museum Kurhaus Kleve.

Zo was Kleve voor mij al jaren een voorbestemd reisdoel, maar steeds kwam er iets tussen. Ook nu was het nog op het nippertje: pas vier dagen voor onze aankomst was het Koekkoekmuseum na een lange periode van verbouwing weer voor het publiek geopend en in deze eerste week mochten we zelfs gratis naar binnen. Dat hadden we allemaal niet geweten. Geluk gehad: net zo gemakkelijk zouden we voor gesloten deuren hebben kunnen komen te staan. En dat zou jammer geweest zijn want voor het stadje zelf hoeft men er niet heen te gaan.
In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog waren de geallieerden ietwat baldadig geworden en geregeld gebeurde het dat een Duits stadje door de druistige jongemannen zomaar in de as gelegd werd, voor de lol als het ware. Met Kleve is dat gebeurd. Er waren weinig of geen militaire redenen voor de aanval, maar toch gebeurde het. Het lusthofje werd aldus teruggebracht tot sintels en wederopgebouwd tot iets zielloos, volledig aan kant geharkt en met heel veel utilitaire bouwkunst. De omgeving heeft nog wel hier en daar wat van haar charme behouden, maar als je de diverse landschappen in de omgeving van Kleve vergelijkt met de schilderijen van Koekkoek, besef je dat er ook zonder oorlogen onherroepelijk heel veel verloren gaat. Wat ooit een karrenpad was, is nu een busbaan, watermolens zijn grijze vierkante bouwsels geworden met een rode bliksemschicht erop geschilderd.
Maar goed. Het hotel serveerde een avondmaal van Matjes nach Hausfrauenart, duizenden kauwtje gleden in grote zwarte wolken grillig naar de zonsondergang toe en Barend Cornelis hing op loopafstand op ons te wachten in grote, krullerige, vergulde lijsten gevat. Klagen deden we dus niet.

Ik heb al eens geprobeerd om mijn fascinatie voor juist deze schilder te verklaren en zocht toen mijn toevlucht tot de vage term magisch-realisme. Natuurlijk is dat een raar begrip: het echte magisch-realisme kwam ongeveer een eeuw later pas, maar iets ervan blijf ik voelen als ik naar zijn werk kijk. Hij beeldt op romantische wijze een landschap af, bij voorkeur een bos- of een sneeuwgezicht, maar vervolgens stopt hij niet. Waar mindere schilders stoppen, schildert Koekkoek zelfverzekerd door, teneinde het natuurlijke landschap een extra diepte te geven. Zijn schilderijen zijn dan ook meer “af” dan die van zijn eeuwgenoten. Hij heeft dat onder meer gedaan met geraffineerd gebruik van licht en lichtinval. Het is fijn om mijn eerder oordeel nog maar een keer bevestigd te zien in Kleve, waar de meester hangt te midden van zijn tijdgenoten en navolgers, zodat je zelfs als leek kunt zien dat hij zeker een klasse beter dan de anderen. Ik vind hem vergelijkbaar met Salomon van Ruysdael. Overigens ben ik, na dit bezoek, nog steeds van mening dat de tweedekker die in het Teylersmuseum hangt zijn allerbeste werk is.


vrijdag 7 februari 2025

De Assen experience

Voor het eerste uitstapje na de rampzalig verlopen trip door de Ardennen en de Eifel die in het ziekenhuis geëindigd was, togen we naar het rustige en weinig ambitieuze Assen. We hadden kaartjes besteld voor een midweeks bezoek aan het Drents Museum en verder zouden we wel zien. Daar staken een paar boefjes een stokje voor. Museum dicht! Anderhalf uur voor de terugreis kwam het er alsnog van.

Een politieauto stond geparkeerd naast de ingang. Een complete, zeer vriendelijke Roemeense cameraploeg liep onderzoekend rond. Journalisten van RTV Drenthe en de NRC, een cameraploeg van het journaal, iedereen was er, die vrijdagmorgen. Om tien uur ging het Drents Museum weer open na de spectaculaire maar nogal plebejische kunstroof van een paar dagen ervoor. Een grote klas voornamelijk in het zwart geklede kinderen baande zich een weg door het ingenieuze gebouw als een horde gazellen op de vlucht, uiteindelijk met straffe hand bijeen gedreven door een strenge en ervaren leidsvrouw. Wij besloten meteen onze eigen weg te zoeken en de consternatie zoveel mogelijk te vermijden. Dat lukte maar zeer ten dele. Halverwege, op de vlucht voor de kinderen, werden we ontdekt door een dame van NRC op zoek naar human interest. Jenet zag haar gevoelens in de zaterdageditie verwoord. Ikzelf had me schielijk teruggetrokken.
Het Drents Museum, regionaal museum voor kunst, cultuur en geschiedenis, heeft besloten zijn collectie aan te bieden via een interactief circuit, waar animaties en geluidsbandjes de bezoeker bijstaan in hun speurtocht naar het wezen van Drenthe. Dit is hoe het museum deze experience getiteld Labyrinthia zelf aankondigt: “Dwaal door ons historische gebouwencomplex en beleef de museumcollectie op spectaculaire wijze. Hier komen de iconische verhalen van Drenthe tot leven op een unieke manier. In de vijftien zalen valt van alles te beleven voor alle leeftijden. In Labyrinthia mag je kijken met je handen, ruik je de verf van de Noordelijke Figuratieven en voel je aan scherven uit de tijd van de hunebedbouwers. Leer de technieken van de mammoetjagers, poseer met de sieraden van de Prinses van Zweeloo of dans op een boerenbruiloft in de 19de eeuw. In elke zaal stap je een totaal andere wereld binnen en sta je midden in het verhaal.” 

De lezer begrijpt, zoiets lieten we ons geen twee keer vertellen en terwijl ik gekleed in een kapokken boerenkiel als een razende de horlepiep aan het dansen was voelde ik mijn waardigheid wegvloeien als een ondiepe plas van tranen. Wanneer men in het museumwezen iets “voor alle leeftijden” noemt, bedoelt men “voor kinderen”. Nee, deze benadering werkte niet voor ons, waarna we ons nog nadrukkelijker buiten het verhaal plaatsten.

Foto: Siese Veenstra
Op zich is de titel Labyrithia goed gekozen want het complex van gebouwen waar alles tentoongesteld wordt is inderdaad een waar doolhof. Diverse voormalige ambts- en kloostergebouwen uit zes eeuwen, hier doorgebroken en elders juist dichtgemetseld, gemoderniseerd en van een serieuze nieuwbouw voorzien die zich grotendeels onder de grond bevond, zorgden ervoor dat ik op zeker moment niet honderd procent zeker was waar ik me bevond ten opzichte van de uitgang. In elke gang trof men kamertjes aan met een thema. We zagen in de zelfportrettenzaal een schilderij van Henk Helmantel dat niet zo mooi was als zijn befaamde stillevens. Verderop vonden we een zaal met twee prulletjes van Vincent van Gogh in een zee van lichtgevende korenaren. Eén zaal was gevuld met veenlijken en -offers. Ook konden we met een speer een mammoet doden en in een scheepje door de afgegraven turfgebieden dobberen.

De nadruk leek voor een aanzienlijk deel te liggen op de negentiende eeuw en als zodanig ervoer ik het museum bijna als een voortzetting van het gevangenismuseum te Veenhuizen dat we de dag tevoren hadden bezocht. Ook hier moesten we weer een soort experience ondergaan, in plaats van een tentoonstelling, en ook hier heerste weer de educatief bedoelde anekdotiek die de collectie begrijpelijk moest maken voor Generatie Z. Bekende Nederlanders vertelden over hun ongelukkige voorouders die ooit gast waren in deze Kolonie van Weldadigheid. We volgden vier hedendaagse veroordeelden van hun arrestatie tot hun reclassering (of in één geval hun zelfmoord), we mochten ervaren hoe zwaar een blok aan het been of de boeien om de polsen waren en passeerden slapende gevangenen van paspopmateriaal in hun ongemakkelijk ogende slaapzakken. Het was uitermate rustig in het gebouw.

Het complex is gevestigd in wat ooit, in tijden voor klimaatverwarming Drents Siberië genoemd werd en de omgeving deed bepaald koud en eenzaam aan. Het leek het eind van de wereld. Als we iets verder waren doorgereden waren we gegarandeerd van de Aarde afgerold, met auto en al. Om een beetje warmte terug te vinden, nuttigden we de avondmaaltijd in een Portugees restaurant, waar aan een tafeltje naast me een evenbeeld zat van Ger, een veel te vroeg overleden vriend.

vrijdag 16 september 2022

Een beetje Heine achterna

Marktplatz, Goslar
Een van de dingen die je doet als je in de Harz bent, is Heinrich Heine’s Harzreise herlezen en de plaatsen bezoeken die hij vermeldt. Dat is ons maar ten dele gelukt. Mede door de droogte.

Het korte reisverslag van Heine uit 1824 zit vol met studentikoze blague en spotternij. Als een ware iconoclast maakt hij korte metten met de haast heilig verklaarde hoogwaardigheidsbekleders van zijn land. Keizer en kerk krijgen veeg na veeg uit de pan: “die Standbilder deutscher Kaiser, räucherig schwarz und zum Teil vergoldet, in der einen Hand das Scepter, in der andern die Weltkugel; sehen aus wie gebratene Universitätspedelle.” Slechts de eerlijke, arme landslieden, mijnwerkers en arbeiders komen er goed vanaf. Ook zichzelf belangrijk vindende stadjes moeten het ontgelden. Over Goslar schijft hij: “Der Name Goslar klingt so erfreulich, und es knüpfen sich daran so viele uralte Kaisererinnerungen, daß ich eine imposante, stattliche Stadt erwartete. Aber so geht es, wenn man die Berühmten in der Nähe besieht! Ich fand ein Nest mit meistens schmalen, labyrinthisch krummen Straßen, allwo mittendurch ein kleines Wasser, wahrscheinlich die Gose, fließt, verfallen und dumpfig, und ein Pflaster, so holprig wie Berliner Hexameter.” Wat Heine precies bedoelt met die Berlijnse hexameters, daarover zijn de tekstbezorgers het niet met elkaar eens, maar niettemin werkt het komische beeld uitstekend!
Heine smaalt verder: het eten is meestal slecht, de herbergkamers vuil en vol ongedierte, soms is hij blij verrast als een tafelgenoot een tijdje zijn bek weet te houden. Nee, zachtzinnig is Duitslands meest controversiële romantische dichter bepaald niet. Alleen in zijn lange verzen die het verslag doorspekken kan Heine met vele tedere verkleinwoordjes een zachte, ja sentimentele indruk maken.
 

Jugendstil (foto Raymond Faure)
Het Goslar dat wij aantroffen was niet meer zo doorkruist door smalle steegjes. Er was ruimte in de stad ontstaan, zonder dat de Tweede Wereldoorlog erg veel schade had aangericht. Bij een vergelijkbare stad als Halberstadt kan men de invloed van de oorlog en vervolgens ruim vijfendertig jaar communistische wederopbouw bespeuren door een zakelijke maar matte nieuwbouw.Wat je wel veel aantreft in Goslar is laat negentiende-eeuwse nieuwbouw: een geheimzinnige mengeling van Saksische vakwerkbouw en een soort sentimentele Jugendstil. Mooi, maar wel een beetje mal. 

Natuurlijk wilden we vervolgens ook de Brocken beklimmen, met ruim 1100 meter de hoogste top in het Harzgebergte en ook het hoogtepunt van Heine’s wandeltocht, maar door de aanhoudende droogte was die een prooi geworden van een hardnekkige bosbrand. De hele dag door berichtte de NDR radio over de blusacties en de verkeersinformatie verklaarde de berg en omgeving tot verboden gebied. Boven Goslar zagen we de hoekige, gele blusvliegtuigjes langs scheren.

Meer in het oosten, voorbij de historische grens tussen Bondsrepubliek en DDR ligt Halberstadt. Zo ongeschonden als Goslar door de Tweede Wereldoorlog is heen gekomen, zo zwaar heeft Halberstadt het moeten ontgelden. In 1944 en 1945 heeft de stad tien luchtaanvallen doorstaan van de 8th US Air Force. Een tapijtbombardement met bijna 600 ton aan springtuig op 8 april 1945, ter voorbereiding van de intocht der Amerikaanse grondtroepen legde de historische binnenstad voor 82% in puin. In totaal hebben de tien bombardementen tussen de 2000 en 3000 mensenlevens gekost.

Martinikirche, Hochaltar
Wat nu Halberstadt genoemd wordt is dan ook een vreemde combinatie van middeleeuwse bouwstijlen en veel wederopbouw volgens de socialistische no-nonsens idealen van weleer. De mooiste kerk vonden wij de St. Martinikirche, gebouwd tussen 1250 en 1350. Deze en de twee andere grote kerken van de stad leden ook veel schade door de bombardementen, maar bleven wel overeind. De Martinikerk werd mede door inzamelingen in de 50er jaren onder leiding van de uit Halberstadt afkomstige architect Walter Bolze herbouwd. En goed!
Het oog wordt direct aangetrokken door een overdadig barok hoogaltaar, gebouwd in 1696 door Thiele Zimmermann, en een beroemd monumentaal orgel gebouwd door David Beck in 1592-1596. In tegenstelling tot andere Christlich Evangelische (dat wil zeggen: Lutherse) kerken in de buurt was deze niet helemaal dichtgeplamuurd tot er een kale wachtkamer ontstond, zoals gebeurd was in de 1000 jaar oude Liebfraukirche, waarvan alleen de Kruisgang iets van zijn ouderdom prijsgeeft. We dwaalden nog een tijdje over de oerlelijke pleinen van de stad en wilden ook nog even langs het Burchardi Kloster gaan, waar John Cage’s 639 jaar durende orgelstuk As Slow As Possible wordt uitgevoerd, maar helaas: op maandag gesloten. Eerst de Brocken, nu dit!

Quedlinburg
Niet vreselijk gedesillusioneerd trokken we vervolgens verder naar het iets zuidelijker gelegen stadje Quedlinburg, aan de voet van alweer het Harzgebergte. Vrij snel kwamen we erachter dat we hier in een zogenaamde tourist trap terechtgekomen waren. Straat na straat, steeg na steeg, plein na plein was in oorspronkelijke staat gebleven, vakwerkhuis na vakwerkhuis, zover de blik reikte. Groepen toeristen, al dan niet in koetsen of neptreinen doorkruisten het stadje en al vrij snel gingen we weer verder, een beetje verveeld zelfs. De Saksische vakwerkhuizen drukken wel heel erg hun stempel op het land. In eerste instantie waren we verrukt door de zeer typerende en gezellig ouderwetse aanblik, maar allengs raakten we een beetje beklemd door die kille deken van vrome naargeestigheid die de strenge, protestantse bouwwerkjes over de stad legden, hoe zonnig het ook mocht zijn, hoe blauw de lucht en hoe fris de bomen en struiken ook waren. Ik hoef in ieder geval een poosje geen Saksische oudheden meer te zien. Gelukkig zijn onze volgende reisdoelen Brugge, Knokke en Gent!