Posts tonen met het label In memoriam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label In memoriam. Alle posts tonen

zondag 5 augustus 2018

Frans Crabbendam (1956-2018)



Het kon gebeuren dat op een doodgewone woensdagavond de telefoon ging. Frans’ vrolijke, ietwat nasale, klaterende stem weerklonk.
‘Maestro, heb jij wat te doen, de komende dagen?’
‘Niets bijzonders.’ We spreken over de tachtiger jaren. In die tijd was ik, zeer tot mijn genoegen, langdurig werkloos.
‘Nou, het zit namelijk zo: ik heb mijn auto weer ingeruild voor een nieuwe en wilde hem een beetje uitproberen. Effe voelen hoe de koppeling zich gedraagt, even honderdtachtig op de Autobahn, een pittig bergje op, je weet wel.’
Ik moest dan lachen. Ik wist zeker wel, het was namelijk bepaald niet de eerste keer. ‘Ik heb er zin in, maestro.’ Frans schatergrinnikte zoals alleen een volledig opgeruimd mens kan schateren en grinniken tegelijk en zei: ‘Prima, dottore. Zeg maar waar we heen gaan. Ik heb tien dagen.’
En dan reden we de volgende dag rond zes uur ‘s ochtends Amsterdam uit om dertien uur later in Tremezzo achter de pasta alle vongole te zitten. In de schemering, aan het Comomeer, pal tegenover de onwaarschijnlijke sprookjesstad Bellagio.

Ik leerde Frans kennen in 1968. Op de eerste dag van mijn middelbare schoolcarrière werd me een plaats toegewezen op het tweede bankje rechts en naast me kwam een rossige jongen te zitten die vreselijk worstelde met de baard in de keel. Hij piepte. Ik was zo ongeveer de enige in de klas die hem daar niet mee pestte, dus een vriendschap was gesmeed. Het bleek dat we een paar interesses deelden: schaken, rare popmuziek. En Italië. Italië in het bijzonder. Hoewel hij een jongen was van Amsterdam-West, en er hoegenaamd niets exotisch aan hem, noch zijn vader te ontdekken viel, was de geschiedenis van de familie diep vervlochten met dat land. Zijn vader had de eerste twintig jaar van zijn leven in Noord-Italië doorgebracht, Tante Jopie had een hotel in Donato en Frans begaf zich door Italië alsof hij er woonde.

In heel veel opzichten verschilden Frans en ik enorm, zodat de rest van mijn vriendenkring maar niet begreep waarom ik toch steeds met hem bleef optrekken. De waarheid was dat Frans me normaal hield. Hij was de gezonde nuchterheid zelve in een tijd waar je middelbare-schoolstatus voor een flink deel bepaald werd door de lengte van je haar en de buitenissigheid van je hippielaarzen. Ik deed volop mee, rookte braaf hasj en dronk braaf zoete witte wijn en Martini vermout, maar Frans moest van al die onzin niets hebben en bij hem schaakten we, of we speelden tafeltennis op een minuscuul eettafeltje, met vier rechtop gezette boeken als netje. Hij draaide van de radio opgenomen muziek op zijn krakkemikkige taperecorder. Het soort schaak dat we speelden was van een afgrondelijk niveau, wat met name voor hem een schande was, want zowel zijn vader als diens broer hadden in de decennia ervoor tot de Nederlandse subtop gehoord. Vader Crabbendam kwam wel eens de kamer in en zag dan ons geknoei hoofdschuddend aan.

In de periode tussen 1978 en 1993 maakten we zeker twintig vakantiereisjes samen, naar Engeland, Denemarken, Duitsland, België, Frankrijk en Zwitserland. Maar vooral naar Italië. Ik ben de tel kwijtgeraakt maar in wat toch waarschijnlijk wel een dozijn reizen moet zijn geweest, hebben we geheel Noord-Italië bezocht, stadje voor stadje. Overal melig en barok commentaar leverend, voelden we ons in de schemering van Cremona, de slaap van Mantova, de schittering van Milaan of de bonkige middeleeuwsheid van Volterra evenzo thuis als in de druistige nervositeit van Florence, dat toen nog niet autoluw was, of de intimiderende drakenlandschappen van de Dolomieten. Al die jaren was er maar één plaats die ons tegen was gaan staan en dat was Turijn, vooral waarschijnlijk omdat daar de auto opengebroken was en mijn gettoblaster ontvreemd. Trouwe lezers van mijn blog zijn Frans al een paar keer tegengekomen: in dit deels fictieve verhaal, of hier bijvoorbeeld, compleet met zijn internationale familie. Maar hij reisde ook in andere verslagen van Italiëreisjes stilletjes en op de achtergrond mee.

Frans was een gokker. Een reisje was niet compleet als er niet een casino of twee bezocht konden worden. In zijn achterbak had hij altijd een net overhemd en een stropdas liggen, zijn werkkleding. Ikzelf was niet zo op dat gokken (ik had chronisch te weinig geld, maar was ook meer van het pokeren, een behendigheidsspel immers), maar de casino’s van Baden Baden of Campione heb ik wel van binnen gezien. In Salzburg scheidden onze wegen kortstondig: terwijl ik het Mozarthuis en de rococo binnenstad bezocht, toog Frans naar het plaatselijke casino. Vier uur later hadden we rendez-vous bij de auto. ‘Zo,’ zei Frans handenwrijvend, ‘dat waren een paar goed bestede uurtjes: ik heb m’n hele vakantie eruit, en zelfs nog wat extra! Vijftienhonderd guldentjes gewonnen!’ Een scherpe steek van jaloezie ging dwars door me heen, tot hij vervolgde: ‘Ik denk dat ik nu voor het lopende boekjaar weer onder de tienduizend verlies ben gezakt!’ Later ging hij op de beurs speculeren en nog later zat hij nachten lang online te pokeren. Ik snapte daar niets van en snap er nog steeds niet veel van. Misschien wilde Frans, griffier bij het Paleis van Justitie, diep in zijn hart wel helemaal niet zo verstandig, nuchter en normaal zijn!

Onze reisjes hielden op in het begin van de negentiger jaren. We kregen beiden relaties en uiteindelijk ook allebei een kind. Frans bleef wel een fanatiek reiziger. Met zijn vrouw Simone, die hij in Nepal ontmoet had, en zijn dochter Linda heeft hij heel Azië en de Verenigde Staten afgereisd. Las Vegas was een favoriet reisdoel, maar ook Hong Kong of Singapore. Nog in maart van dit jaar poseerde hij maar weer eens met de Mount Everest op de achtergrond.

Ik heb hem voor het laatst gezien in mei. Hij was broodmager geworden, maar er was niets aan de hand, vertelde hij. ‘De dokter heeft niets kunnen vinden, dus is het afvallen een soort bonus, zullen we maar zeggen.’ Stomme, argeloze kloot die ik nu eenmaal ben, accepteerde ik dit kletsverhaaltje zonder meer. Of Frans echt dacht dat er niets aan de hand was, weet ik niet, maar ikzelf had me veel meer zorgen moeten maken. Op 17 juli is hij na een kort ziekbed aan een acuut alvleesklierfalen bezweken. Voor iedereen toch nog volkomen onverwacht. Het heeft bijna drie weken geduurd voordat ik iets over hem heb kunnen schrijven. Ook al liepen we de laatste jaren elkaars deur niet meer plat, ik mis mijn reismakkertje heel erg. Het is moeilijk me het leven voor te stellen zonder zijn opgewekte stem. Mensen als Fransje gaan niet dood, dat hoort niet!

donderdag 1 februari 2018

Menno Wigman (1966-2018)



In de tweede helft van de jaren tachtig hadden Jan-Paul en ik een cultureel tijdschriftje, getiteld Faun. Programmatisch wilde het blad tegen de toen geldende tijdgeest ingaan, die van de post-krakerscultuur. We besteedden aandacht aan, nu ja, wat ons tweeën interesseerde: klassieke en romantisch-decadente cultuur, Italië, negentiende-eeuwse muziek. Het was een pretentieloos uitgevoerd dingetje, evenwel van binnen propvol met echte pretenties. Geproduceerd op de elektrische IBM van Edwin (waar je zelfs indien nodig ook cursief mee kon tikken!), vermenigvuldigd bij de Copyrette op de Weteringschans en verspreid op de fiets, bereikte het blad op het toppunt van zijn roem een oplage van wel vijftig of zestig exemplaren!

Het tweemaandelijkse tijdschrift werd aanvankelijk voornamelijk gevuld door ons tweeën, niet omdat we vonden dat ons werk nu zo vreselijk belangrijk was, maar omdat er maar bar weinig andere mensen waren die ons hun bijdragen toestuurden. Dat werd iets beter nadat we met ons blaadje bij een VPRO-radioprogramma vanuit het Atheneum Nieuwscentrum tussen de andere blaadjes aanwezig waren geweest. Plotseling kwamen er nu en dan dikke enveloppes binnen met dichtwerk van zeer wisselende kwaliteit.

Eind 1986 ontvingen we de eerste bijdrage van een jonge, onbekende dichter die zich Menno Wichmann noemde. Het was een kort stuk over de decadente Franse schrijver Jean Lorrain, gevolgd door een vertaling van een kort verhaal van hem. We plaatsten het zonder een moment van twijfel: het viel binnen ons programma en Menno Wichmann kon duidelijk schrijven. We raakten in contact met de dichter en al gauw bleek dat hij net als wij een knipkaart van de Copyrette bezat. Hij gaf net als wij tijdschriftjes uit, en waar wij zowel het blad als de uitgeverij Faun noemden, had hij de zijne Nachtschade gemunt: we waren gelijkgestemde geesten. 

Ik ontving van hem een dik nummer van Nachtschade, van omslag naar omslag volgeschreven door Menno zelf, onder de meest kokette romantisch-decadente schuilnamen: Guillaume de Bazelaire, Friedrich Löwengarten, Arthur von Salis. De dood, de morbide dood, altijd de dood. Daarna ontvingen we een aantal vertalingen van poëzie van Baudelaire, die we als voorpublicatie van zijn in 1987 te verschijnen bundel in het april/mei-nummer van Faun plaatsten.

We organiseerden een Faun-soiree en, ietwat schuchter, ietwat schuw, was Menno ook aanwezig. We dronken wat, we rookten wat, we draaiden wat muziek. Jan-Paul en ik waren 31, hij 21. Hij was die wij geweest waren; hij vertederde mij. Een jaar later hielden we op met het tijdschrift. Ik bleef Menno’s carrière nauwgezet volgen. En met recht, want hij bezat wat Jan-Paul en ik in veel mindere mate bezaten: ambitie, zelfbewustzijn, energie. Oh, en talent. Vanaf zijn eerste bundel schreef hij heel precieze, zelfverzekerde regels, boordevol met vondsten. Ik benijdde hem dat talent en wilde dat ik zo kernachtig kon formuleren. In 1997 verscheen zijn eerste “echte” bundel, getiteld ’s Zomers stinken alle steden. Hij kwam op de tv, in de krant. Hij werd een bekende dichter, nog later werd hij een van onze grootste dichters. Toen hij op Facebook verscheen heb ik meteen het contact hersteld en we hebben nu en dan wat van gedachten gewisseld, vooral over Geerten Meijsing, voor ons beiden een held in de Nederlandse literatuur. Toen had hij al last van een “mysterieuze hartaandoening”, waarover hij dichtte in zijn laatste bundel, Slordig met geluk

De dood stond aan mijn autodeur te rukken
en ik schrok weerloos wakker in een witte zaal

Mij schreef hij dat, boven alles, die ziekte hem onzeker gemaakt had. In februari 2017 schreef hij ‘Ik ben bang dat het veel tijd zal kosten mijn zelfvertrouwen terug te vinden, het enige dat ik kan doen is afwachten’. Het heeft niet zo mogen zijn: vandaag staat in de kranten dat hij aan zijn hartziekte is overleden. Op de ellendige leeftijd van 51 jaar - te oud om jonggestorven te zijn, en verder veel te jong. 

Mijn bewondering voor de buitengewoon zorgvuldige en krachtige poëzie van meesterdichter Menno Wigman was enorm en oprecht. Als er weer eens in een vriendenkring oeverloos gediscussieerd werd over welke Nederlandse schrijver in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor de literatuur, zei ik altijd: ‘Op dit moment zou ik het niet zo weten, maar ik ben ervan overtuigd dat de enige die hem in de toekomst ooit zal toekomen Menno Wigman is, let op mijn woorden.’ Bij een dergelijke boude uitspraak van mij moet men altijd scherp opletten of ik ironisch ben of meen wat ik zeg. In dit geval was het wel duidelijk dat ik het werkelijk meende. Ik had het mis en ben verdrietig om het verlies.

zaterdag 8 oktober 2016

In memoriam: Jan-Kees van Langeveld (1950-2016)

Dat moet toch verdorie geen gewoonte worden: vorig jaar konden we via een whatsapp-groep op ons Griekse eiland Lesbos de ongelijke strijd volgen van een lieve vriendin die getroffen was door een aneurysma, dit jaar bereikte mij op een ander Grieks eiland, Ithaka, het bericht dat nog onverwacht snel Jan-Kees was overleden. Hij had al meer dan een jaar Micosis fungoides, een zeldzame vorm van huidkanker. Hij wantrouwde de dokter en pas op het allerlaatst had hij zich laten opnemen, veel te laat natuurlijk. Hij werd 66.

Ik leerde Jan-Kees in het begin van de tachtiger jaren kennen als collega bij een boekenveilingbedrijf en gedurende bijna vijftien jaar was ik heel dik met deze zeer eigengereide in Haarlem geboren Fries. Al gauw werd ik toegelaten tot zijn benedenwoninkje in de Hudsonstraat, een ware tijdcapsule, al was het nog niet eens zo makkelijk om vast te stellen wèlke tijd hier nu eigenlijk vastgelegd was. Was het de hippietijd van Height Ashbury 1967-1970, met gordijntjes, Boeddhabeeldjes en de gecompliceerde menggeur van wierook, patchouli en hasj? Of toch meer het Parijse fin-de-siècle van de decadentie, de Jugendstil, en dezelfde gecompliceerde menggeur van wierook, patchouli en hasj? Platenkasten vol muziek van Mountain, Hawkwind en de Grateful Dead stonden naast antieke eikenhouten boekenkasten met gekleurde glazen ruitjes, die vele eerste drukjes van Louis Couperus, Lodewijk van Deyssel en Ary Prins herbergden.

Maar net zo gemakkelijk knipte deze totaal autonome eclecticus doodgemoedereerd alle afleveringen uit van Dik Bruynesteyns Paroolstrip Appie Happie. Ooit miste hij één aflevering: de wereld was meteen te klein: ‘Dit is volstrekt onaanvaardbaar, Robje!' Ik was anderhalve kop groter dan hij. 'Hier gaan we onmíddellijk werk van maken!’. De zaak van het ontbrekende strookje was automatisch een principekwestie geworden en hij schreef een brandbrief naar de Paroolredactie. Het geval kwam Bruynesteyn zelf ter ore en in plaats van een kopietje van de gepubliceerde strip, stuurde hij een nieuwe, speciaal voor Jan-Kees getekende versie, die hij dolblij en apetrots toevoegde aan het plakboek. Zo breed en op ronduit schaamteloze manier uitsluitend aan zichzelf refererend was zijn smaak.

Jan-Kees was een van de interessantste mensen die ik gekend heb. Gecompliceerd ook. Zijn pretoogjes konden van het ene op het andere moment extreem argwanend worden, de vrolijke grijns op zijn kaken kon zomaar iets verbetens, iets teruggetrokkens en defensiefs krijgen. Hij had een venijnig soort humor (‘Mam, wat tracht je klaar te maken?’ 15 jaar oud) en een onweerstaanbare, terloopse bluf (‘Die blonde van Abba, je weet wel, die heb ik nog ‘s in m’n tent gehad, tijdens een midzomerfeest aan de Noordkaap, 1968.’).
Hoewel hij zes jaar ouder was dan ik waren we even oud en begrepen we elkaar bij tijd en wijle blindelings. Zonder hem zou de verhuizing naar Amsterdam-Oost, die mijn leven totaal veranderen zou, nooit gelukt zijn. Halfnaakt hing hij drie meter boven de diepte, hoog in een tegen de leuning van een trapgat vastgeklemde ladder met een klopboor te werken. Voor de verhuizing huurde hij een vrachtwagen die hij uit eigen portemonnee betaalde. Het kostte me soms maanden om hem zulk soort bedragen terug te mogen betalen (‘Nu niet, Robje. Ik heb een beetje haast. Laten we er volgende week effe naar kijken.’)

Samen reden we in de bedrijfsauto naar overal in Nederland om de bibliotheken van overleden verzamelaars op te halen en in de weekenden reden we in zijn metallic siena gespoten Toyota Celica Hatchback naar weer andere plaatsen in Nederland om onze eigen voorraden te verkopen op amateur-boekenmarktjes. Hij was een ongelofelijk handige prater en wist altijd de beste plekjes te krijgen, of voorspraak en heilige beloftes aan organisatoren te ontfutselen. Iedereen mocht hem ook. Een antiquaar uit het hoge noorden, een mede Diepfries, bracht een keer speciaal voor hem paling mee, die Jan-Kees vervolgens met een vies gezicht onder zijn collega's verdeelde. "Dat vullis vreet ik niet," mopperde de strenge vegetariër dan blijmoedig, ‘onvergeeflijk dat hij dat niet weet.’

Hij was een vegetariër, naaktloper, hasjroker, estheet, psychedelische rocker, filosoof, womanizer, voetbalkenner, cabaretier. Hij nam het begrip vriendschap bloedserieus en was tot in het absurde hulpvaardig. Al die jaren heeft hij mij van alles gegeven, boeken, prenten, LP’s, maar het is mij niet gelukt om hem ook maar één ding terug te geven. “Hou dat maar liever, Robje, jij hebt er meer aan dan ik”. Telefoneren met Jan-Kees was een zware opgave. Om te beginnen liet hij de telefoon rustig twintig, vijfentwintig keer overgaan, alvorens op te nemen. Had je hem dan aan de lijn, wist hij je anderhalf uur bezig te houden met een onstuitbare waterval van opinies, observaties, schijnbewegingen, grappen en dwaalwegen. Aan het eind van het gesprek was alles behandeld, behalve datgene waarover ik hem in eerste instantie gebeld had!

Langzaam maar zeker hield het op. Ik merkte het en het speet me, maar moest me er bij neerleggen. Wat kon ik anders dan mijn schouders ophalen? Mijn eigen leven met vrouw en baby ging immers ook door en als hij echt niet meer wilde, dan wilde hij niet. Ik was niet de enige, hoorde ik later, Jan-Kees weerde steeds meer mensen. Hij wilde niet dat iemand zich aan hem zouden hechten, hij zou toch gauw dood gaan (“Op m’n vijftigste maak ik er een eind aan, Robje. Wie wil er nu oud zijn?”)
Ik heb nadien nog geregeld geprobeerd hem terug te vinden via het internet, maar hij was voor mij in ieder geval totaal onvindbaar geworden. Dat klopt wel, schreef zijn zus Egbertien: ook het internet wantrouwde hij en hij verkoos zonder computer te leven.

Kan iemand Jan-Kees kennen? Bij al zijn schijnbaar vrolijke openhartigheid had hij zoveel verdedigingslinies, dat ik me nu achteraf realiseer dat ik eigenlijk bijna niets van hem afweet. Zijn inhalertjes bijvoorbeeld, zonder welke hij geen stap deed, was dat om iets heel anders te maskeren? Ik heb nooit geweten of hij het bij de hasj hield. Ik heb het hem nooit gevraagd en hij heeft het er nooit over gehad. En was zijn dochtertje nu wel of niet van hem? Mooie, dramatische verhalen vertelde hij er omheen, maar een duidelijk antwoord: nooit. En dan was ik nota bene ruim tien jaar zijn “beste vriend”.

Hoewel ik hem alweer zo lang jaar geleden voor het laatst gezien en gesproken heb, zal ik hem nu pas echt gaan missen.


(met dank aan Egbertien van Langeveld, van wie ook de foto’s afkomstig zijn)

(PS. Egbertien corrigeert me op een paar punten. Het geheugen is constant bezig zelf de witte stukjes op de landkaart in te vullen en soms kiest dat geheugen voor het gemak maar voor een cliché, misschien omdat het in dit geval zo'n voor de hand liggend, lekker kloppend hippie-cliché is: patchouli had Jan-Kees beslist nooit. Bleven over: hasj en wierook. En zeepjes. Hij had altijd allerlei lekkere zeepjes die hij overal in huis bewaarde. Wat ik "inhaler" noemde, was gewoon Vicks Spray. Volgens Egbertien zeker niet om duisterder zaken te maskeren of op te vangen, maar gewoon omdat hij het door een kromgegroeid neustussenschot vaak een beetje benauwd had.. RKE)


woensdag 18 maart 2015

Schaakmat (Paul Berkhoudt 1956-2015)

Een woeste, ongekamde bos vroeggrijs haar, een ruim bemeten kin, altijd en eeuwig vroeggrijs gestoppeld, een grote, licht getinte metalen bril en een paar ver naar voren uitstekende boventanden. Hij woonde in ruitjescolberts, de clubkampioen van onze schaakvereniging: Paul.

Hij had altijd iets smalends in zijn stem, ook als het over hemzelf ging. ‘Ja, jongens, en toen zag ik daar dat pionnetje staan, en ik vroeg me af wat er zou gebeuren als ik dat zou slaan.’ Dan keek hij op van het analysebord en vervolgde schaterlachend: ‘Nou, ik ben er achter gekomen! Dat was een hele drol om door te slikken. Als een kind ben ik van het bord gezet. Het was nog dramatischer dan een partij van Robbert Eksteen!’ Ik heette Robert, maar Paul sprak het consequent uit met twee b’s en ik keurde dat goed. Zo heet ik nu al decennia officieel: “Robbert, maar met één b”.

Ik had wel geschaakt vroeger, maar was midden tachtiger jaren met heel andere dingen bezig. Totdat de KRO een schaakmatch organiseerde tussen Jan Timman en Gary Kasparov. Dagelijks toog ik naar het schaak- en bridgecafé op de Kostverlorenkade en analyseerde daar die wonderbaarlijke toverschaakpartijen tot diep in de nacht met het andere halfbezopen kroegmeubilair. Nieuw schaken was dit, het schaken van de toekomst, een soort schaken dat mij terugwon. Ik wilde er weer deel van uitmaken.

Toen ik me als lidmaat in liet schrijven bij de lokale schaakclub DCG, was Paul er voorzitter. Dat was hij al jaren en dat zou hij waarschijnlijk ook nog jaren blijven. Zo’n club. Hij was Mr. DCG. Het eerste bord van het eerste tiental had bij wijze van spreken een plaquette met zijn naam erop in de rugleuning vastgeschroefd. Tijdens alcoholische post mortem analyses, of politieke, sociale en culturele discussies voerde hij, meestal omringd door vier of vijf lege bierflesjes en een tot de rand gevulde asbak, het hoogste woord (‘Wat, hou jij van Yes? Bah! Wat een castratenrock! Nee, geef mij maar David Bowie!’ En ik dan vervolgens natuurlijk: ‘Bowie? Die hoerige windhaan? Mag ik even een teiltje?’ Enzovoort. Heerlijke tijden.)

Paul was een beetje gemakzuchtig (of leed hij aan faalangst?). Zolang hij duidelijk de sterkste in de groep was, voelde hij zich op zijn best en had hij praats voor tien, maar hij werd nerveus als de tegenstand sterker werd. Nooit had hij de stap genomen van het regionale naar het landelijke schaakwereldje, hoewel hij daar zeker de capaciteiten voor had. Hij vond het wel prima zo bij DCG, de voortzetting van zijn huiskamer.

Enige jaren later sloeg op de vereniging de rampspoed toe. De combinatie van een overambitieuze geldschieter, een paar rebelse, woedend broedende leden, een nooit serieus genomen verenigingsstatuut en de onverenigbaarheid van karakters maakte dat de vereniging op spectaculaire wijze explodeerde. De kampen: aan de ene kant Paul en zijn opvolger als voorzitter Otto. Aan de andere kant de querulant George, en ikzelf, inmiddels Otto weer opgevolgd als neutrale voorzitter, maar in feite de stroman van de geldschieter, de jurist Peter, die gedurende de conflicten zelf grotendeels buiten schot bleef. Het liep hoog op. Beledigende brieven kruisten elkaar en iedereen raakte met iedereen gebrouilleerd (na een weifelende start (zie hier), waren dit meteen mijn tweede, derde en vierde brouillage! Dat tikt lekker aan.)

In een dergelijk conflict heeft niemand gelijk. Mijn eigen rol was geenszins heroïsch. Ik was zonder twijfel de zwakste voorzitter die de club ooit gehad heeft.

Het einde was spectaculair. DCG was, geholpen door ingehuurde grootmeesters, vanuit de zwartste dieptes van de regionale onderbond doorgepromoveerd naar de hoogste klasse van het Nederlandse schaak en zou een redelijke gooi kunnen doen naar het landskampioenschap. Zover is het echter geheel niet gekomen. De pan kookte zo hevig over, dat de brokstukken over de hele wereld verspreid raakten. Paul was al weg, Otto ook, geloof ik. Geldschieter Peter ging naar een andere club, het professionele tiental werd teruggetrokken uit de competitie, de grootmeesters verdwenen (eentje zelfs helemaal naar Australië!), de voorzitter, uw dienaar dus, nam vroegtijdig ontslag en verhuisde naar buiten de stad en de eens florerende club met honderd leden werd gereduceerd tot een minderheidspartner in de eerste van een hele serie paniekfusies.

Het feit dat deze kwestie mij mijn vriendschap met George kostte, heeft me nadien zeer veel verdriet gegeven. Met Paul heb ik het sedertdien wel weer goedgemaakt. Ik zag hem een aantal jaren later eens aan een tafeltje zitten bij het Ohra-toernooi. Ik zette een pilsje voor hem neer en zei: ‘Zullen we ophouden met die onzin?’ Hij was meteen voor. Heel veel later kwam ik Otto toevallig tegen op Facebook en ook met hem heb ik de strijdbijl begraven. Maar niet dus met George. Dat kon en kan ik niet opbrengen.

Vanochtend stond er een advertentie in de Volkskrant. Een dag voor zijn 59e verjaardag is Paul overleden. Het was een oorlog geweest “die niet te winnen was”, aldus de advertentie.