Posts tonen met het label Schaken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Schaken. Alle posts tonen

zondag 5 augustus 2018

Frans Crabbendam (1956-2018)



Het kon gebeuren dat op een doodgewone woensdagavond de telefoon ging. Frans’ vrolijke, ietwat nasale, klaterende stem weerklonk.
‘Maestro, heb jij wat te doen, de komende dagen?’
‘Niets bijzonders.’ We spreken over de tachtiger jaren. In die tijd was ik, zeer tot mijn genoegen, langdurig werkloos.
‘Nou, het zit namelijk zo: ik heb mijn auto weer ingeruild voor een nieuwe en wilde hem een beetje uitproberen. Effe voelen hoe de koppeling zich gedraagt, even honderdtachtig op de Autobahn, een pittig bergje op, je weet wel.’
Ik moest dan lachen. Ik wist zeker wel, het was namelijk bepaald niet de eerste keer. ‘Ik heb er zin in, maestro.’ Frans schatergrinnikte zoals alleen een volledig opgeruimd mens kan schateren en grinniken tegelijk en zei: ‘Prima, dottore. Zeg maar waar we heen gaan. Ik heb tien dagen.’
En dan reden we de volgende dag rond zes uur ‘s ochtends Amsterdam uit om dertien uur later in Tremezzo achter de pasta alle vongole te zitten. In de schemering, aan het Comomeer, pal tegenover de onwaarschijnlijke sprookjesstad Bellagio.

Ik leerde Frans kennen in 1968. Op de eerste dag van mijn middelbare schoolcarrière werd me een plaats toegewezen op het tweede bankje rechts en naast me kwam een rossige jongen te zitten die vreselijk worstelde met de baard in de keel. Hij piepte. Ik was zo ongeveer de enige in de klas die hem daar niet mee pestte, dus een vriendschap was gesmeed. Het bleek dat we een paar interesses deelden: schaken, rare popmuziek. En Italië. Italië in het bijzonder. Hoewel hij een jongen was van Amsterdam-West, en er hoegenaamd niets exotisch aan hem, noch zijn vader te ontdekken viel, was de geschiedenis van de familie diep vervlochten met dat land. Zijn vader had de eerste twintig jaar van zijn leven in Noord-Italië doorgebracht, Tante Jopie had een hotel in Donato en Frans begaf zich door Italië alsof hij er woonde.

In heel veel opzichten verschilden Frans en ik enorm, zodat de rest van mijn vriendenkring maar niet begreep waarom ik toch steeds met hem bleef optrekken. De waarheid was dat Frans me normaal hield. Hij was de gezonde nuchterheid zelve in een tijd waar je middelbare-schoolstatus voor een flink deel bepaald werd door de lengte van je haar en de buitenissigheid van je hippielaarzen. Ik deed volop mee, rookte braaf hasj en dronk braaf zoete witte wijn en Martini vermout, maar Frans moest van al die onzin niets hebben en bij hem schaakten we, of we speelden tafeltennis op een minuscuul eettafeltje, met vier rechtop gezette boeken als netje. Hij draaide van de radio opgenomen muziek op zijn krakkemikkige taperecorder. Het soort schaak dat we speelden was van een afgrondelijk niveau, wat met name voor hem een schande was, want zowel zijn vader als diens broer hadden in de decennia ervoor tot de Nederlandse subtop gehoord. Vader Crabbendam kwam wel eens de kamer in en zag dan ons geknoei hoofdschuddend aan.

In de periode tussen 1978 en 1993 maakten we zeker twintig vakantiereisjes samen, naar Engeland, Denemarken, Duitsland, België, Frankrijk en Zwitserland. Maar vooral naar Italië. Ik ben de tel kwijtgeraakt maar in wat toch waarschijnlijk wel een dozijn reizen moet zijn geweest, hebben we geheel Noord-Italië bezocht, stadje voor stadje. Overal melig en barok commentaar leverend, voelden we ons in de schemering van Cremona, de slaap van Mantova, de schittering van Milaan of de bonkige middeleeuwsheid van Volterra evenzo thuis als in de druistige nervositeit van Florence, dat toen nog niet autoluw was, of de intimiderende drakenlandschappen van de Dolomieten. Al die jaren was er maar één plaats die ons tegen was gaan staan en dat was Turijn, vooral waarschijnlijk omdat daar de auto opengebroken was en mijn gettoblaster ontvreemd. Trouwe lezers van mijn blog zijn Frans al een paar keer tegengekomen: in dit deels fictieve verhaal, of hier bijvoorbeeld, compleet met zijn internationale familie. Maar hij reisde ook in andere verslagen van Italiëreisjes stilletjes en op de achtergrond mee.

Frans was een gokker. Een reisje was niet compleet als er niet een casino of twee bezocht konden worden. In zijn achterbak had hij altijd een net overhemd en een stropdas liggen, zijn werkkleding. Ikzelf was niet zo op dat gokken (ik had chronisch te weinig geld, maar was ook meer van het pokeren, een behendigheidsspel immers), maar de casino’s van Baden Baden of Campione heb ik wel van binnen gezien. In Salzburg scheidden onze wegen kortstondig: terwijl ik het Mozarthuis en de rococo binnenstad bezocht, toog Frans naar het plaatselijke casino. Vier uur later hadden we rendez-vous bij de auto. ‘Zo,’ zei Frans handenwrijvend, ‘dat waren een paar goed bestede uurtjes: ik heb m’n hele vakantie eruit, en zelfs nog wat extra! Vijftienhonderd guldentjes gewonnen!’ Een scherpe steek van jaloezie ging dwars door me heen, tot hij vervolgde: ‘Ik denk dat ik nu voor het lopende boekjaar weer onder de tienduizend verlies ben gezakt!’ Later ging hij op de beurs speculeren en nog later zat hij nachten lang online te pokeren. Ik snapte daar niets van en snap er nog steeds niet veel van. Misschien wilde Frans, griffier bij het Paleis van Justitie, diep in zijn hart wel helemaal niet zo verstandig, nuchter en normaal zijn!

Onze reisjes hielden op in het begin van de negentiger jaren. We kregen beiden relaties en uiteindelijk ook allebei een kind. Frans bleef wel een fanatiek reiziger. Met zijn vrouw Simone, die hij in Nepal ontmoet had, en zijn dochter Linda heeft hij heel Azië en de Verenigde Staten afgereisd. Las Vegas was een favoriet reisdoel, maar ook Hong Kong of Singapore. Nog in maart van dit jaar poseerde hij maar weer eens met de Mount Everest op de achtergrond.

Ik heb hem voor het laatst gezien in mei. Hij was broodmager geworden, maar er was niets aan de hand, vertelde hij. ‘De dokter heeft niets kunnen vinden, dus is het afvallen een soort bonus, zullen we maar zeggen.’ Stomme, argeloze kloot die ik nu eenmaal ben, accepteerde ik dit kletsverhaaltje zonder meer. Of Frans echt dacht dat er niets aan de hand was, weet ik niet, maar ikzelf had me veel meer zorgen moeten maken. Op 17 juli is hij na een kort ziekbed aan een acuut alvleesklierfalen bezweken. Voor iedereen toch nog volkomen onverwacht. Het heeft bijna drie weken geduurd voordat ik iets over hem heb kunnen schrijven. Ook al liepen we de laatste jaren elkaars deur niet meer plat, ik mis mijn reismakkertje heel erg. Het is moeilijk me het leven voor te stellen zonder zijn opgewekte stem. Mensen als Fransje gaan niet dood, dat hoort niet!

woensdag 18 maart 2015

Schaakmat (Paul Berkhoudt 1956-2015)

Een woeste, ongekamde bos vroeggrijs haar, een ruim bemeten kin, altijd en eeuwig vroeggrijs gestoppeld, een grote, licht getinte metalen bril en een paar ver naar voren uitstekende boventanden. Hij woonde in ruitjescolberts, de clubkampioen van onze schaakvereniging: Paul.

Hij had altijd iets smalends in zijn stem, ook als het over hemzelf ging. ‘Ja, jongens, en toen zag ik daar dat pionnetje staan, en ik vroeg me af wat er zou gebeuren als ik dat zou slaan.’ Dan keek hij op van het analysebord en vervolgde schaterlachend: ‘Nou, ik ben er achter gekomen! Dat was een hele drol om door te slikken. Als een kind ben ik van het bord gezet. Het was nog dramatischer dan een partij van Robbert Eksteen!’ Ik heette Robert, maar Paul sprak het consequent uit met twee b’s en ik keurde dat goed. Zo heet ik nu al decennia officieel: “Robbert, maar met één b”.

Ik had wel geschaakt vroeger, maar was midden tachtiger jaren met heel andere dingen bezig. Totdat de KRO een schaakmatch organiseerde tussen Jan Timman en Gary Kasparov. Dagelijks toog ik naar het schaak- en bridgecafé op de Kostverlorenkade en analyseerde daar die wonderbaarlijke toverschaakpartijen tot diep in de nacht met het andere halfbezopen kroegmeubilair. Nieuw schaken was dit, het schaken van de toekomst, een soort schaken dat mij terugwon. Ik wilde er weer deel van uitmaken.

Toen ik me als lidmaat in liet schrijven bij de lokale schaakclub DCG, was Paul er voorzitter. Dat was hij al jaren en dat zou hij waarschijnlijk ook nog jaren blijven. Zo’n club. Hij was Mr. DCG. Het eerste bord van het eerste tiental had bij wijze van spreken een plaquette met zijn naam erop in de rugleuning vastgeschroefd. Tijdens alcoholische post mortem analyses, of politieke, sociale en culturele discussies voerde hij, meestal omringd door vier of vijf lege bierflesjes en een tot de rand gevulde asbak, het hoogste woord (‘Wat, hou jij van Yes? Bah! Wat een castratenrock! Nee, geef mij maar David Bowie!’ En ik dan vervolgens natuurlijk: ‘Bowie? Die hoerige windhaan? Mag ik even een teiltje?’ Enzovoort. Heerlijke tijden.)

Paul was een beetje gemakzuchtig (of leed hij aan faalangst?). Zolang hij duidelijk de sterkste in de groep was, voelde hij zich op zijn best en had hij praats voor tien, maar hij werd nerveus als de tegenstand sterker werd. Nooit had hij de stap genomen van het regionale naar het landelijke schaakwereldje, hoewel hij daar zeker de capaciteiten voor had. Hij vond het wel prima zo bij DCG, de voortzetting van zijn huiskamer.

Enige jaren later sloeg op de vereniging de rampspoed toe. De combinatie van een overambitieuze geldschieter, een paar rebelse, woedend broedende leden, een nooit serieus genomen verenigingsstatuut en de onverenigbaarheid van karakters maakte dat de vereniging op spectaculaire wijze explodeerde. De kampen: aan de ene kant Paul en zijn opvolger als voorzitter Otto. Aan de andere kant de querulant George, en ikzelf, inmiddels Otto weer opgevolgd als neutrale voorzitter, maar in feite de stroman van de geldschieter, de jurist Peter, die gedurende de conflicten zelf grotendeels buiten schot bleef. Het liep hoog op. Beledigende brieven kruisten elkaar en iedereen raakte met iedereen gebrouilleerd (na een weifelende start (zie hier), waren dit meteen mijn tweede, derde en vierde brouillage! Dat tikt lekker aan.)

In een dergelijk conflict heeft niemand gelijk. Mijn eigen rol was geenszins heroïsch. Ik was zonder twijfel de zwakste voorzitter die de club ooit gehad heeft.

Het einde was spectaculair. DCG was, geholpen door ingehuurde grootmeesters, vanuit de zwartste dieptes van de regionale onderbond doorgepromoveerd naar de hoogste klasse van het Nederlandse schaak en zou een redelijke gooi kunnen doen naar het landskampioenschap. Zover is het echter geheel niet gekomen. De pan kookte zo hevig over, dat de brokstukken over de hele wereld verspreid raakten. Paul was al weg, Otto ook, geloof ik. Geldschieter Peter ging naar een andere club, het professionele tiental werd teruggetrokken uit de competitie, de grootmeesters verdwenen (eentje zelfs helemaal naar Australië!), de voorzitter, uw dienaar dus, nam vroegtijdig ontslag en verhuisde naar buiten de stad en de eens florerende club met honderd leden werd gereduceerd tot een minderheidspartner in de eerste van een hele serie paniekfusies.

Het feit dat deze kwestie mij mijn vriendschap met George kostte, heeft me nadien zeer veel verdriet gegeven. Met Paul heb ik het sedertdien wel weer goedgemaakt. Ik zag hem een aantal jaren later eens aan een tafeltje zitten bij het Ohra-toernooi. Ik zette een pilsje voor hem neer en zei: ‘Zullen we ophouden met die onzin?’ Hij was meteen voor. Heel veel later kwam ik Otto toevallig tegen op Facebook en ook met hem heb ik de strijdbijl begraven. Maar niet dus met George. Dat kon en kan ik niet opbrengen.

Vanochtend stond er een advertentie in de Volkskrant. Een dag voor zijn 59e verjaardag is Paul overleden. Het was een oorlog geweest “die niet te winnen was”, aldus de advertentie.

vrijdag 22 november 2013

Clubavond

(Montage van wat er zoal tijdens een informeel schaakpartijtje ter sprake kan komen.)

‘Volgende patiënt! Komkom, ’t beest heeft honger. En wie is u?’
‘Maak je borst maar nat. Bij nader inzien, maak je borsten maar nat!’
‘Brutaaltje? U bent net zo lelijk als ik dik ben. Gaat vooral zitten, meneer, want ik ga u aan stukken scheuren.’
‘Heb ik zwart?’
‘Neen, u hebt geel, u moogt openen.’
‘Puf-drie dan maar.’
‘Peerd ef drie, zegt de tragische dwaler. De rossinant naar effekes drie. Hum hum.’
‘Een weerlegging, zou ik zeggen, van de zwarte opzet.’
‘Zou zomaar kunnen, zou heel goed kunnen. Laat me vredig in gedachten verzinken.’
‘Snif.’
‘Gelieve niet te sniffen in mijn bedenktijd.’
‘Snif snif.’
‘Ik ben eruit, waarde tegenstander. Ha ha. Ik heb je tuk, denk ik. Tukkerdetuk. Ziedaar: zeewijf.’
‘c5. Het spel is thans in zijn beslissende fase.’
‘Het wordt onrustig op de tribunes. Wat zullen de gelen doen? Houden de bruinen het of moeten ze inbinden?’
‘Meneer, ik geef u: c4!’
‘Hoera, een frisse westenwind in dit tot op heden zo windstille schaakpartijtje. De zefier, toe maar, tjonge jonge.’
‘Het getuigt van beschaving als je nu zou opgeven, enigszins gedesillusioneerd.’
‘Geenszins, we gaan ervoor zitten.’
‘Soit. Gei noch ‘n bakske?’
‘God miljaar, da’s genen zever, menneke. Amaai. Graag, geachte opponens, maar maak het bakske een straffe.’

‘Hier, Pécézes.’
‘De zet van een waanzinnige.’
‘Nou...’
‘Bent u wel geestelijk helemaal goed bij het hoofd? Is u van binnen wel adequaat geschakeld? Paard c6? Paard c6 in deze stelling?’
‘Ahum…’
‘Wablief? U gaat toch niet zingen, hoop ik?’
‘Mag ik nog rocheren?’
‘Mag ik nog rochelen? Mag ik nog rochelen? De vraag stellen is haar beantwoorden.’
‘Nou?’
‘Schaak den koning, en na Kadé-acht, moogt ge niet langer rochelen, Grosmejster!’
‘Ik pleurt simpelweg de bisschop ertussen.’
‘Maal en maal. Wat nu? Quid nunc?’
‘Opgeven?’
‘Bitte bleiben sie seriös!’
‘Let je een beetje op je klok?’
‘Hoezo, heeft die snode plannen dan? Af, klok! Af!’
‘Meneer, ik neem uw peerd.’
‘Getverdemme, vuilik!’
‘Ik ga u verbluffen met de navolgende, ragfijne manoeuvre. Zie en huiver.’
‘Ziedaar, de ridder met een witte schimmel tussen zijn benen.’
‘Kataklop kataklop kataklop.’
‘Jemig, wat een ravage!’
‘Rawa-zje!’
‘U staat nu drie spionnen achter en een knol. Meneertje, een beter mens dan u zou nu opgeven.’
‘Ik vraag mijn eigen in enen af: zou dit zo’n bord zijn met aan de onderkant een dambord? Eens kijken… Oeps.’
‘Bruut, akelige beestmens! Ik neem aan dat u hiermee de partij opgeeft?’
‘Mag ik je een kjakkie aanbieden? Fijn potje, trouwens.’
‘Leerzaam voor de leergierige student. Doe mij maar een oude klare.’

dinsdag 15 november 2011

Wees kijker!

Ik was wat doelloos aan het ronddwalen in het internet en kwam op Wikipedia terecht bij het lemma over de Slinger van Foucault, zoals dat gebeuren kan. Ergens onderaan las ik iets dat me een schok gaf: “Sinds 1 mei 2007,” stond er, “hangt er weer een Slinger van Foucault in de Grote Kerk in Veere. Deze slinger is ontworpen en gemaakt door de kunstenaar Kees Wijker uit Middelburg (Zeeland).” Kees! Die had ik alweer een paar jaar niet meer gegoogled. Hoe zou het met hem zijn?

Kees kende ik als een broodmagere slungel met slordig, naar alle kanten wild wegspringend haar, en een altijd mild geamuseerde grijns. Kraaienpootjes en grote, sterke, ietwat grauwe tanden. Scherpe neus voor het absurde, een vat vol laterale uitspraken. Lief vond ik hem, uitgesproken lief. Hij was zomaar op een dag de schaakclub binnengelopen, in navolging van een heleboel andere schakende alumni van de Rietveld-Academie. Erg sterk waren ze niet, die beeldend kunstenaars, maar ze waren wild en vrolijk en door hun vrije geest werden ze al snel zeer gewaardeerde clubleden, die een flink deel van de sfeer op de vereniging bepaalden.

Al gauw vormden Kees en ik de redactie van het clubblad. Zijn schrijfstijl was een perfecte weerspiegeling van zijn persoon: altijd licht verbaasd, altijd mild ironisch, altijd vol zelfdeprecatie. Meestal schreef hij over zijn eigen bangelijke schaak en zijn kolossale blunders, maar omdat hij dat zo consequent deed, vond hij dat hij het zich ook kon veroorloven om nu en dan heel venijnig over zijn tegenstanders te schrijven. Moest hij tegen een uitermate vervelend mannetje spelen, beschreef hij in zijn verslag extreem precies diens eigenaardigheden, maar meestal verdronk hij in hyperrealistische, millimetergrote details die weliswaar schaaktechnisch niets ophelderden, maar wel een fijne inkijk opleverden in zijn belevingswereld. Een commentaar bij zijn zet 2 c2-c4 luidt: “Ik ben linkshandig, dus speelde ik op de damevleugel. De klok stond echter rechts, dus per zet moest ik steeds de maximale afstand asbak-bord-klok overbruggen, dus veel voordeel had ik hier niet met mijn d-opening. Wel drukte ik een keer de klok van Wim in, die links van me zat en na de partij nam ik zelfs Wims aansteker mee die exact gelijk is aan de mijne: ik heb er nu twee en Wim nul. Later probeerde ook mijn tegenstander deze klok in te drukken, maar hij bedacht zich op tijd. Hij had een aansteker met een bijna blote vrouw erop en rookte dan ook veel.”

Hij ontwierp uiteraard de omslagen van het clubblad, en in die tijd hadden we met dat blad een zekere naam verworven. Landelijke schaakbladen citeerden uit ons werk, en op een bepaald moment had New in Chess, toen al en nog steeds het beste schaaktijdschrift ter wereld, een ontwerp van hem zonder bronvermelding overgenomen. Kees realiseerde het zich ook, maar het liet hem koud. ‘Ze doen maar.’


Als beeldend kunstenaar maakte hij voornamelijk kinetische installaties. Alles wat hij uitgedacht had, was in vele grote schetsen vereeuwigd. Hij tekende zijn laterale ideeën uit en monteerde ze vervolgens met schroevendraaier en soldeerbout. Zijn kunstwerken hadden de kleine, menselijke maat van Meccano en de elektrische experimenteerdoos van onze jeugd. Hij schreeuwde niet, maar fluisterde, altijd en eeuwig met een ironische grinniklach. Druk op een knopje en ergens achter een raam gaat een lichtje branden, een belletje rinkelen. Opdracht aan de kijker: probeer je voor te stellen wat er achter dat raam gebeurt. Draai eens aan deze slinger. Zie je hoe een rare vogel waggelend van links naar rechts loopt? Waarom zou hij dat doen? Kees’ levensmotto was een spoonerisme op zijn naam: Wees kijker!

Ik heb nog wel middagen gesuppoost op tentoonstellingen van Kees. Ik was een fan, en ben dat eigenlijk altijd, zij het op afstand, gebleven. Als er weer ergens een glimlach aan een draadje hing, verbonden met een aan-en-uit-knopje, en ik kwam het toevallig tegen op het internet, was mijn dag weer even een klein beetje draaglijker geworden.

Plotseling was hij verdwenen. Nieuwe vriendin, nieuwe woonplaats. Middelburg. Wij op de schaakclub begrepen het niet: Middelburg?? Kennelijk wist hij wat hij deed. Hij heeft een mooie website, Middelburg lijkt bezaaid met grijnsjes van zijn hand, hij heeft de pendel van Veere mogen bouwen. Het is hem, zo te zien, goed gegaan en daar ben ik blij om.

donderdag 27 oktober 2011

Plankenkoorts


Alles kan verkeren. Zo was ik vroeger een fanatiek schaker. Wat ik tekort kwam aan talent, compenseerde ik rijkelijk met enthousiasme en vlijt. De week werd uitgevouwen vanuit de schaakavond, de spil waar omheen alle andere, minder belangrijke zaken in mijn leven gewikkeld waren. ’s Maandags nam ik de middag vrij. Thuisgekomen schonk ik mezelf een glas rode wijn in, zette heftige muziek op (Stravinsky, Verdi, Bartok, Zappa of Magma), pakte bord en stukken en, terwijl spiertjes adrenaline me lekker nerveus en “scherp” maakten, opende ik een schaakboek met gemene openingstrucjes. De bedoeling was om ’s avonds precies aangeschoten genoeg te zijn voor een beetje overmoed, een zuchtje lichtheid dat mij, van nature een ietwat bangelijk aangelegde schaker, tot “creatieve” zetten aan zou kunnen zetten.
Tegen een uur of zes stak ik dan de straat over om ofwel linksom een roti, ofwel rechtsom een bami te halen. De tijd leek wel bevroren te zijn. Om half acht fietste ik richting clublokaal, en vanaf kwart over acht speelde ik mijn partijtje. Winst, remise of verlies, daar ging het niet om, dat was secondair. Ik was onder vrienden, dit was mijn familie.
De avond was niet af zonder een uitgebreide en alcoholische “analyse” van de partij, en twee dozijn vluggertjes om de eer. Vaak toog het vervolgens nog naar een café in de van Baerlestraat of zelfs een uitgebreide nazit bij iemand thuis. Niet zelden strompelde ik pas rond vier uur naar huis toe, fiets aan de hand, vol verwachting van de volgende clubavond. En de ochtend erna was ik gewoon weer om acht uur op mijn werk. Oef, wat een ijzeren gestel had ik toen!
Dat het ooit anders zou zijn, ik kon het me niet voorstellen. Toch trad er, ergens midden in de negentiger jaren een kentering in. Verhuizen werd ineens meer regel dan uitzondering, en steeds vergat ik om in mijn nieuwe woonplaats lid te worden van een schaakclub. Tot ik, tien jaar later, in mijn huidige stad Haarlem terecht was gekomen, en van een onnoembaar, etherisch opperwezen een voorgevoel had mogen ontvangen van thuiskomst en bestendigheid. Ik werd eindelijk weer lidmaat van een schaakvereniging.
Aanvankelijk ging het min of meer zoals ik het me herinnerde: ik kwam wat vroeger thuis van mijn werk, haalde bord en stukken tevoorschijn, zette King Crimson of Scriabin op, schonk me een glas wodka in en begon te studeren. Ik had het nog, dacht ik. Wel viel me op dat ik, nu de vijftig gepasseerd, die goeie, ouwe kick van de kietelende stroompjes adrenaline door mijn lijf niet meer zo aangenaam vond. Integendeel, ik werd een beetje misselijk van de spanning (of, zoals ik het noemde: “anticipatie”).
Toch speelde ik vrolijk twee seizoenen mee bij een schaakvereniging die vanaf het eerste moment mijn intense sympathie had, die speelde in het mooiste clublokaal van Haarlem, een oude herensociëteit, en die een ledenbestand had dat reikte van de afgrondelijke duisternis der aartsknoeiers, tot het lichtgevende wolkenrijk der onpeilbaar sterken van meesterniveau.
De schaakspelers. Moritz Retzsch (1779-1857)
Maar allengs groeiden de barrières. ’s Ochtends op de speeldag was ik vastbesloten om mijn tegenstander die avond met een vlijmscherpe Traxler-opening, of een beledigend agressieve Grob-verdediging in de nahand om de oren te slaan, maar gedurende de dag werd de adrenaline-greep op mijn hart en borstkas steeds klemmender, en tegen vijven mailde ik mijn afzegging voor die avond, waarna een weldadige, intens opgeluchte rust zich van me meester begon te maken.
Als ik nog eens een keer wel naar de clubavond ging, ontdekte ik dat ik het schaken zelf ook  fysiek steeds moeilijker begon te vinden. Naast de gewone oude mannenkwaaltjes als rugpijn, aambeien en wintertenen, manifesteerde zich telkens beklemmender dat gevoel van druk: op de borst, op de darmen, op de maag. Ik heb eenmaal van een clubgenoot verloren omdat ik vier keer op de WC heb staan kotsen. Het waren geen zenuwen, want wat is winst nu, of verlies? Zo rationeel was ik nog wel. Neen, het was iets anders, ik kon er de nagel niet onder krijgen.
Iedere dinsdag werd ik gedwongen te beslissen of ik die avond wel in staat was tot schaken. Het werd overgeven, diarree, migraine, en steevast een verkrampt “nee!” Na bijna een half jaar aldus getobd te hebben, heb ik aan het eind van dat jaar dan maar definitief de knoop doorgehakt en me uit laten schrijven.
Onlangs las ik een verhaal van een artistieke vriend over zijn plankenkoorts. Dat was het precies! Later telefoneerden we daarover en vertelde ik hem dat ik alles wat hij beschreven had, intens herkende. En om mijn kleine neurose in perspectief te plaatsen, realiseerde ik me dat ik daarbij de ongekende luxe had dat het slechts een hobby was, die ik moest opgeven, voor hem daarentegen was het zijn beroep. Ik benijd hem niet. Het leven maakt bescheiden.