vrijdag 15 maart 2013

Leesplaatsen

Ik heb om mij heen: twee toiletten, een bank, een bed en een zitplaats in de trein van en naar Den Haag. Dat zijn vijf plekken waar men mij lezende kan aantreffen.
Van heel jongs af aan lees ik op verschillende vaste plekken ook verschillende soorten boeken tegelijk. Ik associeer boeken niet in eerste instantie met stemmingen, maar met plaatsen. Daardoor ga ik natuurlijk de plaatsen wel weer met stemmingen associëren, maar dat is een ander verhaal.
Hoe het komt dat ik er behoefte aan heb om op iedere plek een duidelijk van de andere onderscheiden boek te lezen, weet ik niet. Feit is dat ik het al veertig jaar zo doe.
Toilet één, de badkamer boven, is het makkelijkst. Daar brevier ik in een van de veertien deeltjes Jeeves en Wooster van P. G. Wodehouse, de nieuwe Random House uitgave die ik compleet in de kast heb staan. Taal geworden zonneschijn is dit, slechts schijnbaar kluchtig, want voorzien van een o zo scherp randje voor wie goed oplet. Een geleerde kennis van mij noemde dit oeuvre eens de hardste maatschappijkritiek ooit geschreven. Dat lijkt me ietwat overdreven, maar ik snap wel wat hij bedoelt. De heersende klasse van Engeland wordt in de boeken liefdevol omgebracht in al haar leegheid en futiliteit. Maar eigenlijk gaan deze boeken maar over één ding: de Engelse taal. Naast deze grootmeester van de geserreerde stijl is bijvoorbeeld Godfried Bomans iemand die slechts met een woest uit een boom gerukte tak op een vel papier kraste.
Dit vrolijk gekleurde blok paperbacks zal vermoedelijk mijn allerlaatste grote boekenaankoop zijn, nu ik de ebooks ontdekt heb. Daar kom ik later nog op terug.
Eveneens op de eerste verdieping bevindt zich de slaapkamer met een altijd van boekwerken uitpuilend nachtkastje. In bed lees ik meestal diverterende lectuur, omdat ik een begenadigd in-slaap-valler ben en meestal niet verder kom dan anderhalve pagina. Vaak lees ik er boekjes met schaakanekdotes, wetenschappelijke of historische curiosa, of iets autobiografisch van een humorist. Momenteel het laatste: Round Ireland with a Fridge, van de Engelse stand-up comic Tony Hawks. Ik ben een beetje een fan van de Engelse stand-ups en mijn harde schijf bevat vele uurtjes van hun expertise. Nu nog wachten op een gebroken been of een afvloeiingsregeling om dat allemaal te kunnen gaan bekijken! ("Bekijken", ja, want in mijn wereld blijven de werkwoorden “kijken” en “luisteren” toch echt, tot aan de jongste dag, onovergankelijk!)
Het toilet beneden is een plaats voor het snelle werk, dus daar past iets met een korte adem, een dichtbundeltje, een boekje met cursiefjes of een citatenboekje. In het verleden hebben daar op het aardewerk pilaartje bijvoorbeeld gebundelde radiopraatjes van Karel van het Reve gelegen, brieven aan jan en alleman van zijn homofiele broer en de botbreukdagboeken van August Willemsen. Tot voor kort heeft daar de eponieme bundel blogberichtjes van mijn goede vriend de Rookzanger gelezen. Ik heb het uit nu, dat boek, en wat te doen? Want dat probleem komt er dus bij: met vijf permanent gebruikte leesplaatsen heb ik dus ook vijf keer zo vaak het “boek-is-uit-wat-moet-ik-nu-vacuum”, dat het leven voor een ogenblik zo flets, leeg en zinloos maakt. Ja ja, de dwarse man haalt zich wel weer het een en ander op de hals. Als interim boekje lees ik daar momenteel iets meligs van Wim T. Schippers.
De zitbank in de huiskamer is er voor het zwaardere werk. Op het moment ben ik in gevecht met Umberto Eco’s recentste roman, De begraafplaats van Praag. Met zeer dubbele gevoelens, want ik vind het een naar boek. Maar daar schrijf ik later misschien nog iets gedetailleerder over.
En dan, ten slotte, is er de trein. In de trein schrijf ik niet alleen, ik lees er sinds een jaar ook "e". Op de iPad. Ondanks mijn aanvankelijke kniereflexreactie als verklaard conservatief, ben ik totaal om: met dit apparaat is het heerlijk lezen, en het aanbod is onvoorstelbaar. Zeker als je een beetje weet hoe je op het internet moet zoeken, hoeft het allemaal niet zo verschrikkelijk duur te zijn.
Het wonderbaarlijke is dat ik op mijn iPad eigenlijk alleen maar vreemde boeken kan lezen. Boeken van Douglas Adams, Jasper fforde, Terry Pratchett en Robert Rankin, in een genre dat door de laatste ooit far-fetched-fiction gedoopt is, een term die dat genre, ergens tussen science fiction, fantasy en ideeënroman ingeschouderd, perfect omschrijft.
Vooral Rankins  Brentford-trilogy (momenteel negen delen!) is daar een mooi voorbeeld van: een Kinkerbuurt-achtige arbeiderswijk in Londen, met zijn doodgewone bewoners, blijkt keer op keer het epicentrum te zijn van onbegrijpelijke, duistere en apodictische gebeurtenissen. Satan keert terug op aarde (naast de gasfabriek van Brentford), of een buitenaards ras bereidt de overname van de aarde voor (in een tuinhuisje op de volkstuintjes van Brentford). En alle doodgewone mensen van Brentford lossen de problemen weer op: twee dronken nietsnutten met hun parttime barman, een sigarenboer die in zijn vrije tijd tijdmachines bouwt, een onderwereldreiziger die het binnenst van de Aarde heeft onderzocht en een gepensioneerde geleerde, van wie beweerd wordt dat hij en de legendarische Merlijn één en dezelfde persoon zijn. Hilarische boeken zijn het, die mijn dagelijkse forensenreis telkens weer te kort doen lijken.

Robert Rankin

vrijdag 8 maart 2013

De F-maand

Zoveel volkeren, zoveel kalenders. Ikzelf hanteer weliswaar de Gregoriaanse, maar wel met een paar belangrijke aanpassingen. Als zomermens en intens hater van sneeuw en ijs, duurt voor mij het jaar namelijk maar negen maanden: op 1 december houdt het oude jaar op, op 1 maart begint het nieuwe pas weer. Wat er tussen zit is een soort beklemmende nachtmerrie. Ik moet erkennen dat er dingen gebeuren in die periode, maar meestal zijn het vergetenswaardige, irritante incidenten, zoals Kerstfeest of schaatskampioenschappen. Slechts van belang zijn de twee, vlak op elkaar komende verjaardagen van mijn kind en mijn lief, beide in eind januari. Verjaardagen die gelukkig nog net binnen de minst onaangename van de drie limbo-maanden vallen.
Zijn de geschenken eenmaal uitgepakt, schakelt het jaar terug en begint die meest gehate van alle maanden: de F-maand.
Nooit heb ik met de F-maand door één deur gekund. Van heel jongs af aan al niet. Zolang als ik me kan herinneren boezemt de maand me weerzin in, en dat zal zonder twijfel wederzijds zijn. Vanaf dat ik het verschil der seizoenen kon ervaren, heb ik me laten ringeloren door die kleine, schrale, talentloze rotmaand.
Gedurende de F-maand bezie ik de wereld om me heen met een pikzwarte bril. Iedere aanleiding, hoe gering ook, doet mijn stemming in machteloos verdriet omslaan. ‘Wie  zijn die mensen toch, hier om me heen,’ vraag ik me dan af. ‘Collega’s? Nou, elkaars collega’s misschien, maar niet de mijne! En wat willen die pratende monden op de televisie van me? Mijn geld, mijn aandacht? Loopt heen!’
Behoedzaam en schichtig beweeg ik me door de verontrustende kaalte van de F-maand. Geen vreugde valt er te beleven aan het grauwe landschap, dat dood en zwaar als lood om me heen hangt. Waar is de zon? Waar de maan? Waar zijn de sterren gebleven? Met slepende tred begeef ik me naar mijn plichten. Mijn huisarts had het ook meteen door: ‘De vorige keer dat je met die onverklaarbare vermoeidheid langs kwam, ook toen zo ongeveer op het randje van een depressie,’ merkte ze droogjes op na een korte raadpleging van haar computerdossier, ‘was twee jaar geleden, ook eind februari.’
De F-maand-blues.
En dan, ieder jaar toch weer onverwacht, komt maart. Handenwrijvend gooi ik de tuindeuren open. Laat het jaar maar beginnen. Wat hebben wij dat verdiend, godver!
Het eerste snuifje lauwte in de lucht en ik ben meteen van vijftig procent van mijn kwalen af. Weg vallen de muizenissen. Met de eerste frisse geur van lente, de belofte van warmte, bloei, kleur begin ik zelfs weer tentatief aan een blogverhaaltje. Het eerste schuchtere warmterecordje, de eerste ontblote bovenbast in de tuin en ik meld me nota bene weer aan bij Facebook en Groupon!
En dan hoeven we niet lang te wachten: de eerste vermeldingen van wat Martin Bril betitelde als Rokjesdag (nu ten prooi gevallen aan hordes domme vrouwen die zijn existentiële lentegevoel volstrekt verkeerd begrepen hebben) verschijnen weer op de talloze nieuwsgroepen en  de rokjesdag-flashmobs bereiden hun onnozele feestdagje voor. Het is, kortom, lente! De overwintering is weer gelukt. Het heeft weer meer moeite gekost dan vorige jaren, en ik realiseer me dat er een moment komt dat ik erin blijf, in die vervloekte F-maand.

zondag 30 december 2012

Entropie


Kun  je wennen aan nachtmerries?
Een vriend van mij heeft altijd nachtmerries, zodanig dat hij bij de unieke gelegenheid dat hij een slaapperiode nachtmerrieloos doorgekomen is, dat de moeite van het vermelden waard vindt. Lijdt hij eronder? Ik kan natuurlijk niet in zijn schedel kijken, maar hij treft me niet als een beschadigd personage uit Lovecraft of Poe, zwaar aangedaan en diep beïnvloed door hetgeen hem ’s nachts overkomt. Is hij misschien in de loop der jaren gehard geraakt? Heeft hij geleerd de nachtmerries te herkennen als zodanig en ermee om te gaan? Is hij, kortom, gewend geraakt aan nachtmerries?

Ikzelf heb zelden nachtmerries. Wel droom ik veel, maar over het algemeen zijn het opeenstapelingen van surrealistische scènes, soms met een plezierige erotische ondertoon, vaker min of meer neutraal. Een heel enkele keer maak ik in mijn droom vreselijk ruzie met mijn dierbaarsten en uiteraard lopen de gestorvenen doodgemoedereerd over gods dreven of er nooit wat gebeurd is. Dat zijn, wellicht enigszins op de ruzievisioenen na, tamelijk rustige, niet verwarrende dromen.

Maar heel soms galoppeert er een heuse nachtmerrie door mijn kop. Het terugkerende thema is, in één woord samengevat: entropie. Het uit elkaar vallen van alle orde, het langzame, en door niemand dan mezelf opgemerkte verslonden worden van alles en iedereen. Mensen die ik ken en bemin, worden abstracte slierten materie, waarvan de helft reeds verdwenen is in één of andere allesbrander. Buiten de deur woedt de chaos en de deur zelf begint vervaarlijk naar binnen te bollen. Plotseling is de vloer van ons slechts in schijn veilige toevluchtsoord bezaaid met duizenden punaises. Mijn schoenen stromen als een bruine stroop over de grond. Ik heb ineens geen handen meer.

De stalen deur springt open en de allesbrander blijkt gegroeid te zijn tot het vijfvoudige van zijn oorspronkelijke omvang. Ben ik dan werkelijk de enige die dat ziet gebeuren? De drie meisjes met wie ik aan het spelen was zijn nu volledig overgegaan in een vloeibare vorm en stromen traag naar buiten, een kleurrijke baaierd van punaises met zich meevoerend.

Dan hoort iets in mij het allerminiemste kuchje of zuchtje en met een bonzend hart zit ik klaarwakker rechtop in mijn bed. Hoe vroeg het ook is, ik moet eruit. Alles liever dan terugkeren naar mijn droomwereld. Ik weet dat mijn hele verdere dag een moeilijke zal zijn, want dergelijke dromen schud ik niet zomaar weer uit mijn hoofd. Op allerlei niveaus blijven mijn hersenen ermee bezig. Het belangrijkste effect is een doorzeurende somberheid, die ik na een echt heftige nachtmerrie zelfs herken als een lichte vorm van depressie, waar het vooruitzicht van verder te moeten leven me vervult met angst en weerzin. Vooral raak ik door de nachtmerrie intens doordrongen van de totale zinloosheid van alles. Zoiets doet de realisatie van de entropie met mij.

Je kunt zeggen dat ik duidelijk niet gewend ben aan nachtmerries. Zouden mijn reacties op kwade dromen minder heftig worden naarmate ik er meer last van zou hebben? Ik moet het eens aan mijn vriend de ervaringsdeskundige vragen.

zondag 2 december 2012

Dwanghandelingen

Je komt van alles tegen. Ik werk op een grote bibliotheek en op het moment ben ik al weken heel intensief bezig met het literaire genre van de fantasy. De zeer complete, zeer immense bibliotheek van een niet zolang geleden overleden verzamelaar is bij ons terechtgekomen en ik mag die verwerken. Het gaat hier om letterlijk honderden meters fantastische literatuur. Blijkbaar las de verzamelaar niet over de grens, want het zijn allemaal vertalingen in het Nederlands. De twee grote spelers zijn dan Meulenhoff en Luitingh. Ik herken er wel het een en ander van, want op het moment is mijn zoon een smaak aan het ontwikkelen voor dit genre. Hij zit dan met zijn boek op de bank en zegt, een beetje opschepperig: ‘Vijfhonderdachtenveertig pagina’s deze!’ En inderdaad, het zijn stuk voor stuk onmogelijk in één hand te houden bakstenen.
De overleden verzamelaar heeft nauwelijks keuzes gemaakt, iedereen die iets betekent in het subculturele wereldje van het genre is zo compleet mogelijk aanwezig: David Eddings, Weis & Hickman, George R. R. Martin, Terry Brooks, Raymond E. Feist, Robert Jordan, noem maar op. Elk fantasy-thema wordt uitgebreid behandeld: draken, magiërs, krijgers, prinsessen, oermensen, zwaarden, queesten, ringen (oh, zo ontelbaar veel ringen!) bokalen, orcs en trollen - het houdt maar niet op. Nu ja, uiteindelijk houdt het wel op, natuurlijk. Wij zijn bijna klaar met de verwerking: nog zo’n vijftien meter.
Er moeten dagen geweest zijn dat de verzamelaar met vijftien of twintig van dit soort vuistdikke pillen naar huis gekomen is. Ik stel me zo voor dat dit met enig ritueel gepaard ging, misschien als volgt:

De brommer is netjes geparkeerd onder het afdakje in het minieme voortuintje in de troosteloze buitenwijk. De diepvriesmaaltijden zijn in de koelkast geborgen en dan zet de verzamelaar zich in zijn Luie Stoel, met de Asbak op Poot ernaast gereed voor de eerste van een lange reeks peuken, een glas Roje Wijn op een veilig plekje op het bijzettafeltje. Zijn zwartwit gevlekte hondje ligt vredig in zijn mand. De verzamelaar is klaar om zijn nieuwste aanwinsten uit de boodschappentas te halen, door te bladeren en te sorteren. Sommige boeken kunnen meteen de kast in, andere moeten eerst een inburgeringcursus ondergaan en komen terecht op langzamerhand niet meer controleerbare stapels tegen muren, op vensterbanken en op punten van tafels en bureaus. Als het boek een deel van een bestaande reeks is, plakt de verzamelaar een reeksnummer op de rug. Als in de grote map met krantenknipsels die de verzamelaar bijhoudt een recensie of artikel over dit betreffende boek opgeslagen is, moet dat toegevoegd worden.
Aan de hand van internetinformatie controleert de verzamelaar het ISBN. Indien dat foutief is aangegeven, staat hij op, loopt naar zijn typemachine, typt de juiste getallen uit en knipt een minuscuul strookje met die tekst uit dat hij over de foute getallen heen lijmt. Op het Internet achterhaalt de verzamelaar tevens de volledige drukgeschiedenis van het werk, zowel in de oorspronkelijke taal als in het Nederlands. Die gegevens schrijft hij allemaal in een hoekig handschrift nauwgezet op A6-velletjes blocnotepapier. Het is me een raadsel waarom hij deze gegevens niet ook uittikt.
Mijn beeld van hem is bijna compleet. Alleen wat voor muziek hierbij gedraaid wordt, daar ben ik niet achter. ’t Hangt natuurlijk af van de leeftijd van de verzamelaar. Is hij jong nog, een jaar of zestig, dan Genesis, vermoed ik, of misschien iets als Blackmore’s Night. Is hij ouder, dan wellicht Richard Wagner, of juist The Early Music Consort? Of iets totaal anders, swing misschien? Glenn Miller en Duke Ellington? Hier kom ik niet uit.

Ik fantaseer natuurlijk. Toch kun je veel over iemand te weten komen door wat hij met zijn boeken uitricht. Flann O’Brien heeft ooit een bedrijf voorgesteld dat tegen betaling bibliotheken “gelezen” maakt: aantekeningen, ezelsoren, theaterkaartjes, krantenknipsel. Korte essays kostten meer. Zo kan de aliteraire snob zijn bibliotheek op geloofwaardige wijze salonfähig krijgen zonder zelf een letter te hoeven lezen. Ik denk dat dit niet altijd kan werken, of het bedrijf moet buitengewoon veel tijd en studie in zijn werk steken. De werkelijkheid is dat een echte verzamelaar bijna autistisch overkomt, met een grote verscheidenheid aan dwanghandelingen, die echter wel alle naar een bepaald patroon wijzen.
Mijn overleden fantasy-verzamelaar bijvoorbeeld, heeft niet alleen in ieder boek een aantal vellen met aanvullingen gelegd, maar zodra er meer dan drie familieleden betrokken waren bij het plot, heeft de man een heuse stamboom uitgetekend. Samenvattingen zijn in de boeken gestoken, handgeschreven naamlijsten, recensies, vooraankondigingen en correcties. Wat nog het griezeligste hieraan is: de gestorvene heeft blijkbaar alles gelezen! Hij heeft drukken van hetzelfde werk met elkaar vergeleken! Als hij een bepaalde titel als pocketboek had, en er kwam een paperbackversie uit, dan verving hij het pocketje. Als er een gebonden uitgave bestond, schafte hij zich die aan.
Soms, als hij vond dat een boek niet logisch samengesteld was, rukte hij katernen los die hij dan in een andere volgorde legde. Ook voegde hij katernen van andere boeken toe om compleetheid te bereiken. Dat ging dan allemaal naar de binder en werd uniform (en bijzonder lelijk) ingebonden.
Een volstrekt monomane vent, derhalve, iemand die voor mij totaal onbegrijpelijk is. Ik bedoel: het zijn toch alleen maar (vaak puur slechte) vertalingen van Engelse en Duitse fantasy? Wat een tijd, geld en energie moet deze man besteed hebben aan iets zo triviaals! En toen ging hij dood. En wilden zijn nabestaanden af van al die fantasy-meuk.

Wat ben ik dan blij dat ik niets verzamel.
(Nu ja, op mijn harde schijf vol muziek na, natuurlijk.)
(Oh, en een tweede harde schijf met televisie- en radioprogramma’s van de BBC. Maar dat is echt alles.)
(Oh, OK: en ook nog een harde schijf met e-books.)

HELP!

woensdag 28 november 2012

Ballade van de gestorven jeugd

Ik weet ik heb mijn jeugd te vaak gezien
als iets dat altijd met me mee zou groeien,
dat radeloos beroerd kon zijn misschien,
maar toch na korte tijd weer op kon bloeien,
dat levenslang daar was, zonder vermoeien.
Ik wist dat zij kon grienen van verdriet,
en dat zij soms van hoge koorts kon gloeien,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

Een deel van wat je wordt komt als een gift,
een boek, wat liederen, en wat gebaren.
Alsof een fijne kam het leven zift
en weet wat nodig is om te bewaren.
Na meer dan tweeëntwintig levensjaren
is dat vooral wat rest in mijn vergiet.
Ze zat wel vol met littekens en blaren,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

Mijn kinderen zijn zo oud nu als mijn jeugd,
en hebben net hun eigen jeugd gevonden.
Ze zijn er blij mee en dat doet me deugd.
Het lot heeft iemand als mijn gids gezonden.
't Is goed met hem zo hecht te zijn verbonden:
die dichter en zijn jonge, wijze lied.
Ze had natuurlijk altijd wel wat wonden,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

Principes leg ik langzaam naast me neer:
ik laat me steeds meer door gevoelens leiden:
een kind onder een dikke laag meneer.
Geen mens wil immers van zijn jeugd ooit scheiden
met zoveel ouderdom nog in het verschiet.
Ik wist dat zij verschrikkelijk kon lijden,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

(Deze liedtekst heb ik tien jaar geleden naar aanleiding van de dood van Lennaert Nijgh voor mijn zingende vriend Jan-Paul geschreven, die er onmiddellijk prachtige muziek bij heeft gecomponeerd.)

woensdag 21 november 2012

Oprechte ontroering

Ik merk dat ik, nu ik midden vijftig ben, veel minder gemakkelijk oprechte ontroering in mezelf kan opwekken dan, pakweg toen ik in de twintig was. Ik geloof niet dat ik in zijn algemeenheid hier iets wereldschokkends te berde breng – de meeste mensen zullen hun soms wat naïeve verbazing van weleer met het klimmen der jaren hebben afgelegd en ingeruild voor een regenbestendig laagje van wat straffer materiaal. Bij mij heeft een hoge dosis ironie mijn in wezen pessimistische wereldkijk verrijkt. Of mogelijkerwijze verarmd, want gelukkiger ben ik er niet door geworden, ook al heeft die geharnaste ironie me bepaald nogal eens voor ondoordachte en fatale impulsen behoed.
Wel schiet ik tegenwoordig veel gemakkelijker vol dan vroeger, maar is dat eigenlijk wel het gevolg van een oprechte emotie? Neen, ik vrees dat dit verschijnsel meer met sentimentaliteit te maken heeft dan met ontroering, vals dus en wat mij betreft eerder onoprecht, een conditionering misschien, die ik mezelf onbewust opgelegd heb. In sentimentaliteit is mijn persoon als het ware niet gelijkwaardig aan de emotie. In ontroering wel. Oprechte ontroering kan ik als gelijkwaardige in de ogen zien.
Wat voor zaken hebben me in het verleden ontroerd tot het pijn deed? Kunst en poëzie vanzelfsprekend, maar ook natuur. Architectuur, literatuur (Russische!) en muziek. Steeds doorzoekend, niet wild alle kanten uit, maar in langzaam wijder wordende spiralen cirkelend om wat ik als mijn eigen kern begon te beschouwen, geraakte ik van ontroering naar ontroering. Ach er was zoveel te ontdekken en eigen te maken.
In mijn geheugen gegrift is het moment dat ik voor het eerst de schilderijen van Botticelli en Ghirlandajo in het echt zag, of in Gent Het Lam Gods van de broers van Eyck. Of Montmartre, het Comomeer vanuit Bellagio, het Evoluon, Victoria Station, de Drachenfels.
Dat vermogen tot emotie is kwijt, verloren geraakt, een herinnering geworden, waar ik heimwee naar heb. De laatste tijd steeds meer.
Het was met dergelijke overpeinzingen dat ik, vergezeld van mijn lief, de tentoonstelling De weg naar van Eyck ging bezoeken, in het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. Eens kijken of er iets terug kon keren van de verbaasde jongeman die ik ooit was.
We gingen vroeg, tevergeefs, om de grootste drukte voor te blijven. Bij dit soort groots aangepakte tentoonstellingen valt me telkens weer op hoe onbeschoft de gemiddelde museumganger en –gangster is. Terwijl je staat te kijken op pakweg anderhalve meter afstand, schuift het beeldendekunstentuig rustig voor je, om hunne snufferds bijkans ín de verf te steken, daarbij duwend en ellebogend alsof we bij een gaarkeuken in oorlogstijd staan. Nu heb ik zelf ook grote moeite met de details van deze, overwegend zeer kleine schilderstukjes, en ook ik moet mijn bril afzetten en op een decimeter afstand gaan staan turen om iets te kunnen zien, maar ík controleer wel eerst of er niet nog iemand anders staat te kijken.
Waar ik ook niet aan gedacht had, was het feit dat dergelijke toptentoonstellingen natuurlijk in de sfeerloze nieuwe vleugel gehouden worden. Geen plek voor al te diepe ontroering.
En dan was er het verschijnsel van de smart-phones. Als trotse bezitter van een ouderwetsche vaste telefoonaansluiting en mijn broekzakken heerlijk leeg van mobieltjes, was ik er niet van op de hoogte dat de audiovisuele tour tegenwoordig via dit onplezierige medium plaatsvindt. Menigmaal kon het gebeuren dat een bezoeker er de voorkeur aan gaf om het besproken kunstwerk via hun treurige lcd-schermpje te bekijken, in plaats van in het echies.
Uiteindelijk was de tentoonstelling ondanks alles wel degelijk een goed opgebouwd betoog  geworden van de samensteller, Friso Lammertse, die glashelder liet zien hoe de cultuur van de vroege 15e eeuw logischerwijze moest leiden naar de nieuwe esthetiek van van Eyck, wiens te weinige tentoongestelde werken op spectaculaire wijze superieur waren aan dat wat eraan vooraf gegaan was. Niettemin vond ik het jammer dat in het kunsthistorisch betoog de vent van Eyck niet echt een kop kreeg: hij bleef een mysterieus en ongrijpbaar silhouet.
Geen spoortje van ontroering bij de Dwarse Man, overigens. Jammer, maar we blijven proberen.

zaterdag 10 november 2012

Growing old disgracefully

Natuurlijk, iedereen wordt ouder. En het is eigenlijk niet fair om daar al teveel aandacht aan te besteden. Maar voor iemand die is opgegroeid onder begeleiding van gevallen engelen en magische sjamanen met lange, wapperende haren, is het toch wel even slikken bij het aanschouwen van de teloorgang van sommige van die jeugdidolen. Een van de bekendste en meteen meest tragische, is misschien wel Syd Barrett, de onfortuinlijke eerste leider van Pink Floyd, wiens aangeboren instabiliteit, in combinatie met LSD, van hem in hoog tempo een wrak maakte. Huiver nog maar een keer mee:
Iemand die nog veel meer mijn vormingsjaren kleur heeft gegeven was Pete Sinfield, de jongen die met zijn (ondertussen wat mij betreft wel voor 95 % als reddeloze kitsch doorgeprikte) songteksten een vreemd, intellectueel en quasi-psychedelisch kunstgroepje, genaamd Giles, Giles & Fripp, omvormde tot de ultieme progressive-rock-mastodont King Crimson. Als je goed kijkt zie je dat hij eigenlijk niet eens zo vreselijk veel veranderd is: die ogen, die neus.
Net weer een nieuwe dubbel-CD, waar de fans zich van zijn doodgeschrokken (nummers van een half uur!). 'Vroeger al geen mooie jongen,' vindt de huisgenote. Ik weet dat zo net nog niet: met zijn lange, vette haar, prominente bakkebaarden en priemende ogen was hij beslist wel een soort archetype voor ons would-be hippies. Neil Young:
Voor mij zal Fleetwood Mac tot in de eeuwigheid een bluesband blijven, zonder Amerikaanse dames of gelikte liedjes. De leider van de enige echte Fleetwood Mac was en is Peter Green, en ook hij heeft het niet makkelijk gehad. Door een soort van godsdienstwaanzin getroffen, besloot hij dat de band al het verdiende geld aan ideële doelen moest schenken. Exit Peter Green.
Ik heb, veel later, nog ooit een documentaire gezien waarin hij vereenzaamd en ietwat vervuild achter altijd gesloten gordijnen in een rijtjeshuisje woonde, met nagels van vijf centimeter lang. Er was, vertelde hij, geen gitaar in het huis te vinden. Maar hij zou toch, als het mocht, graag nog eens met Fleetwood Mac spelen.
Tegenwoordig gaat het weer veel beter met hem en hij speelt weer de blues.
Was het dan alleen deze generatie die zich te buiten ging aan allerlei slechts en aldus hun verouderingsproces met groot enthousiasme een handje hielpen? Nee. Natuurlijk niet. Kijk eens wat een leven van seks, drugs en rock 'n roll heeft gedaan met David Lee Roth, ooit de vitale blonde god van hardrockband Van Halen. Deze vind ik persoonlijk de meest angstaanjagende van allemaal! Deze transformatie is zo verontrustend, dat het geruchtencircuit over allerlei mogelijke vreselijke degeneratieziektes rept, maar daar wordt officieel helemaal niets van bevestigd. Die argwaan in zijn ogen - kan die van iets anders gekomen zijn dan van de witte sloper?
En toch, het hoeft echt niet altijd zo dramatisch te verlopen. Laten we positief eindigen. Wie herinnert zich nog Arlo Guthrie, de zoon van folk-held Woodie Guthrie? Arlo werd bekend met de LP Alice's Restaurant en hij vormde een rustpunt in het tumult van Woodstock.
Ik moet toegeven dat zijn stijl van ouder worden nou ook bepaald niet de mijne zou zijn, maar niettemin: thumbs up, Arlo! Goed gedaan! LOL!