dinsdag 11 november 2014

Kosjer

Deze keer hadden we een hotel in Antwerpen geboekt pal tegenover het majestueuze Centraal Station. Zodoende bevonden we ons in een wel zeer kleurrijk gedeelte van de stad: recht voor ons torende in de verrassend milde late oktoberzon deze kathedraal van het moderne treinvervoer hoog boven ons uit, daarachter en ertegenaan gebouwd lag de negentiende-eeuwse dierentuin, links de kleine Chinese buurt en achter onze rug, ten slotte, strekte zich de diamantenwijk uit, waar de chassidische joden als buitenaardse wezens bedrijvig door Antwerpens straten beenden. Traditioneel is de handel in diamanten een joodse bedrijfstak, vroeger nog veel meer dan tegenwoordig.

Een oudere man liep in zijn eigen gedachten verzonken door een uitbundig glinsterende straat. Tientallen juwelierszaakjes schetterden ons hun met LED-lampjes aangezette rijkdom tegemoet. Het contrast tussen de man en zijn lichtgevende omgeving kon niet groter zijn. Hij had een lange, grijze baard. Zijn bril ging half verborgen onder de rand van een grote, nogal houterige en heel hoog, bijkans op het achterhoofd balancerende, zwarte hoed. Twee lange pijpenkrullen (later leerde ik dat die payots heten) van donkerrossig haar hingen langs zijn oren naar beneden. Hij droeg een halflange, zwarte jas, een zogenaamde kapoteh, zware zwarte schoenen en lange, zwarte kousen die in ieder geval tot zijn kuiten doorgingen. Vanonder zijn jas kwam hier en daar wat franje tevoorschijn van een lichtgekleurd gebedskleed, een tzitzit, zoals wikipedia me later uitlegde.
Ik merkte tegen Jenet op dat ik zo iemand alleen maar kon zien als een alien, zoals vrouwen in een Niqab bij mij ook altijd, meer nog dan aversie of wrevel, vooral een heel directe vervreemding opwekken. Alsof ik in een space-adventure van Jack Vance terechtgekomen was.
Jenet wilde daar niets van weten. ‘Het zijn gewoon mensen,’ merkte ze correct op.
In één adem overspeelde ze, in mijn ogen althans, meteen daarop haar hand door voort te gaan met: ‘het vreemde zit alleen maar in jouw hoofd.’
Kijk, daar was ík dan weer niet zo heel zeker van.

In de Lange Kievitstraat is Hoffy’s gevestigd, een Jiddisch eethuisje, dat genoemd is naar de uitbaters, de drie gebroeders Hoffmann, geboren en getogen Antwerpenaren van Oost-Europese afkomst. En het is niet zomaar een tentje, bleek: ‘Het enige echte Jiddische restaurant van Europa, zelfs in New York kunnen ze niet tippen aan Hoffy’s’, schrijft Claudia Roden, auteur van het boek De Joodse keuken, 800 authentieke recepten uit de diaspora.
Amaai! Dat is nogal wat!

De prijzen bleken er heel redelijk te zijn en het was ook nog eens om de hoek bij het hotel, dus natuurlijk reserveerden we er, ondanks dat het er van de buitenkant niet uitgesproken gezellig uitzag. Het voorstuk van het restaurant is namelijk een uitgebreid afhaalcafetaria en rond etenstijd zie je er vele in het zwart geklede mannen hun maaltijd samenstellen uit de diverse tentoongestelde lekkernijen. Een enkele eet het ter plaatse op, schuw in zichzelf gekeerd, enigszins woedend het voedsel wegwerkend alsof eten eigenlijk een schaamtevolle bezigheid was. Heel snel ook: binnen twintig minuten heeft zo iemand een complete maaltijd op.

Wij kregen daarentegen een tafeltje verder achterin en mochten gelukkig aanzienlijk langer doen over het avondmaal.
Ik zal niet te veel gaan uitweiden over het eten: het was heel lekker, gevarieerd en verrassend subtiel. Bietensalade met mierikswortel, gefilte fish, quichke, wat een soort Poolse rösti blijkt te zijn, of kalfsgehakt in aubergine. Alles uiteraard strikt kosjer. Een aanrader.

Na het voorgerecht kwam de middelste van de drie broers Hoffman, Yumi (een koosnaampje voor Benjamin), bij onze tafels zitten voor een praatje. Of preciezer: een les. Hij was dun, nerveus en ouwelijk, maar zijn oogjes glinsterden met een mengsel van humor en serieuze luciditeit. Hij droeg zijn traditioneel joodse grijs/bruine werkjas, een Rekel. Zijn linkerbeen leidde een eigen leven en begon om de haverklap te shaken. Een keppeltje zat enigszins scheef op de beginnende kaalheid van zijn hoofd. Hij combineerde een sappig Antwerps accent met de lispel die je traditioneel bij het Jiddisch verwacht. Geroutineerd legde hij iets uit omtrent de kasjroet, de set van 613 spijswetten zoals die in de Torah opgetekend staan. Hij legde uit wat het woord kosjer betekent (“rein”) en noemde zoal wat diersoorten op die wel, een paar andere die juist niet rein waren. Dat het varken niet deugt, wisten we wel. Maar vissen moeten per se schubben en vinnen hebben, anders mogen ze niet. Insecten mogen niet, met uitzondering van sprinkhanen dan weer. Evenhoevig vee mag wel, maar kamelen daarentegen weer niet. Wijn moet altijd onder rabinaal toezicht vervaardigd zijn. Oi ve!

Wat een uitgebreide verzameling spijswetten! Sommige zijn zo gecompliceerd dat je je gaat afvragen of ze niet op een of andere misinterpretatie van de Torah gebaseerd zouden kunnen zijn. Eén van de kernwetten, namelijk dat je geen vlees- en zuivelgerecht mag combineren is bijvoorbeeld terug te voeren op Deuteronomium 14:21 en Exodus 23:19, waarin staat dat het verboden is een geitje te koken in de melk van zijn moeder. Een dergelijke wet kun je, dunkt me, heel specifiek interpreteren, of juist heel breed generaliseren. De Chassidim hebben duidelijk voor het laatste gekozen, zodat je minimaal zes uur moet wachten voordat je na de ene, van de andere soort spijzen mag eten. De uiterste consequentie is dat ieder goed joods huishouden beschikt over minimaal twee keukens: één voor de bereiding van vlees, en één voor die van zuivel. Ieder jaar verschijnt de nieuwe kasjroetlijst van producten die wel, of juist niet gebruikt mogen worden, en dat gaat heel ver: sommige M & M’s mogen niet omdat daar een kleurstof op basis van druiven in verwerkt is, bepaalde kaaskoekjes mogen wel, omdat er helemaal geen zuivel in verwerkt is!

Het ging mij, als niet-gelovige, wel wat erg ver en ik begon te broeden op iets. Maar voordat ik de kans kreeg, beet Jenet me toe: ‘Jij gaat hier niet om een ham/kaas tosti vragen, heb je dat begrepen?’ Ze kent me.

Yumi legt uit
Het grote gezelschap naast ons was openlijker nieuwsgierig dan wij en bestookte de kleine restauranthouder met vragen.
‘Maar waarom al die ingewikkelde spijswetten?’ vroeg de meest inquisitieve van de vrouwen. Yumi weifelde geen seconde.
‘Waarom? Omdat het zo gesjreven staat!’
Dat accepteerde ze meteen, maar…
‘Waarom sta da zo geschreven? Waarom wel de ene vis en niet de andere? Wat is de reden daarachter?’ Yumi haalde gelaten zijn schouders op.
‘Denkt u dat wij da ons niet ook allemaal nie afvragen? Iedere dag, in de sjoel, tijdens de Torah-klas, vragen we voortdurend: “waarom toch?” Nooit krijgen we antwoord, maar toch doen we het zo, al vele eeuwen lang, omdat het zo gesjreven staat.’
‘Ik zou altijd een reden willen weten.’
‘Mevrouw, mag ik vragen: eet u kat?’
Vet Vlaams knorde ze: ‘Neu’
‘Voilà.’
‘Ik eet ook geen hond, maar dat is uit vrije wil. Da hebbekik zelf beslist.’
Je zag aan Yumi dat hij beet had. Hij keek nog een keer nerveus om zich heen, zijn linkerbeen begon weer te shaken, en met iets van linkheid in zijn stem vroeg hij onschuldig: ‘Waarom nie?’
‘Nu ja, da doe man nie, eh?’
Yumi herhaalde zijn vraag: ‘Waarom nie?’
De vrouw bleef even stil. Yumi vervolgde: ‘U doe da nie omdat de andere mensjen da nie doen. Omdat u geleerd is om da nie te doen.’
Hij had deze discussie ontelbare malen gevoerd, dat kon je aan alles horen. En was keer op keer als triomfator tevoorschijn gekomen, dat kon je aan alles zien.

Hij moest weg. Hartelijk begroette hij ons, met nog een kwinkslag hier en een zenuwachtig knipoogje daar, en hij verdween naar de keuken. Een paar minuten later was hij terug voor een definitief afscheid. Nu droeg ook hij de traditionele zwartzijden jas, de zwarte hoge hoed op het achterhoofd en een prominente pijpenkrul rolde voor zijn oor langs. Die had hij kennelijk tijdens werktijd achter dat oor geklemd gehouden.

Dat was Yumi. Dat was Hoffy’s. Volgende keer komen we weer eten.

Vrijdagavond en de hele zaterdag gesloten, natuurlijk.

zondag 26 oktober 2014

Opgeruimd staat netjes

Ik graaf een diepe kuil, net buiten
mijn tuinpad, midden in mijn buiten.
Ik klim de kuil in en daar beneden
graaf ik nog een diepe kuil. De kuil
in de kuil hol ik uit met een lepel.
 
Ik doe een vreemd gedicht in een doosje.
Dat doosje doe ik dicht en daarna wacht ik
een poosje. Dan gaat het doosje in een blik
en na een korte plechtigheid duw ik
met een berkentak het blikje in het gat
 
dat ik boorde in de kuil in de kuil,
en onder luidkeels wolvengehuil
druk ik het gat dicht, vul ik de kuil,
en daarna ook de kuil en stamp ik tevreden
de nieuwe oude grond aan. Ziezo.
 

zaterdag 23 augustus 2014

Mijn eerste echte brouillage

Jan Ranke 1913-2012
In de late zestiger, vroege zeventiger jaren waren mijn schoolvrienden en ik heel “kritisch”. Dat moesten we wel zijn, het was er de tijd voor.

Het betekende dat we, met een zware Javaanse Jongens in de mondhoek, onze Ban-de-bom buttons in de revers en ons Rode boekje voor scholieren in onze groene legerpukkel, over alles en iedereen een oordeel dienden te hebben. Over muziek natuurlijk, omdat iedereen wel eens wat gehoord had, maar ook over boeken en bier, shagmerken en over de boven ons gestelden: politici, ouders, docenten.

Middelbare schooldocenten had je in verscheidene soorten: velen waren gemakkelijk te plaatsen: het waren simpelweg fascisten. De leraar biologie die een anti-roken-foldertje verspreidde van dokter Meinsma was de ergste (Meinsma was natuurlijk zelf ook een fascist), maar ook de leraar natuurkunde die tevens Jehova’s-getuige was, deugde van geen kant.

Dan was er een redelijk grote groep idioten. Deze leraren tolereerde je, maar meer ook niet. Hun namen mochten meteen weer vergeten worden. Ze waren kennisoverdrachtapparaatjes zonder persoon of verleden.

Een paar jonge docenten waren “good guys”: ze hadden lang haar en droegen spijkerjasjes. Ik heb geen idee of ze ook goede docenten waren, daar ging het ook niet om.

En ten slotte waren er de ietwat mysterieuze, vreemd imponerende docenten met een geschiedenis, een verhaal, een onaanraakbare eigenschap die hen kon maken tot een soort cultsucces, een underground hit. Die ene gewelddadige docent Frans (type Jan Cremer meets Jacques Dutronc) van wie beweerd werd dat hij in de vroege vijftiger jaren op de motor naar Parijs was getrokken, waar hij in een kwade mescalinetrip terecht gekomen was. Of de lerares Engels (type Dame Maggie Smith, maar dan met dwerggroei) die een onzegbaar leed in haar gezicht droeg en een vreselijke misvorming aan haar rug meetorste, niettemin recentelijk getrouwd was en daarna niet alleen meer bloedbevriezend angstaanjagend, maar tegelijkertijd, door haar recent gevonden levensgeluk lief en knuffelbaar geworden. Het paradoxale trok ons aan: zo werd zij een van de meer exquise smaaksensaties in de opstandige hippie-esthetiek. De fans van dergelijke docenten vormden kleine mini-groepjes in de complexe sociologie van “kritische”, “linkse”, zestienjarige scholieren.

Mijn favoriete docent was Jan Ranke, leraar Nederlands en geschiedenis. In de eerste klas hadden we een leraar geschiedenis gehad die in het jappenkamp gezeten had en een jaar lang niets anders deed dan, zo breedsprakig mogelijk, daar herinneringen over ophalen. Zijn onderwijsopdracht was de geschiedenis van de vroegste tijden tot 1500, maar hij was blijven steken bij Julius Caesar. Als hij een proefwerk gaf was het aan te raden om minstens drie foliobladen te vullen met gebabbel, want zijn vragen hadden de vorm: “Vertel alles wat je weet over de volksverhuizing”. Krabbels in de marge werden door hem even nauwkeurig gescrutiniseerd als al het andere geschrevene. Hoe meer je neerpende, hoe hoger je cijfer werd.

Toen het jaar daarna Ranke het van hem overnam als leraar geschiedenis, haalde bijna de hele klas bij het eerste proefwerk collectief een 1. Jan Ranke hield namelijk van korte, precieze antwoorden en al dat gezwets stond hem intens tegen. Veel later ontdekte ik dat hij een fan was van Cioran en Chamfort, lancetscherpe aforisten met een diep-pessimistische levenshouding.  

Hij had de gewoonte om zijn meer getalenteerde ex-leerlingen, tot wie hij kennelijk mij rekende, bij hem thuis uit te nodigen voor middagjes praten en thee drinken. Ik vertelde van mijn toekomstverwachtingen, hij van zijn herinneringen. We bespraken de muziek (‘Mozart. Boven alles uit stijgt Mozart, maar je moet ouder zijn, en meer levenservaring hebben opgedaan om dat werkelijk diep na te kunnen voelen.’ Ik hield het voorlopig nog maar bij Jethro Tull.)

Wie hij was en waar hij vandaan kwam wist niemand. Hij zou een ex-Jezuïet zijn, hij zou  homo zijn. Tijdens mijn bezoekjes praatten we over alles, maar nooit over hemzelf. Als hij vertelde dat hij in de dertiger jaren zeer uitgebreid door Duitsland gewandeld had, bleef het daarbij. Met geen woord werd gerept over zijn relatie tot dat land met zijn ongelukkige ideologische situatie. Nu ja, gaf hij toe, je merkte er niet veel van. Op het platteland en tussen de heuvelen regeerde Eichendorff alsof de wereld niet in brand stond. Hij had een keer een speech van Hitler bijgewoond en was diep onder de indruk geweest van de dreiging die uitging van een goed gedrilde massa. ‘Iets om doodsbang voor te zijn.’ Maar waar in deze situatie zijn eigen engagement was, bleef verborgen.

Jan Ranke woonde in een bijzonder pand: in 1652 deed Joost van de Vondel zijn zaak in de Warmoesstraat over aan zijn zoon en verhuisde hij met zijn dochter Anna naar de Prinsengracht, ongeveer ter hoogte van de Beerenstraat. Dat smalle pand, met zijn steile trappen en donkere alkoven, is waar Ranke zijn favoriete leerlingen ontving. Nog tijdens de periode dat ik contact met hem onderhield, verhuisde Ranke naar een ruimer en gelijkvloers pand aan de Singel, schuin tegenover het Multatuli-monument. Heel bizar volgde hij daarmee Vondel op diens schreden, want die verliet drie eeuwen eerder hetzelfde pand om ook aan de Singel te gaan wonen, slechts ongeveer honderd meter verderop, tegenover de toenmalige Warmoesgracht, later gedempt en opgegaan in de Raadhuisstraat. Daar stierf Vondel in 1679, 333 jaar voor Jan Ranke.

Mijn positie als bevoorrechte ex-leerling was ik plotseling kwijt. Ergens in de tachtiger jaren belde ik hem weer eens op om een afspraak te maken zoals ik dat al vaker gedaan had, telkens om het half jaar ongeveer, maar het kwam er deze keer niet van. ‘Ik denk dat we beter kunnen stoppen met onze ontmoetingen,’ zei hij. Ik dacht dat ik hem verkeerd verstaan had, maar nee: we waren blijkbaar gebrouilleerd. Ik begreep er niets van. ‘Maar waarom dan?’ Het bleef even stil en toen: ‘Dat weet je best.’ Ik wist van niets en bleef doorvragen. Jan Ranke weigerde uitleg. ‘Maar er moet sprake zijn van een misverstand,’ hield ik vol, bijna in tranen. Tevergeefs. Nee, het was geen misverstand en ik wist best hoezeer ik hem gekwetst had, de vorige keer, en als ik dat niet wist dan maakte dat het alleen nog maar erger.

E. M. Cioran
Ik heb nadien vaak gepiekerd over wat toch de vervreemding zou hebben kunnen veroorzaken, maar officieel ben ik er nog steeds niet uit. Het vorige bezoekje was als alle andere verlopen, en er was niet één onvertogen woord gevallen. Hij had me hartelijk tot ziens gewenst en dat was dat. Pas veel later bedacht ik toch iets dat misschien, heel misschien de oorzaak van alles geweest kon zijn. Tijdens mijn laatste bezoekje waren we komen te praten over Cioran en Céline, twee van Ranke’s favoriete Franse schrijvers en twee schrijvers die met hun pikzwarte, van ieder humanisme ontdane wereldvisie en schrijfstijl bij mij juist afkeer inboezemden (en nog steeds inboezemen). Ik zal die mening zonder twijfel gepassioneerd kenbaar hebben gemaakt. Ik weet dat ik letterlijk gezegd heb dat ik niet kon begrijpen hoe mensen troost of plezier uit Cioran konden putten. Dat zou hem geweest kunnen zijn, denk ik achteraf, de dodelijke belediging. Enfin, hoe dan ook, Jan Ranke en ik waren gebrouilleerd. Hij was al in de zeventig, ik vijfentwintig. Ik heb hem daarna nooit meer ontmoet.

Als ik in Amsterdam de brede brug voor zijn huis aan de Singel overstak, dacht ik steevast: ‘Daar heeft Jan Ranke vroeger gewoond.’ Ik vergiste me, want hij woonde er nog steeds. Hij overleed pas in 2012, negenennegentig jaar oud.

dinsdag 12 augustus 2014

Ik weet het niet



In de jaren negentig was ik bevriend met twee Servische immigranten. Natasja en Dragomir waren jaren eerder het afbrokkelende communisme van Tito’s Joegoslavië ontvlucht en hadden zich in Den Haag gevestigd. Tasja was tolk-vertaler bij Vreemdelingenzaken en hielp op die manier de vele vluchtelingen van de Balkanoorlog aan een plek in een Nederlands opvangtraject. Dragan was kunstenaar: met emmers en schalen vol gekleurde steentjes om zich heen bouwde hij mozaïeken op klassieke Griekse en Romeinse thema’s. Ze woonden in een tot woon/werkcentrum omgebouwde school, nabij station Hollands Spoor, samen met andere kunstenaars, exploitanten van kleine importbureautjes en creatieve ondernemers. Ze hadden een dochtertje. Het waren de aardigste en meest gastvrije mensen die ik kende. Ik kwam er graag. Dragan was onvermoeibaar in het stoeien met zijn dochter en mijn zoon, zodat we daar even geen omkijken naar hadden. Ze woonden in het voormalige gymlokaal en de touwen en ringen hingen midden in de huiskamer.
Een uit Servië meegenomen fles thuisgestookte Slivovitsj werd geopend en de verhalen kwamen. Hoe Dragan in militaire dienst bij temperaturen van min twintig boven op een berg had moeten surveilleren, wat hij zo intens haatte dat hij weg moest, zonder meer weg! Hoe ze hun geluk in de Nederlandse regeringsstad gevonden hadden, hoe vooral Tasja zoveel mogelijk wilde doen voor de slachtoffers van de Balkanoorlog die het tot Nederland gered hadden. Een schaaltje lokale gerechten werd op het salontafeltje gezet, de slivovitsj werd nog eens bijgeschonken.
Onherroepelijk kwam het gesprek dan op die vreselijke oorlog, die alle voormalige Joegoslaven tegen elkaar opgezet had. Tasja en Dragan treurden om alle slachtoffers, Serviërs, Kroaten of Bosniërs. Het deed ze zichtbaar pijn. Maar wat hen het meeste pijn deed was het oordeel dat er over hen, Serviërs, geveld was door de rest van de wereld.
‘Nu worden wij afgeschilderd als moordenaars en verkrachters, nu hebben wij het ineens allemaal gedaan.’
Terwijl er in een oorlog nooit alleen maar goede en slechte partijen zijn. Tasja had een verontwaardigde trilling in haar stem wanneer ze zei: ‘De oorlogsmisdaden van de Serviërs zijn zeker begaan, en moeten berecht worden, maar waarom worden die van de Kroaten en de Kosovaren door de media genegeerd?’
‘Propaganda,’ bromde Dragan dan. ‘De waarheid komt het Westen niet goed uit.’ Duidelijke vrienden en vijanden, dat heeft het Westen nodig, betoogde hij. 
Voor één partij in de oorlog hadden de twee geen goed woord over. De grootste boeven van allemaal waren de Kosovaren. ‘Oh, die arme arme Kosovaren!’ schamperde Dragan. Tasja verduidelijkte: ‘De staat Kosovo,’ ze sprak het uit als “Káswe”, ‘waar nu zo hartstochtelijk voor gevochten wordt, bestaat niet, heeft nooit bestaan en zal nooit bestaan. Kosovo hoort tot de alleroudste kern van Servië, de Slag van Kosovo Polje is een ijkpunt in de Servische geschiedenis, zoiets als de Slag bij Nieuwpoort hier. Nooit was Kosovo een autonome staat: voor die slag niet, en in de vele eeuwen erna niet. En de Kosovaren bestaan ook niet, ze zijn een mengelmoes van volken die nu uit opportunisme zogenaamd één volk vormen en de wereldopinie tegen ons ophitsen.’
‘Laat me niet lachen,’ snoof Dragan honend.
Ik moest bekennen dat ik dat allemaal niet geweten had, toen ik mijn mening over de Balkanoorlog gevormd had.
‘Zo gaat het altijd,’ zei Dragan, ‘de politiek heeft zijn eigen doeleinden en bestempelt de ene partij als boeven, de andere als engelen. De media springen erop in en roepen dingen die op zijn best verkeerd geïnformeerd, maar meestal gewoon simpelweg leugens zijn. Propagandamachines versterken het beeld.’
Tasja viel hem bij: ‘En als je dan hier in het Westen een wat nuchterder standpunt probeert in te nemen dan de zogenaamde communis opinio, word je zelf een paria. De waarheid is grondig afgegrendeld en contact met de waarheid besmet je, dus is het wel zo gemakkelijk om de publieke opinie te volgen en met de wolven mee te huilen. Dus: Serviërs zijn moordenaars, Kroaten en Kosovaren engeltjes.’
Ik, als goed geïnformeerde westerling, wist niets! Zoveel was duidelijk: het was aanmatigend en dom van me geweest om, zonder zeker vier jaar van intense studie, over het Balkanconflict een mening te hebben. Deze mensen, deze Dragan en Tasja, zij waren geen monsters, verkrachters, fascisten. Ze waren aardige, vredelievende, goede mensen. Mijn soort mensen. Hun mening telde.
Natuurlijk kon alles wat zij me vertelden ook uit een propagandamachine gekomen zijn, natuurlijk kon hun kijk op de situatie al evenzeer vertroebeld zijn door propaganda, chauvinisme of domheid, maar daar ging het me niet meer om. Zolang je niet de absolute, objectieve waarheid kent over iets zo complex als een slepende burgeroorlog met vele partijen en tientallen agenda’s, met een geschiedenis die in de twaalfde eeuw al begonnen was, kun je beter zwijgen. Toen ik mijn oordeel gevormd had, ik die zich toch als een redelijk goed geïnformeerde westerse “intellectueel” beschouwde, bleek ik totaal niets te begrijpen van de situatie. Op zo’n moment ben je eigenlijk verplicht je mening op te schorten. Dat was de les die de gesprekken met Tasja en Dragan me leerden. Ongeacht of het allemaal waar was wat zij te vertellen hadden, dat wat ik links en rechts over de Balkanoorlog te horen had gekregen was altijd, welhaast bij definitie, onwaar, onvolledig en gekleurd geweest.
Dát inzicht is het geweest dat me ertoe gebracht heeft, voortaan geen mening meer te hebben over Israel en Gaza, Oekraïne en seperatisten, Egypte en Libië en Syrië en wat dan ook.
Zolang we niet alles weten, hebben we niet de plicht een mening te vormen. En persoonlijk zou ik dat zelfs willen uitbreiden naar: hebben we de plicht geen mening te vormen.
En een ding is zeker: we zullen nooit alles weten. In het tijdperk van de social media is disinformatie wijder verbreid dan ooit.
Daarom, bij deze: Ik weet het niet.

dinsdag 3 juni 2014

Aan de vooravond van de wedstrijd

Veins lichtheid, tobber, lijk gezellig mee te doen,
zet op je hoofd een kroon van opgeblazen rubber.
Lijk mee te zwenken met de vlucht, ontstijg aan blubber
en juich. Want vast wordt iemand wel weer kampioen.

zondag 25 mei 2014

Picnic PS

Ik heb een tijd geleden iets geschreven over de foto "Picnic" van Lee Miller, en over het feit dat er een tegenstuk bleek te bestaan, een foto genomen door Roland Penrose, Lee's toenmalige levensgezel.
Vandaag, toen ik iets heel anders aan het zoeken was, stuitte ik plotseling op nog weer een andere foto, eveneens door Penrose genomen. Hier is hij:


Deze is duidelijk als eerste genomen: Ady is weliswaar reeds topless, maar dat schijnt haar natuurlijke dracht geweest te zijn. De andere twee dames hebben hun jurkjes nog aan. De stemming zit er goed in.
Er wordt opgediend. Maar door wie? Als de foto gemaakt is door Roland Penrose, wie is dan de man in hemd, de zevende betrokkene? De eigenaar van de tuin, Picasso?
Het blijft me fascineren.

(20-9-2015: zie ook hier)

zaterdag 10 mei 2014

Rhinocratische eden

Nadat zijn tweede vrouw was overleden, leek het wel of Percy Rawlinson steeds meer tijd ging doorbrengen met zijn Duitse herder Ed. Zijn vrienden zeiden tegen hem: ‘Je zou er vaker uit moeten gaan, Percy, of je gaat nog op een hond lijken ha ha.’ Hij werd later gearresteerd nabij een lantaarnpaal. Tijdens het proces, een paar maanden later, verraste hij iedereen door een politieman met een postbode te verwarren en met zijn blote tanden zijn broek van hem af te scheuren. In zijn pleidooi vertelde hij het hof: ‘Het verschil is niet makkelijk te zien als ze hun pet hebben afgezet.’

Mevrouw Betty Trut speelde op haar trombone toen er op haar deur geklopt werd. ‘Ik vraag me af wie dat kan zijn, om 11 uur ’s ochtends,’ dacht ze en behoedzaam opende ze de deur. In plaats van een wildeman met een tulband, zoals ze had verwacht, zag ze een bijzonder aardige jongeman. ‘Mevrouw Trut, u hebt de auto-prijsvraag gewonnen. Wilt u een Triumph Spitfire of drieduizend pond handje-contantje?’ Ze glimlachte. Mevrouw Trut koos voor het geld. ‘Wat gaat u ermee doen, niet dat het mijn zaken zijn,’ giechelde hij. ‘Ik denk dat ik een alcoholist ga worden,’ zei Betty.

Met een geranium achter ieder oor en zijn gezicht beschilderd met kabbalistische homosymbolen, zag brigadier Geoff Bull, twee meter lang en 108 kilo zwaar, er behoorlijk overtuigend uit terwijl hij zich zwetend en grommend door een levenskrachtige twist-routine heenwerkte in het “Frug-A-Go-Go” bierhuis. Zijn stoere kamgaren broek flapte wild over zijn enorme plastic sandalen terwijl hij sprong en sprong en rondtolde in de richting van een langharige man. ‘Eh, neemt u me niet kwalijk, meneer, maar ik heb redenen om aan te nemen dat u me wat doet,’ zei hij zijdelings en op suggestieve toon. Als bij toverslag verschenen er tientallen wapenstokken die hem genadeloos ervan langs gaven. Arme Geoff, wat een buitenkans!

Hoezeer hij ook ruzies en andere onaangenaamheden haatte, vond Chris Hemd dat een en ander veel te ver was gegaan toen hij, teruggekeerd van een weekend in Clacton, ontdekte dat zijn buurman de enorme heg tussen hun tuinen had bijgeknipt in de vorm van een menselijk been. Ziedend en afgunstig greep Chris zijn tuinschaar en knipte zijn poedel bij in de vorm van een koffietafeltje. ’Die zit,’ dacht Chris, maar hij had het mis. De volgende woensdag had zijn buurman zijn woeste, tot zijn middel reikende haar geknipt en gepermanent in de vorm van de Queen Elisabeth en was gaan varen. Overal waar hij kwam riepen de mensen ‘Hoezee!’ Soms kún je gewoon niet winnen.

(Vivian Stanshall)