maandag 25 mei 2015

Groeistappen

In Het gat in de wereld heeft Benno Barnard het over “de sigaret die aan alle sigaretten voorafging”.

Ik was twaalf, heel misschien net dertien. Ik had mijn eerste pakje shag gekocht. Dat ik zou gaan roken was vanzelfsprekend, iedereen deed dat, einde zestiger jaren. Je in de fietsenkelder van de school vertonen zonder een pakje Zware van Nelle in het linkerborstzakje van je afgedragen spijkerjasje was volstrekt onbespreekbaar. Je rookte, of anders was je cool definitief naar de vaantjes...

Ik fietste met mijn buit naar een rozenplantsoen net buiten de invloedssfeer van familie en buren en, staande met de fiets tussen mijn knieën, opende ik mijn allereerste pakje shag. Ik bestudeerde de samengeperste plak tabak (helemaal niet zoals ik me dat voorgesteld had) en plukte er ten slotte wat draadjes uit. Dit leek wel te gaan lukken. Mijn met Mascotte vloei gedraaide debuutsjekkie had allerlei rare bulten, maar rook goed, zoals het hoorde: een kruidige lucht die achter in je neusholte een tintelende mengeling van spanning en knusheid opriep.

Ik stak het sjekkie aan en nam een tentatieve trek.

Ik had wel degelijk al eens wat gerookt, meestal trekjes van een Belinda die de vroegrijpe meisjes meenamen naar schoolfeestjes, maar ik was in het geheel niet voorbereid op de dramatische verschillen tussen dat lichte rokertje en het grote-meneren-werk van de weduwe Van Nelle. Ik verslikte me dus terstond en werd bekropen door een diep gevoel van schaamte, spijt en zinloosheid. Maar door die ellende en het gehoest heen begon allengs iets binnenin mijn hoofd te tintelen en ik begreep al snel dat ik nog niet klaar was met dat roken.

Wel leek het me een goed idee om de fiets even neer te zetten, en op een bankje te gaan zitten. Langzaam duizelig wordend bezag ik de wereld op een nieuwe manier. Eén van mijn maagdelijkheden was ik aan het kwijtraken en ik besefte dat ik aan het toetreden was tot een nieuwe kaste, en een stoere nog wel! Maar misschien kon ik het een volgende keer beter eens proberen met halfzware.

Toch fietste ik naar huis met een zeker gevoel van transcendentie, van overgang. Groeien gaat met momenten, realiseer ik me nu, en dit was zo’n moment.

Pas ruim dertig jaar later maakte ik de logisch daaropvolgende groeistap. In augustus 2000 stak ik mijn allerlaatste sjekkie op. 

maandag 27 april 2015

ALEXANDER SKRJABIN 1872-1915


Vandaag precies honderd jaar geleden, op 14 april 1915, stierf de Russische componist Alexander Nicolajevitsj Skrjabin (Moskou l872 - Moskou l915) aan de gevolgen van een bloedvergiftiging, veroorzaakt door een karbonkel aan zijn bovenlip.

Dat van die datum moet ik misschien even uitleggen. Langzamerhand waren de meeste Europese landen overgegaan van de Juliaanse, naar de veel preciezere Gregoriaanse kalender, met zijn schrikkeljaren. Rusland was een van de landen die daar een beetje bij achterbleven. Pas in 1918 volgde de overgang. Rusland was ondertussen 13 dagen achtergeraakt op de omgeving en de dag na 31 januari was dan ook 14 februari. Vertaald naar Gregoriaans, was Skrjabins sterfdatum dus 27 april 1915.

Alexander Skrjabin was de componist van een metafysische muziek die men, zoals de opera’s van Richard Wagner, "totaalkunst" zou kunnen noemen. Hij geloofde in de mediamieke vermogens van muziek. Met zijn verfijnde sensitiviteit trachtte hij het onuitspreekbare uit te drukken, terwijl anderzijds zijn intellectualisme hem ook tot een moeilijk te classificeren theoreticus maakte.
 
Nicojaj Zverev met zijn studenten.
Tweede van links Skrjabin, vierde van rechts Rachmaninov
De gangbare benaderingswijze van deze componist is om zijn werk in drie fasen in te delen. Zijn eerste periode wordt dan gekenmerkt door een briljante, enigszins aan Frédéric Chopin herinnerende "salonstijl", waaruit de componist echter al heel gauw tevoorschijn komt als iemand met zijn unieke, eigen klank en ideeën. Enerzijds is Skrjabins pianomuziek stevig in de traditie gefundeerd, maar anderzijds breidt hij die traditie uit tot ver voorbij de op dat moment geldende grenzen. Hoewel nog lang de echo's zijn te horen van de middennegentiende-eeuwse pianotraditie, zijn Skrjabins werken al vanaf een heel vroeg stadium als onmiskenbaar en persoonlijk te herkennen. En dan doel ik nog niet zozeer op zijn twee evergreens uit de vroege periode, de etudes op. 2 no. 1 en op. 8 no. 12, die ook best van zijn conservatoriumklasgenoot Sergej Rachmaninov hadden kunnen zijn, en die dan ook op iedere recital-plaat te vinden zijn, maar meer de werken vanaf op. 11 (24 preludes, 1888-1896) tot op. 27 (2 preludes, 1900).

Een grote cesuur, en meteen de overgang naar de tweede periode vindt men in het jaar 1902, waarin hij in het geheel niets publiceert. Dat lijkt een korte tijd, maar in een totale scheppingsperiode van slechts twintig jaar krijgt zo'n periode veel meer reliëf.

Jean Delville - Les trésors de Satan, 1895
Zijn tweede periode begint in 1903 met een onwaarschijnlijke productie. De componist van 74 opus-nummers publiceert in dat jaar ongeveer een vijfde van zijn totale catalogus! Kontakten in West-Europa met enerzijds de "Decadenten" (Paul Verlaine, Claude Debussy, Stéphane Mallarmé, Jean Delville) en anderzijds de Theosofie van Mevrouw Blavatsky en Rudolf Steiner zetten hem aan het denken. Hij verlaat Rusland en vestigt zich in 1904 in Zwitserland omdat, zo meent hij, de artistieke atmosfeer in het westen zich meer leent voor zijn grensverleggende werk. Hij is zich goed bewust van zijn eigen avant-gardisme. De tweede periode kenmerkt zich door een filosofische verdieping van zijn muziek, natuurlijk onder invloed van het theosofische mysticisme. Reeds in zijn vierde sonate, op. 30 wordt van de luisteraar verwacht dat deze er een reis in hoort, een reis naar de sterren en naar de zon. De Sovjet-Unie die via allerlei onnavolgbare staaltjes geschiedvervalsing van deze dweepzieke en neurotische mysticus en salonsocialist een revolutionair van het eerste uur had gemaakt, zal zijn latere werk Poème d'Extase zowel tijdens de ruimtereis van Joeri Gagarin, als tijdens diens "ticker-tape-parade" laten weerklinken.
In zijn verwachtingen omtrent het westerse bevattelijkheid voor zijn ideeën wordt hij wat teleurgesteld en zijn grootste triomfen kent hij pas in 1909 en 1910, na zijn terugkeer naar Rusland, waar hij nu als een godheid vereerd wordt.

De overgang van tweede naar derde periode is ietwat diffuus. Ikzelf geef er de voorkeur aan die ergens tussen opus-nummers 53 en 60 te plaatsen. Poème d'Extase, op. 54 heeft nog nèt niet dat, wat Prometheus, op. 60 tot een volledig nieuw, haast aan de aarde ontstegen werk maakt. 
 
De vijf laatste sonates, die elkaar in hoog tempo opvolgen sluiten naadloos aan bij Prometheus. Van deze sonates is mijn favoriet de zesde, op. 62, die in alle denkbare betekenissen "decadent" is. Een enigszins perverse, "ongezonde" muziek die heel elegant en gemaakt is, die tegelijkertijd flirt met de dood en duivelspraktijken. De zeer kleine Skrjabin heeft deze zeer veeleisende sonate noodgedwongen nooit publiekelijk uit kunnen voeren. Te kleine handen... Maar evenmin moedigt hij de uitvoering ervan door anderen aan. Hij schijnt oprechte en diepgewortelde angst gehad te hebben voor het stuk. Niet zo vreemd voor iemand die in de mediamieke machten van muziek gelooft. Hij achtte het gevaar reëel aanwezig dat middels deze sonate de Duivel aangeroepen zou kunnen worden. 

Al het werk dat hij in de laatste vier jaar van zijn leven publiceert en dat als een hermetisch oeuvre met unieke, geheel naar zichzelf terugverwijzende regels alleen vergeleken kan worden met dat van Anton Webern, beschouwt Skrjabin als voorstudies voor zijn magnissimum opus, een Totalkunstwerk van licht, dans, zang, muziek, liefde, seks en transcendentie, dat Mysterium moest gaan heten, en dat, als het uitgevoerd zou worden niet slechts de maatschappij zou verheffen naar een hogere trede van bewustzijn, maar, zo vreesde Skrjabin, de wereld zelfs zou kunnen vernietigen. Tijdens de arbeid aan dit meesterwerk van de mystieke decadentie stierf Alexander Skrjabin in 1915 aan de in de aanhef genoemde bloedvergiftiging.

Zo wil de muziekhistoricus het: drie duidelijke periodes met een bijna "ideale" ontwikkeling: jeugd, middenperiode, apotheose, dood (vroegtijdig). Hoe correct ook, misschien een beetje te schematisch. Je kunt ook voor een andere invalshoek kiezen.
 
We zien hier een man die enerzijds een nerveuze, hypersensitieve natuur had, maar anderzijds een scherpzinnige, analyticus was. Hij mag dan heel veel mystieke en theosofische vaagheden te berde hebben gebracht, hij wist zeer terdege wat hij met zijn muziek wilde bereiken, en hoe hij dat kon bewerkstelligen. Hij was in zijn componeren een rationele vakman, en zeer beslist geen besluiteloze dromer. En juist door deze tweestrijdigheid van eigenschappen is het mogelijk, Skrjabin in de cultuurgeschiedenis te plaatsen. 

- Hij was geen impressionist, want impressionisten beredeneren hun gevoelsuitingen niet.
- Hij was geen formalist, want formalisten kwijnen niet en hebben geen last van "spleen".
- Hij was geen vertegenwoordiger van de Jugendstil, want de Jugendstil vervangt gevoelens door gebruiksornamentiek.

Hij was wel een romanticus. Want romantici werken met gevoelens en zintuiglijkheden. Zij voegen vakmanschap toe aan hun inspiratie. Ze beredeneren de vorm, die de enige vorm is waarin hun gevoelens op dat moment geuit kunnen worden.

Maar bovenal was hij een kind van zijn tijd. Kunst was pose, gemaniëreerdheid, synesthesie, analogie. Kunst was geëxalteerd, nerveus en gekunsteld. Kunst was decadent. 

En zo was Skrjabin, vóór alles, een romanticus en een decadent; een romantisch-decadent. Als hij al verwant was aan andere kunstenaars, dan waren dat schrijvers als Charles Baudelaire, Stefan Georg en Joris-Karl Huysmans, misschien onze landgenoot Ary Prins, schilders als Gustav Klimt, Jean Delville en Gustave Moreau, componisten als Richard Wagner en Claude Debussy:  romantisch-decadenten. 
 
Van de eerste akte van Mysterium is een door de Sovjet componist Alexander Nemtin afgemaakte versie op plaat te krijgen: The Initial Act. Men hoort daar een zichzelf vernietigende muziek. De nervositeit en intensiteit zijn zo prominent, dat de muziek, doodop van de zenuwen, zijn structuur verliest, en er niets dan een kolossale hoeveelheid neurotische zintuiglijkheid overblijft, een seksorgie waarin veertig minuten lang steeds nèt niet klaargekomen wordt. Men houdt het hart vast als men speculeert over het oeuvre dat Skrjabin niet heeft kunnen schrijven. Hebben we hier, niet alleen in de muziek maar ook in de schepper ervan te maken met die ultieme decadente attitude, de zelfvernietiging?  

(Bewerking van een artikel dat oorspronkelijk verschenen is in Het Eenmalige Tijdschrift nr. 3, Amsterdam, 1991)

zondag 12 april 2015

Het 45-jarig huwelijksfeest van mijn opa en oma (1965)

Verkreukelde, verkleurde foto’s van
mijn opa met familie en zijn vrouw,
het grijzend zonlicht maakt de serre grauw.
Daar zit een dikke dame naast haar man.

Ik scan ze en bewaar ze volgens plan,
die plaatjes van een feest om huwelijkstrouw.
Ik kijk je witte haardos aan en jou,
en denk: “Verwarm me dan eens als je kan!”

Ik voel geen liefde achter mijn computer,
noch word ik door intimiteit geroerd.
Het zijn slechts jpeg-jes voor mijn collectie.

Ik word bedroefd en koud van mijn geploeter.
Hier wordt een pantomime opgevoerd:
een onvoldragen veinzen van affectie.


 

maandag 30 maart 2015

Geloofscrisis



Ik lijd zo’n pijn, het is weer eens gebeurd:
een harde, dikke drol zaterdagmorgen,
ontviel mij slechts met hangen en met worgen,
en heeft toen iets rectaals en teers gescheurd.

Dat heeft mijn levensstemming zwart gekleurd.
Het heeft me zwaar belast met diepe zorgen.
Normaliter houd ik dit graag verborgen,
er wordt ten slotte al genoeg gezeurd.

Maar nu vind ik genoeg genoeg! Bij dezen
wil ik me richten tot het Opperwezen:
Als u zo goedertieren bent, Meneer,

wat moet ik dan voor diepe boodschap lezen
in wat toch triviaal zou moeten wezen?
Waar past dit pijnlijk kakken in Uw leer?

zondag 22 maart 2015

Conservatieve ruimte op links

Gedurende mijn sociale en politieke vormingsjaren, had je duidelijke vleugels. Links was nog echt links en rechts was rechts. Links van het midden woonde D’66.  De PVDA van Joop den Uyl was linkser dan tegenwoordig de SP, en daar weer ter linkerzijde van had je ook nog eens de PSP en de CPN. Op rechts zetelden de Christelijke partijen (ARP was iets linkser dan de KVP, de CHU iets rechtser) en daar ter rechter zijde van bevond zich de VVD. Nog weer verder rechts kon je de malloten van de Boerenpartij, SGP of Binding Rechts aantreffen.

Links was progressief, rechts conservatief. En dat was de reden waarom ik in een vreselijke spagaat zat. Ik was sociaal/cultureel gezien namelijk beslist conservatief , maar politiek toch wel een beetje linksig (al moest ik weinig hebben van mijn mede Zware van Nelle-rokende, mede-langharige en bebaarde leeftijdgenoten). Wat nu? Ik was geen Christen en bij die zelfingenomen cacque-figuren van de VVD zou ik nog niet dood aangetroffen willen worden. Het kwam erop neer dat ik dan dus maar D’66 stemde, maar nooit hartstochtelijk.

Waarin uitte zich dat conservatisme dan? Ik geloofde in de leidende waarde van de traditie. Ik geloofde niet in rigoureuze veranderingen: ik was ervan overtuigd dat waswater telkens weer grondig moest worden gecontroleerd op kinderen. Ik hield van de grootheid van de geschiedenis, de ernst van instituten. Een bibliotheek behoorde een marmeren trap te hebben, met links en rechts een gebeeldhouwde leeuw. Ik geloofde dat industriële actie zich strikt tot het gewraakte bedrijf moest richten, en dat ik als publiek er niet mee lastig gevallen moest worden. Ik was ervan overtuigd dat het, cultureel gezien, vroeger beter was dan nu.

Het grappige is dat ik in mijn conservatisme helemaal niets veranderd ben. Ik geloof nog steeds dat het vroeger allemaal beter was, dat de politisering en democratisering van de cultuur funeste gevolgen heeft, dat de waardigheid - nee: de Waardigheid van de cultuur in het geding is. Ik ben zo conservatief als de pest.

Pjotr Kropotkin
Maar politiek ben ik finaal doorgeschoten naar een positie die in de zeventiger jaren ergens ter linkerzijde van de CPN gezocht moest worden. Mijn politieke landschap bestaat uit een idyllisch soort pre-marxistisch communisme dat geen enkele praktische waarde heeft, maar als moreel referentiepunt voor mij zijn diensten meer dan bewezen heeft. De basispremissen zijn simpel en echoën elkaar. Zorg dat anderen zo weinig mogelijk last van jou hebben, zorg dat jij zo weinig mogelijk last van anderen hebt. Dat tweede ervaar ik als aanzienlijk lastiger dan het eerste, al zullen mensen om mij heen het daar waarschijnlijk weer niet mee eens zijn! Wie heeft tegenwoordig nog tijd voor de ethische onthaasting van Louis Blanc of Pjotr Kropotkin? U ziet het: in wezen een aartsconservatief standpunt.

En als je er even over doordenkt, klopt het ook wel: progressie, “vooruitgang” is tegenwoordig toch vooral synoniem met “economische vooruitgang”, een bij uitstek rechtse specialiteit. En wat ik tegenwoordig stem, nu er nog steeds geen partij is voor mij? Zo conservatief en links mogelijk. Wie het weet mag het zeggen.

woensdag 18 maart 2015

Schaakmat (Paul Berkhoudt 1956-2015)

Een woeste, ongekamde bos vroeggrijs haar, een ruim bemeten kin, altijd en eeuwig vroeggrijs gestoppeld, een grote, licht getinte metalen bril en een paar ver naar voren uitstekende boventanden. Hij woonde in ruitjescolberts, de clubkampioen van onze schaakvereniging: Paul.

Hij had altijd iets smalends in zijn stem, ook als het over hemzelf ging. ‘Ja, jongens, en toen zag ik daar dat pionnetje staan, en ik vroeg me af wat er zou gebeuren als ik dat zou slaan.’ Dan keek hij op van het analysebord en vervolgde schaterlachend: ‘Nou, ik ben er achter gekomen! Dat was een hele drol om door te slikken. Als een kind ben ik van het bord gezet. Het was nog dramatischer dan een partij van Robbert Eksteen!’ Ik heette Robert, maar Paul sprak het consequent uit met twee b’s en ik keurde dat goed. Zo heet ik nu al decennia officieel: “Robbert, maar met één b”.

Ik had wel geschaakt vroeger, maar was midden tachtiger jaren met heel andere dingen bezig. Totdat de KRO een schaakmatch organiseerde tussen Jan Timman en Gary Kasparov. Dagelijks toog ik naar het schaak- en bridgecafé op de Kostverlorenkade en analyseerde daar die wonderbaarlijke toverschaakpartijen tot diep in de nacht met het andere halfbezopen kroegmeubilair. Nieuw schaken was dit, het schaken van de toekomst, een soort schaken dat mij terugwon. Ik wilde er weer deel van uitmaken.

Toen ik me als lidmaat in liet schrijven bij de lokale schaakclub DCG, was Paul er voorzitter. Dat was hij al jaren en dat zou hij waarschijnlijk ook nog jaren blijven. Zo’n club. Hij was Mr. DCG. Het eerste bord van het eerste tiental had bij wijze van spreken een plaquette met zijn naam erop in de rugleuning vastgeschroefd. Tijdens alcoholische post mortem analyses, of politieke, sociale en culturele discussies voerde hij, meestal omringd door vier of vijf lege bierflesjes en een tot de rand gevulde asbak, het hoogste woord (‘Wat, hou jij van Yes? Bah! Wat een castratenrock! Nee, geef mij maar David Bowie!’ En ik dan vervolgens natuurlijk: ‘Bowie? Die hoerige windhaan? Mag ik even een teiltje?’ Enzovoort. Heerlijke tijden.)

Paul was een beetje gemakzuchtig (of leed hij aan faalangst?). Zolang hij duidelijk de sterkste in de groep was, voelde hij zich op zijn best en had hij praats voor tien, maar hij werd nerveus als de tegenstand sterker werd. Nooit had hij de stap genomen van het regionale naar het landelijke schaakwereldje, hoewel hij daar zeker de capaciteiten voor had. Hij vond het wel prima zo bij DCG, de voortzetting van zijn huiskamer.

Enige jaren later sloeg op de vereniging de rampspoed toe. De combinatie van een overambitieuze geldschieter, een paar rebelse, woedend broedende leden, een nooit serieus genomen verenigingsstatuut en de onverenigbaarheid van karakters maakte dat de vereniging op spectaculaire wijze explodeerde. De kampen: aan de ene kant Paul en zijn opvolger als voorzitter Otto. Aan de andere kant de querulant George, en ikzelf, inmiddels Otto weer opgevolgd als neutrale voorzitter, maar in feite de stroman van de geldschieter, de jurist Peter, die gedurende de conflicten zelf grotendeels buiten schot bleef. Het liep hoog op. Beledigende brieven kruisten elkaar en iedereen raakte met iedereen gebrouilleerd (na een weifelende start (zie hier), waren dit meteen mijn tweede, derde en vierde brouillage! Dat tikt lekker aan.)

In een dergelijk conflict heeft niemand gelijk. Mijn eigen rol was geenszins heroïsch. Ik was zonder twijfel de zwakste voorzitter die de club ooit gehad heeft.

Het einde was spectaculair. DCG was, geholpen door ingehuurde grootmeesters, vanuit de zwartste dieptes van de regionale onderbond doorgepromoveerd naar de hoogste klasse van het Nederlandse schaak en zou een redelijke gooi kunnen doen naar het landskampioenschap. Zover is het echter geheel niet gekomen. De pan kookte zo hevig over, dat de brokstukken over de hele wereld verspreid raakten. Paul was al weg, Otto ook, geloof ik. Geldschieter Peter ging naar een andere club, het professionele tiental werd teruggetrokken uit de competitie, de grootmeesters verdwenen (eentje zelfs helemaal naar Australië!), de voorzitter, uw dienaar dus, nam vroegtijdig ontslag en verhuisde naar buiten de stad en de eens florerende club met honderd leden werd gereduceerd tot een minderheidspartner in de eerste van een hele serie paniekfusies.

Het feit dat deze kwestie mij mijn vriendschap met George kostte, heeft me nadien zeer veel verdriet gegeven. Met Paul heb ik het sedertdien wel weer goedgemaakt. Ik zag hem een aantal jaren later eens aan een tafeltje zitten bij het Ohra-toernooi. Ik zette een pilsje voor hem neer en zei: ‘Zullen we ophouden met die onzin?’ Hij was meteen voor. Heel veel later kwam ik Otto toevallig tegen op Facebook en ook met hem heb ik de strijdbijl begraven. Maar niet dus met George. Dat kon en kan ik niet opbrengen.

Vanochtend stond er een advertentie in de Volkskrant. Een dag voor zijn 59e verjaardag is Paul overleden. Het was een oorlog geweest “die niet te winnen was”, aldus de advertentie.

woensdag 11 maart 2015

Dagboeken van Jules Renard

Jules Renard was actief in de periode 1890-1910, het fin-de-siècle van de negentiende eeuw, en de vreemde jaren voor de eerste wereldoorlog, waarin het oude voor het laatst opbloeide, om vervolgens, na 1914, voorgoed voorbij te zijn. Een fascinerende tijd van koetsen en auto’s, van weelderig symbolisme en opkomend kubisme, van ouderwets en modern. Midden in die tijd zat Jules Renard.

Een rare vent en een rare schrijver, zo omschrijft Sartre hem. Zeker, dat klopt. Deels geworteld in de 19e eeuwse Decadence van Parijs, met kennissen als Barrès, Mallarmé, Verlaine en de Montesquiou, deels een nuchtere boer van het platteland, met lokale politieke ambities, is hij een vreemde, dubbelzinnige man geweest. Een verfijnde lomperik, een botte lyricus.

Naast een paar toneelstukken, en wat korte romans en verhalen, is hij, net als bij voorbeeld de gebroeders de Goncourt, en bij ons Hans Warren, vooral toch bekend geworden door zijn dagboeken, die in een Nederlandse vertaling van Frans de Haan en Marianne Kaas,verschenen zijn in de reeks Privédomein van de Arbeiderspers. Dagboeken waarin hij aforismen, observaties, roddels en gemopper bundelde. Minuscule gevoelens en levensbepalende gebeurtenissen worden met evenveel nadruk beschreven, zodat de lezing ervan een bijna surrealistische dwaaltocht wordt door het labyrint dat zijn (net zo goed als mijn en uw) hoofd geweest moet zijn. Hij kon goed bot zijn. Sentimenteel gevoelig, of gewoon gestoord. De dood van zijn vader, later van zijn broer en zijn moeder: het greep hem aan, maar het is alsof hij zichzelf dergelijke sentimenten niet toe wilde staan. Een soort gespeelde onverschilligheid doortrok zijn dagboek, met soms ineens de verbaasde vaststelling dat hij weer een hele dag aan zijn vader gedacht had.

Hij was altijd op zoek naar vergelijkingen, literaire epitheta, en zijn aforistische notities werden dan ook wel gekscherend de documentatie genoemd bij het hoofdwerk van Marcel Proust, À la recherche du temps perdu. Hij was iemand die voortdurend koketteerde met zijn wat bonkige zielenleven, dan ineens weer uit zijn slof schoot met bijna kleuterachtige omschrijving voor bijvoorbeeld dieren: "De zeugen dragen onder hun buik een vest met dubbele knoopjes", of "parkietjes als zingende dasspelden". Het is of ik een kind van zeven hoor babbelen.
Hij observeerde zijn collega schrijvers, maar kon zelden besluiten of hij ze nu bewonderde, of diep verachtte. Als hij bewonderde, was dat zonder voorbehoud, diep uit zijn hart. Dan was hij zich ook terdege bewust van zijn bijna kritiekloze, idolate houding, waar hij zich niet voor schaamde. Als hij iemand afwees, kon hij buitengewoon vals zijn.

Hij had een vreemde manier van schrijven. Hij schreef vele zinnetjes zonder werkwoord, als ware het decoratief materiaal voor een nog te schrijven roman. Zo zag hij zijn dagboek zelf ook, bij tijd en wijle."Stukken ijzerdraad gekleed in schapenwol", of "Het fijne latwerk van de regen". Je vraagt je bij lezing vaak af waar hij heen wilde, wat zijn reden eigenlijk was om te schrijven. Op bepaalde momenten raakt hij een surrealistische snaar die me in een diepe schaterlach doet uitbarsten: "Een vlinder heeft in Clamecy de trein genomen en is met me meegereisd". Sommige van zijn aforismen zijn echt raak en geestig, zoals bijvoorbeeld: "Een humorist is iemand met een goed slecht humeur". Je zou een aardig aforismenboekje in duodecimo kunnen samenstellen. Een kalenderschrijver zou er zijn voordeel mee kunnen doen.

Een aardige man? Vast niet: een onzekere, ijdele zeur, een dubbelzinnige figuur, een boer tussen de dichters, een dichter tussen boeren. Maar wel iemand die zijn ogen gebruikte en zijn pen liet zeggen wat hij zag, vaak op een ontwapenende wijze, vaak op zo’n manier dat iets doodgewoons toch weer een nieuwe invalshoek kreeg, zodat een koe, een telegraafpaal, een sok net weer een kleur erbij kreeg. Fascinerende lectuur, ideaal voor het nachtkastje.