woensdag 27 april 2016

Den Bosch gegijzeld

Den Bosch door Braun en Hogenberg, 1588
We zijn er op een gegeven moment mee opgehouden, maar er was een tijd dat we vaak naar Den Bosch afreisden. In het gehucht Engelen was Fons zijn grootmoeder geboren, zijn vader in Den Bosch en dus kon hij, weliswaar met een Amsterdams accent, het provinciestadje claimen als zijn roots.
In de trein afgelopen vrijdag zat ik te rekenen: was dat allemaal alweer dertig jaar geleden? Een korte chatwisseling met Fons bracht naderhand uitkomst. Een van de laatste keren dat we in ’s-Hertogenbosch waren, moet 1984 geweest zijn. De tentoonstelling Herinneringen aan Italië, met werken van Lorrain, Piranesi, dat soort gasten. Een stadswandeling was toentertijd voor ons ondenkbaar zonder een deeltje van Dr. L. van Egeraat in de hand, of het nu Brabant of Italië betrof.
Verder is mijn herinnering een beetje vaag. In ieder geval bracht ik nog een bliksembezoek aan de stad in 1996, de dag voor de start in Den Bosch van de Tour de France. Dat moet mijn laatste keer zijn geweest.

Wat Fons en ik in zeker nooit oversloegen, was een bezoekje aan het zuidelijke Bastion Oranje, waar de middeleeuwse stad abrupt ophield en waar, vijf meter dieper, het natuurgebied Bosch en Broek begon, doorlopend tot aan de einder, zover het oog reikte, onder magische wolkenluchten. We zetten ons dan neer op een uitkijkbankje, met naast ons een oud kanon, en rokende en nippend van een zakflacon zwijmden we weg in goddelijk glanzende tweespraak.
Bastionder
Het bastion was er nog steeds, natuurlijk, en het bankje en het kanon ook, maar er bovenop gebouwd was nu een driehoekig paviljoentje, dat me aanvankelijk met een diepe onrust vervulde, vooral toen ik de woordgrap las waarmede het gebouwtje getooid was: Bastionder. Het was bij de aanleg van een modern horrorgebouw aan de Zuidwal een kleine moeite geweest om de daar in het leem begraven restanten van een middeleeuwse toren uit te graven en nu kon je de diepte in, voorgelicht door een vriendelijke vrijwilliger, en de 15e-eeuwse stadsmuren beklimmen. Toch wel heel aardig, alles bij elkaar.

Ons hotel lag in de slagschaduw van de Sint-Janskathedraal. Is dit de mooiste Gotische kerk van Nederland? We zijn ondertussen gewend aan de restauraties, waardoor het plafond van de kerk bijvoorbeeld door allerlei bloemmotieven een heel interessante, licht vervreemdende lichtheid heeft verworven, die bij oplevering op grote kritiek kon rekenen.
Zeventig meter boven ons, midden bovenin de koepel vonden we het Alziend Oog. Een oog in een driehoek in een stralenkrans: het lijkt een symbool te zijn van de vrijmetselarij.
Het Alziend Oog
In 1950 beschreef Bertus Aafjes zijn avontuur rond dit oog aldus: “Behoedzaam schuifel ik naar het midden tot bij het gat. En waarachtig, midden in de achterkant van het papieren oog zit een gaatje, ter grootte van een rijksdaalder. Ik ga liggen op de dwarsbalk en schuif mij zo ver naar voren als mogelijk is en plotseling kijk ik duizelig en luchtziek door het gaatje in een geweldig gotisch ravijn. Het is zó diep, en het perspectief is zó vertrokken dat de vier hoge middenpijlers niet meer recht naar beneden schieten, maar naar elkaar toe staan als vier x-benen. Er lopen wat mensen door het middenschip als zoekgeraakte mieren. De kerkstoelen en banken zijn punten en streepjes geworden. Ik heb ineens het onbehaaglijk gevoel niet meer te zijn dan een vuiltje in dit grote oog. Eén moment het evenwicht verliezen en ik schiet door de flarden heen in het ravijn en vertel het nimmer weerom. Haastig kruip ik terug. En opgelucht daal ik langs de vele kinkhoorns vol tochtgaten naar de begane grond, niet zonder trots denkend, hoe ik later mijn kinderen in de Sint-Jan het oog zal wijzen met de woorden: 'Daar keek ik doorheen...'”
Tegenover de Sacramentskapel troffen we twee zeer slechte schilderijen aan, zogenaamd van Jeroen Bosch. De kerk zelf lijkt zich er een beetje voor te schamen, want het is me niet gelukt er afbeeldingen of beschrijvingen van te vinden op het web.

Aha lezer, ondertussen is dus nu het B-woord gevallen!

Bosch, Hieronymus Bosch. Jeroen voor intimi. Jheronimus Anthonissoen van Aken bij geboorte.

Het bezoek aan Den Bosch en dus natuurlijk aan de Bosch-tentoonstelling in het Noordbrabants Museum, gold als afsluiting van mijn zestigste verjaardag. Natuurlijk hadden we ons op voorhand al heel weinig illusies gemaakt over dit spektakel. Langzaamaan wijs geworden begrepen we dat dit een zeer dubbel genoegen zou gaan worden. En dat klopte volledig: mensen die internetkaarten hadden bemachtigd moesten het gebouw betreden binnen een slot van een van te voren vastgesteld uur. Ze stonden in een lange rij. De Kunstkring Kapelle mocht een voorrangsrij bezetten en dames werden boos.
Bij de garderobe alweer rijen.
Voor ieder topstuk klonterde een massa van tientallen liefhebbers. Sommigen van hen gedroegen zich redelijk beschaafd en drongen niet voor. Er was voor een kleine vrouw als mijn levensgezellin geen doorkomen aan, dus concentreerde zij zich in arren moede op de werken van de navolgers van Bosch, waar men in het algemeen veel minder belangstelling voor op kon brengen.
Ik werd - weer - een beetje triest van zo’n tentoonstelling. Wat ik in het Prado al voor mezelf geconstateerd had, namelijk dat zo’n bijzonder stuk veel beter tot zijn recht komt in een zaal met allerlei andere kunstwerken dan als onderdeel van een power-vertoning, bleek nu eens te meer. Al na vijf panelen was ik Jeroen Bosch eigenlijk beu. Na het tiende, zwaar bevochten stuk begon ik een hekel te krijgen aan hem, vooral om de mensen die hij aantrok, om de massaliteit van dit alles dat hij aangericht had.
Gelukkig eindigde het voor mij althans toch nog in majeur. Het allerlaatste stuk van de tentoonstelling, het drieluik Dag des Oordeels uit Brugge, was ook het fijnste. Ik kende het niet echt goed en zag er veel dingen in die bekend waren, maar toch nieuw. Zo bleef mijn nasmaak ondanks alles een mild-gunstige.

Dag des Oordeels

De hele stad bleek gegijzeld te zijn door de tentoonstelling. Iedere winkel verkocht Bosch-koekjes, Bosch-wijn, Bosch-bier, Bosch-lepeltjes, Bosch-T-shirts, Bosch-boekenleggers, Bosch-plakplaatjes, Bosch-windlampen, Bosch-dromenvangers, Bosch-cd’s (muziek uit de tijd van Jeroen Bosch, door Consortium Dingesium), Bosch-bumperstickers, Bosch-trouwjurken, Bosch-dagmenu’s etcetera, etcetera, et jezusmina-nog-an-toe cetera.
In een prullenwinkeltje riep ik flauw en wellicht iets te sarcastisch: ‘Hé leuk! Bosch-onderzettertjes!’ De eigenaresse slaakte een diepe zucht. ‘Weet u dat ik er zelfs van droom ‘s nachts?’

Volgens Fons zou het geen enkel probleem zijn om zonder te reserveren op zaterdagavond ergens in een herberg aan te schuiven en een bord eten te krijgen. Hij heeft buiten de Bosch-manie gerekend. Tot en met de nederigste pizzeria (Bosch-calzones?) was alles afgeladen. Zeker een uur lang hebben we door de stad gedwaald totdat we uiteindelijk in een sjiek restaurant door een samenzweerderige gastvrouw (‘Ik ga een gokje met u wagen: we hebben nog twee reserveringen, maar we hebben ook twee gezelschappen die nu aan het toetje zijn, dus ik geef u een tafeltje’) een voortreffelijk avondmaal kregen voorgeschoteld. In de buurt van één Michelin-ster. Ook qua prijs.

Op het treinstation was zondagochtend een hele consternatie omdat een gotisch meisje, kennelijk onderweg naar een of ander Castlefest, met haar zwarte sleepjurk in de roltrap verward was geraakt. Haar middeleeuwse vriend, die zo uit Cadfael weggelopen kon zijn, stond er een beetje verloren bij waarna de semi-gewapende stationswachten haar uiteindelijk wisten te bevrijden, met ernstige beschadiging, helaas, van haar mooie gewaad. De roltrap deed het die dag niet meer, wil ik wedden. Het elfje haalde nog juist de trein. Ik vind dat er speciaal vervoer moet komen voor kasteelfeestgangers: een tot koets omgebouwde pompoen, of iets dergelijks!

zondag 24 april 2016

Leesrapportje 5

3 april 2016
Katherine Neville - The Fire (2008)
Tijd weer eens voor een vakantieboek. In Madrid getracht te lezen deze dubbeldikke roman. De blurb burpt: “beter dan Dan Brown”. Hm. Net zo slecht als Dan Brown, zou ik zeggen, maar dan twee keer zo dik.
Onuitgelezen gebleven derhalve: na 200 pagina’s die draaiden om een wereldbedreigend geheim dat verwerkt was in een in de 8e of 9e eeuw (daar wil ik van af zijn) vervaardigde schaakset, genaamd The Montglane Service, waarin bijna iedere optredende persoon een schaakgrootmeester bleek te zijn, waarin Lord Byron en de Golfoorlog en de KGB en de geheime middeleeuwse beweging van de Carbonari met elkaar in verband worden gebracht, waarin een Baskische 3 sterren chef (duidelijk gebaseerd op de Patagonische superchef Francis Mallmann) ook deel blijkt uit te maken van een complex geheim dat van de Oekraïne tot Colorado reikt, werd ik door een zodanige verveling bevangen, dat ik het boek dichtklapte en schonk aan de schaakafdeling van de Koninklijke Bibliotheek, die het nu lekker weg mag stoppen.


18 april 2016
Anton Haakman – De onderaardse wereld van Athanasius Kircher (1991)
De VPRO zond in 1974 een schitterende documentaire uit van Anton Haakman over een ondoorgrondelijke, operetteachtige club getiteld Athanasius Kircher Forschungsgesellschaft e.V., de leiders waarvan twee zeer dubieuze figuren waren, Arno Beck, Commendatore des Ritterordens vom Heiligen Grabe zu Jerusalem, president, en Herbert Franzl, idem ditto, vice-president. Men is niet van de straat.
De twee kwasten werden meedogenloos getoond in hun pompeuze onzekerheid. De documentairemaker Haakman had het grootste professionele geluk dat je als filmmaker maar kunt hebben: een goede regisseur zou gesmeekt hebben dat één van de twee jongens, om hun kwetsbare belachelijkheid te benadrukken, iets bespottelijk onregelmatigs zou hebben en ziedaar: de geüniformeerde en van Hammerkreuz voorziene Franzl verscheen in beeld met een grote, kruisvormige pleister op het voorhoofd. Puur cinematografisch goud!
Beck (links) en Franzl (rechts, met grote pleister)
De documentaire fileerde de leugenachtige orde, die in snoevende taal de in oasegemzenleer uit te geven zesenzestigdelige verzamelde werken van de leugenachtige fantast Kircher wilde gaan uitgeven, à 3000 DM per deel. Aantal verschenen delen: één dummy. Nergens werd met zoveel woorden gezegd dat de twee commendatori oplichters waren, iedere seconde van de documentaire was evenwel zwanger van juist diezelfde zekerheid. Toptelevisie.
De roman (want daar moet ik het nu eigenlijk over hebben) is van ruim vijftien jaar later. Haakman beschrijft op ironische wijze de totstandkoming van die documentaire in wat hijzelf een roman noemt. Van mij mag het, maar zelf zou ik het een reportage genoemd hebben.
Kirchers biografie en diens (waan)ideeën worden uitgebreid behandeld en in baldadige nevenzinnetjes becommentarieerd. De onderhandelingen met de louche jongens van het Forschungsgesellschaft en de nasleep komen aan bod. De hele pompeuze operettevertoning wordt tot de grond toe afgefakkeld.
Een leuk boekje, dat ik met plezier herlezen heb.

22 april 2016
Paul Léautaud - Jeugdliefde (1906)
In de trein naar Den Bosch gelezen, deze korte “novelle”.
Eén van de zeer weinige ‘scheppende’ werken (volgens de omslagtekst) van deze overtuigde autobiograaf. En wat een vreemd werkstuk is het geworden. Stel je voor: je zet een bejaarde man van tachtig in een stoel, je drukt op de record-knop van een bandrecorder, en laat hem maar praten. Schrijf het gebabbel over, dat zonder literaire spanningsbogen, zonder hoogte- en laagtepunten, zonder enige ontwikkeling, vol met spreektaal-toevoegingen zoals “nou, mooi niet dus”, “heus wel” of “gerust wel” voortkabbelt, en je hebt na 125 pagina’s dit zonderlinge boekje. Het wonderbaarlijkste is nog wel dat deze mummelende oude man tijdens het schrijven ervan in werkelijkheid nog maar 35 was, in de kracht dus van zijn verstandelijk leven!
Met een consequent volgehouden egocentrisme beschrijft Léautaud zijn eerste liefdesrelatie die hij op 17-jarige leeftijd had met de iets oudere Jeanne Marié. In schijnbaar kuise, maar daardoor juist hitsige en suggestieve zinnetjes beschrijft hoe zij vrijden, eerst nog een beetje bedeesd (“ik streelde en kuste haar (...)”), later vermeteler. Ook beschrijft hij hoe hij zijn belangstelling voor Jeanne kwijtraakte en verder ging in zijn leven.
Openhartig gunt hij ons ergens midden in het boekje een blik in zijn ziel: “Het is met al deze [toneel]voorstellingen gelukkig net zo gegaan als met al die grote boeken die ik gedurende zo lange tijd heb gelezen, ze hebben er slechts toe gediend om geleidelijk aan mijn uitsluitende en hartstochtelijke liefde voor mezelf sterker te doen worden.”
Moderne informatiebronnen zoals de DSM-5 zouden wel raad weten met deze rare klant: autisme-spectrum met zeer sterke narcistische neigingen.

24 april 2016
Geerten Meijsing – Brieven aan Nanne Tepper (2016)
Geschreven in een zeer chaotische periode van zijn leven – waar Meijsing later de roman Tussen mes en keel over zou schrijven.
Met zelfspot, ironie, soms overhellend naar onverbloemd cynisme, maar steeds met gevoel voor decorum, en daardoor een zekere afstand, beschrijft Meijsing de drank, drugs en andere elementen van zijn helletocht aan Tepper, die zelf nu ook niet het vrolijkste jongetje van de klas is. Tepper zou namelijk later wél zelfmoord plegen.
Nanne Tepper
Geerten Meijsing
Met zijn zwierige bravoure blijft Meijsing zijn door dorst, bipolariteit en libido geleide avonturen zowel schaamteloos als schaamtevol beschrijven, zodat de brieven, hoe kwaadaardig het onderwerp soms ook is, vaak hilarisch worden. In Tussen mes en keel ontkent hij overigens bij hoog en bij laag dat zijn stoornis een bipolaire was. Wat het dan wel was, mogen de lezers van die onevenwichtige roman zelf achterhalen.
Dit bibliofiele brievenboek bewijst eens temeer dat Geerten Meijsing een begenadigd correspondent is, en je zou veel meer van hetzelfde van hem verlangen. Ik weet dat er meer correspondenties persklaar zijn.

Heel graag zou ik in dit geval de complete correspondentie willen hebben, dus ook met de antwoordbrieven van Tepper, maar ik heb van goedingelichte bronnen vernomen dat de kans daarop erg klein is.







vrijdag 8 april 2016

Het echte Madrid

Madrid was voor mij een verrassing. Ik had een statige, rustig-energieke, mogelijk zelfs lichtelijk pompeuze stad verwacht, met brede lanen, protserige paleizen en veel jugendstil of (neo)-barokke warenhuizen van wit marmer in dure winkelstraten.
Ze waren er wel, die lanen, maar voornamelijk als omlijsting van de echte stad, die veeleer een beetje smoezelig, alternatief, artistiek en studentesk was. De hobbelige stad blijkt in feite een soort heuvelachtige Pijp te zijn. Die befaamde brede en strenge boulevards, zoals de Calle Gran Via of de Calle de Atocha lijken er hoofdzakelijk te zijn als afbakening van de diverse kleinschalige wijkjes. Daardoor is het binnenste van Madrid tamelijk geborgen gebleven, en dat is beslist niet waar ik voorshands rekening mee gehouden had. Het voelde tegelijkertijd heel vervreemdend en heel vertrouwd aan.

Levend standbeeld
Vrouwen met blauw of lila haar, een paar Hare-Krishna’s, heel veel bebaarde hipsters-light: metromannen met schoothondjes en opgevouwen kruinstaartjes, al dan niet openlijk en opmerkelijk ontspannen homo. Op de pleinen treedt de nieuwste generatie levende standbeelden in steeds ambitieuzere houdingen op en altijd en overal zitten er groepjes jongelui aan straattafeltjes, etend, drinkend, rokend.  

Die ontspannen atmosfeer hier zou wel eens mede een gevolg kunnen zijn van de plaatselijke eetgewoontes. Het ontbijt, desayuno, is meestal nogal karig. Een kop koffie, een churro (gefrituurd deeg) met suiker, of een zoet taartje. De lunch, comida, wordt na 2 uur ’s middags gegeten. Overal in de stad kun je een menu del dia krijgen tegen een vaste prijs: keuze uit een voorgerecht, een hoofdgerecht, iets zoets na, een fles gekoelde rode wijn en een fles water ernaast. Tientje per persoon. Het is de belangrijkste maaltijd van de dag. Arbeiders met reflecterende kleren en schoenen met stalen neuzen en ambtenaren met blauwe overhemden en nét iets te korte pantalons treffen elkaar in een van de duizenden lunchbarretjes.
Het avondeten, cena is daarna weer een stuk bescheidener en bestaat meestal uit wat tapas of pintxos met bier of wijn (de vrouwen drinken hier meer bier dan de mannen!). Op z’n allervroegst kun je aanschuiven rond half negen. Al dit buiten de deur eten maakt dat Madrid sociaal een heel actieve indruk maakt. Het privéleven en het sociale worden veel minder streng van elkaar gescheiden gehouden dan bijvoorbeeld bij ons in Nederland.

Koninklijk paleis
Mensen die van tevoren een beetje bang waren dat zo’n massale stad als Madrid wat te zwaar voor mijn gemoed zou zijn (en die bestaan!) kan ik dus geruststellen. Gedurende ons verblijf viel vooral de speelse lichtheid van de stad erg in de smaak. En nu we weer thuis zijn is Madrid langzamerhand terug die statige, rustig-energieke, mogelijk zelfs lichtelijk pompeuze stad aan het worden met haar brede lanen, protserige paleizen en veel jugendstil of (neo)-barokke warenhuizen van wit marmer in dure winkelstraten.

Ik realiseer me dat dit enige uitleg behoeft.

Het ligt helemaal niet in mijn aard om vooraf een uitgebreide studie te maken van de plekken waar ik naartoe ga. Vluchtig check ik de verplichte nummers (musea, paleizen, een paar aanbevolen restaurants in de buurt), maar verder treed ik zo’n stad onbevangen tegemoet. Wel heb ik dan in mijn hoofd de stad reeds enigszins ingevuld, ik heb een nogal actieve fantasie. Het curieuze is: nadat ik mijn voorstelling op alle fronten had moeten aanpassen en ik de stad moest bezien zoals ze werkelijk was, lijkt dat beeld zich, nu ik teruggekeerd ben in het Vaderland, weer helemaal terug te vechten. Hoewel ik dus weet dat mijn voorstelling volslagen fout is, blijft toch iets in mijn kop hardnekkig in dat oorspronkelijke beeld geloven. Alsof ik mijn oorspronkelijke fantasie meer vertrouw dan de bewezen werkelijkheid. En dit is bepaald niet de eerste keer dat zoiets me overkomt.


woensdag 6 april 2016

Mijn Tuin

Er zijn mensen die het allemaal maar onzin vinden, maar mij zegt het wel iets: zestig worden. Juist deze leeftijd. De afsluiting van je middelbare jaren. Dus leek het me een goed idee om dit mijlpaaltje wat bijzondere allure te geven door naar Madrid af te reizen met mijn geliefde, met wie ik, een dag na mijn verjaardag, ook nog eens precies tien jaar samenwoon.

Eén ding met name had me voor Madrid doen kiezen en dat was de Tuin der Lusten van Hieronymus Bosch: een van zijn schilderijen die niet te zien zijn in de grote tentoonstelling in Het Noordbrabants Museum in Den Bosch. Het leverde een goede gelegenheid op om wat te mijmeren over dit aspect van mijn mythologie intérieure, want vanaf mijn jeugd heeft dit schilderij als iets archetypisch op de een of andere wijze deel uitgemaakt van mijn leven. Soms assertief en dominant in liedteksten van Lennaert Nijgh of op de platenhoezen van Deep Purple, Pearls Before Swine, Sun Ra (en tientallen anderen), maar vaak ook wat bescheidener, in de grote platenboeken die ik bij de Slegte gekocht had en via die boeken ook permanent in mijn hoofd.

Mijn belangstelling voor het bizarre is altijd een leidraad geweest in mijn cultuurleven: was het niet de anarchistische koldermuziek van de Bonzo Dog Doo Dah Band, of het esoterische mysticisme van de componist Alexander Skrjabin, dan haalde ik het wel uit boeken van Alfred Jarry of Philip José Farmer. Gewone kunst was saai, vond ik, alleen verknipte kunst kon boeien. Ik heb dat nog steeds wel, die kinderlijke hang naar het buitenissige. Juist mijn zestigste verjaardag is een goed moment om me dat nog maar eens te realiseren: ik zal nooit compleet volwassen worden!

Wie kan het me derhalve euvel duiden dat, toen ik in januari online de kaartjes voor het Prado ging boeken, ik uitgerekend mijn verjaardag als bezoekdatum besloot in te typen? Het moest gewoon zo: het kon niet anders. Ruim vijfenveertig jaar fascinatie zou eindelijk een bekroning vinden. Hier bestaat een vreselijke taalvervuilende uitdrukking voor, die ik thans liever niet zal herhalen. Men kent haar wel: iets met een emmer en een lijst.


Zo stond ik op mijn verjaardag oog in oog met het drieluik, er nog slechts van gescheiden door een roestbruin koord. En door ongeveer vijfenvijftig ongeïnteresseerde middelbare scholieren in voetbalshirts met Fly Emirates erop gestencild. Pas toen die eenmaal alle vijfenvijftig met hun telefoontoestel het obligate en zinloze fotootje gemaakt hadden (op Internet zijn prachtige hoge resolutie foto’s te vinden van vele, vele megapixels groot) en doorgeschoven waren naar een volgend stuk nietsvermoedende schilderkunst, kon ik eindelijk het werk van dichtbij bekijken. Ik had er een wonderlijk, heel dubbelzinnig gevoel bij: was dit het nu? Een mooi schilderij, dat zeker. Ik kende het uiteraard al heel goed van de plaatjes, maar de werkelijkheid is, zoals iedereen altijd weer kan vaststellen, een stuk intenser. Met mijn ogen dronk ik de opvallend fris ogende kleuren in. Ik verbaasde me over de vele welbekende, maar daardoor nog niet minder onverklaarbare figuren en hun potsen. Met name genoot ik van die rare vlees- of orgaanachtige, roze en blauwe gebouwen in de achtergrond. Hoe zou de Middeleeuwse fantasie hebben gewerkt? Ik schoof systematisch langs het drieluik. Zonder totaal extatisch te zijn, ervoer ik het kunstwerk met een zeker welbehagen. En toch, en toch… De Engelsen hebben er een term voor: ik was lichtelijk underwhelmed.

Was het dan allemaal een min of meer betekenisloze oefening geweest? Ik piekerde daar een beetje verstoord over. Pas toen ik weer bij het schilderij was weggelopen en het in de context van de hele zaal zag hangen, vermomd als een gewoon kunstwerk, pas toen werd me de keel verstikt door een golf van diepe ontroering. ‘Zo’, dacht ik solidair, ‘daar hangt-ie toch maar even!’ Je moest er gewoon niet te dicht bij gaan staan. Kijk hem daar toch, mijn Tuin der Lusten! En kijk mij, hier in het Prado. Eén tussen duizenden. Maar stellig niet gewoon. En wel mooi zestig!

vrijdag 25 maart 2016

Leesrapportje 4

14 februari 2016
Michel Houellebecq – Elementaire deeltjes (1998)


Jaren geleden had ik al eens Platform gelezen. Geen vrolijk stemmend boek, maar dat moet je waarschijnlijk ook niet bij deze man verwachten.
Wat bij Elementaire deeltjes direct opvalt, is de zakelijke opsomming van de externe elementen door welke zijn personages hun vorm krijgen en die de plaats gaan innemen van deze personages zelf, die slechts dragers zijn van deze externe elementen, marionetten van hun biochemie.
De verwantschap met Georges Perec en diens roman Les choses dringt zich op. Waar Perec mensenlevens beschrijft louter aan de hand van de spullen die in de loop der jaren aangeschaft worden, beschrijft Houellebecq zijn mensenlevens aan de hand van de biochemische processen die de geslachtsdrift bij de ene, en het ontbreken ervan bij de andere broer, bepalen. Een groot verschil tussen de twee schrijvers echter is dat Perec in het diepst van zijn wezen een humanist is: ondanks zijn klinische beschrijving van de oppervlakkigheid en zinledigheid van het westers materialisme, blijft zijn toon mild. Bij Houellebecq niet: zijn cynisme is zijn drijvende kracht en hij veracht de beschadigde mensen die hij handelend op laat treden met een soms adembenemende hartstocht. Hij laat niets heel van de marionetten die ze zijn, en het lijkt hem niets te kunnen schelen.
Qua compositie is het een boek dat eigenlijk liever niet gelezen wil worden. De spanningsboog, zo die al te onderscheiden valt, sputtert en hapert voortdurend, meestal om ruimte te geven aan lange theoretische beschouwingen. Twee potentiele emotionele hoogtepunten, de respectievelijke dood van de twee vrouwen van de broers, wordt, precies door de emotieloze beschrijving ervan een lakmoestest van de sentimentele instelling van de lezer: ik ging me bijna schamen toen het verhaal me ondanks alle cynische voorzorgsmaatregelen van de schrijver toch aangreep.
Uit alles blijkt: in een literaire wereld van schrijvers als vrienden en schrijvers  als vijanden, neemt Houellebecq een positie in aan een extreme kant van het spectrum: hij is de ultieme vijand. Hij heeft een hekel aan zijn hoofdpersonen en hij heeft een hekel aan de lezer.
Ik zal later nog zijn recentste boek Onderwerping gaan lezen, omdat dat handelt over een Huysmans-kenner, maar verwacht het wel daarbij te zullen laten.

20 maart 2016
Astère Michel Dhondt - Het diepe zuiden (1982)
Wat een tragische persoon! Niet heeft hij het pad van de misdaad gekozen, maar dat pad kruiste het zijne: hij is pedofiel. Door niet te veranderen, is hij in de loop der jaren veranderd in een misdadiger. Ik vind dat tragisch. Voor zover ik weet schrijft hij niet meer, en leeft hij teruggetrokken.
Deze Vlaams/Nederlandse schrijver was vermaard om zijn lyrische stijl, de subtiliteit waarmee hij zijn precaire gevoelens beschreef. Men had hem binnengehaald als een groot talent. Dat was in de zestiger jaren.
Dat beloofde veel voor zijn eerste reisboek, over het midden en zuiden van Italië. Helaas blijkt dat enorm tegen te vallen. Het boek bevat maar heel weinig van dat lyrische. Integendeel, de drie verslagen (verhalen mag je ze eigenlijk niet noemen) zijn vaak gortdroog in hun opsomming van wat de kunsthistoricus op zijn reizen door Apulië, Abruzzen en Sicilië aan kerkarchitectuur tegenkwam. De schrijver komt over als een beleefde, nette, ietwat kleurloze student kunstgeschiedenis. Wel één met goede sociale eigenschappen en een Italiaanse taalbeheersing, waardoor hij vaak wat intiemer wordt met de plaatselijke bevolking dan een gewone toerist (waar hij dan verdorie weer veel te weinig over prijsgeeft!)
Een nuchtere opsomming dit. Een notitieboekje, eigenlijk meer de basis voor een later te schrijven, smeuïg écht reisverslag.

23 maart 2016
Hans Plomp - Huize de Slapeloze Nachten (1971)
Ik heb in mijn kast ook een hele sliert boeken van Hans Plomp staan, de stadsdichter voor het leven van Ruigoord. Beslist een schrijver niet voor iedereen. In bijna fonetisch opgeschreven dialogen wordt melig, slappe lacherig het leven geschetst van een aantal hippies/junkies, toffe vogels in een kraakpand. Larrie, Bertus, Hommeltje, Krijn de Abessijn blowen, neuken, hallucineren en ouwehoeren dat het een lust heeft. Niet lezen als u last heeft van politiek correcte gevoelens.
In een vorige bespreking, van het boek van Martin Koomen, heb ik me een beetje boos gemaakt over die techniek van hyperrealistische dialogen, maar waar het bij Koomen een doorzichtig stijltrucje bleef, is het bij Plomp een wezenlijk onderdeel van de surrealistische sfeer die hij wil oproepen. En ja, dán werkt het wel.
Plomp heeft een rare pen, die soms in al het gemeander een zeer scherpe observatie kan plaatsen. Het zetten van een spuit heroïne wordt met de grootste nauwgezetheid beschreven, compleet met de psychedelische ervaring waarin de twee spuiters allengs één persoon lijken te worden.
Soms slaat het absurdisme toe in een gouden one-liner.

- Heeee... daar hebben we Larrie. Wat loopt i vreemd!
- Tja, ik heb verkering. Ik loop met kleine pasjes.

Prachtig! Schitterend!
Hier en daar werd ik erg vrolijk van de respectloze literaire grapjes die Plomp uithaalt met de taal. Mijn favoriete fragment, hoe melig ook, dat me het meest amuseerde, waar ik zelfs hardop over heb moeten giechelen (alsof ik zelf weer eens aan de joint was, wat toch alweer twintig jaar geleden voor het laatst gebeurde), was het volgende:

Larrie voelde een joviale por in zijn Rug. (Rug bedoel ik. Rug, met een kleine letter. ik bedoel rug.)

Het zijn allemaal dunne boekjes, van Hans Plomp, en ik denk dat ik er de komende tijd nog wel een paar van zal lezen.

zaterdag 12 maart 2016

Leesrapportje 3

28 februari 2016
Martin Koomen – Abramelijnse magie (1984)
De uitgeverij waar mijn vader werkte voerde een paperbackreeks getiteld (uH) Unofficial History. De naam zegt het al: speculatieve, marginale onderwerpen, veelal beschreven met gevoel voor het spectaculaire, het buitenissige. Meer hoopvol dan wetenschappelijk. Eén van de boeken in die reeks was Het ijzige zaad van de duivel, van zekere Martin Koomen. Het omslag, een nogal lompe bewerking van een griezelschilderij van de Zwitserse-Britse schilder Henry Fuseli, beloofde al.

Dit boek was een typisch product van zijn tijd (1973). Mythes, geruchten, verzinsels en speculaties werden met een naïeve gretigheid aangehaald. Op onveranderlijk guitige toon werd gesuggereerd dat er veel meer is op aarde en in de æther dan we denken. Zo boordevol naïveteit is dit boek tegenwoordig voor mij, thans solide met twee stevige benen op de aarde staand, dat ik het niet meer kan lezen, maar in mijn vormingsjaren raakte het een snaar. Ik hield hartstochtelijk van het occulte, las boeken van Erich von Däniken, oefende mijn telepathische en telekinetische vaardigheden, luisterde naar Nacht en Ontij van Boudewijn de Groot, of de langspeelplaten van Black Sabbath, keek zelfs met een half oog naar Catweazle. Ik was bepaald ontvankelijk voor het onverklaarbare. Toen Koomen met Abramelijnse magie een occulte roman publiceerde, moest ik die ook hebben. Dit werkstuk heb ik de afgelopen dagen herlezen en dat viel niet mee.

In een ware middelbare schoolse opstel-stijl (“het was namelijk zo, dat”, “het bleek hoogst interessante lectuur”, kabbelt een kabbalistisch verhaaltje voort rond een schrijver/schelm genaamd Alexander (“zeg maar Lex, mijn waarde vriend”) Asselbron, die schimmig en onbetrouwbaar door het leven glijdt en wiens experimenten met praktische magie uitlopen op een voorspelbare apotheose.

Niet zo goed geschreven dus, dit boek, en mede door de in de zeventiger jaren helaas zo overvloedig gebruikte techniek van het letterlijk weergeven van dialogen, vol haperingen, vergissingen en anakoloeten, eigenlijk alleen maar irritant. Dit boek gaat na lezing de Biblioteca Eksteniana verlaten, vrees ik.


6 maart 2016
Iain Pears - The immaculate deception (2000)
Het zevende deel van de onderkoelde, ironische maar tegelijk gepassioneerde en hoogst intelligente kunst-detectivereeks met Jonathan Argyle, Flavia Di Stefano en generaal Bottando in de hoofdrol.

Het is vakantie, en op mijn vakantieadres lees ik graag deeltjes uit deze reeks. Na beëindiging van deze detectivereeks is Iain Pears heel andere paden ingeslagen en nu is hij bekend als schrijver van ambitieuze, veelgelaagde historische literaire thrillerconstructies (die zelfs een app nodig hebben voor volledig begrip!) waar ik het later nog wel eens over wil hebben.

Dit allerlaatste deel uit de Argyle-reeks is niet het sterkste uit de serie. Het moet het weer hebben van plot, eruditie, ironie en karakters, maar met name de plot is mij iets te rijk, en er is iets te veel uitleg nodig aan het eind betreffende de Brigate Rosse, de corruptie van de Italiaanse politiek en allerlei losse eindjes in de persoonlijke sfeer.

De terloopse ironie, het geestige formele taalgebruik om de meest triviale zaken aan te duiden, het mengsel van diep respect en respectloze familiariteit waarmee de Italiaanse kunst tegemoet wordt getreden, maken daarentegen zoals gewoonlijk wel weer heel veel goed. Een schaterlach van herkenning had ik toen, tijdens de bespreking van een schilderij van Claude Lorrain de kunstkenner Argyll over diens figuren opmerkte: ‘Claude couldn’t do people for toffee. Arms and legs too long. Bums in the wrong place.’ Precies! Dat was mij dus ook al eens opgevallen. Leuk dat mijn ongeschoolde indruk hier door een expert bevestigd wordt. Iain Pears zelf is immers kunsthistoricus van opleiding.
Ondanks de topzware plot dus toch weer een fijn boek. Ik ga ze alle zeven snel herlezen. Liefst op een Grieks eiland.

7 maart 2016
Zoran Živković - Het laatste boek (2008)
Een snelle opeenvolging van uitgelezen boeken. Vakantie doet dat soms met me.

Dit was een heel vreemd, en uiteindelijk uiterst onbevredigend boekje. Het begon als een klassieke complot-thriller. Ook de vormgeving (omslagontwerp etc.) suggereerde dat heel sterk. De bol.com-samenvatting is daar ook  heel duidelijk in: "Vanwege een serie mysterieuze sterfgevallen bezoekt literatuurliefhebber en politie-inspecteur Dejan Lukić de Papyrus Boekhandel. Hij ontmoet de aantrekkelijke eigenaresse, Vera Gavrilović, en ontdekt wat de slachtoffers gemeen hadden: vlak voor hun dood lazen ze allen een ongeïdentificeerd werk, het laatste boek". 

So far so good.

De sfeer is op een prettige wijze proefbaar anders dan in westerse romans met een vergelijkbaar thema. De tinten zijn zachter, de melancholie sijpelt door het regenachtige clair-obsur van de Midden-Europese stad en de karakters zijn op een net even andere manier excentriek dan we gewend zijn.

Maar helaas, in plaats dat het mysterie wordt opgelost, dwaalt de novelle langzaam af naar een wereld van magisch-realisme, dromen en déja-lu, waarin de dader, als je hem zo mag noemen, de inspecteur zelf blijkt te zijn, geloof ik, die het laatste boek bedacht heeft en de onverklaarbare sterfgevallen door ze te dromen ook zelf veroorzaakt heeft. En dan is het verhaaltje ineens afgelopen en leven Dejan en Vera nog lang, verliefd en gelukkig samen. De laatste tien pagina’s lachen mij als lezer eigenlijk gewoon uit.

Kijk! Dan voel ik me, als behoorlijk rationeel mens, behoorlijk bedot. Weliswaar is het allemaal beter geschreven dan het werk van Harry Mulisch, maar uiteindelijk is het boekje toch wel zeer verwant aan dat, voor mij zo onpruimbare, gratuite surrealisme waartoe de Apollo van het Leidseplein ook zo vaak zijn toevlucht nam.




woensdag 9 maart 2016

Zestig

Ik ben van 1956, Dat betekent dat ik dit jaar zestig word.
Veel meer dan de vorige mijlpalen, boezemt deze noodlotszwangere verjaardag mij ontzag en angst in: erna ben ik definitief en officieel oud. Misschien zit niet iedereen daarmee, maar ik dus wel. Het is voor mij een omineus moment en merkbaar harder en harder boldert vanaf nu het karretje de heuvel af, meer en meer van mijn ijsje verlies ik onderweg, leger en leger wordt mijn hoorntje.
Het probleem van de viering heb ik wat mezelf betreft sluw opgelost: ik ben het land uit, net als Frans. Wie me wil feliciteren zal me internationaal moeten bellen en ik heb geen mobieltje bij me!

Maar ook al mijn vrienden worden zestig. En dat levert complicaties op. Natuurlijk denken de meesten hetzelfde als ik: ‘Ik wil niets hebben, laat maar. Ik heb alles al, asjeblieft geen cd’s van nieuwe topartiesten, of boeken van de bestsellerlijsten: ik beluister en lees ze toch niet.’ Bovendien, als je al iets zou moeten geven op iemands zestigste verjaardag, laat het dan iets van gewicht zijn. Iets memorabels. Iets dat opgewassen is tegen de ernst van een initiatie in de ouderdom.
Helaas hebben lang niet alle vrienden de innerlijke beschaving om deze dag aan zich voorbij te laten gaan, en dus moet ik alsnog op zoek. Niet voor mezelf, gelukkig, maar niettemin nog steeds met snel groeiende wanhoop.

Natuurlijk vraag je een sexagenariër in opleiding niet wat hij of zij wil hebben, dat zou veel te frivool zijn. Hier moeten we zelf creatief, empathisch en spitsvondig zijn.
Een opgezette havik? Een vaas? Een geestig etsje aangekocht tijdens de Kunstvijfhoek? Een nespressomachine?? Laat me niet lachen.
Ook geen boeken dus (misschien de verzamelde werken van Bert Schierbeek? ’t Zou me wel een statement zijn!), geen cd’s in vredesnaam (een complete Ring van Wagner? Zit Kees of Fons daarop te wachten?). Dure, glossy kookboeken van Yotam Ottolenghi? Nee nee, Eksteen: allemaal veel te luchthartig. Alsof het leven na die dag gewoon door zou gaan!

Uiteindelijk heb ik, zoals onze Vlaamse vrienden dat zo mooi zeggen, toch maar de duimen gelegd. Ik ben het een paar van de feestvarkens maar gaan vragen.
Frans was makkelijk: ‘Nee man, ik doe er he-le-maal niets aan! Ik ga lekker twee weken naar Hong-Kong.’ Tiny reageerde praktisch: ‘Ik wil van iedereen een geldbedrag voor een elektrische fiets.’ OK. Redelijk. Fons daarentegen werd duidelijk overvallen door mijn impertinente vraag. Stamelend kwam hij niet verder dan “goeie sokken, of een tweepersoonsdekbedhoes”.

Oh ja? Hallo? 1.60 breed? 1.80, twee meter? Zeg het maar. Zijde, linnen, kant, polyester, anti-allergeen?
Wat dacht je van effen? Effen grijs misschien, of liever toch karmozijn? Hemelsblauw of bruin? Misschien beter met een patroontje? Wat voor patroon past het best in je slaapkamer, vind je zelf? Iets abstracts, Vasarely bijvoorbeeld? Iets Biedermeierigs of beter juist strak? Bestaan er Rothko-dekbedhoezen? Of gaan we voor de onbedoeld ironische esthetiek van een hindoestaanse meubelwinkel, met vals glimmend nepgoudbrokaat en kwasten?
Nee ik weet het: tribal, met zebrastrepen! Of nee, toch maar iets koddigs met een tekst erop: Sweet dreams are made of this.

Erger nog dan zestig te zijn is, dunkt me, zestig te worden.