zondag 31 juli 2016

Leesrapportje 8

25 juli 2016
François Rabelais - Gargantua (1534)



Mijn Frans is niet goed, ik zou dit boek nooit in zijn oorspronkelijke taal hebben kunnen lezen. Dat komt goed uit, want ik wil het over vertalingen hebben. Twee verschillende.

Niet de allereerste vertaling: al in 1682 verscheen Alle de geestige werken van mr. François Rabelais, Geneesheer, vervattende in ses boeken de dappere daaden en deftige reedenen van d'overgroote reusen Grandgousier, Gargantua en Pantagruel, 'met groote vlijt uyt het Fransch vertaelt door Claudio Gallitalo', bij Jan ten Hoorn in Amsterdam. Claudio Gallitalo is een pseudoniem van de Fries Nicolaas Jarichides Wieringa (ca. 1644 - ca. 1700).

J. A. Sandfort
In de dertiger jaren verscheen de klassieke vertaling van J. A. Sandfort (1893-1959) van de vijf boeken over Gargantua en Pantagruel. In 1971 verscheen hiervan bij De Arbeiderspers een prachtige, handzame dundrukuitgave. Voor m’n vijfentwintigste had ik me door alle delen heengeworsteld, veel ervan ben ik sedertdien allang weer vergeten.

In 1996 verschenen van Gargantua twee nieuwe vertalingen vrijwel gelijktijdig. De ene van Théo Buckinx verscheen bij Bert Bakker. Ik heb hem niet gelezen maar ik begrijp dat er nogal wat kritiek was. Een gehaaste en niet erg respectvolle onderneming schijnt het te zijn geweest, zonder al te veel begrip van zestiende-eeuws Frans. 
J. M. Vermeer-Pardoen
De andere vertaling verscheen bij Van Gennep. Uiteindelijk zou dit project resulteren in vijf boeken in drie banden. Deze vertaling van Gargantua door J. M. Vermeer-Pardoen, heb ik zojuist gelezen, natuurlijk met die oudere ernaast. In haar inleiding levert de vertaalster nogal wat kritiek op de vertaling van Sandfort: die zou niet precies genoeg zijn, er zouden stukken weggelaten zijn, zijn taal en vertaalmethode zouden allebei gedateerd zijn. Hij zou de vertaalvisie van de dertiger jaren hebben aangehangen waar het resultaat belangrijker geacht werd dan het origineel. Vermeer-Pardoen betoogt dat de vertaler tegenwoordig veel “wetenschappelijker” te werk gaat, het origineel als allesbepalend beschouwt en zich ook voor contextuele studie baseert op de meest authentieke bronnen. Zelfs de keuze van primaire bron, legt ze uit, is nog niet zo eenvoudig. Zijzelf meent die gevonden te hebben in de kritische uitgave van A. Lefranc uit 1913-1922.

Tot zover.

Het ligt een beetje in mijn aard om bij voorbaat de voorkeur te geven aan de oude, “gedateerde” taal van Sandfort, maar hier ligt dat niet zo gemakkelijk. In de praktijk scoren beide vertalers op gezette tijden.

Vooropgesteld dat ik geen mening kan en mag hebben over de taalkundige kwaliteiten van de twee vertalingen, interesseren mij de verschillen in het Nederlands enorm. Vermeer-Pardoen heeft het ergens over een ongesneden ezel, Sandfort over een klootezel. 1-0 voor Sandfort. Vermeer-Pardoen: lulletjes lampekatoen, Sandfort: klootzakken. 1-1, zou ik zeggen. Sandfort: Ik rijm tegen de klippen op en al rijmend krijg ik soms mijn keel van slijm. Vermeer-Pardoen: Ik dicht dat het een lieve lust is, en soms ben ik zo aan het dichten, dat m’n hele kop dichtzit. Rijm/slijm in de eerste, dicht/dichtzit in de tweede. 1½-1½ dan maar?
Sandfort vertaalt de namen van personen soms wel, dan weer niet. Waar Vermeer-Pardoen vertaalt: Windjammer, Zakkendrager en Walewijn, heeft Sandfort het over Hurtebize, Fasquin, Gaulehaul. In datzelfde rijtje wordt Meester Overbodig (Eénteveel bij Vermeer-Pardoen) dan weer wel vertaald. Waarom?

En zo gaat het maar door. Voor het verhaal hoef je Gargantua niet te lezen - de plot is flinterdun - het gaat steeds weer om de taal. En ik denk dat naar mijn gevoel de vertaling van Sandfort nipt gewonnen heeft, juist omdat op bepaalde momenten hij het niet nodig heeft gevonden een woord sec, zonder franje, “wetenschappelijk” te vertalen. Hij doet het bovendien ook nog eens geheel en al zonder notenapparaat. En precies deze - soms zot uitbundige - onduidelijkheid maakt dat ik me in zijn beelden- en ideeënwereld net iets meer op mijn gemak meen te voelen dan in de precisie van Vermeer-Pardoen. Hoewel?

Nee, laat ik het bij nader inzien toch maar een gelijkspel noemen.

En nog vier delen van Vermeer-Pardoen te gaan. Joepie!



woensdag 13 juli 2016

Veiligheden

N. van Gesselt beweegt zich van veiligheid naar veiligheid. Dat begint al ’s morgens vroeg. Als om kwart voor zes de wekker afgaat verlaat hij de veiligheid van zijn bed in de wetenschap dat hij zijn volgende veiligheid pas twintig minuten later zal bereiken. Eerst doucht hij, poetst zijn tanden, kleedt zich aan en verlaat hij zijn huis, de schoudertas rechts naast hem, de zeven belangrijke dingen ingepakt. Dit zijn de zeven belangrijke dingen:

Ten eerste de portemonnee, met daarin de NS-pas, de pinpas en de reserve-aspirines voor als hij onderweg een migraineaanval krijgt. Dat gebeurt niet zo vaak, maar als het gebeurt moet hij voorbereid zijn. Verder heeft hij in zijn portemonnee nog een reservesleutel van zijn voordeur en, het minst belangrijke, wat geld, meestal tussen de vijftig en honderd euro.
Ten tweede het medicijntasje, met daarin nog meer aspirines, een zalfje tegen eczeem, een stripje Naproxen tegen spanningspijnen en nog een reservesleutel van zijn voordeur.
Ten derde zijn sleutelbos, vastgeklikt aan een handig lederen bandje binnen in de tas.
Ten vierde zijn brillenkoker met een computerbril. Zonder die bril kan hij zijn werk niet doen. Na zijn recente bezoek aan het Prado een brillenkoker met Jeroen Bosch motief.
Ten vijfde de magnetische pas waarmee hij in kan klokken op zijn werk. De pas opent niet alleen de poort, maar vertelt het systeem meteen hoe laat hij binnengekomen is, en hoe laat hij het pand weer verlaat.
Ten zesde een USB-stick met muziek om tijdens zijn werk af te draaien (hij geeft de voorkeur aan mp3 en wat het afspeelprogramma betreft is hij al twintig jaar verknocht aan WinAmp). Op die USB-stick bewaart hij ook allerlei andere zaken: vakantiefoto’s, half afgemaakte gedichten, verhalen (zoals dit verhaal).
Ten zevende een iPad waarop hij een e-reader heeft geïnstalleerd en een paar leuke programma’s om de treinreis nog aangenamer te maken. Op het moment is hij verzot op de “killer-sudoko” een obscure zijvariant van het populaire cijferspel.

Zonder deze zeven dingen in zijn tas zal de dag niet gaan lukken.

Zoals iedere werkochtend loopt N. van Gesselt, aldus voorbereid, om vijf over zes door zijn verscholen wijkje: hij steekt het minuscule parkje aan het eind van zijn straat over. Het is koud en de hemel is glashelder. De maan staat halfhoog in de hemel, schuin omhoog, net afnemend. Eronder, al een paar weken zeer helder, flonkert Jupiter. ‘Als de maan vol is en in de buurt van Jupiter staat, moet Jupiter ook vol zijn,’ redeneert N. van Gesselt bibberend maar logisch. Hij loopt langzaam door en staart naar het markante sterrenbeeld Orion. Linksboven Betelgeuze, de schouderster, die sedert de popcultuur bezit van deze rode reus (600 x de zon! Hij heeft het gecontroleerd in zijn sterrenboek) genomen heeft onder de naam Beetle-juice, waarschijnlijk de bekendste en populairste ster is in het firmament. Wat heeft N. van Gesselt uit zijn lang vervaagde jeugdhobby nog meer onthouden? Rigel, één van de voeten. En de befaamde Orionnevel natuurlijk. 
Andere zaken? De satelliet Kepler heeft een planetenstelsel aangetroffen rond de ster met de prachtige naam Fomalhaut. Helaas is die vanaf Haarlem niet zichtbaar. N. van Gesselt vindt dat jammer.
Lager aan de horizon twinkelt de Hondsster Sirius als ijskristal en bijna, ja bijna kan hij de Melkweg zien, een suggestie van kwijnend licht in zijn ooghoeken.
Ergens achter hem moet de rode druppel van Mars zijn. Hij draait zich om, maar twijfelt. Die daar? Ergerlijk dat hij het niet zeker weet.
De Grote Beer (ofwel het Steelpannetje) hangt prominent naar de Poolster te wijzen. Daar, gevonden.

Er klinkt geen enkel geluid. Verderop ziet hij wel lichtbundels passeren, maar vreemd genoeg hoort hij helemaal niets. De stilte van het heelal hangt als een glazen stolp over hem heen. Dan gaat hij het loopbruggetje over en prompt vangt het continue rumoer aan van de andere wereld. Daar bevindt zich een brede ringweg die zo vroeg in de ochtend weliswaar nog niet extreem druk is, maar die hij niettemin zo snel mogelijk achter zich zal moeten laten. Hier wordt namelijk het leven alweer voortgedreven door een constant streven naar een of ander doel. Een enkele kittig optrekkende auto, twee brutaal spottende, knetterende en onwelriekende scootertjes, het serieuze hoesten van de dieselmotor van een Sligro-bestelauto, een groepje kettingrokende Poolse seizoenarbeiders in camouflagebroeken en met een sputterend telefoontje in hun midden. In de straatverlichting en het geruis is de sterrenhemel compleet verdwenen.
Zodra de weg vrij is, steekt N. van Gesselt over. Dan is dat tenminste maar geweest.
Hij realiseert zich dat deze route objectief niet de beste kan zijn, want als hij ’s middags terugkomt, steekt hij juist aan het begin ervan zo snel mogelijk over. Hij loopt dus nooit heen en terug over hetzelfde trottoir. Gek is dat eigenlijk, bedenkt hij zich misschien iets te vaak. N. van Gesselt houdt zich in toenemende mate bezig met nadenken over zijn gedachten.
Eenmaal in de veiligheid van de overkant loopt hij dicht langs het fietspad, dat rechts van hem ligt. Vrijwel altijd loopt hij halverwege een jonge jongen tegemoet met overmoedig, lang, dik en romig haar, die rokend naar zijn werk loopt. N. van Gesselt ziet hem aankomen en bereidt zich voor, want hij wil niet van de wijs gebracht worden door zelfs maar de geur van tabak. Als er iets is dat hij haat, is het de geur van een sigaret die de briske, frisse geur van de vroege morgen besmeurt. Telkens dieper inademen, vasthouden, dan uitademen. Vlak voordat de jongen te zijner hoogte is, ademt N. van Gesselt nogmaals zo diep mogelijk in, en nu houdt hij vast. Gehaast loopt hij door en pas als hij het niet meer volhoudt en een beetje duizelig begint te worden, ademt hij voorzichtig weer uit.
Toen hij zelf nog rookte (N. van Gesselt is zestien jaar geleden gestopt), had hij al een hekel aan de morsige tabakslucht die de frisheid van de dag om zeep hielp. Zelf rookte hij in die jaren pas als hij aangekomen was, bij wijze van beloning, nooit gehaast in een portiek of tussen twee mistige lantarenpalen in. Al dat roken van toen heeft er wel voor gezorgd dat hij nu, in de vochtige vaagheid van de herfst, aamborstig is en langzamer moet lopen dan normaal, waardoor vanzelf de afstand tussen de opeenvolgende veiligheden vergroot wordt. Het kwaad straft zichzelf, beloning levert straf op.
Beloning is ook een lichte vorm van dwangmatigheid, beseft N. van Gesselt, maar hij heeft het niet voor het kiezen. Te lang heeft hij zijn dwangneuroses ontkend, en de laatste maanden heeft hij juist een groot gevoel van bevrijding verworven door langzamerhand het bestaan ervan in zichzelf te accepteren.
Als hij het stationsgebouw betreedt, slaakt iets in hem een zucht van verlichting. Geen regen, gladheid, scooterwalm of bassig gebonk van geluidsinstallaties meer. Iedere ochtend doet hij zijn best om iets aan het sleetse jugendstilgebouw mooi te vinden, maar diep in hem is er iets dat haast heeft, iets dat verlangt naar de volgende veiligheid, de grootste van de dag.

Op het station staat de Chinees te wachten. Natuurlijk staat hij daar, zomer en winter gekleed in hetzelfde wit-zwarte zeiljack en dezelfde zwarte broek, op zijn post, schuin onder de middelste stationsklok. Zeer bijziend spelt hij vanaf niet meer dan vijf centimeter afstand de Metro. Af en toe loert hij scheef omhoog en exact op het moment dat de klok naar elf minuten over zes springt, verlaat hij zijn standplaats en loopt naar de plek waar, drie minuten later de achterste deur van het voorste treinstel zich zal bevinden. Dat doet hij iedere dag, zonder variatie. N. van Gesselt geniet daarvan: een zielsverwant, een lotgenoot. Een medepatiënt? Als je er zelf zo een bent, herken je de subtiele trekjes bij anderen.
Zielsverwant, maar beslist verschillend van elkaar in methode. Want N. van Gesselt pakt het treinprobleem volstrekt anders aan: hij heeft niet een vaste plaats op het perron, maar een vaste plek in de trein. Hij is flexibel genoeg om voor- dan wel achterin de trein te kunnen gaan zitten, zolang hij maar, achteruitrijdend, aan de linkerkant, met een raam naast zich, op een bank kan zitten waar geen mensen tegenover hem plaats kunnen nemen. Niet alleen is dat meer privé, maar bovendien is de kans op door modderschoenen besmeurde bekleding op die manier veel kleiner. Eén van de neuroses waar hij aan lijdt (of moet hij zeggen: van geniet?) heet thigmofilie, weet N. van Gesselt sedert enige tijd. Het verlangen naar geborgenheid.
Vooral in de winter is het heerlijk om tegen het raam te leunen, het hoofd half naar binnen gewend, terwijl de geur van warmer wordende kleding en de duisternis van de kou buiten zijn synesthetische zinnen door hun contrast vervullen met vrede.

Als hij na een te kort ritje in Den Haag de trein verlaat, ziet hij op een naastliggend spoor de sneltram naar Rotterdam klaar staan voor vertrek. Hij is jaloers op de mensen erbinnen. Allemaal veilig, en hij niet langer.
Hij houdt heel erg van de grote klok aan de noordelijke uitgang van het station. De wijzerplaat ervan is leeg, de wijzers ontbreken. Het verschaft hem een zeer kortstondig moment van tijdloosheid, voordat hij het winderige plein en de bitse rechtlijnigheid van de buitenwereld betreedt. Hij haast zich naar de dienstingang, niet meer op zoek naar veiligheid, maar meer om te ontkomen aan de verwarrende onveiligheid van het plein, dat in alle opzichten een onaangename mislukking is.
Om tien voor zeven betreedt hij het gebouw waar hij de dag door zal brengen, onderhevig aan de constante grillen van een falend klimaatsysteem. Daar is geen tijd voor duidelijke veiligheden. Dat heeft hij geaccepteerd, maar het blijft moeilijk.

vrijdag 8 juli 2016

Leesrapportje 7

21 mei 2016
Mark Haddon - The Curious Incident of the Dog in the Night-Time (2004)



Een elegant, verrassend boekje, vermoedelijk bedoeld voor de rijpere jeugd,  dat mij, zelf onderhevig aan lichte dwangverschijnselen, aan het denken heeft gezet over de schoonheid van dwanghandelingen.
Christopher, de verteller, is een autistisch jongen die houdt van priemgetallen, en niets begrijpt van mensen en emoties. In de tuin van de buren ontdekt hij hun hond, die door iemand gedood is. Hij gaat op onderzoek uit en beschrijft hoe hij besluit er een boekje (het onderhavige boekje) over te schrijven – een heel aardige postmoderne plot-binnen-een-plot.
We krijgen een, naar mijn gevoel perfect uitgebalanceerde, inkijk in de denkwereld van iemand met Asperger, compleet met diagrammen en lijstjes. Christopher weet met fraaie pseudo-logica zijn gedachten helder uiteen te zetten: waarom hij houdt van Sherlock Holmes, maar niet zo tevreden is over Conan Doyle zelf, hoe het zit met de kleur geel, en in Indiaas eten juist met de kleur rood, waarom hij de hoofdstukken genummerd heeft als 1, 2, 3, 5, 7, 11, 13 etc., en vele, vele andere zaken die wezenlijk belangrijk zijn voor mensen die de gewone wereld niet als realiteit erkennen. De intensiteit en consequente precisie van de beschrijvingen van Christophers denkbeelden doet me nu en dan denken aan de eerste romans van de Amerikaan Nicholson Baker, een hyperrealist met zonder twijfel ook enkele neurotische trekjes (The Mezzanine en Room Temperature, beide romans die handelen over een periode van slechts enkele minuten zijn beslist aanraders!)

Hoewel hij niets van mensen begrijpt, schetst hij in zijn laterale naïveteit zijn alleenstaande vader toch zodanig dat we hem leren kennen en waarderen voor wat hij is: iemand die worstelt met de situatie en er het beste van probeert te maken.
De verdere plot van het boekje doet er eigenlijk niet zo toe, leidt tegen het einde eerder een beetje af van het ware thema. Ik interpreteer dat thema als volgt: het denken van de autist is, neurotisch of psychotisch wellicht, toch vooral mooi, creatief en poëtisch. Wat ik eigenlijk altijd wel gedacht had.


20 juni 2016
Van alles
Een maand lang heb ik wel gelezen, maar eigenlijk niets opgeschreven.  Deels omdat het werk betrof van Hans Plomp en Henk van Teylingen, over wie ik het al eens gehad heb. Deels omdat het boeken waren waar ik niet te veel over te zeggen had: een paar deeltjes Lovejoy van Jonathan Gash, en de eerste tien deeltjes van de Bob Evers serie. Wat valt daar nu nog over te zeggen? Hoewel ik er een fervent voorstander van ben om het verleden in zijn waarde te laten, en dat verleden dus niet te veroordelen op grond van de veranderende normen van het nu, merk ik dat ook ik toch onaangenaam getroffen word door het veelvuldig gebruik van de term "nikker" in de vroege drukken van de Bob Evers-deeltjes. Blijkbaar ben ik, ondanks mijn hardnekkige verzet ertegen, toch ook ontvankelijk voor de morele hovaardij van het heden ten opzichte van het verleden.


30 juni 2016
Anton Constandse – Eros, de waan der zinnen (1977)
Dat deze strenge anarchist (meer PSP dan Provo) niet universeel bemind werd, wist ik uit een sonnet van Jan Kal:

Anton Constandse

Mijn neef woonde op 61 rood.
57 was de ballenpikker.
Voor Opaatje, een soort vogelverschrikker,
was Haarlems Zonnebloemstraat als de dood.

Toen ik een plastic bal, geen leren knikker,
bij een partijtje richting putje schoot,
vloog deze schuin en hoog over de goot
in Opaatje z'n voortuin. Slechte mikker.

Ik deed het tuinhek, hij de voordeur open.
Hij greep de bal, terwijl ik achterbleef
met lege handen, neefje van Han Kal!

Sindsdien zijn er zo'n twintig jaar verlopen,
sinds Opaatje Bevrijdend denken schreef.
O Anarchisme van de daad: dag bal.

Jan Kal, Fietsen op de Mont-Ventoux, 1974

Dat was, eerlijk gezegd, ook zo’n beetje alles wat ik van de man wist. De afgelopen dagen heb ik me, met toenemende ergernis, met zijn collectie aan de erotische literatuur gewijde essays beziggehouden. In het begin was er van die ergernis bij mij nog helemaal niets te merken. Integendeel: waar ik op voorhand weinig fiducie had gehad in de leesbaarheid van zijn werk, was ik na lezing van de eerste twee of drie van de twaalf gebundelde artikelen zeer aangenaam verrast. Lyrisch, fijnzinnig en erudiet beschrijft hij het werk van Ovidius, Boccaccio en Rabelais. De korte samenvatting/recensie van NBD|Biblion heeft het over aardige causerieën en zo is het ook precies.

Maar naarmate Constandse het heden dichter begint te naderen, worden de essays strenger, moraliserender en steeds formulaïscher, in dat larmoyante old-skool socialistische jargon gesteld dat we sedertdien zonder enige spijt hebben achtergelaten bij het vuilnis van de zeventiger jaren. Casanova, Sade en Sacher-Masoch, kinderen van hun tijd, verbonden zeer veel maatschappelijke filosofie aan hun erotiek. En Constandse doet het driedubbeltjes over! Seksualiteit als sociaal/politiek machtsmiddel, de overbekende denkbeelden over het taboe en huwelijkse gewoontes als middelen tot onderdrukking in dienst van kerk, staat en kapitaal, de algehele antifeministische tijdgeest. Hoewel het niet zo’n dik boekje was, leek het maar niet op te houden.

Over het tweede deel van dit boekje heb ik dan ook veel langer gedaan dan over het eerste. Jammer wel.

vrijdag 20 mei 2016

Leesrapportje 6

5 mei 2015
Geerten Meijsing – Tussen mes en keel (1996)
Na lezing van de correspondentie van Geerten Meijsing met Nanne Tepper ben ik nieuwsgierig geworden naar dit boek, waaraan Meijsing werkte in de periode die de correspondentie bestrijkt. Als trouwe volger van zijn werk had ik het natuurlijk wel gelezen toen het uitkwam, maar dat is ondertussen alweer bijna twintig jaar geleden.
In deze dikke pil beschrijft Meijsing de diepe neergang van Eric Provenier, een door zijn vriendin in de steek gelaten schrijver, die zijn heil zoekt in drank- en drugsgebruik, stalking en escort-meisjes. De hele tijd is hij bezig met het voorbereiden van zijn zelfmoord die uiteindelijk mislukt, waarna hij opgenomen wordt. Wat is het alternatief voor leven? De dood? We komen er niet uit, en de enorme, overdonderende intimiteit waarmee Proveniers innerlijke leven over ons heen wordt uitgestort levert geen eenduidige aanknopingspunten op. Dat komt mede door de afstand tussen hoofdpersoon en lezer die paradoxaal lijkt te zijn ontstaan door precies die overkill. De volumeknop staat wat te hoog.
Dat is niet nieuw: Geerten Meijsing lijkt geen schrijver te zijn die het belangrijk vindt dat zijn lezer zich verbonden voelt met zijn hoofdpersonen. Zoals in bijna al zijn romans doet hij ook hier weer geen enkele poging zijn hoofdpersoon sympathiek te maken. Blijkbaar is hem er veel aan gelegen om Eric Provenier zo destituut en grimmig mogelijk af te schilderen in zijn tragische wederwaardigheden. Dientengevolge voel ik dan ook weinig empathie voor Provenier.
Een toegevoegd vervreemdend effect (eigenlijk ook terugkerend in alle romans van Meijsing) is het noemen van allerlei merkproducten die Eric Provenier gebruikt (Armani, Sisley etc.). Wat is dat toch? Waarom zijn die producten zo belangrijk? Provenier is, net als Meijsing, een beschaafd ogende middelbare man uit een gegoed middenklasse-milieu. Iemand die een duur, zijden merksjaaltje draagt, dat hij als een band om zijn hoofd knoopt wanneer hij met zijn te jonge vriendin in de Roxy is en op muziek van Buffalo Tom of The Breeders gaat dansen. En dat klopt gewoon niet. Hij is er niet op zijn plaats, een beetje als een oom op een tienerfeestje.
Uit de correspondentie met Tepper kan de lezer weten dat de fabel van Tussen mes en keel wel zo’n beetje op echte gebeurtenissen gebaseerd is, maar tegelijkertijd leest de roman juist alsof er minstens de helft van verzonnen is. Dat heeft volgens mij te maken met Meijsings techniek om bestaande personen en geschiedenissen te nemen als uitgangspunt, waarna hij aan de haal gaat met hun lot (mensen die zich in zijn romans menen te herkennen, legde hij ooit uit, begrijpen het dan ook niet: het blijven romans, verzinsels). Misschien is het daardoor dat ik niet echt into Eric Provenier kan komen.
Geerten Meijsing kan, als hij het op zijn heupen heeft, heel erg mooi schrijven (het eerste deel van hoofdstuk zeven is een klein pareltje in zijn œuvre), maar evengoed kun je, als je goed oplet ook wel plekken ontdekken waar hij er eigenlijk geen zin in had.

16 mei 2016
Nick Hornby – A long Way Down (2005)
Niet helemaal toevallig: nog een boek over mislukte zelfmoord. Dit boek lag al een tijd op me te wachten en na lezing van Tussen mes en keel, leek me dit wel een aardige om als contrast te dienen. Dat het een contrast zou worden, stond van te voren wel vast, zo’n onbevangen lezer ben ik niet: ik ken het werk van Meijsing, ik ken het werk van Hornby.
Vier personen treffen elkaar op het dak van een wolkenkrabber en verhinderen elkaar de fatale laatste stap. De cynische Martin (geschetst naar Hornby zelf?) wiens leven en carrière door een serie misstappen geruïneerd is, het geschifte, achttienjarige punkmeisje Jess, na een one-night-stand door Chas in de steek gelaten, de katholieke eind-veertiger Maureen, “eenvoudig” gebleven maar als alleenstaande moeder opgezadeld met een zwaar gehandicapt kind, en ten slotte JJ, een mislukkende rocker van in de twintig. Ogenschijnlijk de normaalste van de vier.
Geen van vieren heeft een duidelijke reden voor zijn of haar zelfmoorddrang (en dat vind ik dan ook meteen één der zwakten in het boek). Door middel van reportageachtige snippets, telkens in het idiolect van de betreffende zelfmoordenaar in spe geschreven, krijgen we inzicht in beweegredenen en worden we langzamerhand van die lokkende rand weggeleid. Er bestaat geen romantiek tussen de vier en het boek eindigt neutraal (dat vind ik wel sterk: het is geen feel-good-romcom-boek geworden) en de vier blijven uiteindelijk leven omdat dat iets minder erg is dan doodgaan.
Het contrast is overduidelijk: Geerten Meijsing is een klassiek schrijver - zijn referentiekader is de klassieke cultuur. Nick Hornby is een (post)modern schrijver. Zijn referentiekader is de popcultuur. Waar Meijsing slechts lijkt te koketteren met punkbandjes en disco’s, weet Hornby precies waar hij het over heeft (hij heeft al eens een roman geschreven over de uitbaters van een vintage platenzaak), en zijn de verwijzingen naar de moderne popcultuur een stuk geloofwaardiger.
Geen van beide boeken evenwel, durf ik te beweren, is een meesterwerk.
De verfilming van A Long Way Down, met onder andere Aaron Paul en Pierce Brosnan, is zeer wisselend ontvangen. Ik sla over, denk ik, het schijnt een feel-good-movie te zijn geworden..

woensdag 11 mei 2016

Bingejoy

In het algemeen ben ik heel trouw aan wat me dierbaar is. Favoriete boekenreeksen herlees ik geregeld, televisieseries kijk ik graag en vaak terug. Een binge-gedrag dat bij mij, gezegend met allerlei onschuldige dwanggewoonten, vereist dat ik integraal en chronologisch te werk ga: van deel 1 tot het einde en ook nog eens in de juiste volgorde. Zo heb ik de afgelopen tweeënhalve maand voor de vierde keer de complete 6 seizoenen, ruim 70 delen tellende BBC-serie Lovejoy bekeken.

v.l.n.r. Chris Jury, Malcolm Tierney, Phillis Logan, Dudley Sutton, Ian McShane
Gebaseerd op de romans die de medicus John Grant onder het pseudoniem Jonathan Gash schreef, neemt deze serie uit de jaren 1986-1994 ons mee naar de idyllische wereld van antiekbeurzen, veilingen, landhuizen en glooiende heuvelen van East-Anglia, en naar de picareske avonturen van de beminnelijke antiekhandelaar, vervalser en vrijbuiter Lovejoy. Hij is een zogenaamde divvy, iemand met het paranormale talent om onmiddellijk en zonder nadere bestudering aan te voelen of een stuk werkelijk antiek is, of slechts een vervalsing of imitatie. In de serie wordt hij met ongekend charisma vertolkt door Ian McShane, een spreekwoordelijke lovable rogue. Met hem heeft de kijker rapport al was het maar omdat hij de vierde muur doorbreekt en zich rechtstreeks tot de kijker richt. Dat was vier jaar voordat die techniek werd toegepast in de originele serie van House of Cards (de goede, bedoel ik!) uit 1990.

Dudley Sutton, onnavolgbaar als Tinker Dill
Lovejoy’s naaste medewerker is Tinker Dill (volmaakt vormgegeven door Dudley Sutton). Tinker is een barker, iemand die voor zijn baas op veilingen biedt en allerlei louche zaakjes weet te vinden en handel weet op te trommelen. Een echte barker, zo wordt gezegd, is een door het leven gefnuikte alcoholist. Zo ook Tinker (‘Mine will be a large gin, please’).

Iedereen die iets was in de Britse acteerwereld kwam langs voor een cameo of een hoofdrolletje: Brian Blessed, Alexi Sayle, Richard Briers, Burt Kwouk, Uma Stubbs of Martin Clunes.

Waarom vind ik deze serie nu juist zo goed? Chris Jury (die in de eerste vier series Eric Catchpole speelde, Lovejoy’s onnozele assistent met een passie voor death metal), omschreef de sfeer ervan als volgt: "it was innocent, rural, funny and nostalgic". En zo is het: perfect escapisme. En verder verwijderd van het gedaver en gebeweeg van al die rauwe Netflick-series is haast niet voor te stellen.

Maarrrrr….
Net als een paar jaar terug bij House of Cards, broeit er ook op het Lovejoy-front een stormpje. Wordt Lovejoy eerstdaags ook genetflicket?
Tony Jordan, een zeer succesvolle Britse televisieschrijver, heeft aangekondigd dat hij aan het werken is aan een remake van de serie. De bedoeling is om nu veel dichter bij de oorspronkelijke, ondertussen 24 romans te blijven van Jonathan Gash. Daar kan ik vrede mee hebben. De boeken zijn heel anders, grimmiger, moeilijker, in een staccato taaltje vol jargon en rhyming slang. Maar wel heel leuk. Ik zal daar spoedig eens iets over schrijven, maar nu nog even niet.
Robert Downey jr
Martin Clunes
De voorbereidingen voor de nieuwe serie zijn nog in hun beginfase, en er wordt nog niet eens gespeculeerd over de invulling van de rollen. Phillys Logan, die dertig jaar geleden Lovejoy’s eerste love-interest, Lady Jane Felsham vertolkte en tegenwoordig vooral bekend is van Downton Abbey, heeft al aangekondigd meteen weer mee te willen doen. Ian McShane, thans 72, heeft in ieder geval geen belangstelling voor de titelrol. Ik persoonlijk zou me wel kunnen verzoenen met bijvoorbeeld Robert Downey jr. als Lovejoy. Voor de rol van Tinker (Dudley Sutton is ondertussen 83, laat hem ook maar met rust) kan ik me zomaar de al eerder genoemde Martin Clunes voorstellen...

Ik word waarachtig een beetje nerveus van het vooruitzicht.



(PS. Een laatste zoekactie op Google onthulde ineens dat er daadwerkelijk een firma Lovejoy Antiques bestaat, gevestigd in Naples, Florida. Hoe bestaat het?) 


woensdag 27 april 2016

Den Bosch gegijzeld

Den Bosch door Braun en Hogenberg, 1588
We zijn er op een gegeven moment mee opgehouden, maar er was een tijd dat we vaak naar Den Bosch afreisden. In het gehucht Engelen was Fons zijn grootmoeder geboren, zijn vader in Den Bosch en dus kon hij, weliswaar met een Amsterdams accent, het provinciestadje claimen als zijn roots.
In de trein afgelopen vrijdag zat ik te rekenen: was dat allemaal alweer dertig jaar geleden? Een korte chatwisseling met Fons bracht naderhand uitkomst. Een van de laatste keren dat we in ’s-Hertogenbosch waren, moet 1984 geweest zijn. De tentoonstelling Herinneringen aan Italië, met werken van Lorrain, Piranesi, dat soort gasten. Een stadswandeling was toentertijd voor ons ondenkbaar zonder een deeltje van Dr. L. van Egeraat in de hand, of het nu Brabant of Italië betrof.
Verder is mijn herinnering een beetje vaag. In ieder geval bracht ik nog een bliksembezoek aan de stad in 1996, de dag voor de start in Den Bosch van de Tour de France. Dat moet mijn laatste keer zijn geweest.

Wat Fons en ik in zeker nooit oversloegen, was een bezoekje aan het zuidelijke Bastion Oranje, waar de middeleeuwse stad abrupt ophield en waar, vijf meter dieper, het natuurgebied Bosch en Broek begon, doorlopend tot aan de einder, zover het oog reikte, onder magische wolkenluchten. We zetten ons dan neer op een uitkijkbankje, met naast ons een oud kanon, en rokende en nippend van een zakflacon zwijmden we weg in goddelijk glanzende tweespraak.
Bastionder
Het bastion was er nog steeds, natuurlijk, en het bankje en het kanon ook, maar er bovenop gebouwd was nu een driehoekig paviljoentje, dat me aanvankelijk met een diepe onrust vervulde, vooral toen ik de woordgrap las waarmede het gebouwtje getooid was: Bastionder. Het was bij de aanleg van een modern horrorgebouw aan de Zuidwal een kleine moeite geweest om de daar in het leem begraven restanten van een middeleeuwse toren uit te graven en nu kon je de diepte in, voorgelicht door een vriendelijke vrijwilliger, en de 15e-eeuwse stadsmuren beklimmen. Toch wel heel aardig, alles bij elkaar.

Ons hotel lag in de slagschaduw van de Sint-Janskathedraal. Is dit de mooiste Gotische kerk van Nederland? We zijn ondertussen gewend aan de restauraties, waardoor het plafond van de kerk bijvoorbeeld door allerlei bloemmotieven een heel interessante, licht vervreemdende lichtheid heeft verworven, die bij oplevering op grote kritiek kon rekenen.
Zeventig meter boven ons, midden bovenin de koepel vonden we het Alziend Oog. Een oog in een driehoek in een stralenkrans: het lijkt een symbool te zijn van de vrijmetselarij.
Het Alziend Oog
In 1950 beschreef Bertus Aafjes zijn avontuur rond dit oog aldus: “Behoedzaam schuifel ik naar het midden tot bij het gat. En waarachtig, midden in de achterkant van het papieren oog zit een gaatje, ter grootte van een rijksdaalder. Ik ga liggen op de dwarsbalk en schuif mij zo ver naar voren als mogelijk is en plotseling kijk ik duizelig en luchtziek door het gaatje in een geweldig gotisch ravijn. Het is zó diep, en het perspectief is zó vertrokken dat de vier hoge middenpijlers niet meer recht naar beneden schieten, maar naar elkaar toe staan als vier x-benen. Er lopen wat mensen door het middenschip als zoekgeraakte mieren. De kerkstoelen en banken zijn punten en streepjes geworden. Ik heb ineens het onbehaaglijk gevoel niet meer te zijn dan een vuiltje in dit grote oog. Eén moment het evenwicht verliezen en ik schiet door de flarden heen in het ravijn en vertel het nimmer weerom. Haastig kruip ik terug. En opgelucht daal ik langs de vele kinkhoorns vol tochtgaten naar de begane grond, niet zonder trots denkend, hoe ik later mijn kinderen in de Sint-Jan het oog zal wijzen met de woorden: 'Daar keek ik doorheen...'”
Tegenover de Sacramentskapel troffen we twee zeer slechte schilderijen aan, zogenaamd van Jeroen Bosch. De kerk zelf lijkt zich er een beetje voor te schamen, want het is me niet gelukt er afbeeldingen of beschrijvingen van te vinden op het web.

Aha lezer, ondertussen is dus nu het B-woord gevallen!

Bosch, Hieronymus Bosch. Jeroen voor intimi. Jheronimus Anthonissoen van Aken bij geboorte.

Het bezoek aan Den Bosch en dus natuurlijk aan de Bosch-tentoonstelling in het Noordbrabants Museum, gold als afsluiting van mijn zestigste verjaardag. Natuurlijk hadden we ons op voorhand al heel weinig illusies gemaakt over dit spektakel. Langzaamaan wijs geworden begrepen we dat dit een zeer dubbel genoegen zou gaan worden. En dat klopte volledig: mensen die internetkaarten hadden bemachtigd moesten het gebouw betreden binnen een slot van een van te voren vastgesteld uur. Ze stonden in een lange rij. De Kunstkring Kapelle mocht een voorrangsrij bezetten en dames werden boos.
Bij de garderobe alweer rijen.
Voor ieder topstuk klonterde een massa van tientallen liefhebbers. Sommigen van hen gedroegen zich redelijk beschaafd en drongen niet voor. Er was voor een kleine vrouw als mijn levensgezellin geen doorkomen aan, dus concentreerde zij zich in arren moede op de werken van de navolgers van Bosch, waar men in het algemeen veel minder belangstelling voor op kon brengen.
Ik werd - weer - een beetje triest van zo’n tentoonstelling. Wat ik in het Prado al voor mezelf geconstateerd had, namelijk dat zo’n bijzonder stuk veel beter tot zijn recht komt in een zaal met allerlei andere kunstwerken dan als onderdeel van een power-vertoning, bleek nu eens te meer. Al na vijf panelen was ik Jeroen Bosch eigenlijk beu. Na het tiende, zwaar bevochten stuk begon ik een hekel te krijgen aan hem, vooral om de mensen die hij aantrok, om de massaliteit van dit alles dat hij aangericht had.
Gelukkig eindigde het voor mij althans toch nog in majeur. Het allerlaatste stuk van de tentoonstelling, het drieluik Dag des Oordeels uit Brugge, was ook het fijnste. Ik kende het niet echt goed en zag er veel dingen in die bekend waren, maar toch nieuw. Zo bleef mijn nasmaak ondanks alles een mild-gunstige.

Dag des Oordeels

De hele stad bleek gegijzeld te zijn door de tentoonstelling. Iedere winkel verkocht Bosch-koekjes, Bosch-wijn, Bosch-bier, Bosch-lepeltjes, Bosch-T-shirts, Bosch-boekenleggers, Bosch-plakplaatjes, Bosch-windlampen, Bosch-dromenvangers, Bosch-cd’s (muziek uit de tijd van Jeroen Bosch, door Consortium Dingesium), Bosch-bumperstickers, Bosch-trouwjurken, Bosch-dagmenu’s etcetera, etcetera, et jezusmina-nog-an-toe cetera.
In een prullenwinkeltje riep ik flauw en wellicht iets te sarcastisch: ‘Hé leuk! Bosch-onderzettertjes!’ De eigenaresse slaakte een diepe zucht. ‘Weet u dat ik er zelfs van droom ‘s nachts?’

Volgens Fons zou het geen enkel probleem zijn om zonder te reserveren op zaterdagavond ergens in een herberg aan te schuiven en een bord eten te krijgen. Hij heeft buiten de Bosch-manie gerekend. Tot en met de nederigste pizzeria (Bosch-calzones?) was alles afgeladen. Zeker een uur lang hebben we door de stad gedwaald totdat we uiteindelijk in een sjiek restaurant door een samenzweerderige gastvrouw (‘Ik ga een gokje met u wagen: we hebben nog twee reserveringen, maar we hebben ook twee gezelschappen die nu aan het toetje zijn, dus ik geef u een tafeltje’) een voortreffelijk avondmaal kregen voorgeschoteld. In de buurt van één Michelin-ster. Ook qua prijs.

Op het treinstation was zondagochtend een hele consternatie omdat een gotisch meisje, kennelijk onderweg naar een of ander Castlefest, met haar zwarte sleepjurk in de roltrap verward was geraakt. Haar middeleeuwse vriend, die zo uit Cadfael weggelopen kon zijn, stond er een beetje verloren bij waarna de semi-gewapende stationswachten haar uiteindelijk wisten te bevrijden, met ernstige beschadiging, helaas, van haar mooie gewaad. De roltrap deed het die dag niet meer, wil ik wedden. Het elfje haalde nog juist de trein. Ik vind dat er speciaal vervoer moet komen voor kasteelfeestgangers: een tot koets omgebouwde pompoen, of iets dergelijks!

zondag 24 april 2016

Leesrapportje 5

3 april 2016
Katherine Neville - The Fire (2008)
Tijd weer eens voor een vakantieboek. In Madrid getracht te lezen deze dubbeldikke roman. De blurb burpt: “beter dan Dan Brown”. Hm. Net zo slecht als Dan Brown, zou ik zeggen, maar dan twee keer zo dik.
Onuitgelezen gebleven derhalve: na 200 pagina’s die draaiden om een wereldbedreigend geheim dat verwerkt was in een in de 8e of 9e eeuw (daar wil ik van af zijn) vervaardigde schaakset, genaamd The Montglane Service, waarin bijna iedere optredende persoon een schaakgrootmeester bleek te zijn, waarin Lord Byron en de Golfoorlog en de KGB en de geheime middeleeuwse beweging van de Carbonari met elkaar in verband worden gebracht, waarin een Baskische 3 sterren chef (duidelijk gebaseerd op de Patagonische superchef Francis Mallmann) ook deel blijkt uit te maken van een complex geheim dat van de Oekraïne tot Colorado reikt, werd ik door een zodanige verveling bevangen, dat ik het boek dichtklapte en schonk aan de schaakafdeling van de Koninklijke Bibliotheek, die het nu lekker weg mag stoppen.


18 april 2016
Anton Haakman – De onderaardse wereld van Athanasius Kircher (1991)
De VPRO zond in 1974 een schitterende documentaire uit van Anton Haakman over een ondoorgrondelijke, operetteachtige club getiteld Athanasius Kircher Forschungsgesellschaft e.V., de leiders waarvan twee zeer dubieuze figuren waren, Arno Beck, Commendatore des Ritterordens vom Heiligen Grabe zu Jerusalem, president, en Herbert Franzl, idem ditto, vice-president. Men is niet van de straat.
De twee kwasten werden meedogenloos getoond in hun pompeuze onzekerheid. De documentairemaker Haakman had het grootste professionele geluk dat je als filmmaker maar kunt hebben: een goede regisseur zou gesmeekt hebben dat één van de twee jongens, om hun kwetsbare belachelijkheid te benadrukken, iets bespottelijk onregelmatigs zou hebben en ziedaar: de geüniformeerde en van Hammerkreuz voorziene Franzl verscheen in beeld met een grote, kruisvormige pleister op het voorhoofd. Puur cinematografisch goud!
Beck (links) en Franzl (rechts, met grote pleister)
De documentaire fileerde de leugenachtige orde, die in snoevende taal de in oasegemzenleer uit te geven zesenzestigdelige verzamelde werken van de leugenachtige fantast Kircher wilde gaan uitgeven, à 3000 DM per deel. Aantal verschenen delen: één dummy. Nergens werd met zoveel woorden gezegd dat de twee commendatori oplichters waren, iedere seconde van de documentaire was evenwel zwanger van juist diezelfde zekerheid. Toptelevisie.
De roman (want daar moet ik het nu eigenlijk over hebben) is van ruim vijftien jaar later. Haakman beschrijft op ironische wijze de totstandkoming van die documentaire in wat hijzelf een roman noemt. Van mij mag het, maar zelf zou ik het een reportage genoemd hebben.
Kirchers biografie en diens (waan)ideeën worden uitgebreid behandeld en in baldadige nevenzinnetjes becommentarieerd. De onderhandelingen met de louche jongens van het Forschungsgesellschaft en de nasleep komen aan bod. De hele pompeuze operettevertoning wordt tot de grond toe afgefakkeld.
Een leuk boekje, dat ik met plezier herlezen heb.

22 april 2016
Paul Léautaud - Jeugdliefde (1906)
In de trein naar Den Bosch gelezen, deze korte “novelle”.
Eén van de zeer weinige ‘scheppende’ werken (volgens de omslagtekst) van deze overtuigde autobiograaf. En wat een vreemd werkstuk is het geworden. Stel je voor: je zet een bejaarde man van tachtig in een stoel, je drukt op de record-knop van een bandrecorder, en laat hem maar praten. Schrijf het gebabbel over, dat zonder literaire spanningsbogen, zonder hoogte- en laagtepunten, zonder enige ontwikkeling, vol met spreektaal-toevoegingen zoals “nou, mooi niet dus”, “heus wel” of “gerust wel” voortkabbelt, en je hebt na 125 pagina’s dit zonderlinge boekje. Het wonderbaarlijkste is nog wel dat deze mummelende oude man tijdens het schrijven ervan in werkelijkheid nog maar 35 was, in de kracht dus van zijn verstandelijk leven!
Met een consequent volgehouden egocentrisme beschrijft Léautaud zijn eerste liefdesrelatie die hij op 17-jarige leeftijd had met de iets oudere Jeanne Marié. In schijnbaar kuise, maar daardoor juist hitsige en suggestieve zinnetjes beschrijft hoe zij vrijden, eerst nog een beetje bedeesd (“ik streelde en kuste haar (...)”), later vermeteler. Ook beschrijft hij hoe hij zijn belangstelling voor Jeanne kwijtraakte en verder ging in zijn leven.
Openhartig gunt hij ons ergens midden in het boekje een blik in zijn ziel: “Het is met al deze [toneel]voorstellingen gelukkig net zo gegaan als met al die grote boeken die ik gedurende zo lange tijd heb gelezen, ze hebben er slechts toe gediend om geleidelijk aan mijn uitsluitende en hartstochtelijke liefde voor mezelf sterker te doen worden.”
Moderne informatiebronnen zoals de DSM-5 zouden wel raad weten met deze rare klant: autisme-spectrum met zeer sterke narcistische neigingen.

24 april 2016
Geerten Meijsing – Brieven aan Nanne Tepper (2016)
Geschreven in een zeer chaotische periode van zijn leven – waar Meijsing later de roman Tussen mes en keel over zou schrijven.
Met zelfspot, ironie, soms overhellend naar onverbloemd cynisme, maar steeds met gevoel voor decorum, en daardoor een zekere afstand, beschrijft Meijsing de drank, drugs en andere elementen van zijn helletocht aan Tepper, die zelf nu ook niet het vrolijkste jongetje van de klas is. Tepper zou namelijk later wél zelfmoord plegen.
Nanne Tepper
Geerten Meijsing
Met zijn zwierige bravoure blijft Meijsing zijn door dorst, bipolariteit en libido geleide avonturen zowel schaamteloos als schaamtevol beschrijven, zodat de brieven, hoe kwaadaardig het onderwerp soms ook is, vaak hilarisch worden. In Tussen mes en keel ontkent hij overigens bij hoog en bij laag dat zijn stoornis een bipolaire was. Wat het dan wel was, mogen de lezers van die onevenwichtige roman zelf achterhalen.
Dit bibliofiele brievenboek bewijst eens temeer dat Geerten Meijsing een begenadigd correspondent is, en je zou veel meer van hetzelfde van hem verlangen. Ik weet dat er meer correspondenties persklaar zijn.

Heel graag zou ik in dit geval de complete correspondentie willen hebben, dus ook met de antwoordbrieven van Tepper, maar ik heb van goedingelichte bronnen vernomen dat de kans daarop erg klein is.