zondag 25 september 2016

Ithaca 1

Er zijn meer plaatsen die Vathi heten. Verspreid over de diverse Griekse eilanden zijn er zes te bezoeken. De naam komt van het Oudgriekse Βαθύς, wat “diep” betekent. Meestal zijn het heel diep en veilig in een baai gelegen havenplaatsen, goed beschermd tegen de onvoorspelbare luimen van de zee. De Georgische havenstad Batumi heeft dezelfde etymologie.

Vathi op Ithaca ligt dubbel beschermd. Van noordoost naar zuidwest ploegt een diepe baai zich door het merkwaardig gevormde eiland heen en halverwege staat haaks erop een al even diepe van noordwest naar zuidoost lopende baai. Aan de basis van die baai ligt de hoofdstad van het eiland, dubbel veilig voor de grillen van de zee. Niet veilig voor de grillen van de aarde, evenwel: op 12 augustus 1953 trof de grote Kefalonische aardbeving met een kracht van 7,2 op de schaal van Richter de Ionische eilanden. Kefalonia zelf steeg 60 cm omhoog. Van de hoofdstad van het naastgelegen eiland Zakynthos stonden nog twee gebouwen overeind en ook heel Vathi werd verwoest. Het is seismisch een van de meest actieve gebieden ter wereld. Tijdens ons verblijf van drie weken is er op Kefalonia een lichte beving geregistreerd waar wij helaas niets van hebben gemerkt. Dat die zogenaamde “luie Grieken” wel van aanpakken weten, blijkt uit foto’s van 1955 die we in het Maritiem- en Volksmuseum zagen, waarop een alweer heel behoorlijk wederopgebouwde stad te zien is.

Ter voorbereiding van de reis had ik het in 1990 verschenen boek van zeiler, amateurclassicus en Leidse oud-burgemeester Cees Goekoop gelezen, getiteld Op zoek naar Ithaka. Hoewel zijn onderzoekingen, en die van vele andere serieuze historici en archeologen, fringe-historians, amateurspeurders en regelrechte malloten met zeer grote waarschijnlijkheid het legendarische koninkrijk van Odysseus nu juist niet situeren op het eiland Ithaca, trekt de plaatselijke bevolking zich daar (volkomen terecht, m.i.) niets van aan. Iedere tweede straat, restaurant, kafeneon of bergtop in Ithaca heet Odysseus, Pinilopi, Telemachos of Nausika.

Wij hebben een appartement geboekt aan de noordoosthelling van de baai van Vathi, met een uitzicht als vanaf de loge in een amfitheater. Dat we voor dat voorrecht dagelijks een ruw trappenpad af en op moeten gaan van tussen de 108 en 114 treden (het hangt ervan af hoe je telt), nemen we maar op de koop toe. Dat het er vergeven is van die kleine, geluidloze en ook bij daglicht toeslaande subtropische muggetjes ook. Tropendeet ruikt niet erg aangenaam maar is wel afdoende. Eén dag vergeten te spuiten en je hebt er tien bulten bij!

We kijken uit over een dagelijks wisselende vlootschouw, variërend van groepen flottieljeszeilers tot de intimiderende, vele miljoenen kostende, op de allerhipste supersportschoenen gelijkende luxe motorjachten van de Russische oligarchen. De hele stad is ingericht op die vloot plezierschepen, maar een taxichauffeur vertelde ons dat hij toch veel liever de echte toeristen heeft, want hoewel de zeilers vaak eenmalig een grootscheeps drinkgelag aan willen richten bij één van de tavernes, mieteren ze vervolgens weer op, zonder hun schier onuitputtelijke voorraden aan boord aan te hebben gevuld, terwijl wij landlubbers geregeld de plaatselijke middenstand bezoeken. En dat, legde de chauffeur uit, zet veel meer zoden aan de dijk.

Rechts in het uitzicht vanaf ons terras ligt een klein en duidelijk kunstmatig eilandje. Lazareto oogt lieflijk nu, maar ooit was het een grimmig quarantaine-eilandje midden in de baai met hoge muren en norse transen. Schepelingen moesten er veertig dagen verblijven voordat ze aan land mochten. Later werd het een gevangenis. Uiteindelijk werd alles op een kapelletje na gesloopt en nu is dit dé trouwlocatie voor Griekse stelletjes, zoiets als Kasteel de Haar in Nederland.

(Wordt vervolgd)

maandag 8 augustus 2016

Leesrapportje 9

29 juli 2016
Guido Golüke - Het vlekkenbeest (1974)
Het zijn niet allemaal winnaars, vrees ik, die dwaze schrijvers uit de zestiger en zeventiger jaren. Hier hebben we een boekje dat geschreven is in een soort pop-art stijl, met veel nogal geconstrueerd aandoend surrealisme, zoals een levende poema van twee centimeter die tevens dienst doet als kauwgum voor een stripachtige wild-westheld in Overijssel.
Of deze: de vader van de Antikrist (die striptekenaar is) blijkt een gediplomeerd loodgieter te zijn die bij terugkeer van een Europacupwedstrijd in München in de veronderstelling verkeert een bankdirecteur te zijn. Hij is helemaal en onverklaarbaar in de war. Alleen zijn geslachtsdelen doen het zo te zien nog prima.
Een gedateerd boek, maar op niet helemaal de juiste manier, vrees ik.
Laat ik eerlijk zijn: als ik een leraar Nederlands op een lyceum zou zijn geweest, zou ik voor het werkstuk een dikke acht hebben gegeven. Nu het evenwel als roman verschenen is in de reeks BBLiterair moet ik het boekje beslist terzijde leggen. Want het niveau van een uit de hand gelopen opstel ontstijgt dit boek niet, helaas.
De schrijver heeft sedertdien een grote hoeveelheid Engelse en Amerikaanse literaire werken vertaald en ik vermoed dat hij in dat vak zijn ware talent gevonden heeft.

4 augustus 2016
Hélène Nolthenius – Geen been om op te staan (1977)
Op een Facebook-vraag wie onze favoriete vrouwelijke Nederlandse schrijver is, kwam ik ooit eens tot mijn eigen verrassing tot de conclusie dat dat Hélène Nolthenius (1920-2000) moest zijn. Een echt chique dame met een stoere schrijfstijl die wist waar zij over schreef: ze was als musicologe al geïnteresseerd geweest in het middeleeuwse en renaissancistische Italië en zou dat haar leven lang blijven.
In haar leven dwarrelde ze over het gehele politieke en geestelijke landschap: via een kortstondig lidmaatschap van de CPN en toetreding tot de Katholieke kerk, tot een rationalistische en humanistische levenshouding die haar boven en buiten het gekrakeel plaatste. Ze werd Hoogleraar Muziekgeschiedenis van de Oudheid en de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Utrecht en als een grand old lady van de humaniora zag ze met lede ogen de verschraling van de menswetenschappen op de universiteit aan.
De avonturen van Lapo Mosca, een vrijgevochten, boerenslimme Franciscaan in het veertiende-eeuwse Florence worden beschreven in korte, verrassend korzelige zinnetjes. Spreektaal. Lapidair.
Eerder verwant aan Brother Cadfael is hij, dan aan Brother William of Baskerville. De moord op een knappe gezelschapsdame blijkt een steeds bredere betekenis te krijgen, terwijl Lapo zich van zijn gardiaan eigenlijk met relictenhandel moet bezighouden. En passant pikt de lezer een hele berg historische informatie op, over de Welfen en Ghibellijnen, over een Duits huurlingenleger dat oncontroleerbaar dreigt te worden, en over het dagelijks leven in een renaissancistische grote stad.
Wegens groot succes verschenen er later nog twee romans met dezelfde morsige monnik in de hoofdrol.

8 augustus 2016
Tomas Lieske - Grand Café Boulevard (2003)
Lieske is hartstochtelijk verliefd, lijkt het wel, op zijn eigen woorden, als een soort literaire Pygmalion. Hij strooit met stijlfiguren, kneedt woorden tot soms oververzadigde zinnen, jongleert met begrippen.
De stijlfiguur die aanvankelijk het meest opval is personificatie, het toekennen van zelfstandigheid aan, in dit geval, lichaamsdelen. Handen bewegen als slakken, met vingers als voelhoorns. Ogen zijn als naaktslakken. Deze en vergelijkbare expressionistische metaforen doen me denken aan schrijvers van voor de oorlog, aan Konstantin Paustovsky bijvoorbeeld die ook zo graag de dingen van een ziel voorzag.
De beschrijvingen van Taco’s broer Fedde en zijn klei, schapenvlees en vleermuizen brengt ons daarentegen weer dicht bij de Nederlandse schrijftraditie van de in het gereformeerde milieu spelende Bildungsroman (dus eigenlijk kortweg: de Nederlandse schrijftraditie). Alle seks is ongemakkelijk en vreemd, alle liefde uit het lood. Niemand is op zijn of haar gemak.
De roman kent verschillende plaatsen van handeling en verschillende schrijfstijlen. Een plechtig soort spannend proza van de weidse Bollenstreek wordt opgevolgd door de mediterraanse pasteltinten van het fascistische Spanje of het onheilspellende rood van naoorlogs Parijs. En tenslotte door het nu heel breed en drassig geworden polderproza van opnieuw de Bollenstreek. In dit laatste stuk gaat Lieske’s metaforenmachine eerst recht helemaal los. Het is zichtbaar hoe groot het schrijfplezier geweest is. Soms naar mijn smaak té groot. Dan neemt de onafzienbare stoet van beeldspraak de zaak over en gaat met het verhaal aan de haal. En zo zwiert Lieske als een schoonschaatser van links naar rechts over het literaire landschap: hij gebruikt de hele baan. Mij stoort het: hij is naar mijn smaak net iets te blij met zijn eigen uitbundige taalgebruik.
Maar er is meer aan de hand dat me stoort. Gran Café Boulevard is een roman die niet gemakkelijk begrepen kan worden. Alles in het boek is schijn, bedrog, spiegelspel. Zelfs Taco’s verdrinkingsdood als climax vertrouw ik niet. Je kunt met evenveel recht vragen: gaat Taco wel dood? als: overleeft hij eigenlijk wel? Ik zou het geen “grote Europese liefdesroman” willen noemen, zoals ik ergens las, maar veeleer een “grote Nederlandse postmoderne roman”, want de roman staat stijf van verwarring. Het is een naar zichzelf verwijzende verwarring, waardoor ik de indruk krijg dat het boek helemaal niet begrepen wíl worden. Deze vreemde roman, geschreven door een dichter, gaat voor een groot deel over de schijn van dingen, het onvermogen om de ander te kennen, de onmogelijkheid om zelfs het boek dat daarover gaat, te begrijpen. Misschien is die intrinsieke onbegrijpelijkheid van het boek zelfs wel het hoofdonderwerp van het hele werk, en is het schimmenspel tussen Taco/Alexander, Pili en Fedde en hun geheime verledens slechts bijzaak. Een postmoderne slang die zijn eigen staart te pakken heeft?


zondag 31 juli 2016

Leesrapportje 8

25 juli 2016
François Rabelais - Gargantua (1534)



Mijn Frans is niet goed, ik zou dit boek nooit in zijn oorspronkelijke taal hebben kunnen lezen. Dat komt goed uit, want ik wil het over vertalingen hebben. Twee verschillende.

Niet de allereerste vertaling: al in 1682 verscheen Alle de geestige werken van mr. François Rabelais, Geneesheer, vervattende in ses boeken de dappere daaden en deftige reedenen van d'overgroote reusen Grandgousier, Gargantua en Pantagruel, 'met groote vlijt uyt het Fransch vertaelt door Claudio Gallitalo', bij Jan ten Hoorn in Amsterdam. Claudio Gallitalo is een pseudoniem van de Fries Nicolaas Jarichides Wieringa (ca. 1644 - ca. 1700).

J. A. Sandfort
In de dertiger jaren verscheen de klassieke vertaling van J. A. Sandfort (1893-1959) van de vijf boeken over Gargantua en Pantagruel. In 1971 verscheen hiervan bij De Arbeiderspers een prachtige, handzame dundrukuitgave. Voor m’n vijfentwintigste had ik me door alle delen heengeworsteld, veel ervan ben ik sedertdien allang weer vergeten.

In 1996 verschenen van Gargantua twee nieuwe vertalingen vrijwel gelijktijdig. De ene van Théo Buckinx verscheen bij Bert Bakker. Ik heb hem niet gelezen maar ik begrijp dat er nogal wat kritiek was. Een gehaaste en niet erg respectvolle onderneming schijnt het te zijn geweest, zonder al te veel begrip van zestiende-eeuws Frans. 
J. M. Vermeer-Pardoen
De andere vertaling verscheen bij Van Gennep. Uiteindelijk zou dit project resulteren in vijf boeken in drie banden. Deze vertaling van Gargantua door J. M. Vermeer-Pardoen, heb ik zojuist gelezen, natuurlijk met die oudere ernaast. In haar inleiding levert de vertaalster nogal wat kritiek op de vertaling van Sandfort: die zou niet precies genoeg zijn, er zouden stukken weggelaten zijn, zijn taal en vertaalmethode zouden allebei gedateerd zijn. Hij zou de vertaalvisie van de dertiger jaren hebben aangehangen waar het resultaat belangrijker geacht werd dan het origineel. Vermeer-Pardoen betoogt dat de vertaler tegenwoordig veel “wetenschappelijker” te werk gaat, het origineel als allesbepalend beschouwt en zich ook voor contextuele studie baseert op de meest authentieke bronnen. Zelfs de keuze van primaire bron, legt ze uit, is nog niet zo eenvoudig. Zijzelf meent die gevonden te hebben in de kritische uitgave van A. Lefranc uit 1913-1922.

Tot zover.

Het ligt een beetje in mijn aard om bij voorbaat de voorkeur te geven aan de oude, “gedateerde” taal van Sandfort, maar hier ligt dat niet zo gemakkelijk. In de praktijk scoren beide vertalers op gezette tijden.

Vooropgesteld dat ik geen mening kan en mag hebben over de taalkundige kwaliteiten van de twee vertalingen, interesseren mij de verschillen in het Nederlands enorm. Vermeer-Pardoen heeft het ergens over een ongesneden ezel, Sandfort over een klootezel. 1-0 voor Sandfort. Vermeer-Pardoen: lulletjes lampekatoen, Sandfort: klootzakken. 1-1, zou ik zeggen. Sandfort: Ik rijm tegen de klippen op en al rijmend krijg ik soms mijn keel van slijm. Vermeer-Pardoen: Ik dicht dat het een lieve lust is, en soms ben ik zo aan het dichten, dat m’n hele kop dichtzit. Rijm/slijm in de eerste, dicht/dichtzit in de tweede. 1½-1½ dan maar?
Sandfort vertaalt de namen van personen soms wel, dan weer niet. Waar Vermeer-Pardoen vertaalt: Windjammer, Zakkendrager en Walewijn, heeft Sandfort het over Hurtebize, Fasquin, Gaulehaul. In datzelfde rijtje wordt Meester Overbodig (Eénteveel bij Vermeer-Pardoen) dan weer wel vertaald. Waarom?

En zo gaat het maar door. Voor het verhaal hoef je Gargantua niet te lezen - de plot is flinterdun - het gaat steeds weer om de taal. En ik denk dat naar mijn gevoel de vertaling van Sandfort nipt gewonnen heeft, juist omdat op bepaalde momenten hij het niet nodig heeft gevonden een woord sec, zonder franje, “wetenschappelijk” te vertalen. Hij doet het bovendien ook nog eens geheel en al zonder notenapparaat. En precies deze - soms zot uitbundige - onduidelijkheid maakt dat ik me in zijn beelden- en ideeënwereld net iets meer op mijn gemak meen te voelen dan in de precisie van Vermeer-Pardoen. Hoewel?

Nee, laat ik het bij nader inzien toch maar een gelijkspel noemen.

En nog vier delen van Vermeer-Pardoen te gaan. Joepie!



woensdag 13 juli 2016

Veiligheden

N. van Gesselt beweegt zich van veiligheid naar veiligheid. Dat begint al ’s morgens vroeg. Als om kwart voor zes de wekker afgaat verlaat hij de veiligheid van zijn bed in de wetenschap dat hij zijn volgende veiligheid pas twintig minuten later zal bereiken. Eerst doucht hij, poetst zijn tanden, kleedt zich aan en verlaat hij zijn huis, de schoudertas rechts naast hem, de zeven belangrijke dingen ingepakt. Dit zijn de zeven belangrijke dingen:

Ten eerste de portemonnee, met daarin de NS-pas, de pinpas en de reserve-aspirines voor als hij onderweg een migraineaanval krijgt. Dat gebeurt niet zo vaak, maar als het gebeurt moet hij voorbereid zijn. Verder heeft hij in zijn portemonnee nog een reservesleutel van zijn voordeur en, het minst belangrijke, wat geld, meestal tussen de vijftig en honderd euro.
Ten tweede het medicijntasje, met daarin nog meer aspirines, een zalfje tegen eczeem, een stripje Naproxen tegen spanningspijnen en nog een reservesleutel van zijn voordeur.
Ten derde zijn sleutelbos, vastgeklikt aan een handig lederen bandje binnen in de tas.
Ten vierde zijn brillenkoker met een computerbril. Zonder die bril kan hij zijn werk niet doen. Na zijn recente bezoek aan het Prado een brillenkoker met Jeroen Bosch motief.
Ten vijfde de magnetische pas waarmee hij in kan klokken op zijn werk. De pas opent niet alleen de poort, maar vertelt het systeem meteen hoe laat hij binnengekomen is, en hoe laat hij het pand weer verlaat.
Ten zesde een USB-stick met muziek om tijdens zijn werk af te draaien (hij geeft de voorkeur aan mp3 en wat het afspeelprogramma betreft is hij al twintig jaar verknocht aan WinAmp). Op die USB-stick bewaart hij ook allerlei andere zaken: vakantiefoto’s, half afgemaakte gedichten, verhalen (zoals dit verhaal).
Ten zevende een iPad waarop hij een e-reader heeft geïnstalleerd en een paar leuke programma’s om de treinreis nog aangenamer te maken. Op het moment is hij verzot op de “killer-sudoko” een obscure zijvariant van het populaire cijferspel.

Zonder deze zeven dingen in zijn tas zal de dag niet gaan lukken.

Zoals iedere werkochtend loopt N. van Gesselt, aldus voorbereid, om vijf over zes door zijn verscholen wijkje: hij steekt het minuscule parkje aan het eind van zijn straat over. Het is koud en de hemel is glashelder. De maan staat halfhoog in de hemel, schuin omhoog, net afnemend. Eronder, al een paar weken zeer helder, flonkert Jupiter. ‘Als de maan vol is en in de buurt van Jupiter staat, moet Jupiter ook vol zijn,’ redeneert N. van Gesselt bibberend maar logisch. Hij loopt langzaam door en staart naar het markante sterrenbeeld Orion. Linksboven Betelgeuze, de schouderster, die sedert de popcultuur bezit van deze rode reus (600 x de zon! Hij heeft het gecontroleerd in zijn sterrenboek) genomen heeft onder de naam Beetle-juice, waarschijnlijk de bekendste en populairste ster is in het firmament. Wat heeft N. van Gesselt uit zijn lang vervaagde jeugdhobby nog meer onthouden? Rigel, één van de voeten. En de befaamde Orionnevel natuurlijk. 
Andere zaken? De satelliet Kepler heeft een planetenstelsel aangetroffen rond de ster met de prachtige naam Fomalhaut. Helaas is die vanaf Haarlem niet zichtbaar. N. van Gesselt vindt dat jammer.
Lager aan de horizon twinkelt de Hondsster Sirius als ijskristal en bijna, ja bijna kan hij de Melkweg zien, een suggestie van kwijnend licht in zijn ooghoeken.
Ergens achter hem moet de rode druppel van Mars zijn. Hij draait zich om, maar twijfelt. Die daar? Ergerlijk dat hij het niet zeker weet.
De Grote Beer (ofwel het Steelpannetje) hangt prominent naar de Poolster te wijzen. Daar, gevonden.

Er klinkt geen enkel geluid. Verderop ziet hij wel lichtbundels passeren, maar vreemd genoeg hoort hij helemaal niets. De stilte van het heelal hangt als een glazen stolp over hem heen. Dan gaat hij het loopbruggetje over en prompt vangt het continue rumoer aan van de andere wereld. Daar bevindt zich een brede ringweg die zo vroeg in de ochtend weliswaar nog niet extreem druk is, maar die hij niettemin zo snel mogelijk achter zich zal moeten laten. Hier wordt namelijk het leven alweer voortgedreven door een constant streven naar een of ander doel. Een enkele kittig optrekkende auto, twee brutaal spottende, knetterende en onwelriekende scootertjes, het serieuze hoesten van de dieselmotor van een Sligro-bestelauto, een groepje kettingrokende Poolse seizoenarbeiders in camouflagebroeken en met een sputterend telefoontje in hun midden. In de straatverlichting en het geruis is de sterrenhemel compleet verdwenen.
Zodra de weg vrij is, steekt N. van Gesselt over. Dan is dat tenminste maar geweest.
Hij realiseert zich dat deze route objectief niet de beste kan zijn, want als hij ’s middags terugkomt, steekt hij juist aan het begin ervan zo snel mogelijk over. Hij loopt dus nooit heen en terug over hetzelfde trottoir. Gek is dat eigenlijk, bedenkt hij zich misschien iets te vaak. N. van Gesselt houdt zich in toenemende mate bezig met nadenken over zijn gedachten.
Eenmaal in de veiligheid van de overkant loopt hij dicht langs het fietspad, dat rechts van hem ligt. Vrijwel altijd loopt hij halverwege een jonge jongen tegemoet met overmoedig, lang, dik en romig haar, die rokend naar zijn werk loopt. N. van Gesselt ziet hem aankomen en bereidt zich voor, want hij wil niet van de wijs gebracht worden door zelfs maar de geur van tabak. Als er iets is dat hij haat, is het de geur van een sigaret die de briske, frisse geur van de vroege morgen besmeurt. Telkens dieper inademen, vasthouden, dan uitademen. Vlak voordat de jongen te zijner hoogte is, ademt N. van Gesselt nogmaals zo diep mogelijk in, en nu houdt hij vast. Gehaast loopt hij door en pas als hij het niet meer volhoudt en een beetje duizelig begint te worden, ademt hij voorzichtig weer uit.
Toen hij zelf nog rookte (N. van Gesselt is zestien jaar geleden gestopt), had hij al een hekel aan de morsige tabakslucht die de frisheid van de dag om zeep hielp. Zelf rookte hij in die jaren pas als hij aangekomen was, bij wijze van beloning, nooit gehaast in een portiek of tussen twee mistige lantarenpalen in. Al dat roken van toen heeft er wel voor gezorgd dat hij nu, in de vochtige vaagheid van de herfst, aamborstig is en langzamer moet lopen dan normaal, waardoor vanzelf de afstand tussen de opeenvolgende veiligheden vergroot wordt. Het kwaad straft zichzelf, beloning levert straf op.
Beloning is ook een lichte vorm van dwangmatigheid, beseft N. van Gesselt, maar hij heeft het niet voor het kiezen. Te lang heeft hij zijn dwangneuroses ontkend, en de laatste maanden heeft hij juist een groot gevoel van bevrijding verworven door langzamerhand het bestaan ervan in zichzelf te accepteren.
Als hij het stationsgebouw betreedt, slaakt iets in hem een zucht van verlichting. Geen regen, gladheid, scooterwalm of bassig gebonk van geluidsinstallaties meer. Iedere ochtend doet hij zijn best om iets aan het sleetse jugendstilgebouw mooi te vinden, maar diep in hem is er iets dat haast heeft, iets dat verlangt naar de volgende veiligheid, de grootste van de dag.

Op het station staat de Chinees te wachten. Natuurlijk staat hij daar, zomer en winter gekleed in hetzelfde wit-zwarte zeiljack en dezelfde zwarte broek, op zijn post, schuin onder de middelste stationsklok. Zeer bijziend spelt hij vanaf niet meer dan vijf centimeter afstand de Metro. Af en toe loert hij scheef omhoog en exact op het moment dat de klok naar elf minuten over zes springt, verlaat hij zijn standplaats en loopt naar de plek waar, drie minuten later de achterste deur van het voorste treinstel zich zal bevinden. Dat doet hij iedere dag, zonder variatie. N. van Gesselt geniet daarvan: een zielsverwant, een lotgenoot. Een medepatiënt? Als je er zelf zo een bent, herken je de subtiele trekjes bij anderen.
Zielsverwant, maar beslist verschillend van elkaar in methode. Want N. van Gesselt pakt het treinprobleem volstrekt anders aan: hij heeft niet een vaste plaats op het perron, maar een vaste plek in de trein. Hij is flexibel genoeg om voor- dan wel achterin de trein te kunnen gaan zitten, zolang hij maar, achteruitrijdend, aan de linkerkant, met een raam naast zich, op een bank kan zitten waar geen mensen tegenover hem plaats kunnen nemen. Niet alleen is dat meer privé, maar bovendien is de kans op door modderschoenen besmeurde bekleding op die manier veel kleiner. Eén van de neuroses waar hij aan lijdt (of moet hij zeggen: van geniet?) heet thigmofilie, weet N. van Gesselt sedert enige tijd. Het verlangen naar geborgenheid.
Vooral in de winter is het heerlijk om tegen het raam te leunen, het hoofd half naar binnen gewend, terwijl de geur van warmer wordende kleding en de duisternis van de kou buiten zijn synesthetische zinnen door hun contrast vervullen met vrede.

Als hij na een te kort ritje in Den Haag de trein verlaat, ziet hij op een naastliggend spoor de sneltram naar Rotterdam klaar staan voor vertrek. Hij is jaloers op de mensen erbinnen. Allemaal veilig, en hij niet langer.
Hij houdt heel erg van de grote klok aan de noordelijke uitgang van het station. De wijzerplaat ervan is leeg, de wijzers ontbreken. Het verschaft hem een zeer kortstondig moment van tijdloosheid, voordat hij het winderige plein en de bitse rechtlijnigheid van de buitenwereld betreedt. Hij haast zich naar de dienstingang, niet meer op zoek naar veiligheid, maar meer om te ontkomen aan de verwarrende onveiligheid van het plein, dat in alle opzichten een onaangename mislukking is.
Om tien voor zeven betreedt hij het gebouw waar hij de dag door zal brengen, onderhevig aan de constante grillen van een falend klimaatsysteem. Daar is geen tijd voor duidelijke veiligheden. Dat heeft hij geaccepteerd, maar het blijft moeilijk.

vrijdag 8 juli 2016

Leesrapportje 7

21 mei 2016
Mark Haddon - The Curious Incident of the Dog in the Night-Time (2004)



Een elegant, verrassend boekje, vermoedelijk bedoeld voor de rijpere jeugd,  dat mij, zelf onderhevig aan lichte dwangverschijnselen, aan het denken heeft gezet over de schoonheid van dwanghandelingen.
Christopher, de verteller, is een autistisch jongen die houdt van priemgetallen, en niets begrijpt van mensen en emoties. In de tuin van de buren ontdekt hij hun hond, die door iemand gedood is. Hij gaat op onderzoek uit en beschrijft hoe hij besluit er een boekje (het onderhavige boekje) over te schrijven – een heel aardige postmoderne plot-binnen-een-plot.
We krijgen een, naar mijn gevoel perfect uitgebalanceerde, inkijk in de denkwereld van iemand met Asperger, compleet met diagrammen en lijstjes. Christopher weet met fraaie pseudo-logica zijn gedachten helder uiteen te zetten: waarom hij houdt van Sherlock Holmes, maar niet zo tevreden is over Conan Doyle zelf, hoe het zit met de kleur geel, en in Indiaas eten juist met de kleur rood, waarom hij de hoofdstukken genummerd heeft als 1, 2, 3, 5, 7, 11, 13 etc., en vele, vele andere zaken die wezenlijk belangrijk zijn voor mensen die de gewone wereld niet als realiteit erkennen. De intensiteit en consequente precisie van de beschrijvingen van Christophers denkbeelden doet me nu en dan denken aan de eerste romans van de Amerikaan Nicholson Baker, een hyperrealist met zonder twijfel ook enkele neurotische trekjes (The Mezzanine en Room Temperature, beide romans die handelen over een periode van slechts enkele minuten zijn beslist aanraders!)

Hoewel hij niets van mensen begrijpt, schetst hij in zijn laterale naïveteit zijn alleenstaande vader toch zodanig dat we hem leren kennen en waarderen voor wat hij is: iemand die worstelt met de situatie en er het beste van probeert te maken.
De verdere plot van het boekje doet er eigenlijk niet zo toe, leidt tegen het einde eerder een beetje af van het ware thema. Ik interpreteer dat thema als volgt: het denken van de autist is, neurotisch of psychotisch wellicht, toch vooral mooi, creatief en poëtisch. Wat ik eigenlijk altijd wel gedacht had.


20 juni 2016
Van alles
Een maand lang heb ik wel gelezen, maar eigenlijk niets opgeschreven.  Deels omdat het werk betrof van Hans Plomp en Henk van Teylingen, over wie ik het al eens gehad heb. Deels omdat het boeken waren waar ik niet te veel over te zeggen had: een paar deeltjes Lovejoy van Jonathan Gash, en de eerste tien deeltjes van de Bob Evers serie. Wat valt daar nu nog over te zeggen? Hoewel ik er een fervent voorstander van ben om het verleden in zijn waarde te laten, en dat verleden dus niet te veroordelen op grond van de veranderende normen van het nu, merk ik dat ook ik toch onaangenaam getroffen word door het veelvuldig gebruik van de term "nikker" in de vroege drukken van de Bob Evers-deeltjes. Blijkbaar ben ik, ondanks mijn hardnekkige verzet ertegen, toch ook ontvankelijk voor de morele hovaardij van het heden ten opzichte van het verleden.


30 juni 2016
Anton Constandse – Eros, de waan der zinnen (1977)
Dat deze strenge anarchist (meer PSP dan Provo) niet universeel bemind werd, wist ik uit een sonnet van Jan Kal:

Anton Constandse

Mijn neef woonde op 61 rood.
57 was de ballenpikker.
Voor Opaatje, een soort vogelverschrikker,
was Haarlems Zonnebloemstraat als de dood.

Toen ik een plastic bal, geen leren knikker,
bij een partijtje richting putje schoot,
vloog deze schuin en hoog over de goot
in Opaatje z'n voortuin. Slechte mikker.

Ik deed het tuinhek, hij de voordeur open.
Hij greep de bal, terwijl ik achterbleef
met lege handen, neefje van Han Kal!

Sindsdien zijn er zo'n twintig jaar verlopen,
sinds Opaatje Bevrijdend denken schreef.
O Anarchisme van de daad: dag bal.

Jan Kal, Fietsen op de Mont-Ventoux, 1974

Dat was, eerlijk gezegd, ook zo’n beetje alles wat ik van de man wist. De afgelopen dagen heb ik me, met toenemende ergernis, met zijn collectie aan de erotische literatuur gewijde essays beziggehouden. In het begin was er van die ergernis bij mij nog helemaal niets te merken. Integendeel: waar ik op voorhand weinig fiducie had gehad in de leesbaarheid van zijn werk, was ik na lezing van de eerste twee of drie van de twaalf gebundelde artikelen zeer aangenaam verrast. Lyrisch, fijnzinnig en erudiet beschrijft hij het werk van Ovidius, Boccaccio en Rabelais. De korte samenvatting/recensie van NBD|Biblion heeft het over aardige causerieën en zo is het ook precies.

Maar naarmate Constandse het heden dichter begint te naderen, worden de essays strenger, moraliserender en steeds formulaïscher, in dat larmoyante old-skool socialistische jargon gesteld dat we sedertdien zonder enige spijt hebben achtergelaten bij het vuilnis van de zeventiger jaren. Casanova, Sade en Sacher-Masoch, kinderen van hun tijd, verbonden zeer veel maatschappelijke filosofie aan hun erotiek. En Constandse doet het driedubbeltjes over! Seksualiteit als sociaal/politiek machtsmiddel, de overbekende denkbeelden over het taboe en huwelijkse gewoontes als middelen tot onderdrukking in dienst van kerk, staat en kapitaal, de algehele antifeministische tijdgeest. Hoewel het niet zo’n dik boekje was, leek het maar niet op te houden.

Over het tweede deel van dit boekje heb ik dan ook veel langer gedaan dan over het eerste. Jammer wel.

vrijdag 20 mei 2016

Leesrapportje 6

5 mei 2015
Geerten Meijsing – Tussen mes en keel (1996)
Na lezing van de correspondentie van Geerten Meijsing met Nanne Tepper ben ik nieuwsgierig geworden naar dit boek, waaraan Meijsing werkte in de periode die de correspondentie bestrijkt. Als trouwe volger van zijn werk had ik het natuurlijk wel gelezen toen het uitkwam, maar dat is ondertussen alweer bijna twintig jaar geleden.
In deze dikke pil beschrijft Meijsing de diepe neergang van Eric Provenier, een door zijn vriendin in de steek gelaten schrijver, die zijn heil zoekt in drank- en drugsgebruik, stalking en escort-meisjes. De hele tijd is hij bezig met het voorbereiden van zijn zelfmoord die uiteindelijk mislukt, waarna hij opgenomen wordt. Wat is het alternatief voor leven? De dood? We komen er niet uit, en de enorme, overdonderende intimiteit waarmee Proveniers innerlijke leven over ons heen wordt uitgestort levert geen eenduidige aanknopingspunten op. Dat komt mede door de afstand tussen hoofdpersoon en lezer die paradoxaal lijkt te zijn ontstaan door precies die overkill. De volumeknop staat wat te hoog.
Dat is niet nieuw: Geerten Meijsing lijkt geen schrijver te zijn die het belangrijk vindt dat zijn lezer zich verbonden voelt met zijn hoofdpersonen. Zoals in bijna al zijn romans doet hij ook hier weer geen enkele poging zijn hoofdpersoon sympathiek te maken. Blijkbaar is hem er veel aan gelegen om Eric Provenier zo destituut en grimmig mogelijk af te schilderen in zijn tragische wederwaardigheden. Dientengevolge voel ik dan ook weinig empathie voor Provenier.
Een toegevoegd vervreemdend effect (eigenlijk ook terugkerend in alle romans van Meijsing) is het noemen van allerlei merkproducten die Eric Provenier gebruikt (Armani, Sisley etc.). Wat is dat toch? Waarom zijn die producten zo belangrijk? Provenier is, net als Meijsing, een beschaafd ogende middelbare man uit een gegoed middenklasse-milieu. Iemand die een duur, zijden merksjaaltje draagt, dat hij als een band om zijn hoofd knoopt wanneer hij met zijn te jonge vriendin in de Roxy is en op muziek van Buffalo Tom of The Breeders gaat dansen. En dat klopt gewoon niet. Hij is er niet op zijn plaats, een beetje als een oom op een tienerfeestje.
Uit de correspondentie met Tepper kan de lezer weten dat de fabel van Tussen mes en keel wel zo’n beetje op echte gebeurtenissen gebaseerd is, maar tegelijkertijd leest de roman juist alsof er minstens de helft van verzonnen is. Dat heeft volgens mij te maken met Meijsings techniek om bestaande personen en geschiedenissen te nemen als uitgangspunt, waarna hij aan de haal gaat met hun lot (mensen die zich in zijn romans menen te herkennen, legde hij ooit uit, begrijpen het dan ook niet: het blijven romans, verzinsels). Misschien is het daardoor dat ik niet echt into Eric Provenier kan komen.
Geerten Meijsing kan, als hij het op zijn heupen heeft, heel erg mooi schrijven (het eerste deel van hoofdstuk zeven is een klein pareltje in zijn œuvre), maar evengoed kun je, als je goed oplet ook wel plekken ontdekken waar hij er eigenlijk geen zin in had.

16 mei 2016
Nick Hornby – A long Way Down (2005)
Niet helemaal toevallig: nog een boek over mislukte zelfmoord. Dit boek lag al een tijd op me te wachten en na lezing van Tussen mes en keel, leek me dit wel een aardige om als contrast te dienen. Dat het een contrast zou worden, stond van te voren wel vast, zo’n onbevangen lezer ben ik niet: ik ken het werk van Meijsing, ik ken het werk van Hornby.
Vier personen treffen elkaar op het dak van een wolkenkrabber en verhinderen elkaar de fatale laatste stap. De cynische Martin (geschetst naar Hornby zelf?) wiens leven en carrière door een serie misstappen geruïneerd is, het geschifte, achttienjarige punkmeisje Jess, na een one-night-stand door Chas in de steek gelaten, de katholieke eind-veertiger Maureen, “eenvoudig” gebleven maar als alleenstaande moeder opgezadeld met een zwaar gehandicapt kind, en ten slotte JJ, een mislukkende rocker van in de twintig. Ogenschijnlijk de normaalste van de vier.
Geen van vieren heeft een duidelijke reden voor zijn of haar zelfmoorddrang (en dat vind ik dan ook meteen één der zwakten in het boek). Door middel van reportageachtige snippets, telkens in het idiolect van de betreffende zelfmoordenaar in spe geschreven, krijgen we inzicht in beweegredenen en worden we langzamerhand van die lokkende rand weggeleid. Er bestaat geen romantiek tussen de vier en het boek eindigt neutraal (dat vind ik wel sterk: het is geen feel-good-romcom-boek geworden) en de vier blijven uiteindelijk leven omdat dat iets minder erg is dan doodgaan.
Het contrast is overduidelijk: Geerten Meijsing is een klassiek schrijver - zijn referentiekader is de klassieke cultuur. Nick Hornby is een (post)modern schrijver. Zijn referentiekader is de popcultuur. Waar Meijsing slechts lijkt te koketteren met punkbandjes en disco’s, weet Hornby precies waar hij het over heeft (hij heeft al eens een roman geschreven over de uitbaters van een vintage platenzaak), en zijn de verwijzingen naar de moderne popcultuur een stuk geloofwaardiger.
Geen van beide boeken evenwel, durf ik te beweren, is een meesterwerk.
De verfilming van A Long Way Down, met onder andere Aaron Paul en Pierce Brosnan, is zeer wisselend ontvangen. Ik sla over, denk ik, het schijnt een feel-good-movie te zijn geworden..

woensdag 11 mei 2016

Bingejoy

In het algemeen ben ik heel trouw aan wat me dierbaar is. Favoriete boekenreeksen herlees ik geregeld, televisieseries kijk ik graag en vaak terug. Een binge-gedrag dat bij mij, gezegend met allerlei onschuldige dwanggewoonten, vereist dat ik integraal en chronologisch te werk ga: van deel 1 tot het einde en ook nog eens in de juiste volgorde. Zo heb ik de afgelopen tweeënhalve maand voor de vierde keer de complete 6 seizoenen, ruim 70 delen tellende BBC-serie Lovejoy bekeken.

v.l.n.r. Chris Jury, Malcolm Tierney, Phillis Logan, Dudley Sutton, Ian McShane
Gebaseerd op de romans die de medicus John Grant onder het pseudoniem Jonathan Gash schreef, neemt deze serie uit de jaren 1986-1994 ons mee naar de idyllische wereld van antiekbeurzen, veilingen, landhuizen en glooiende heuvelen van East-Anglia, en naar de picareske avonturen van de beminnelijke antiekhandelaar, vervalser en vrijbuiter Lovejoy. Hij is een zogenaamde divvy, iemand met het paranormale talent om onmiddellijk en zonder nadere bestudering aan te voelen of een stuk werkelijk antiek is, of slechts een vervalsing of imitatie. In de serie wordt hij met ongekend charisma vertolkt door Ian McShane, een spreekwoordelijke lovable rogue. Met hem heeft de kijker rapport al was het maar omdat hij de vierde muur doorbreekt en zich rechtstreeks tot de kijker richt. Dat was vier jaar voordat die techniek werd toegepast in de originele serie van House of Cards (de goede, bedoel ik!) uit 1990.

Dudley Sutton, onnavolgbaar als Tinker Dill
Lovejoy’s naaste medewerker is Tinker Dill (volmaakt vormgegeven door Dudley Sutton). Tinker is een barker, iemand die voor zijn baas op veilingen biedt en allerlei louche zaakjes weet te vinden en handel weet op te trommelen. Een echte barker, zo wordt gezegd, is een door het leven gefnuikte alcoholist. Zo ook Tinker (‘Mine will be a large gin, please’).

Iedereen die iets was in de Britse acteerwereld kwam langs voor een cameo of een hoofdrolletje: Brian Blessed, Alexi Sayle, Richard Briers, Burt Kwouk, Uma Stubbs of Martin Clunes.

Waarom vind ik deze serie nu juist zo goed? Chris Jury (die in de eerste vier series Eric Catchpole speelde, Lovejoy’s onnozele assistent met een passie voor death metal), omschreef de sfeer ervan als volgt: "it was innocent, rural, funny and nostalgic". En zo is het: perfect escapisme. En verder verwijderd van het gedaver en gebeweeg van al die rauwe Netflick-series is haast niet voor te stellen.

Maarrrrr….
Net als een paar jaar terug bij House of Cards, broeit er ook op het Lovejoy-front een stormpje. Wordt Lovejoy eerstdaags ook genetflicket?
Tony Jordan, een zeer succesvolle Britse televisieschrijver, heeft aangekondigd dat hij aan het werken is aan een remake van de serie. De bedoeling is om nu veel dichter bij de oorspronkelijke, ondertussen 24 romans te blijven van Jonathan Gash. Daar kan ik vrede mee hebben. De boeken zijn heel anders, grimmiger, moeilijker, in een staccato taaltje vol jargon en rhyming slang. Maar wel heel leuk. Ik zal daar spoedig eens iets over schrijven, maar nu nog even niet.
Robert Downey jr
Martin Clunes
De voorbereidingen voor de nieuwe serie zijn nog in hun beginfase, en er wordt nog niet eens gespeculeerd over de invulling van de rollen. Phillys Logan, die dertig jaar geleden Lovejoy’s eerste love-interest, Lady Jane Felsham vertolkte en tegenwoordig vooral bekend is van Downton Abbey, heeft al aangekondigd meteen weer mee te willen doen. Ian McShane, thans 72, heeft in ieder geval geen belangstelling voor de titelrol. Ik persoonlijk zou me wel kunnen verzoenen met bijvoorbeeld Robert Downey jr. als Lovejoy. Voor de rol van Tinker (Dudley Sutton is ondertussen 83, laat hem ook maar met rust) kan ik me zomaar de al eerder genoemde Martin Clunes voorstellen...

Ik word waarachtig een beetje nerveus van het vooruitzicht.



(PS. Een laatste zoekactie op Google onthulde ineens dat er daadwerkelijk een firma Lovejoy Antiques bestaat, gevestigd in Naples, Florida. Hoe bestaat het?)