woensdag 31 januari 2024

De zieke hypochonder 6

 Het is zover! De dag van de opname. Om één uur worden we verwacht in de afdeling Cardiothoracale Chirurgie van het Onze-Lieve-Vrouwegasthuis, vestiging oost. Deze buurt ken ik goed. Ikzelf heb een paar goede jaren gewoond in de Dapperbuurt, aan de andere kant van het Oosterpark. En hier, onder de rook van het ziekenhuis woonde een inmiddels overleden vriend bij wie het altijd heel goed van eten, drinken en krasse verhalen was.
 Vanaf het moment van binnenkomst word je bezig gehouden. Ik vraag me af of de uitgebreide intake, objectief gezien, werkelijk nog helemaal nodig is. Maar ik kan me goed voorstellen dat het allemaal met opzet zo geregeld is om een deel van de spanning bij de patiënt weg te nemen. Eerst worden we ontvangen door een verpleegkundige die een hele ris van vragen stelt. Vervolgens door een arts? In ieder geval een wat hoger geplaatste, een kleine vrouw met een hoofddoekje, die diezelfde ris vragen opnieuw stelt en nog een hele berg meer. Al die tijd zit Jenet aan mijn zijde. Mijn lies wordt onderzocht in verband met de aansluiting op de hart-longmachine. Toestemming tot reanimatie moet worden gegeven (‘Anders gaan we niet opereren. Een deel van de operatie bestaat uit het weer loskoppelen van de hart-longmachine en als het hart niet uit zichzelf gaat werken krijgt het een elektrisch tikje. Dat is officieel een vorm van reanimatie’). Als ik wakker word zal ik nog aan het door Covid zo populair geworden beademingsapparaat liggen. Niet schrikken bij ontwaken. Ook zal ik voorzien zijn van een katheter. Er is daarnaast ook een vergrote kans op obstipatie.
  De hele procedure wordt doorgenomen. Ik zal de avond verblijven in een soort opvangzaaltje. Vanavond en morgenochtend moet ik me grondig douchen met Hibiscrub, een ontsmettend middel op basis van chloorhexidine. Morgen ben ik de tweede patiënt en mijn operatie staat gepland voor 12:51. Tot die tijd moet ik nuchter blijven en geduldig afwachten, het is me niet helemaal duidelijk waar. Ik krijg een operatiezak mee, waarin een blaasapparaat, mijn sloffen en mijn bril geplaatst kunnen worden. Geen tablets dus, boeken of telefoontjes. Hoe ga ik in vredesnaam die tijd doorbrengen? Het is ook helemaal niet gezegd dat de eerste operatie binnen de gestelde tijd plaats kan vinden. Zij kan uitlopen. Ik zie bijna meer op tegen de periode voor de operatie dan tegen de operatie zelf.
 Na de operatie volgt een nacht op Intensive Care, daarna overplaatsing naar de verpleegafdeling en ten slotte, na een dag of drie, vier, overplaatsing naar mijn eigen ziekenhuis, het Spaarnegasthuis, snel daarna gevolgd door ontslag. Alles begeleid door fysiotherapie en trappenlooptraining. Zes weken lang mag ik geen enkele kracht zetten met mijn armen: niets tillen, geen stoelen verschuiven. ‘Maak u geen zorgen: dit herhalen we allemaal vele malen, u hoeft dit nu heus niet helemaal te onthouden.’
 Na het uitgebreide gesprek word ik geïnstalleerd in een zaaltje met drie bedden. Hier wachten binnenkomers op hun operatie. Ik krijg een infuus ingeschoven, er wordt met grote moeite (rollende aderen) bloed afgenomen. Er wordt een hartfilmpje gemaakt met een kluwen zuignappen over mijn hele bovenlichaam. Dan word ik per rolstoel naar een radiolab gereden, waar nog maar weer eens een paar longfoto’s gemaakt worden door een grote, hoekige Mokummer die vertelt dat hij zo graag aan een van de grachten van onze schone hoofdstad zou willen wonen. Ik vertel dat ik die kans ooit gehad heb, maar dat mijn huisbaas tegelijk ook mijn werkgever zou worden en dat ik om die reden heb afgezien van het voorstel. De man knikt instemmend. ‘Dat begrijp ik.’
 Bij terugkeer op mijn kamer, we zijn ondertussen drie uur verder, vertelt de begeleidster dat er slecht nieuws is. Er is de volgende dag namelijk een spoedgeval tussen gekomen. De operatie moet worden uitgesteld. Het is nog niet duidelijk met hoeveel dagen.
 Ik betrap mezelf erop dat ik eerder opgelucht ben dan teleurgesteld. Dat is fout, natuurlijk. Uitstel is iets voor domme mensen, maar ik ben nu eenmaal een uitsteller van nature. Toch knaagt het: de opluchting is flink gelardeerd met teleurstelling. Een nieuw gevoel voor mij. Jenet bekent dat ze vergelijkbare gedachtes heeft.
 Dus zitten Jenet en ik ineens weer in Haarlem. Aan de thuisbezorgde sushi, want naast al het andere is Jenet ook nog eens jarig vandaag! Een gedenkwaardige dag.
 Op woensdag gaat de telefoon: de operatie is met precies een week verzet. Woensdag 7 februari zal ik de eerste zijn.
 Was het maar vast mei!


Illustratie: Teisai Hokuba - Kom met nieuwjaarseten (ca. 1808)

dinsdag 23 januari 2024

De zieke hypochonder 5

 De chirurg heeft een Poolse naam die klinkt als van een middenafstandschaatser. Hij is een benige, lange vijftiger met een vriendelijke uitstraling. Hij legt helder en zonder opsmuk uit wat hij zal gaan doen: een kerf in het rechter gedeelte van mijn borstkas snijden, één rib uit de weg trekken, via het ontstane gat een kunstklep van organisch materiaal in de aorta inbrengen en vastnaaien. Ondertussen zullen hart en longen stilgezet zijn en zal de patiënt in leven blijven via een hartlongmachine die via de lies wordt aangesloten. Dan volgt er een nacht op Intensive Care, een paar dagen herstel in het OLVG en ten slotte overplaatsing naar mijn eigen ziekenhuis in Haarlem. Het verwachte herstel zal daarna een aantal weken duren maar jazeker, beaamt de chirurg, in mei kan ik echt wel weer in de tuin zitten. Een week voor de operatie, zodra er plek is, zal ik een oproep krijgen.
 Op weg naar huis, naast Jenet, geef ik mezelf in gedachten een stevige veeg uit de pan. ‘Blijf het maar altijd weer ironiseren, dwarse Eksteen!’ smaal ik geluidloos. ‘Een naam voor een schaatser, hè? Grappig hoor! Alles om dat wat je te wachten staat maar niet als iets concreets te hoeven opvatten. Blijf jezelf maar verhaaltjes vertellen.’
 Eigenlijk heb ik, realiseer ik me, nooit om het echies geleefd, zoals mensen in geschiedenisboeken, of zelfs mijn ouders die oorlogen, kanker en dood hebben gekend. Hoewel mijn eigen sterfelijkheid lange tijd een consequent volgehouden uiterst ongeloofwaardige fabel gebleven is, ben ik me op een rationeel niveau nu zo langzamerhand wel bewust van het feit dat ik bijna 68 ben. Dat ik dus een jonge bejaarde ben die statistisch gezien binnen tien tot vijftien jaar zal sterven. Om het echies. Maar pas nu, deze laatste dagen komt dat besef eindelijk ook emotioneel binnen.
 Een einde is nabij. Alle plannen die ik normaal zou maken worden nu gebakerd en opzij gelegd in een denkbeeldige couveuse. Kookideeën, mogelijke reisbestemmingen, kleding- en boekaankoopplannen, te schrijven verhalen, alles valt buiten de huidige realiteit, is iets voor erna. Dat resulteert in een immense passiviteit en dat weer maakt Jenet wanhopig. Ik snap dat heel goed: zij wil graag doorgaan met leven. Maar ik wil niet alleen niets plannen, ik kan het niet, het is me fysiek onmogelijk.
 Zo is er nu na het kennismakende bezoek aan de chirurg een periode aangebroken van piekerende rust. Ik heb geen enkele voorstelling bij de idee van een ziekenhuisopname of een operatie. Mijn enige serieuze ervaring dateert van 1967, toen ik mijn elleboog gecompliceerd gebroken had en het gewricht gezet moest worden. Vier of vijf dagen heb ik toen in het kinderziekenhuis gelegen en bij thuiskomst lag daar op de eettafel als geschenk voor de dappere jongen de Pep, een jaarabonnement! Sedertdien heb ik nog één keer twee nachten in het ziekenhuis doorgebracht wegens een hartkatheterisatie en dat is alles. Ik weet van niets dus en denk maar niet over hoe het zal zijn, eind januari, aan het Oosterpark.
 Gedachten draaien rond in cirkels en vliegen uiteindelijk telkens weer te pletter tegen die onzichtbare grens. Bij een zwart gat heeft men het over de event horizon: de grens waar voorbij geen observaties meer gemaakt kunnen worden omdat de ontsnappingssnelheid hoger is dan die van het licht en dus elke vorm van informatie voor eeuwig gevangen blijft.
 Meer dan mijn tijd verspillen en cocoonen kan ik nu niet. Alle tijd die ik momenteel besteed is verloren tijd, maar voor iets nuttigs is al helemaal geen tijd. Ik bedacht me laatst dat deze berichtjes tot nu toe een soort weerlegging lijken te vormen van mijn bewering dat ik een diepgewortelde pessimist ben, of zelfs maar een hypochonder. De reeds gepubliceerde stukjes impliceren immers voortdurend een voortzetting, een logisch einde, een koesterend lentelicht aan de horizon. En dat impliceert dat de operatie goed zal gaan en dat ik het allemaal na zal kunnen vertellen in een volgend stukje, eind februari misschien of begin maart. Dat moet ook wel, want het zou ten slotte best sneu zijn als de lezer het einde niet meekrijgt van dit alles. En dat is iets waar ik me maar aan vast moet klampen, ook al is het zo abstract als de pest.
 Prominent in mijn denkwereld treedt nu op: de snede. Niet alleen de concrete, de snede in mijn borst, maar ook als metafoor: een snede in de tijd. Mijn leven bestaat uit twee niet met elkaar verbonden delen: de periode tot de operatie en, na een door de narcose geïnitieerde discontinuïteit, de periode erna. Twee levens van elkaar gescheiden door een lancetscherpe snede. Pas na die cesuur zal ik weer iets op kunnen pakken. En vandaag heeft die cesuur, de snede in de tijd, een tijdstip gekregen: 31 januari, rond het middaguur. Tot die tijd rest me niets anders dan verdoofd te cocoonen.
 Ach ach, was het maar vast mei!

Illustratie: Lucio Fontana - Concetto spaziale, Attese (1960)

zondag 7 januari 2024

De zieke hypochonder 4

 Het gebouw waar de apotheose van het voorspel plaats zal vinden is nog steeds even non-descript als een maand geleden. Vier beige verdiepingen in een klein industriekwartiertje aan de rand van de stad. Vestigingen van een bedrijf in gezichtscorrectie, een taalinstituut voor buitenlanders en op de vierde verdieping de Mond-, kaak- en aangezichtschirurgie.
 Tot mijn verbazing is de kaakchirurg dezelfde frêle Vlaamse die ik al bij de eerste gelegenheid ontmoet had. Zij is toch stellig niet sterk genoeg voor het echte breekwerk? Voor deze klus zou ik eerder een type enforcer van de Bulgaarse mafia/geheime dienst hebben verwacht.
 Ik heb al eens een dubbele extractie van een verstandskies en zijn buur gehad en hoewel dat niet vlekkeloos gegaan was, is alles keurig genezen en ik maak me dan ook niet werkelijk veel zorgen: laat het maar snel voorbij zijn.
 Een blauwe doek met een ademgat wordt over me heen uitgespreid. Met een paar bijzonder pijnlijke injecties wordt mijn kaak verdoofd. Dan begint het breekwerk. Eerst rechtsboven. Tweemaal krak-krik en mijn twee toch al werkloze bovenkiezen liggen in het schoteltje. Dan linksboven. Krak-krik. Ik moet krachtig door mijn door de chirurg dichtgeknepen neus uitademen om te zien of er niet een open verbinding met een of andere holte is ontstaan. Dat is in orde.
 Dan volgt de hoofdattractie van de ochtend: de scheefgegroeide verstandskies linksonder. Die laat zich niet zo makkelijk trekken. Uiteindelijk wordt hij door midden geboord en in twee stukken eruit gehaald. Met een bek vol steriele gaasjes mag ik naar huis. Dozen paracetamol liggen in de aanslag.
 De eerste dagen vallen, ondanks mijn fundamenteel pessimistische instelling, toch nog tegen. Het zijn niet zozeer de gaten waar ooit kiezen hebben gezeten, die pijn doen - het is eerder het bot van het gehemelte eromheen dat blijkbaar getraumatiseerd is. Kauwen aan de kant van een trekgat is natuurlijk niet aan de orde, maar knabbelen met muizentandjes werkt ook helemaal niet. Een dieet van Brinta, chocomousse en yoghurt met gemalen banaan en mango is voor een paar dagen mijn deel. Dat eet voor een man niet zo lekker, om met Gerard Reve te spreken.
 Tot overmaat van ramp word ik een paar dagen later ook nog eens getroffen door een zware verkoudheid, waardoor sowieso alles wat nog geen pijn deed nu ook pijn gaat doen. Ik snik denkbeeldige tranen: wat ben ik zielig! Gelukkig is daar Jenet aan mijn zijde met haar goede zorgen. 
  Ik ben wat Midas Dekker ooit heeft gemunt: een thigmofiel, iemand met een grote hang naar fysieke geborgenheid (een eigenaardig gekozen term trouwens die in het buitenland iets anders betekent dan in Midas’ wereld, zie hier). Me rest dus niets anders dan gelatenheid betrachten en rust zoeken. Ik hang in de stoel en vul de dagen gewikkeld in een fleece dekentje om te cocoonen met oude escapistische televisieprogramma’s die ik voor precies deze omstandigheden ooit van het internet geplukt heb en waarvan ik ondertussen een behoorlijke verzameling op de harde schijf gearchiveerd heb: Scrapheap Challenge, Time Team en The Great British Bake-Off. Ik geef toe: die laatste keus is wel een beetje ironisch, want op dit moment kan er voor mij van eten geen enkele sprake zijn, laat staan van snoepen. Ik ben al vier kilo afgevallen.
 Naarmate de dagen voorbijgaan neemt de kaakpijn grillig af. De ene dag is de andere niet. Als ik terugdenk aan die vrijdagochtend in dat grauwe kantoorpand, wordt de hele ervaring teruggebracht tot dat ene typerende geluid: krak-krik. Ik word er wee en onrustig van.
 En op de eerste werkdag van 2024, op de eerste dag dat ik voorzichtig begin te minderen met de pijnstillers, komt het verwachte, onvermijdelijke telefoontje. Over ruim een week word ik voor een intakegesprek verwacht in het OLVG.
 Och was het maar vast mei.

Illustratie: Gerard van Honthorst - De tandarts (1622)

woensdag 27 december 2023

De zieke hypochonder 3

De nu komende episode in dit relaas is wat gefragmenteerd geworden. De eerstvolgende afspraak is een radiologisch onderzoek. Dat is een makkie. Een soepele Mokummer nodigt me uit om op een witte helse machine te gaan liggen en mijn hele bovenlijf wordt minutieus gescand. Na een kwartier mag ik mijn kleren aantrekken en ik fiets de regen weer in. Onderweg naar huis scoor ik voortreffelijke inktvisringen bij een joviale Marokkaanse visboer die in drie talen converseert met zijn klandizie. Zijn Frans zit vol double entendres.
 De volgende week heb ik een longfunctieonderzoek. Geen onbekend gebied: tijdens de corona in 2020 heb ik een keer zo’n test gedaan. Naar mijn gevoel ging het toen veel slechter met me, maar dat blijkt mee te vallen: mijn scores zijn slechts marginaal beter dan toen.
 De longarts is een lange, magere nonchalante en ietwat rommelige vrouw met wie je het liefst meteen een kroeg in duikt. Ze bespreekt de vorige twee onderzoeken en vertelt dat ik voor een stevige ex-roker behoorlijk goede longen heb - een zweem van emfyseem, het is het vermelden nauwelijks waard. We bespreken de mogelijkheid van een slaapapneu-traject, waar ik op dit moment geen zin in heb. Ze is het eigenlijk wel met me eens.
 ‘Dat is je goed recht. Als je zelf het gevoel hebt dat je er echt last van hebt (vermoeidheid, slaperigheid in de middag), zouden we ernaar kunnen kijken.’
 ‘Laat maar even zitten. Het kan ten slotte ook de leeftijd zijn. Bovendien doe ik niet anders dan de Mediterrane volkeren: een middagdutje inlassen op het heetst van de dag.’
 ‘Wat je wilt. Laten we het er over drie maanden nog eens over hebben.’
 Prima. Uitstel bevalt me nog steeds het meest.
 Ik terug op de fiets, het wispelturige herfstweer in. In heel Haarlem Noord heb ik de boekenkastjes in kaart gebracht en ik bezoek ze op de terugweg allemaal, zonder enig resultaat. Wat is het leven toch een aaneenschakeling van zinloze dwanghandelingen.
 De volgende dagen ben ik weer terug in Noord, nu bij Bart, mijn tandarts. Hij legt me aan de hand van geanonimiseerde foto’s van andere klanten van hem allerlei dingen uit die ik niet begrijp. Het komt erop neer dat deze kies, wijst hij op de nieuw gemaakte röntgenfoto van mijn gebit, en die daar eigenlijk te goed zijn om op te offeren. Hij zal de foto opsturen naar de kaakchirurg. Als we de kiezen behouden, vertelt hij, zal er wel een wortelkanaalbehandeling moeten volgen. Ik ben ondertussen alweer helemaal murw en fiets schouderophalend en hoofdschuddend de Rijksstraatweg weer af.
 Dan volgt er een hartkatheterisatie. Dat betekent een dagopname in het ziekenhuis. De verzekeraar begint langzamerhand pijn te voelen. Ik kan me voorstellen dat menigeen hier ook weer heel zenuwachtig van wordt, maar niet ik! Ik heb dit een paar jaar geleden al eens meegemaakt, toen ik met een heftige hartritmestoornis naar het ziekenhuis gebracht was. Dat was toen een eitje, ik maak me er dan ook niet druk om. Dat blijkt een vergissing te zijn. Een doffe rokerspijn maakt zich meester van mijn rechter bovenarm. Achteraf legt de katheterisator uit dat ze deze keer, gezien mijn toestand, geen aderverruimende middelen hebben durven gebruiken, dus mijn lichaam heeft zich hevig liggen verzetten tegen een ongewenste penetratie.
 Na afloop van de ingreep wordt de slagader hard afgeknepen met een luchtdrukapparaatje, dat in fasen zijn greep op mijn pols laat afnemen. Zo volgt een vier uur durende periode van verveling. Met de rechterarm in een knullige mitella, veel water drinkend, om het half uur plassend (er is me vast een vocht afdrijvend middel toegediend, zonder dat me dat verteld was) staar ik naar de horizon voorbij Schalkwijk, waar de enige beweging komt van Schiphol, met haar vele landende en opstijgende vliegtuigen.
 Bijna twee weken later - kennelijk is er nogal een strijd geweest tussen Bart en de kaakchirurg - ontvang ik van de tandartspraktijk een email:
 Een wortelkanaalbehandeling is niet nodig. Verder is de kaakchirurg het eens met hetgeen wat we voorgesteld hebben; behoud van de eerste grote kies rechts boven en eerste grote kies rechts onder.
 Dan is het eindelijk zover: het slotconsult bij de cardioloog. Alle onderzoeksgegevens zijn binnen, het verzoek tot opereren zal naar het OLVG gestuurd worden. In mijn patiëntendossier kan ik alles nog eens nalezen.
 Daar zie ik dat gevraagd wordt om een “minimaal invasieve aortaklepvervanging en MAZE”
 MAZE? Ik dacht dat de cardioloog had gezegd dat de operatie niet gecombineerd kon worden met deze ingreep tegen hartritmestoornissen. Wat nu weer?
 Och was het maar vast mei!

Illustratie: Vadim Voitekhovitch - De ingang van de doolhof (1999)

zondag 17 december 2023

De zieke hypochonder 2

 Ik was al gewaarschuwd door Jan-Paul: één van zijn koorleden is maar liefst zeven kiezen kwijtgeraakt.
 Op de website van het ziekenhuis valt te lezen: Voor een hartklep operatie moeten eventuele ontstekingsplekjes in de mond en aan het gebit behandeld worden. Deze ontstekingen kunnen gevaarlijk zijn voor een hartklepprothese. Het komt erop neer dat mijn gebit zeer goed gecontroleerd moet blijven en dat ik  bij tandartsbezoek preventief antibiotica zal moeten gaan slikken. Ik ben er niet gerust op: mijn hele leven heb ik, laat ik zeggen, een zekere nonchalance in acht genomen ten aanzien van de toestand van mijn gebit.
 De MKA (Mond-, Kaak- en Aangezichtschirurgie) bevindt zich op de vierde verdieping van een volstrekt non-descript kantoorgebouw dat uitkijkt over het rangeerterrein van de NS.
 De kaakfoto’s zijn snel gemaakt en vrijwel meteen worden we opgeroepen bij de kaakchirurg. Zij is een jonge, donkerharige Belgische die sappig Vlaams spreekt. Ik mag meteen plaatsnemen en tijdens een snel onderzoek noemt ze hele reeksen cijfers en letters die haar assistente noteert. Ze staat even stil bij een wondje aan de binnenkant van mijn wang. ‘Ik zie dat u enig letsel heeft?’ Ik verklaar dat ik mezelf tijdens de maaltijd in de wang gebeten heb.
 Na het onderzoek legt ze uit dat ik diepe pockets heb en dat er… eens kijken… zes kiezen getrokken zullen moeten gaan worden. Ik lig nog in de onderzoekstoel en dit is het moment dat ik ineenstort. Ik staar naar boven en blijf daar onbeweeglijk liggen. ‘Zes kiezen,’ stamel ik.
 Ze ziet hoe aangedaan ik ben en begint uit te leggen waarom dat allemaal noodzakelijk is. En dat ik gelijkmatig aan beide kanten kiezen kwijt zal raken, zodat het evenwicht behouden blijft en mijn gebit na de ingreep altijd nog een goede functionaliteit zou overhouden.
 ‘Ja maar… Zes?’
 Ze is een moment stil, staat dan op en zegt: ‘Ik zal het even met een collega bespreken.’ Welja! Ik heb waarachtig een VAR moment!
 Maar tevergeefs. Nogmaals legt ze uit hoe slecht mijn gebit eraan toe is en dat deze zes extracties toch werkelijk noodzakelijk zijn. Een infectie van het gebit heeft een zeer kort lijntje met het hart en we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn. Ik geloof dat meteen. Ik weet dat de toenmalige basgitarist van Jethro Tull overleden is aan hartfalen als complicatie bij een ontstoken kies, dus het is allemaal geen enorme openbaring voor me.
 Maar niettemin. Jezus. Zes kiezen. Jenet pakt me zorgzaam beet.
 Eerst maar eens naar de mondhygiëniste en de tandarts - een afspraak die allang in de agenda staat. Dat zal over een week zijn, te midden van de andere preliminaire onderzoeken in het ziekenhuis. De mondchirurge zal haar rapport naar de praktijk doorsturen.
  Thuisgekomen vraag ik me wel af waarom ik in vredesnaam nog naar die tandartsafspraak moet: het lijkt me volstrekt zinloos om al die kiezen schoon te gaan maken een paar weken voor ze getrokken zullen worden. Al weken eerder heb ik van mijn tandartspraktijk een telefoontje gekregen dat Bart die dag niet beschikbaar zal zijn, of ik er een probleem mee heb om de vervangster te zien? Nee, natuurlijk niet. Maar dat blijkt dus nu ineens ook niet zo handig.
 Een tijdje later hebben we een genoeglijk gesprekje, de vervangster en ik. Ik vraag honderduit, zij blijft een beetje op de vlakte.
 ‘Dan heb ik nog één vraag. Waar komt u vandaan?’
 ‘Raad eens.’
 ‘Uruguay.’ Ze moet grinniken. ‘Grappig dat u dat zegt. De meeste mensen denken Oost-Europa. Nee, ik kom uit Madrid.’
 ‘Ach! Wat een fijne stad!’
Ik fiets weer naar huis. Er is dus inderdaad niets tandtechnisch gedaan. Snel verdiend geld, mopper ik in mezelf. Ik ga boodschappen doen. Bij de uitgang van de supermarkt gaat mijn telefoon.
 ‘Met Bart. Ik bel vanuit huis. Ik ga net even door je papieren heen en ik moet zeggen: ik ben wel geschrokken. Zes kiezen! Ik vraag me af of dat allemaal wel echt nodig is. Ik wil je zien. Kun je na het weekend langskomen?’
 Natuurlijk. Ik wel.
 Hij kijkt, fotografeert, legt uit. Hij is strijdvaardig: ‘Ik ga voor deze twee kiezen vechten!’
 We zullen zien. Was het maar vast mei.

Illustratie: René Reinicke - Der Hypochonder (1886)

dinsdag 12 december 2023

De zieke hypochonder 1

 In mijn herinnering was de cardioloog nog een jonge vent. Maar nu ik beter kijk zie ik dat hij toch wel rond de vijftig zal zijn. In een flits zie ik studerende kinderen, wijnproeverijen en een vakantiehuisje in de Cevennen. Hij is vriendelijk en empathisch maar dat wel altijd vanaf een zekere afstand. Ik zou hem een beetje matey noemen, alsof we allebei lid zijn van een beschaafde soos. Nadat hij het slechte nieuws heeft gebracht zegt hij, zoals iemand als Marc Rutte dat perfect kan: ‘Nou. Pff. Jemig hè?’ Ik voel dat hij dat wel vaker moet zeggen.
 Ik zit er een beetje aangeslagen bij.
 Strikt genomen hóef ik nog niet. Dat wil zeggen: de cijfers zitten nog net onder de kritische grens. Bij een score van 100 moet er zonder verdere discussie geopereerd worden. Mijn score is in het afgelopen half jaar gegroeid van 88 naar 93. ‘Zeer binnenkort, zeker binnen een jaar, zal het echt onvermijdelijk zijn. Gezien de bijkomende symptomen maak ik me op dit moment best een beetje zorgen. ’t Is waar, u kunt het nog uitstellen, maar…’
 Met andere woorden: als we nu gaan opereren zal het deels mijn eigen beslissing zijn, hoezeer ook de omstandigheden dwingend zijn. Er wordt een actieve beslissing gevraagd van een aangeboren en overtuigde uitsteller. Dit is de ultieme gruwel voor de hypochonder: zelf het initiatief moeten nemen. Onderschat dit alstublieft niet: voor mij is dit werkelijk iets heel groots. Dus fluister ik: ‘Ik wil niet.’
 Hij knikt begrijpend. ‘Ja, dat zeggen de meeste mensen. Maar u moet zich realiseren dat u nu al een sterk vergrote kans op plotseling overlijden hebt. Gewoon tijdens het lopen, of in uw slaap. Ik moet echt met klem aanraden om het nu te laten doen.’
Ik zak terug in mijn stoel. Naast me kijkt Jenet geïnteresseerd naar mijn reactie. Ik weet deksels goed wat zij wil dat ik doe.
 ‘Tja.’
 De cardioloog echoot me. ‘Tja. Een beslissing, hè?’
 In de afgelopen twee jaren heeft Covid mijn situatie dramatisch verslechterd. In 2020 was mijn waarde nog ergens rond de 50, nu dus bijna het dubbele. Het uur U is op die manier veel sneller gekomen dan ik op voorhand gehoopt en verwacht had. Mijn lichamelijke conditie is belabberd. Daar gaf ik aanvankelijk nog de long-covid de schuld voor, de leeftijd, van alles. Maar het is, ook zonder de uitslag van de test te weten, duidelijk dat er meer aan de hand is.
Van tevoren heb ik wel al heel stoer en vol branie besloten dat ik de ingreep, wanneer die eenmaal onvermijdelijk wordt, het liefst wil ondergaan in de winter, zodat ik de volgende zomer weer redelijk onbezorgd in de tuin van een deeltje Montalbano zal kunnen genieten. Quasi-rationele hovaardij, ik weet het. Ik zie echter geen ontsnapping meer en voel me langzaam wegzinken in een drijfzand van zelfmedelijden.
Jenet en de cardioloog kijken ondertussen naar mijn verbleekte zwijgen.
 ‘Tja,’ herhaal ik. En met een piepklein stemmetje, in de ijdele hoop dat niemand het zal horen: ‘Nou, dan moet het maar.’ Ik schrik er zelf meteen van: ik heb immers nu mijn niet langer uit te stellen fiat gegeven aan een echte, serieuze hartkleptransplantatie.
 Me wacht een traject van medische onderzoeken. Als eerste zal er een bezoek moeten worden gebracht aan de kaakchirurg. Was het maar vast mei.

Illustratie: Paul Klee - Das kranke Herz (1939)

zondag 3 december 2023

Ai!

In de trein zat een stel, eind zestig, misschien begin zeventig. Gesoigneerd, hij een rood plastic brilletje met ronde glazen, zij een chique shawl (geen sjaal). Allebei zo’n beetje vaag progressief-liberaal Oud-Zuid. Uit hun gesprek maakte ik op dat ze, net als wij, onderweg waren naar de Kunsthal in Rotterdam.
‘Heb jij wel eens werk gezien van Weiwei?’ vroeg de vrouw aan de man. De man mompelde iets ontkennends en ik dacht: ‘Zozo. Deze dame kent de kunstenaar zo goed dat ze hem met zijn voornaam aanduidt.’ Ik vond het niettemin vreemd klinken, zoiets als Picasso aanduiden met het intieme Pablo.
We hebben de twee niet meer teruggezien, want wij zouden de tentoonstelling Humanity pas de volgende dag gaan bezoeken, gecombineerd met een inspectie van het Depot van Boymans van Beuningen, in datzelfde Museumpark gelegen.

Eerst stond er een terugkeer naar de Markthal, dat architectonische wonder, op het programma. Ik ben een fan, al sedert het malle gebouw opgeleverd werd. Een woonflat in de vorm van een kolossale triomfboog, met daarbinnen een enorme verscheidenheid aan kramen en restaurantjes in twee verdiepingen, waar het exotisch voedsel uit alle windstreken je tegemoet geurt. In de kelder is ook nog eens een Albert Heijn en een Gall en Gall gevestigd. Na een paar schrale jaren waarin nogal wat leegstand te bespeuren viel, is de hal thans weer volledig bezet en de verscheidenheid is weer groot. Alleen mis ik de kraam met meer dan honderd soorten sambals die er vroeger was.
Ik denk wel eens: hier te wonen. Alleen maar eruit te hoeven voor de geneesvrouwe en de grote vestiging van de Slegte aan de overkant van het plein en verder alles onder één dak te hebben. Ik zou honderdvijfendertig kilo zijn, dat wel. En Jenet wil niet mee, dus beter maar van niet.

Toen we de volgende dag een kijkje gingen nemen bleek het Museumpark lelijk op de schop te liggen. Het evenementendek in het Museumpark krijgt, zo lees ik op internet, een geheel nieuwe inrichting. Meer groen, banken, fonteintjes. Het wordt een plek voor festivals, recreatie en sport. Ik hoop dat het alleraardigste orthodoxe kerkje met de grandioze naam Kathedraal van de Heilige Nikolaas in de hoek van het park een beetje ongemoeid zal blijven.

Laat ik eerlijk zijn: hoezeer ik ook een fan ben van de Markthal, vooral ook als gebouw, ik kan niet werkelijk warm lopen voor het Depot van Boymans, hoewel dat door dezelfde architect, Winy Maas is ontworpen. Ik vind het een beetje over the top, iets té zelfverzekerd misschien. Wie ernaartoe gaat in de verwachting een museum aan te treffen, komt bedrogen uit: het is een werkomgeving die deels opengesteld is voor publiek. Ik vond het leuk en interessant, maar voel niet de drang om er snel weer naar toe te gaan. Ontroerend vond ik wel om te zien hoezeer ook de meest efemere kunstprullen met de grootste eerbied behandeld werden, als frêle bejaarden in het verzorgingshuis.

Ook de Kunsthal is de schepping van een beroemde architect, Rem Koolhaas in dit geval. Hij is iemand die zich niet bezig houdt met trivialiteiten als gebruiksvriendelijkheid, dus de Ai Weiwei-tentoonstelling was een druk rommelzootje, waar smalle gangen gebruikt moesten worden voor uitgebreide tekst en uitleg, zodat iedereen elkaar in de weg liep. We zijn van hem eigenlijk niets anders gewend. Ik heb er hier en hier al eens over geschreven. 

Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik niet vreselijk gelukkig ben met moderne kunst. Natuurlijk tref je hier en daar best heel goede werkstukken aan, de wet der grote getallen schrijft dat bijna voor. Maar diezelfde wet verordonneert ook dat er grote hoeveelheden rommel geproduceerd wordt die maar het beste vergeten worde. Waar in dat geheel Ai Weiwei zich bevindt, is me niet helemaal duidelijk geworden. Ik zal dat uitleggen.
Laat ik vooropstellen dat ik hem, zoals ik hem op film en in werken bezig heb gezien, niet mag. Hij lijkt me een charlatan met grootheidswaan. Hij treft me ook als weinig subtiel. Zijn vorm van maatschappelijk commentaar leveren uit zich bijvoorbeeld door een video op te nemen waarin hij een antieke vaas kapot gooit, of door een prehistorische vaas te beschilderen met het logo van Coca Cola. De boodschap komt over, jawel, maar de manier is wel erg grof en bovendien sleets: hoe vaak is immers zoiets al niet eerder gedaan?

Veel werk bestaat ofwel uit aan elkaar bevestigde ready-mades (schoenen, fietsen, schooltassen) ofwel uit grote illustraties in legoblokjes uitgevoerd, meestal in gemene pastelkleuren. Vaak zien we zelfportretten in dramatische omstandigheden, ten prooi aan de repressieve cultuur van het communistische China. Het zal allemaal wel heel ellendig zijn, maar het resultaat van al zijn slechte ervaringen levert werk op dat zo geobsedeerd is door Ai Weiwei zelf, dat ik dat hele humanistische verhaal van hem maar nauwelijks geloven kan. Ook gaat Ai Weiwei vaak pontificaal in beeld staan, vooral in een zeer groot werk, ook weer uitgevoerd met vele honderden legoblokjes in valse CGA-kleuren, dat de iconische persfoto van het in Griekenland aangespoelde jongetje kopieert, maar dan met de kunstenaar zelf als tweejarige drenkeling. Wat theatraal, denk ik dan, wat volledig op zichzelf gefixeerd! Ik zag het stuk en de enige vergelijking die bij me opkwam Harry Mulisch, de Ollie B. Bommel van de Nederlandse letterkunde, die ooit smartelijk en pompeus verzuchtte: ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog!’

Al met al was vond ik het een vreemde, ja zelfs vervreemdende ervaring. Ik was er van tevoren vanuit gegaan dat alles wat ik in de Kunsthal van de Chinese kunstenaar te zien zou krijgen, afgedaan zou kunnen worden als postmoderne kitsch, charlatanerie en bombast, maar zelfs dat lukte me niet. Ik zag wat het was (een soort beeldende kunst), maar snapte er zo weinig van dat ik het niet eens kon afwijzen, op dezelfde manier waarop ik de in een betekenisvolle volgorde gelegde letters van een Cambodjaans gedicht niet kan afwijzen, want ik ken geen woord Cambodjaans. Als het Ai om verwarring te doen is, slaagt hij wat mij betreft met vlag en wimpel.
Het enige dat ik in de tentoonstelling helder zag en ook begreep, was vlijt. Er is duidelijk heel veel tijd en energie gestoken in de diverse objecten. Teveel om het allemaal simpel af te kunnen doen als een flauwe, cynische grap of als puur aanstellerij.
Het zou zelfs wel een vorm van opschepperij kunnen zijn: ‘Kijk eens hoe groot mijn bedrijf is, hoeveel medewerkers ik me kan veroorloven om dit allemaal voor mij te doen.’ Maar misschien doe ik hem daar vreselijk te kort mee, ik weet het niet. Misschien werkt Ai Weiwei echt heel hard en drukt hij Legoblokje na Legoblokje in het gelid, als de belangrijke kunstenaar die hij volgens anderen is.