woensdag 14 juli 2021

Herlezen: Frederick Rolfe - Hadrian VII

Ik denk dat ieder van ons er wel eens van gedroomd heeft hoe het zou zijn om zomaar, plotseling in een positie van macht te geraken: gevraagd te worden als CEO van een wereldomspannend techbedrijf, een erfenis van enige miljarden te ontvangen, of een kroonprins van een belangrijk land te blijken te zijn. 
Fr. Rolfe, door hemzelf zo geschreven liever dan voluit, om met de gebruikte afkorting een positie in de katholieke kerk te suggereren, had een dergelijke droom ook. 

Frederick William Rolfe leefde van 1860 tot 1913. Zijn leven was moeilijk, niet in het minst door zijn eigen allesoverheersende neiging tot compromisloos ruzie maken. Hij trad officieel toe tot de katholieke kerk toen hij 26 was. Hij ondernam een aantal pogingen om het priesterschap te bereiken, maar hij werd het seminarie uitgejaagd en zette zijn ruzieachtige leven voort als schrijver van semi-autobiografische romans. Er deden de wildste verhalen over hem de ronde, hij zou homoseksueel en pedofiel zijn, maar tegelijk heerst er in brede kring een gevoel dat toen deze onmogelijke man uiteindelijk stierf, verbitterd, eenzaam en straatarm in Venetië, hij dat deed als een onbeminde maagd. 

Zijn bekendste roman is Hadrian VII uit 1904, het relaas van een querulante Engelse broodschrijver genaamd George Arthur Rose die volkomen onverwacht uitgenodigd wordt om paus te worden. Een vreemd boek, alleen al door deze premisse, maar zeker ook door de merkwaardige schrijfstijl, die algemeen tot de Decadentie gerekend wordt. Neologismen, latinismen en graecismen doorspekken het proza. Heel pedant detail: vanaf het exacte moment dat Rose tot Paus gekroond is, wordt aan hem met hoofdletters gerefereerd: het wordt He, Him en His, ook midden in een zin. 

Het is een zelfportret geworden natuurlijk, zij het zwaar geïdealiseerd. George Arthurs Rose is een geperfectioneerde uitvoering van Frederick William Rolfe en wordt met onverholen bewondering (aanbidding welhaast) beschreven. Het is een zeer ijdel boek over een man die juist alle ijdelheid beweert af te wijzen. De lezer ontwikkelt al spoedig een immense hekel aan deze zelfingenomen kwast, beschreven door een zelfverliefde kwezel.

Het boek biedt een breed inzicht in de onderliggende machinerieën van de Katholieke kerk zoals die was rond 1900.  
George Rose de Paus wordt een progressieve kerkvorst, die eenvoud en armoede predikt en alle rijkdom van de kerk verkoopt om met het geld goed te doen. Die zijn eigen sigaretten rolt die hij ketting rookt, die getalenteerde mannen die het verdienen met fortuinen overlaadt en knoeiers heen stuurt. Maar tegelijkertijd is hij een uiterst reactionaire, misogyne politicus, die ook nog even en passant de wereld verdeelt in heersersvolken en onderrassen. Hij laat Duitsland allerlei Balkanstaatjes annexeren en moedigt Engeland aan de Afrikaanse en Aziatische rassen onder haar hoede te nemen. Dramatische handeling wordt bij herhaling geheel stopgezet voor het geven van een soort “college”. Het is in alle opzichten een ideeënroman, wat men ook vinde van die ideeën. 

Dit kan allemaal niet goed gaan, natuurlijk. Nadat Rose tot mijn verbazing wel degelijk het Roomse establishment voor zich heeft weten te winnen, blijft hij problemen houden met slechte kennissen van vroeger (Liblabs ofte wel socialisten), die hem eerst trachten te chanteren, maar uiteindelijk overgaan tot moord. Zelden heb ik een dramatische climax zo laconiek af zien doen als de moord op de Paus. Eén regeltje was voor Rolfe voldoende, haast alsof hij plotseling tot de ontdekking was gekomen nog maar twee vel papier over te hebben.

Waarom in vredesnaam dit boek? Ik hoor het de lezer denken. Laat ik vooropstellen dat veel van wat ik in mijn jeugd las, door het werk van het schrijverscollectief Joyce & Co. (Geerten Meijsing en Kees Snel hoofdzakelijk) onder mijn aandacht gebracht was. Werd iets door deze heren gesanctioneerd, dan moest het wel goed zijn. Hadrian VII las ik veertig jaar geleden in hun vertaling. 
Maar de vraag blijft: waarom? Ook bij herlezing heb ik hier en daar toch weer luid geschaterd. Rolfe was namelijk een buitengewoon geestig schrijver. Hij was sarcastisch, bont, pedant, decadent, idiosyncratisch en excentriek. Hadrian VII is een curiosum van de eerste orde. Ik heb het met veel plezier herlezen, maar durf het niettemin niemand aan te raden. Zo gaat dat met geheime liefdes…

maandag 7 juni 2021

Over het vertalen van popteksten


(Door Robert Eksteen en Jan-Paul van Spaendonck)

Jan-Paul had zich vastgebeten in de vertaling van liefdespoëzie van Louis Aragon. Hij zocht een second opinion en stuurde Robert een gedicht op. Robert gaf zijn commentaar en maakte op zijn beurt Jan-Paul deelgenoot van zijn al vele maanden durende af-en-aan-project: de vertaling van Thick as a Brick, de episch lange tekst van de gelijknamige LP van Jethro Tull. Nadat hij uitgelachen was, stelde Jan-Paul voor: ‘Hierna een duo-vertaling? Iets voor onze vijfenzestigste verjaardag? Een aardig boekje?’

Het werd een poptekstenproject. 

We kennen elkaar al meer dan zestig jaar. In onze vormingsjaren van 1965 tot 1970 gebeurde op muzikaal gebied vreselijk veel en we hielden elkaar op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen. Onze muzikale uitgangspunten waren nagenoeg identiek. Hoewel Jan-Paul van de Beatles was en Robert van de Kinks, kwamen we op de middelbare school in dezelfde groep would-be hippies terecht en de muziek was daar naar: naast allerlei Woodstock-bands draaiden we vooral veel Jethro Tull en King Crimson op onze Lenco pickups en magere draagbare cassetterecordertjes. In dit boekje kan de lezer daar ampel sporen van aantreffen. 

Onvermijdelijk dreven in de decennia erna onze belangstellingen, muzikaal en tekstueel, ver uit elkaar, zonder overigens een specifieke nestgeur te verliezen. Ook daarvoor kan de aandachtige lezer in het boekje een overvloed aan bewijsmateriaal verzamelen. Een heel breed spectrum aan stijlen en culturen wordt gepresenteerd. Van ABBA tot Zappa, letterlijk. 

Voordat we aan het selecteren van de teksten begonnen, hadden we maar heel weinig uitgangspunten. Natuurlijk moesten de teksten (of de songs zelf) in ons leven iets voor ons betekend hebben. Sommige van de gekozen teksten ‘zijn’ van ons beiden, sommige meer exclusief van Jan-Paul of van Robert. Een tweede uitgangspunt was dat er niet reeds een goede vertaling van de tekst moest bestaan. Dankzij onder andere Ernst van Altena, Bindervoet & Henkes en Jan Rot vielen daardoor Jacques Brel, de Beatles (met één uitzondering), Bob Dylan en allerlei anderen van te voren af.

Er zijn, ontdekten we, minimaal zes methodes om liedteksten te vertalen.

- Je kunt de tekst opvatten als een gedicht en vertaalt hem dus strikt metrisch volgens de oorspronkelijke versvoeten, zonder rekening te houden met de gezongen versie. Dat kan bij liedteksten nogal eens ontaarden in een door elkaar lopende chaos van jamben, anapesten en dactyli. Plus dat de nazingbaarheid vreselijk in het nauw kan raken. Iets wat op papier klopt (zelfde aantal lettergrepen, keurig ritme) blijkt te stranden als je het gaat zingen, omdat er in het origineel opeens vier tellen rust in acht worden genomen na een bepaald woord, terwijl in jouw vertaling het gekozen - langere - woord over die cesuur heen loopt, en je dus met een joekel van een adempauze zit middenin een woord: streng verboden.

- Je kunt de tekst zo letterlijk mogelijk en zingbaar vertalen. Misschien offer je hier en daar een beeld op, misschien word je tot een ongelukkige zinswending gedwongen, maar uiteindelijk is de vertaling op een music-minus-one-versie van de oorspronkelijke opname wel probleemloos mee te zingen.

- Je kunt de geest van de tekst proberen te vertalen, zingbaar, maar verre van letterlijk. Niet dus: ‘In Pennylaan’, maar bijvoorbeeld: ‘In Heerenveen’, of ‘In Slotermeer’. Dit procedé wordt ook wel hertalen genoemd, wij hadden het onderling over de methode Jan Rot.

- Je kunt een compleet nieuwe tekst maken op een bestaande melodie. Een praktijk die dateert uit de tijd dat een mondje buitenlands een zeldzaamheid was. Zo werd Vieni sul mar: ‘Twee ogen zo blauw’.

- Voorts is er de zuiver muzikale hertaling, die vooral de klank van het origineel intact laat. Een mooi voorbeeld is de versie van We Can Work it Out van Lennon & McCartney. Dat werd bij vertalers Henkes en Bindervoet: ‘Weekend wordt het koud’.

- Ten slotte kun je ook de geest van de poëtische gedachte van een tekst vertalen en die een andere vorm geven. Jan Kal bouwt al jaren popsongs uit de zestiger en zeventiger jaren om tot de vorm die hij als geen ander beheerst: het sonnet.

De grenzen tussen deze verschillende methoden zijn tamelijk vaag. We hebben vooral de eerste drie methodes gebruikt, zoals het ons van pas kwam. 

Onze verjaardagen zijn geweest, het boekje is er. U kunt het hier bestellen.


zaterdag 13 maart 2021

Mijn tuintje

Ede Staal (1941-1986)
Ede Staal (1941-1986)
Nog een tekst die het verjaardagsboek met vertalingen niet gehaald heeft, maar die ik toch wel erg aardig vind. Tijdens de redactionele bespreking viel deze tekst min of meer af omdat de oorspronkelijke tekst ook al in het Nederlands is. Nu moet ik bekennen dat ik voor dit Gronings bijna net zo vaak het woordenboek heb moeten raadplegen als voor een "snelle" Engelse tekst, maar ja, Nederlands is Nederlands. Och had ik dan maar een Friese bard gekozen! Fries is namelijk wel een aparte taal!


Mijn tuintje

Mijn sperziebonen die komen zo slecht op
en de spreeuwen vreten de rode bessen op.
Mijn aardappels en mijn sla schieten al door,
als ’t zo doorgaat dan wordt het een strop.

Maar mijn tuintje, maar mijn tuintje ja jou mis ik niet graag,
er is altijd wat te doen voor mij.
Mijn sperziebonen die komen zo slecht op
en de spreeuwen vreten de rode bessen op.
 
Wat is er mooier dan een huisje met ’n mooi lapje grond,
wat is beter dan de kunstmest, ja dat weet u, da’s de stront,
van ’n paard en ’n koe, bij mijn ouders ook de beer
en als we hem sneden, ja dan zongen we maar weer…
 
Wortels aangevreten en de aardbeien vol kruid
Tuinbonen zitten vol luizen en de slakken lachen me uit.
Afrikaantjes en groene zeep, ja probeer het maar een keer,
wat as of wat zout, en dan zingen we maar weer…
 
‘k Heb spinazie, ik heb raapknollen, ‘k heb radijs en rammenas,
‘k heb andijvie en augurken en tomaten in de kas,
ja zo komen we met z’n allen de winter wel door
en het volgend jaar dan gaan we er samen weer voor.


Mien Toentje
Ede Staal, van het album Mien toentje (1984)
Auteur: Ede Staal
Vertaling: Robert Eksteen

Noot: Afrikaantjes en groene zeep worden gebruikt als middelen voor ongediertebestrijding.

Bent u benieuwd welke 65 teksten het boek wel gehaald hebben, houd dan dit blog in de gaten.  Wanneer het boek uitkomt weten we niet precies, maar ijs, weder en virus dienende zeker dit jaar nog.

zaterdag 27 februari 2021

Verjaarscadeautje

Jan-Paul en ik gaan weer een jubeljaar tegemoet. Over een paar weken worden wij 65. Traditie wil dat we iets dergelijks vieren met een cultureel aardigheidje. Toen we 50 werden hebben we een Nederpop-cd gemaakt, toen we 60 werden een cd met modern klassieke liederen. Dit jaar wordt het een boek met vertalingen van popteksten van songs die ons leven vorm hebben gegeven.
Een periode van koortsige activiteit wordt momenteel afgerond. De 65 teksten zijn geselecteerd, over het nawoord en het notenapparaat wordt gebreinstormd.

In het proces is het onvermijdelijk gebleken dat er een paar teksten af moesten vallen. Een van die afvallers is deze, een slimme, zich aan geen regels houdende tekst van de Australische stand-up comedian Tim Minchin.

Ik sympathiseer hevig met de erin verkondigde mening, maar in het grotere kader van het boek zijn er andere keuzes gemaakt.

 

Als je je geest teveel opent, vallen je hersens eruit (of: Neem mijn vrouw)

Wie mij ook maar één enkel voorbeeld
uit de geschiedenis kan geven
van een helderziende
die in staat is te bewijzen
onder redelijke experimentele omstandigheden
dat hij of zij gedachten kan lezen
 
En wie mij ook maar één enkel voorbeeld
uit de geschiedenis kan geven
van een astroloog
die in staat is te bewijzen
onder redelijke experimentele omstandigheden
dat hij of zij de toekomst kan voorspellen
door hemelse tekens te lezen
 
En wie mij ook maar één enkel voorbeeld
uit de geschiedenis kan geven
van een homeopathische genezer
die in staat is te bewijzen
onder redelijke experimentele omstandigheden
dat oplossingen van oneindig kleine deeltjes goed spul
herhaaldelijk verdund in relatief grote hoeveelheden water
permanent een hogere medische waarde hebben
dan een op identieke wijze toegediend placebo
 
En wie mij ook maar één enkel voorbeeld
uit de geschiedenis kan geven
van een spiritueel of religieus persoon
die in staat is te bewijzen
op logische dan wel empirische wijze
dat er een hogere macht bestaat
met een zeker bewustzijn of belangstelling voor het menselijk ras
of het vermogen mensen te straffen of belonen voor hun morele keuzes
of dat er naast vrees een goede reden bestaat
te geloven in welke versie dan ook
van een hiernamaals
 
Die geef ik mijn piano
mijn linkerbeen
en mijn vrouw
 
If You Open Your Mind Too Much Your Brain Will Fall Out (or: Take My Wife)
Tim Minchin, van het album So Rock (2006)
Auteur: Tim Minchin
Vertaling: Robert Eksteen

 

Als het boek klaar is zullen we details bekendmaken voor die paar vrienden en kennissen die een exemplaar willen bemachtigen.

 

vrijdag 27 november 2020

Narziss en Goldmund herlezen


Het sciencefiction niemendalletje Zwerfeilanden in het groen van Philip José Farmer was het eerste boek dat ik ooit in één ruk heb uitgelezen, de lange nacht door. Ik had het geleend van mijn buurjongen Peter. Liggend op mijn buik, met een zaklantaren in de vuist geklemd, las ik tot het uit was. Ik was twaalf of dertien.

Het eerste serieuze boek dat ik in één ruk uitlas, was Narziss en Goldmund van Herman Hesse. Dat moet in 1971 of daaromtrent geweest zijn, ik was veertien of vijftien. Ik had geen zaklantaren meer nodig: pa had een bedlampje gemonteerd, dat ik trouwens nog tot mijn verhuizing naar Haarlem, in 2006, in gebruik heb gehouden. Het was een boek dat als vanzelf in ons huis terecht gekomen was omdat mijn vader, als handelsreiziger namens Singel 262, alle uitgaven van Querido, Boom en de Arbeiderspers gratis mee naar huis mocht nemen. Heel veel van die erfenis staat nu in mijn of Maya haar boekenkasten.

Het boek sloeg bij ons kwansuis hippie-jongens behoorlijk in. Toen we het lazen waren we vijftien of zestien en we vonden het een meesterwerk - het eerste echte meesterwerk dat we lazen.
Onze vriendenschaar was uiteraard allang onderverdeeld in archetypen (een woord dat wij ook kenden - jong als we waren lazen we Carl Gustav Jung toen! Ikzelf ben daar na mijn twintigste mee gestopt). Het draaide bij die archetypen om hersens en hart, man en vrouw, wetenschap en kunst, yang en yin (ook de I Tjing lazen we en sommigen onder ons wichelden hun dag alvorens verder te gaan). Het draaide om Narziss en Goldmund, kortom. Want die Jungiaanse archetypische verdeling was natuurlijk kat in het bakkie voor Hesse, zoals wel blijkt uit de roman.

In diezelfde, mij nu buitengewoon simplistisch aandoende archetypische onderverdeling van onze vriendenroedel was ik de hersenjongen, dus ik had heel wat goed te maken. De meeste van mijn ietwat schemerig door het prille leven zwevende vrienden waren (vanzelfsprekend zou ik haast zeggen) beginnende Goldmundjes. Zo jong als we waren, was iedereen het erover eens dat het verre verkieslijk was Goldmund te zijn, de artiest en hedonist, en niet Narziss, de monnik en asceet. Onder de druk van de groepsdwang vond ikzelf dat ook. Ik ben thans een zestiger en naar mijn eigen gevoel volledig uitgekristalliseerd als een gevoelsmatig hersenmens, of een cerebrale dromer, wat u wilt. Archetypering hoort in de prullenbak.

Voor mijn serie Corona-herlezingen (zie ook hier) wilde ik mijn Duitse Rowohlt pocket gebruiken maar die bleek ik tot mijn verbazing helemaal nooit bezeten te hebben, dus greep ik noodgedwongen terug naar de voortreffelijke vertaling van Pé Hawinkels.
Mijn herlezing van dit seminale boek was om het nog zacht uit te drukken ontluisterend. Om te beginnen is de titel misleidend: het boek zou simpelweg “Goldmund” moeten heten. Narziss bestaat weliswaar, maar slechts als een soort idee, een referentiekader voor het doen en laten van Goldmund. De enige werkelijke hoofdpersoon van het boek is Goldmund, en dat is geen plezierige persoon. Hij blijkt een ordinaire, egoïstische lul te zijn, alle prietpraatjes over kunst, kijken naar mensen en het leven doorvoelen ten spijt. Eén oogopslag en zowel de boerenmeiden als de adellijke dames begeven zich in rotten van tien naar zijn bedstee, geschenken brengende. Geen moment geeft Goldmund iets terug - hij neemt alleen maar en gaat vervolgens verder op zijn wandeltocht, want hij is een door nieuwsgierigheid gedreven mens. Dat deze lompe allesneukerd zonder enige formele training, slechts door spontane condensatie van zijn talent een meesterbeeldsnijder kan worden is diep ongeloofwaardig.

Dat niet alleen de schrijver Hesse, maar ook de ascetische idee (ik zou hem geen mens noemen) genaamd Narziss van hem meer kan houden dan van wie anders dan ook (in Narziss’ geval met uitzondering van god), vereist zoveel uitleg dat Hesse daar maar niet eens aan begint. Laten we het er maar op houden dat Goldmund alles is wat Narziss niet is en dus op zijn eigen wijze bijdraagt aan de voortreffelijkheid van de schepping. En ja, zo lust ik er nog wel een paar!

Nu en dan geeft Hesse zichzelf in het boek de kans om iets betekenisvols te zeggen maar hij verknoeit het telkens weer met zijn goedkope, gemakzuchtige mysticisme dat later een hele generatie (onszelf dus incluis) in de luren legde. Maar niet alleen wij, werkelijk iedereen trapte erin. Waar Henry James, Virginia Woolf, William Somerset Maugham, Anton Tsjechov, Henrik Ibsen, James Joyce, Leo Tolstoj, Mark Twain en Marcel Proust nooit de Nobelprijs hebben gekregen, won Herman Hesse die wel. In 1946.

vrijdag 6 november 2020

The Picture of Dorian Gray herlezen

Wat ik altijd al deed, maar nu in coronatijd nog vaker, is duiken in mijn verleden als kijker, luisteraar of lezer. Oude films bekijk ik opnieuw, oude boeken herlees ik. Er zijn er die dat nooit doen: vooruit moet je, niet terug! Ik ben wat meer stationair ingesteld en vind troost in de herkenning.

Hoewel, herkenning? Dat is niet altijd zo. Dat kan het herlezen heel interessant maar tegelijkertijd heel pijnlijk maken. Het vertelt me zo veel over wie ik vroeger was, en wie ik nu geworden ben. Na de afgelopen maanden alle delen over de gentleman’s gentleman Reginald Jeeves van P. G. Wodehouse te hebben herlezen, met een langzaam afnemende instemming trouwens, heb ik zojuist uit de verzamelde werken van Oscar Wilde The Picture of Dorian Gray herlezen.

Het is veertig jaar geleden, gedurende mijn studententijd, dat ik het voor het eerst las. Ik vond het prachtig. Ik las het in de vertaling van Elisabeth Couperus-Baud, de echtgenote van Louis Couperus. Een charmante samenloop van omstandigheden natuurlijk, want net als Couperus was ook Oscar Wilde een homoseksueel die omwille van de publieke opinie en het burgerlijk wetboek in vredesnaam maar getrouwd was. Veel anders zat er niet op in die tijd.

Het boek begint met een kort voorwoord bestaande uit een aantal provocerende aforismen over kunst. Eén van de bon mots uit de inleiding luidt: "There is no such thing as a moral or an immoral book. Books are well written or badly written. That is all". Als inleiding op een roman die door vele lezers als hoogst immoreel beschouwd zal worden is dit een provocatieve uitdaging.

Want men vraagt zich vervolgens natuurlijk meteen af: is dit boek eigenlijk wel well written? Bij herlezing rezen bij mij steeds meer twijfels. Alle ramen in het boek zijn dicht. De handeling is binnenshuis, en de atmosfeer daardoor grondig verstikt. Het perspectief is benauwd en beperkt. Ik merk het ook in ander proza van Wilde. Toch is dat niet uitsluitend de fout van Wilde; het is de fout van het negentiende-eeuwse naturalisme dat graag een gesloten kamer beschreef, met de luiken dicht en de gaslamp aan.

De zinnen van Wilde zijn vaak prachtig, de gekozen woorden zijn soms vondsten van de bovenste plank en de taal is exquisiet, maar de ruim honderdzestig pagina’s als geheel vind ik zwak, gekunsteld en soms zelfs gemakzuchtig. De hoofdthematiek wordt afgeraffeld in een beperkt aantal scènes met telkens een forse tijdverdichting ertussen. Daardoor wordt de aandacht gevestigd op precies de belangrijkste tekortkoming van het boek: het is veel te kort.

In het eerste deel van het boek worden de drie hoofdpersonen geïntroduceerd. In de haast van de korte roman worden ze niet genoeg van elkaar onderscheiden. In zekere zin is dat wel te begrijpen. Wilde merkte in een brief op, dat "Basil Hallward is what I think I am: Lord Henry what the world thinks me: Dorian what I would like to be - in other ages, perhaps". Wanneer de verschillen tussen de drie wel wat meer uitgewerkt worden, wordt dat gedaan op een tamelijk bruuske, bijna gehaast aandoende wijze. Pas tegen het eind zijn de karakters volledig ontwikkeld en kan men duidelijke verschillen aanwijzen, maar dan is het boek haast uit.

Waar daarentegen wel heel veel aandacht aan besteed is, zijn de epigrammen, die zodanig ampel door het boek gemengd zijn, dat je haast de indruk krijgt dat voor Wilde de witticisms het belangrijkste onderdeel van het werk vormen. Tijdens het lezen hoorde ik voortdurend een denkbeeldige drum-roll, iedere keer als er weer een gewaagde paradox passeerde, de meeste panklaar voor leuke citatenboekjes.

Een heel vreemd aspect aan de roman is dat het boek speelt in 1890, ongeacht hoe oud de hoofdpersonen zijn. Dorian is achttien in 1890 als hij geportretteerd wordt, maar het is nog steeds 1890 als hij twintig jaar later Basil, de schilder van zijn portret vermoordt. En als hij sterft (nog weer tien jaar later?) is het nog steeds 1890.

The Picture of Dorian Gray is zover dat maar menselijkerwijs mogelijk was, een homo-erotisch boek geworden. Veel meer dan ik me kon herinneren. In een Engeland waar homoseksualiteit strafbaar was en waar de schrijver van een homo-roman een pittige gevangenisstraf riskeerde moest Wilde voortdurend de grenzen bewaken van wat nog wel, en wat niet meer kon. Ostentatief waren alle mannen in The Picture of Dorian Gray hetero en getrouwd, maar niet eens erg subtiel wordt door het gehele boek heen de suggestie gewekt dat Dorian Gray’s liefdeleven gedomineerd werd door the love that dare not speak its name, zoals Wilde’s latere vriend Lord Alfred Douglas het omschreef in zijn gedicht Two Loves. Het vrouwelijk geslacht komt er in dit boek heel slecht vanaf. Men kan gerust van een misogyn werk spreken. "My dear Dorian," answered Lord Henry, taking a cigarette from his case and producing a gold-latten matchbox, "the only way a woman can ever reform a man is by boring him so completely that he loses all possible interest in life".

In het middenstuk van het boek bewijst Wilde eer aan À rebours van zijn iets oudere tijdgenoot Joris-Karl Huysmans (1848-1907), een roman zonder plot die als de bijbel van het decadente dandyisme beschouwd werd. Wilde’s werk is veel te kort om enige verdieping van de Huysmansiaanse thematiek te kunnen aanbrengen en dat gebeurt dan ook niet. Oppervlakkig en vrijblijvend breviert het boek door een paar van de thema’s uit die grote, zes jaar eerder verschenen Franse roman. Juwelen, decadente literatuur, muziek en materialen.

Dorian pleegt misdaad op misdaad, betrekt alles op de meest egoïstische wijze op zichzelf en legt geen verantwoording af. Alle ellende die zijn leven bij anderen veroorzaakt heeft niets met hem te maken. Hij leeft slechts en blijft een onschuldige misdadiger. Ik heb het vermoeden dat de onschuld van de voorbestemde mens wel eens de kern van Wilde’s betoog zou kunnen zijn.  

Net als in ander werk van Wilde (tot in het belachelijke doorgevoerd in het korte verhaal Lord Arthur Savile’s Crime bijvoorbeeld) speelt het in het naturalisme populaire thema van de voorbestemming een grote rol. De hoofdpersoon is passief in het voor hem bepaalde kwaadaardige levenspad, en daardoor is hij ook eigenlijk onschuldig aan de misdaden die hij pleegt. Het is ten slotte niets anders dan precies dat: voorbestemming. Predestinatie, karma, wat men maar wil.

Het einde laat zich een beetje voorspellen. Dorian blijft jong en aantrekkelijk, het schilderij veroudert en wordt met de tijd gemener. Met name na Dorians moord op de schilder worden de handen op het schilderij klauwen, en krijgt de mond een kwaadaardige trek. Uiteindelijk vernietigt de nog steeds eeuwig jonge Dorian het schilderij, maar sterft daardoor zelf. "Lying on the floor was a dead man, in evening dress, with a knife in his heart. He was withered, wrinkled, and loathsome of visage. It was not till they had examined the rings that they recognized who it was".

Concluderend: hoewel het boek mooi geschreven is, is het te kort. Veel te kort in ieder geval om de ongetwijfeld boeiende thematiek uit te diepen. Daardoor blijft het een oppervlakkig werkstuk dat slechts sporadisch aan dieper liggende en interessantere thema’s raakt. En daardoor blijft het in zekere zin een mislukking. En dat is een conclusie die me op voorhand enorm verbaasd zou hebben.

dinsdag 22 september 2020

Fragment uit een nooit voltooide roman

Steeds vaker heb ik spijt van mijn achteloosheid van vroeger. Natuurlijk, ik had gewoon beter moeten kijken, geconcentreerder, preciezer, verbaasder. Ik had beter moeten herinneren, zodat ik later meer onthouden zou hebben. Maar wie weet nu dat hij een onuitgesproken opdracht heeft, wanneer hij acht is, tien, vijftien? Pas veel later realiseer je je dat je de belangrijkste opdracht van je leven verzaakt hebt en dan zit je met de resten. Scherven om je heen, de lijmpot leeg, handboeken met plaatjes hoe het allemaal in elkaar hoort te zitten verdwenen, zelfs de aantekeningen die de hoopvolle jongen op zijn veertiende maakte zijn nutteloos. Oh wat een slechte observeerder was ik, wat een nonchalante levensverlummelaar. De grijze man verwijt het de jongeman nu, maar spijt en wanhoop helpen hem ook niet verder op weg. Geen Proust is hij, deze grijsaard, al die details, aan- en ingevuld, opgedoft en gearrangeerd om de mythe kloppend te maken ten spijt. Dat wat wordt aangezien voor herinneringen zijn dat niet. Herinneringen zijn slechts geestverschijningen, vermeende doorkijkjes naar een parallel universum dat weggestopt is achter verhullende gordijnen van dimensies van tijd en soms ook van ruimte.
De hoofdpersonen uit de voorstellingen die in mijn hoofd spelen, ze zijn allemaal dood, de ik-persoon incluis, juist hij. Ze zijn vervangen door iets anders, ze zijn afgegraven en weggevoerd, vernietigd en met de grond gelijk gemaakt zoals het talud op de kruising Burgemeester Röellstraat en Dr. H. Colijnstraat verdwenen is, en daarmee een fysiek bewijsstuk voor mijn herinneringsdrang. Verdwenen is het hellend stuk groen gras waar we in de winter met onze sleetjes naar beneden gleden, dikke, harde, door kinderlaarsjes platgestampte sneeuw etend uit wollen wanten. Verdwenen is dat minuscule heuvelparkje waaromheen met Luilak een amateurcriterium werd gereden en waar dan de geur van massageolie nog urenlang bleef hangen. Geen bewijs is er meer te vinden van de flessen goedkope landwijn die we er later nog wel eens aan de lippen zetten, Brandaris rokend met of zonder een paar stukjes rode Libanon, filosoferend over een daar te stichten onafhankelijke republiek Röelltalud. De huizen aan het eind van de Röellstraat staan nu vreemd los en geïsoleerd, het vroegere straatniveau blijft slechts gehandhaafd vlak langs het flatgebouw, de trams rijden langs in de ontstane diepte. Ook de dijk en het bosje verderop bij het Lambertus Zijlplein zijn verdwenen. Er staan huizen, niets herinnert er nog aan de winters van mijn jeugd. Wederom, het kan niet genoeg benadrukt worden: herinneren wordt fantaseren, bewijsmateriaal ontbreekt, alles wordt mogelijk, niets doet er meer toe.
Die broze jongen die ik was is allang een derde persoon geworden. Als ik wel eens door een nachtelijke tijdmachine terugkeer in dat Geuzenveld, dat dorp, kom ik er mezelf niet eens tegen. Een oudere man in een onbepaald jongenslijf loopt rond en spreekt met de doden. Geen referentie houdt stand, geen dode is echt dood. Of levend, wat dat betreft. Zelfs in mijn droom blijk ik losgescheurd te zijn van wie vijftig jaar tevoren mijn naam droeg.