woensdag 13 mei 2026

Kuifje en de surrealisten

In de prestigieuze VRT-reeks This is not a murder mystery ontvangt een zekere Lord James in zijn kasteel allerlei surrealistische kunstenaars voor een belangrijke tentoonstelling. In deze serie die, zoals de makers zelf zeggen, feit en fictie vrolijk vermengt, zijn René Magritte, Salvador Dalí, Man Ray, Lee Miller, Max Ernst en Gala Dalí getuige van een serie moorden. Dat feit en fictie actief door elkaar gegooid wordt blijkt meteen, want hoewel er echt een Lord Edward James heeft bestaan wiens leven innig vervlochten was met dat van de surrealisten, was hij in werkelijkheid een man en niet de eigengereide vrouw van de serie, gespeeld door actrice Aoibhinn McGinnity. ‘We hadden nood aan sterke vrouwenrollen,’ verklaarde regisseur Hans Herbots. Deze Lord James - want zo wordt ze ook aangesproken - is beslist geen katje om zonder handschoenen aan te pakken en ze heeft zelf ook haar geheimen, zoals in de loop van de serie zal blijken.
De echte Lord Edward James (1907-1984) was een haast karikaturale Engelse excentriek. Hij kwam uit een schatrijke familie: zijn vader was een Amerikaanse treinmagnaat, zijn moeder was van Schotse adel. Hij verkeerde in de hoogste kringen. De Engelse koning was zijn peetoom, terwijl er zelf geruchten gingen dat hij eigenlijk zijn vader was.
Edward James was kortstondig getrouwd met ballerina Tilly Losch. Hij bestelde balletvoorstellingen bij Kurt Weill, Bertolt Brecht of George Balanchine. Het huwelijk liep op de klippen - James was biseksueel - en dat was wekenlang voer voor de rioolpers. Hij was dichter en stichtte een eigen uitgeverij. Later stortte hij zich op de beeldende kunsten en begon te verzamelen. Hij ondersteunde kunstenaars als René Magritte, Salvador Dalí, Leonora Carrington en vele anderen. Hij was ook de drijvende kracht achter de International Surrealist Exhibition in 1936. In This is not a murder mystery vindt deze tentoonstelling plaats in zijn eigen kasteel, in werkelijkheid was dat in de New Burlington Galleries in Londen.

Hoofdinspecteur John Thistlethwaite die in de serie de moorden onderzoekt wordt briljant vertolkt door Stephen Tompkinson, die we al kenden als DCI Banks in de gelijknamige serie. De ietwat hobbelige zwarte actrice Donna Banya is een beetje eigenaardig in haar rol van DC Mary Quant. Als die naam bedoeld is als grap, dan ontgaat me die. Ik begrijp wel dat men in een serie als deze sedert de eeuwwisseling een paar sterke donkere acteurs wil hebben, maar in de Britse hermandad van 1936 zijn vrouwelijke detectives van Afrikaanse of Caraïbische afkomst werkelijk heel dun gezaaid. Sislin Fay Allen (1938-2021) was de allereerste. 

Man Ray, Adrienne Fidelin, 1937
Als men dan toch voor krachtige donkere personages zou moeten kiezen, zou te midden der surrealistische kunstenaars de persoon van Ady Fidelin (1915-2004), muze en minnares van Man Ray veel meer voor de hand hebben gelegen. Deze danseres afkomstig van het tropische eiland Guadeloupe wordt op heden vaak over het hoofd gezien, maar ze toefde in het centrum van de beweging, als je het surrealisme zo mag noemen. Haar bestaan is honderden malen vastgelegd in kunstwerken en geschriften van Man Ray en hun tijdgenoten. Ze was bevriend met de Amerikaanse fotografe Lee Miller, die in de serie een relatie heeft met diezelfde Man Ray, maar in werkelijkheid getrouwd was met Aziz Eloui Bey en een jaar later een hartstochtelijke relatie zou beginnen met de Britse surrealist Roland Penrose, die in de serie helemaal ontbreekt, hoewel hij wel bij de tentoonstelling betrokken was.

Deze serie is vervaardigd zonder ook maar één seconde naakt in beeld of zelfs maar gesuggereerd en eerlijk gezegd is dat diep ongeloofwaardig. Het is uiteraard niet zo dat ik ga zitten kijken in de hoop op een tiet of een terloopse toef schaamhaar, maar met mensen als Lee Miller, Man Ray en Gala Dalí is het volstrekt ondenkbaar dat er niet vrijuit naaktgelopen werd op de uitgestrekte landerijen van een domein. Men zie bijvoorbeeld de foto’s die Roland Penrose en Lee Miller in 1937 maakten gedurende een picknick in Picasso’s tuin in Zuid-Frankrijk. De tijden zijn veranderd en alles is op krampachtige wijze kuiser tegenwoordig, voorzichtiger en slapper, maar verzin dan een andere, misschien fictieve groep kunstenaars zou ik zeggen, en gebruik niet juist deze anarchistische, vrijgevochten larger than life personages.

Doordat de personages historische personen zijn en er toch een modicum van historische oprechtheid in de serie over moest blijven, waren op voorhand Dalí, Ray, Ernst, Magritte, Miller en Gala onaantastbaar, in de dubbele zin van het woord: ze konden redelijkerwijs noch dader, noch moordslachtoffer zijn. Dus kwam het niet als een verrassing dat het enige kunstenaarspersonage in de reeks dat volledig fictief is, een zekere Nash Lesley, wel al snel vermoord werd. Er is overigens voor zijn karakter wel degelijk inspiratie geput uit de karakters van bestaande personen, namelijk twee vrouwen: Nusch Eluard en de reeds genoemde Ady Fidelin. De makers van de serie lijkt ietwat geobsedeerd te zijn geweest door genderwisselingen.
De enige echt historische persoon die in de serie (op onhistorische wijze) het leven laat is Sheila Legge die in werkelijkheid pas in 1949 overleed aan een longontsteking. Kennelijk was zij marginaal genoeg om fictief dood te mogen gaan.

Was de serie fijn om te bekijken? Jazeker, stellig een aanrader. Zowel Man Ray als Salvador Dalí worden extreem karikaturaal geportretteerd, maar wel op een wijze die vermakelijk is en na een poosje ook wel overtuigt. René Magritte en Max Ernst zijn wat meer neutrale karakters, waarbij de Belg Magritte in de Belgische productie bepaald iets Kuifje-achtigs heeft gekregen. De fotografie was mooi, de opnamelocaties (grotendeels in België) waren piekfijn in orde en er was een zekere mate van cinematografisch raffinement te bespeuren dat Belgisch TV-series blijkbaar wel vaker hebben, een specifiek soort vreemdheid, men kijke bijvoorbeeld ook naar Professor T. Zelfs de Britse adaptie ervan heeft datzelfde speelse poëtische, licht surrealistische.
Ten slotte: de titel klopt, het was geen moordmysterie, maar de verfilming ervan. Geheel in de geest dus van René Magritte, surrealist.

 

zondag 22 maart 2026

Kroonjaar

De oudste foto die ik heb waar we allebei opstaan,is een klassenfoto uit 1963. Jan-Paul en ik waren zeven. Onze moeders hadden allebei een voorliefde voor strikjes met een lint. 
Zolang als ik me kan herinneren stimuleerden we elkaar tot nadenken. Meestal was het Jan-Paul, zo jong als hij was al enorm belezen, om met nieuwe theorieën aan te komen. Nog op de lagere school filosofeerden we al over het begin van de tijd, en wat daarvoor kwam. Jan-Paul schokte me met zijn theorie van de continentale drift en liet zien hoe Afrika en Zuid-Amerika in elkaar pasten als een legpuzzel. We hingen de theorie aan dat de dinosaurus uitstierf door een enorme meteoor. Jan-Paul opperde dat vogels de directe nakomelingen zijn van de dinosaurussen. Ik kwam dan weer met zwarte gaten aanzetten, waarvan de zwaartekracht zo sterk is dat zelfs licht niet er meer kon ontsnappen. We koesterden al deze kennis als Geheime Kennis, want we meenden dat dit alles in strijd was met de gangbare, meer burgerlijke theorieën.
In ons latere leven zijn we elkaar blijven stimuleren, artistiek, filosofisch en intellectueel. Zeker tot ons twintigste waren onze interesses bijna kopieën van elkaar. We luisterden naar dezelfde muziek, lazen dezelfde boeken, deden telepathische experimenten (helaas nee…), rookten dezelfde shag en dezelfde hasj (Rode Libanon, meen ik), dronken dezelfde wijn (vaak Luxemburgse). We maakten samen strips, hoorspelen, limerick- en ollebolleke-cycli, schreven samen scabreuze gymnasiastenporno (Rhododaphnè en Euklippos), reisden naar Haarlem, Den Bosch, Utrecht, Maastricht om er de musea, kastelen en kerken te bezoeken.

Robert (foto: Mariët Sieffers)

Natuurlijk groeiden we naderhand uit elkaar. Jan-Paul ging in Utrecht studeren, ik bleef in Amsterdam. Jan-Paul werd musicus, ik nietsnut. Jan-Paul zong liederen van Schubert, ik voerde na een heerlijke periode van langdurige werkloosheid boektitels in in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek. Ik ging met pensioen, Jan-Paul ontdekte geleidelijk dat ook hij een soort pensioen ingleed.
Gepensioneerd nu, voer ik nog steeds zo weinig mogelijk uit en is Jan-Paul nog altijd heel actief met dit en dat. Als je ons vandaag naast elkaar zet, zou je niet zeggen dat ons innerlijke leven onontwarbaar met elkaar verweven is. En toch is dat zo, nog steeds. We zijn tweelingbroertjes. Thans kaal en met een grijze baard.

Jan-Paul (foto: Paulien Kop)
Om te vieren dat we de rijpe leeftijd van zeventig bereikt hebben, hebben we een boekje uitgegeven. Iets dergelijks hebben we wel vaker gedaan: bij vorige kroonjaren (50, 60 en 65) stonden we stil met cd's (Dwarsliggers en Wat ik later wilde worden) en vertaalde pop- en rockteksten (Raconteur, troubadour). Dit kroonjaar besloten we een bloemlezing uit eigen literair werk te publiceren. Verhalen en gedichten die we schreven tussen 1975 en 2025, een halve eeuw. Het al te vroege jeugdwerk heeft het boekje niet gehaald en, lezer, wees daar maar blij om.
Hierbij presenteren we Kroonjaar. Een kwatrijn van Adriaan Roland Holst onder die titel dient als motto van ons boek:

Leeg en gehuldigd
kwam hij thuis,
vermenigvuldigd
tot een muis.

Vandaag, precies tussen ons beider verjaardagen in, kondigen we dit boekje aan.

Jan-Paul van Spaendonck & Robert Eksteen - Kroonjaar. - Amsterdam/Haarlem, Uitgeverij Faun, 2026.

U kunt het boekje HIER bestellen.


maandag 12 januari 2026

Leesrapportje 19


Marisha Pessl - Night Film

Dit is een van de lievelingsboeken van mijn zus. Het is een beetje een vreemd boek. Een wirwar van stijlen, en toegevoegd een hele serie quasi documentaire illustraties die zogenaamd gescreenshot zijn van het internet, maakt dat ik het meteen kon rangschikken als postmodern (een merkwaardige term voor een merkwaardig genre waarvan je intuïtief doorgaans precies weet wat het inhoudt, zonder dat je er ooit een duidelijke definitie bij hebt. Ik moet daar later toch eens dieper op in gaan).
De 600 pagina’s dikke roman begint als een best geslaagde pastiche van het hard-boiled genre à la Ross Macdonald of Raymond Chandler, maar allengs wordt de verhaallijn overgenomen door iets heel anders: het occultisme. Een cultregisseur, een soort mengsel van Stanley Kubrick en Dario Argento is wel of niet een beoefenaar van de zwarte kunsten, ten koste van vele levens, waaronder dat van zijn dochter Ashley. Een onderzoeksjournalist bijt zich vast in de zaak.
Ondanks dat Pessl best kan schrijven, is het bepaald geen meesterwerk geworden. Het ergerlijkst vind ik haar gewoonte om te pas en te onpas en zonder enige inhoudelijke reden zinnen en woorden te cursiveren, blijkbaar om ons, domme lezertjes, met al te grote nadruk te wijzen op datgene wat ons anders misschien zou ontgaan. Het doet me een beetje denken aan die malle filmpjes die op de sociale media rondgaan van auto-ongelukken of van de dakgoot vallende katten, waarbij de auto of de kat voorzien is van een volstrekt overbodige grote, rode pijl. Ja hallo, dat zien we toch zelf wel?
Aan het eind blijkt dat alles anders was, en dat er eigenlijk helemaal niets aan de hand was. Weer zo’n typische, bloedarmoedige wending, die een zwaar postmodern boek als Nachtzug nach Lissabon ook zo teleurstellend maakt.
Wie van een breed uitgemeten werkstuk houdt, dat voorzichtig op zijn tenen allerlei literaire grenzen overschrijdt zonder daarbij ooit echt opwindend of experimenteel te worden, kan ik het wel aanraden. Grote literatuur, of zelfs maar grote postmoderne literatuur is het echter niet.
 


André Gide - De immoralist

Dit dunne boekje heb ik na zo’n 45 jaar 
herlezen. Opnieuw in de goede vertaling van H. Marsman. Het is typisch zo’n boekje dat wij als jong volwassenen allemaal gelezen moesten hebben, zoals Narziss en Goldmund van Hesse, The Picture of Dorian Gray van Wilde, de twee boekjes van Raymond Radiguet of Het grote avontuur van Alain-Fournier.
Er is een reden waarom ik de afgelopen jaren al deze boeken aan het herlezen ben geweest: mijn geheugen is zodanig vervallen geraakt dat ik me hun inhoud nauwelijks nog kon herinneren. In de hoogste mate gold dat voor dit boekje van Gide, dat nu totaal anders “aanvoelt” dan ik me nog vaag meende te herinneren.
De Immoralist beschrijft de ontwikkeling van Martin die zich steeds meer loszingt van de heersende moraal en gangbare normen. Hij is een rusteloos mens, die min of meer doelloos rondreist door Algerije met zijn vier jaar jongere vrouw Marceline. Het is hun huwelijksreis. In het eerste deel van het boekje is Martin ernstig ziek, hij heeft TBC. Zijn vrouw verzorgt hem en helpt hem er bovenop. Aanvankelijk hield Martin niet echt van Marceline, maar allengs ontwikkelt hij gevoelens voor haar.
Maar Martin heeft er andere passie bij. Hij vertoeft het liefst bij allerlei Algerijnse jongens van rond de tien jaar. Het hele boek zit vol met homo-erotische en pedoseksuele toespelingen. Het wordt nooit expliciet, maar toch…
Het zijn ook niet die gevoelens die zo immoreel zouden zijn. Het immorele zit hem meer in Martins toenemende afkeer van alle gangbare normen en waarden.
In het tweede deel draaien de rollen zich om. Het paar verblijft een tijd op het landgoed van Martin, daarna reizen ze naar Italië waar Marceline op haar beurt TBC oploopt. Martin is overbezorgd, maar in tegenstelling tot Marceline is hij niet in staat voor haar te zorgen en laat hij het afweten. Het paar keert terug naar Noord-Afrika, waar Marcelline na enige tijd sterft.
Martin is immoreel, maar een monster wordt hij niet. Hij is zwak en narcistisch, misschien niet bijzonder sympathiek, maar daar blijft het wel bij. Zijn slappe machteloosheid is zijn meest in het oog lopende eigenschap.
Iemand merkt ergens op het internet terecht op dat de titel beter De amoralist zou hebben kunnen zijn. Doorheen het werk treft men de filosofie van Nietzsche aan, die altijd een grote inspiratiebron voor Gide geweest was. Ik moet ondertussen langzamerhand mijn mening omtrent de Franse romanciers van de periode 1890-1920 eens gaan herzien.


Ilja Leonard Pfeijffer - Grand Hotel Europa

“Wie zich niet alles herinnert wat hij wil vergeten, loopt het risico dat hij bepaalde zaken vergeet te vergeten.”

Ger H. had het boek al na een paar bladzijden terzijde gelegd. En inderdaad, vanaf het begin wil de schrijver niet verbloemen dat hij pompeus is en kwasterig. Maar Pfeijffer kan goed schrijven, dat wel. Ik vergelijk hem graag met A.F.Th: ook zo’n grote, zware, ietwat pompeuze, gevestigde schrijver van populaire, maar niettemin betere boeken, dikke werken met een soepele pen geschreven, maar telkens gevaar lopend in pedanterie terecht te komen.
Met Grand Hotel Europa heeft Pfeijffer een ideeënroman willen schrijven die de geest van het Europa van nu vangt en die Thomas Manns De toverberg naar de kroon wil steken. Daarin is hij geenszins geslaagd. Wat bij Mann op subtiele wijze langzaam bij de lezer doordringt, wordt er bij Pfeiffer met de voorhamer ingeslagen.
Is dit ambitieuze werk gelukt: maakt Pfeijffer zijn ambities waar?
De overeenkomsten met de Toverberg zijn overduidelijk. Het sanatorium van Thomas Mann is hier een vaag gebleven “Grand Hotel Europa”, een hotel waar ooit de beau monde van Europa vertoefde. De tijd is er stil blijven staan totdat de nieuwe eigenaar de moderne tijd door wijd geopende voordeur naar binnen noodt. In dat hotel kijkt een romanpersonage genaamd Ilja Leonard Pfeijffer terug op zijn stukgelopen verhouding met de Italiaanse kunsthistorica Clio. Hij raakt meermalen in gesprek met Patelski die ook heel veel heeft nagedacht. Hij meent dat er een duidelijke parallel aan te wijzen valt tussen het massatoerisme en het vluchtelingenvraagstuk. Hun dialogen zijn als uit elkaar gevlochten essays. Het zijn dialogen waarin de twee sprekers het volledig met elkaar eens zijn. Het Avondland heeft zijn jeugd verloren en is op. Net als de eigenaresse van het hotel leeft Europa alleen nog maar in het verleden. Het dreigt, net als Venetië, een dode schijn te worden, nog slechts voortbestaand in dienst van het massatoerisme.
Alle sprekende karakters, of ze nu Patelski zijn, minderjarige snolletjes of Macedonische gangsters, klinken allemaal als bezadigde hoogleraren van achter in de vijftig. Ze dreunen hun zware en compacte volzinnen op alsof ze voorlezen uit een geleerd boek, compleet met exordium, narratio, propositio, argumentatio en peroratio. Het doet denken aan de manier van oreren in de klassieke literatuur en aangezien Pfeijffer een classicus is, begrijp ik waar het vandaan komt. Wat de bedoeling van deze ernstige precisie is, ontgaat me evenwel. De jonge Geerten Meijsing leed ook wat aan dit euvel, maar hij heeft het grotendeels overwonnen.
Wat Pfeijffer bepaald niet kan, is lichtvoetig en geestig schrijven, al probeert hij dat wel geregeld, en terecht ook, want het boek heeft zoiets nodig. Maar het is als een klassiek pianist die jazz probeert te spelen: alle nootjes zijn er, en hij beheerst zijn instrument als weinig anderen, maar dit ene, specifieke trucje, dat een zekere losheid vereist, dat trucje lukt hem niet.
Wat bedoeld is als satire, komt log en zwaarmoedig uit de pen. Domheid en oppervlakkigheid worden veel te dik aangezet en overtuigen geen moment. Een beetje lichtvoetigheid, een subtielere penseelvoering zou veel goeds gedaan hebben. Vooral de satirische beschrijving van de avonturen van twee stellen ramptoeristen, compleet met een op eerwraak gebaseerd verkrachtingsverhaal, komt vies en contraproductief over. Geen enkele reiziger, hoe bot ook, zal ooit verlekkerd vol kunnen houden dat het meemaken van een dergelijke gruwelijke traditie, waarbij ze ook nog eens driedubbel overduidelijk onwelkom waren, een voorrecht en een "verrijking" was.
Al met al was het een boek dat, weliswaar in goed en verzorgd Nederlands geschreven, bij mij niet beklijven kan.

donderdag 20 november 2025

Leesrapportje 18


Wim Hazeu - Slauerhoff : een biografie

Ik had eerder al eens Hazeu’s biografie van Gerrit Achterberg gelezen. Ik was daardoor niet echt een fan van deze biograaf geworden. Hij wilde graag zelf, herinner ik me, nogal eens hinderlijk in beeld komen staan, het uitzicht op die getormenteerde en geesteszieke dichter belemmerend. Toegegeven: dat doet hij minder in het onderhavige werk, waar mijn grootste kritiek op de schrijver vooral nu juist zijn afwezigheid betreft. Er worden geen conclusies getrokken, er wordt geen partij gekozen, er wordt niet diep ingegaan op controversiële kwesties. Het resultaat is een dikke, brave, ietwat bloedarmoedige opsomming van op zich niet vreselijk interessante gebeurtenissen die tezamen het leven vormen van een zelfverklaarde poète maudit. Het probleem is hier dat wat blijkbaar een zeer boeiend, stormachtig binnenleven geweest is, zich manifesteert als een saai, kleinburgerlijk buitenleven met veel sleur, herhaling en gekibbel. Ik ben ervan overtuigd dat een grondige psychologische evaluatie van Slauerhoff een heel ander beeld zou op kunnen leveren dan dit: een stugge Fries met een zwakke gezondheid wordt scheepsarts, houdt van reizen en gaat vroeg dood. Hij is in Azië geweest, Zuid-Amerika en Afrika. En dat was het.
Hazeu blijft altijd voorzichtig, op het makke af. Hij is niet in staat of bereid werkelijk diep in te gaan op de persoon van Slauerhoff. Het is net of de psychologie van de dichter/arts hem te hoog gegrepen is. Een voorbeeld: rond pagina 400 bespreekt Hazeu de legendarische slordigheid van Slauerhoff. Hij richt daar zelfs een (à propos) hoofdstukje over in. Maar zijn diepgravende analyse gaat niet veel verder dan Slauerhoffs slordigheid te verklaren uit ofwel slordigheid, ofwel rebellie. Tja, zo lust ik ze ook wel! Dat vind ik een beetje gemakzuchtig. Ook het liefdeleven van Slauerhoff wordt met de grootste omslachtigheid behandeld. Slechts een enkele keer laat Hazeu doorschemeren dat een relatie meer behelsde dan een simpele vriendschap. Seksueel vrijgevochten gedrag in het eerste kwart van de 20e eeuw in een provincie als Friesland, daar kan dunkt me wel wat interessanter over geschreven worden, ook zonder nu direct sensationalistisch te worden.
Ook bijvoorbeeld het pesterige gedrag van Slauerhoff jegens zijn vrienden, gezet tegenover zijn aimabele en vertrouwenwekkende houding ten aanzien van zijn patiënten wordt uitgebreid en bij herhaling benadrukt, maar nooit volgt er een poging tot verklaring. Was Slauerhoff amoreel, een sociopaat misschien? Of was hij mogelijkerwijs bipolair? Kunnen bepaalde aspecten van zijn leven en werken uit zijn dubbelzinnige gedrag of karakter verklaard worden? Allemaal goede vragen die Hazeu niet eens waagt te beantwoorden. Hij lijkt op een soort Ivo Niehe van de biografie.
Zo hapt de biografie makkelijk weg, als de lichte kost die ze is. En zo blijft het leven van Slauerhoff een weinig opwindende opeenvolging van gebeurtenissen, resulterend in een vroege dood. Als ik de bestaande recensies van dit boek op het internet doorneem krijg ik het gevoel dat ik met deze conclusie zoals gewoonlijk weer een minderheidsstandpunt inneem.

Eric Min - Rik Wouters : een biografie

Deze biografie lag al een tijd op me te wachten. Ik had haar jaren geleden meegenomen uit de Witte Bibliotheek, de forse boekenruilkast van het personeel van de Koninklijke Bibliotheek en toen ik tijdens een bezoek aan Mechelen ontdekte dat Wouters een van de beroemdste zonen van die stad was, leek het logisch om het boek eens op te pakken. Het dikke werk vertelt het korte leven van de kunstenaar Rik en zijn geliefde, Nel.
Hendrik Emil Wouters
(Mechelen, 21 augustus 1882 - Amsterdam, 11 juli 1916) was een eenvoudige jongen, die niet vreselijk goed in leren was, het liefst rondliep in klompen en tevreden was met zijn natje en zijn droogje. Het enige dat hij graag deed, en met passie, was beeldhouwen en schilderen. 
Hélène Philomène Leonardine Duerinckx (Schaerbeek, 18 oktober 1886 - 11 augustus 1971) was vanaf haar zestiende Riks model en minnares. Ze was een doortastende vrouw, zonder wie het oeuvre van Rik waarschijnlijk nooit zo prominent in de geschiedenisboeken terechts zou zijn gekomen. Zij regelde al Riks zaken, reisde stad en land af om zijn werk te promoten en beheerde na diens dood de nalatenschap. Rik heeft haar duizenden malen verbeeld, de was ophangend, dansend, peinzend, masturberend.
Dit idyllisch geluk werd doorkruist door ten eerste de Wereldoorlog, waarna het stel als gedemilitariseerde vluchteling via Kamp Zeist in Nederland terecht kwam, en ten tweede Riks ziekte, een venijnige kanker in de kaak die eerst zijn gezicht verminkte en hem ten slotte op jonge leeftijd deed sterven, ver weg van Vlaanderen, in Amsterdam, aan de Kostverlorenkade, pal tegenover het huis waar mijn grootouders later kwamen te wonen. Zijn lijden moet verschrikkelijk geweest zijn, reden waarom het boek soms al te veel schrijnde. De vijfenzestig jaar na zijn dood dat Nel nog leefde (en hertrouwde en nogmaals…) heeft ze zich beijverd om van Rik Wouters een gevestigde naam te maken en dat is haar gelukt.
Hier en daar is de schrijfstijl van Eric Min… lollig. Rik Wouters schilderde niet zozeer, hij borstelde een portret bij elkaar. Zelf een ironisch en humoristisch schrijver zijnde, weet ik dat zoiets maar heel kort leuk blijft.

Gerlach Ribbius Peletier - Dagboeken 1872-1886

Ook dit boek is verworven in de Witte Bieb. Als er iets is dat ik mis van mijn oude werkomgeving is het dat wel! 
Qua uitvoering is dit een heel bijzonder boek geworden. Zakelijk gebonden, met een omslag van doorzichtig plastic, diverse pagineringen in diverse formaten binnen de band, en een collectie losse facsimilé’s van toegangs- en treinkaartjes in een envelop maken van het boek meer een experience. Blijkbaar was er genoeg geld, en schroomde men niet dat te tonen. De uitgever was Stichting Landgoed Linschoten, opgericht door de laatste particuliere eigenaar Gerlach Ribbius Peletier (1887-1969), een zoon (?) van de dagboekschrijver.
Bol.com vermeldt: “In 1875 vertrekt de pas afgestudeerde Gerlach Ribbius Peletier uit Leipzig, terug naar Utrecht en een baan in de sigarenfabriek van zijn vader. Gerlach is vol plichtsbesef, maar kunst, vrienden, vriendinnen en de natuur blijken voor hem dierbaarder dan het zakenleven. Hij vlucht in lange reizen, van Noord- tot Zuid-Europa. Hij is een van de eerste toeristen, maar ook zakenreiziger, kuurpatiënt en kunstkenner-in-de-dop. Confrontaties met zichzelf en zijn vader blijven echter niet uit. In Leipzig begint Gerlach aan een dagboek en terugblik, die elf jaar later eindigt bij zijn huwelijk. Verscholen achter een nu bijna vergeten stenoschrift beschrijft hij - altijd oprecht tegenover zichzelf - zijn persoonlijke odyssee, door een wereld die net als hijzelf op de drempel staat van de moderne tijd.”
De integraal opgenomen tekst van het dagboek is aangevuld met pedante inleidingen door de bezorgers over de achtergronden van Gerlachs dagboek en noten, en rijk geïllustreerd met foto's en archiefmateriaal uit het persoonlijk bezit van Gerlach en zijn familie. Baedeker-kaarten, ansichtkaarten en portretten verluchten het boek. Alles eraan is mooi en goed verzorgd.
Aldus geïllustreerd volgen we de jongeman op zoek naar schoonheid en couleur locale doorheen heel Europa. Niet dat hij vreselijk veel meemaakt. Hij is op een afstandje verliefd op een meisje in Leipzig, misdraagt zich een beetje studentikoos in Italië en keert uiteindelijk terug om in Utrecht het familiebedrijf te gaan werken.
Dit zou zomaar een heel fijn, romantisch reisboek hebben kunnen worden, ware het niet dat de jongeman op den duur nogal een zeur bleek, dus halverwege vond ik: genoeg is genoeg. Het boek lag me ook letterlijk te zwaar in de hand en ik kreeg klachten, net als eerder bij te zware boeken. En RSI heb ik voor geen enkel boek meer over.

 

zaterdag 25 oktober 2025

Leesrapportje 17

Dan Jones - The Templars

Voor de verandering Heb ik maar weer eens een geschiedenisboek opgepakt. Gezien de achternaam van de schrijver/televisiemaker en zijn specialisme (Middeleeuwse geschiedenis en Kruistochten) dacht ik dat hij misschien een zoon kon zijn van Monty Pythons Terry Jones, die immers ook historicus was en zelfs een televisieserie heeft gemaakt over diezelfde Kruistochten, maar dat bleek niet zo te zijn.
Op het omslag belooft dit boek heel wat: “Triumphant. As addictive as a page-turning novel.” Die belofte wordt niet waargemaakt, maar dat is de auteur nauwelijks aan te rekenen. De waarheid is dat de beschreven geschiedenis (1100-1310) een aaneenschakeling is van feodale heersers, vestingen en veldslagen. Er is wel getracht om het boek te verlevendigen, maar dat is, puur door het onderwerp niet overal gelukt. Sommige prominente karakters hebben wel een beetje psychologische invulling gekregen, maar lang niet alle. Dat zal beslist met de beschikbaarheid van historische bronnen te maken hebben. Het blijft allemaal een beetje een dorre opsomming, alle lovende kreten op het voorblad ten spijt.
Hoe een zo machtige multinational als de Tempeliers in zo korte tijd heeft kunnen ontstaan wordt niet helemaal uitgelegd. Zoals het er nu staat lijkt het haast alsof de tijd er rijp voor was, dat een dergelijke organisatie noodzakelijk was in het gegeven tijdgewricht. Alle betrokken vorsten en kerkelijke machthebbers waren vanaf het begin bereid om aanzienlijke sommen gelds, stukken land en onroerend goed weg te schenken aan de prille organisatie en al twintig jaar na zijn stichting is de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo een niet meer weg te cijferen machtsfactor in het Midden-Oosten. De van oorsprong Cisterciënzer orde beheert bankzaken, infrastructuur, diplomatie en politiek in het gebied en beschikt daarbij over een eliteleger met voorbeeldige discipline. Twee eeuwen lang volgen er grote militaire nederlagen en overwinningen. Tijdens de jaren van militair verval gaat de orde zich langzamerhand meer toeleggen op de civiele nevenzaken: het bankwezen en de politiek.
Het laatste gedeelte van het boek, dat me op voorhand meer interesseerde dan die vermoeiende, eindeloze, monotone reeks veldslagen en slachtpartijen wordt helaas maar heel summier beschreven. En dat is jammer, want juist hier lees ik een aantal dingen die ik niet wist, en die mijn beeld behoorlijk bij hebben gesteld.
Ik had bijvoorbeeld altijd gedacht dat de laatste Meester van de Tempeliers, Jacques de Molay, een heldhaftige figuur was, maar Jones schetst hem als een zwakke, kleingeestige opportunist. Ook had ik altijd gedacht dat Philips IV en Clemens V samen de orde vernietigd hebben, maar in werkelijkheid was de paus een ondergeschikte figuur naast de koning, die geheel zelf verantwoordelijk was voor de demonisering van de Tempeliers. Een studie van 20e- en 21e-eeuws populisme zou Philips IV als prototype kunnen beschouwen. Lees in plaats van Tempeliers: Joden of Marokkanen en je herkent onmiddellijk de onderliggende mechanismen.
Philips IV was het om de bezittingen van de Tempeliers te doen, maar die - en dat heeft de paus dan wel weer handig gedaan - die gingen uiteindelijk grotendeels naar de kerk.
Het boeiende einde was te summier, niet uitgewerkt genoeg om het boek te redden.

Harold Acton - Memoirs of an Aesthete
 

Dit boek werd in 1948 gepubliceerd, drie jaar na Waughs Brideshead Revisited. Ik heb meer belangstelling voor de wat schimmige figuren die tezamen Anthony Blanche vormen (Harold Acton, Brian Howard etc.) dan voor de knorrepot Waugh zelf.
Dit boek bezit ik al een hele tijd, maar tot nu toe was ik er nog niet aan begonnen: de wat meanderende schrijfstijl schrikte me af.
Meanderend? Jazeker, het is alsof Acton zijn hele verhaal ingesproken heeft op een bandrecorder en een secretaris vervolgens de tekst zonder al te veel redactie getranscribeerd heeft. Herinnering wordt structuurloos op herinnering gestapeld. Een beschrijving van een tuin eindigt via een favoriete Londense kledingwinkel in Florence bij een merkwaardige Russische gravin. Op de achtergrond loopt wel een chronologie mee, maar die wordt niet zwaar aangezet.
We maken kennis met een katholieke, welgestelde familie die grotendeels in Italië woont. Het is een bijzonder beschermd milieu: de Eerste Wereldoorlog met alle verschrikkingen fluistert achter de einder voorbij, slechts de bijzondere vluchtelingen (graven en homoseksuele schrijvers, dansers en andere geluksvogels die aan de loopgraven ontsnapt zijn) passeren. Uit alles blijkt dat Harold uit een bijzonder bevoorrecht milieu komt.
Hij gaat, zo te zien vrijwel zonder problemen of complexen, naar Eton, waar hij onder andere Brian Howard ontmoet, vervolgens naar Oxford. De jongemannen zijn vroegrijp, gesoigneerd en niet weinig arrogant. Acton vertelt zodanig zelfverzekerd te zijn over zijn poëzie, dat hij die met een megafoon vanaf zijn balkon declameert, of het publiek nu wil of niet. De lezer van Brideshead Revisted herkent de scene.
Deze memoirs beschrijven niet een mens, maar een periode. In een rotgang wordt er door de hele cultuurgeschiedenis van het interbellum gebrevierd, naam na naam passeert: Jean Cocteau, Gertrude Stein, Robert Graves, Sergej Diaghilev, Alfred Cortot etc. etc. etc. Nooit vertoont de toch zonder twijfel bijzondere persoon die Acton zelf was zich openlijk. Hij lijkt zich volledig te verschuilen achter de mensen en gebeurtenissen die hij, vederlicht fladderend het toneel laat passeren, als een soort contour waarbinnen de mens Acton zelf teruggevonden moet worden. Deze ondraaglijke lichtheid werd me uiteindelijk teveel en ik heb halverwege het boek gesloten.


John Kelly - The Great Mortality: an Intimate History of the Black Death, the Most Devastating Plague of All Time

Dit boek vond ik in een wisselkast in het vakantieadres op Samos en ik heb het zonder enige gewetenswroeging meegenomen. Ik las het op het toilet op de eerste verdieping.
Er bestaat een soort consensus dat de Zwarte Dood van de 14e eeuw ergens in Centraal Azië ontstaan is en via de handelsroutes China, via de havensteden Italië, Spanje en vervolgens de rest van Europa bereikte. Voor het eerst stak het de kop op in de Krim in 1347. De pandemie kostte miljoenen mensen het leven, zulke grote aantallen dat het de maatschappij volledig veranderde.
In The Great Mortality beschrijft John Kelly niet alleen de geschiedenis van de Zwarte Dood, maar ook de geschiedenis van de duiding ervan.
Na dit uitgebreide historisch overzicht concentreert het tweede deel zich vooral op het antisemitisme dat voortkwam uit de diverse epidemieën. Ook daar zijn weer vele parallellen met onze tijd te vinden. Of het nu geïnstitutionaliseerd is of niet, het atavistische complotdenken, het zoeken naar een irrationele oorzaak van alle ellende is van alle tijden. Boeren met fakkels en hooivorken enerzijds of bedenkelijke politieke partijen anderzijds, veel verschil is er niet.
Een aspect dat ik onderbelicht vond was de purgerende werking die de pestepidemie van de veertiende eeuw lijkt te hebben gehad. De heersende theorie, als ik het goed begrepen heb, is dat in Italië de pest de directe aanleiding was voor de renaissance. De malthusiaanse uitdunning van de bevolking, de daaruit volgende herverdeling van goederen en land, dat alles zou de overgang van de Middeleeuwen naar de moderne tijd hebben ingeluid. Betoogd kan worden dat de Renaissance zonder de Zwarte Dood niet ontstaan zou zijn.
Daarover in dit boek slechts een paar pagina’s, die ook slechts een beperkte horizon houden.
Het boek viel me mede daarom een beetje tegen: het werd bovendien op den duur wat taai.


woensdag 8 oktober 2025

Mooi Land

Gedurende ons kleine weekje in Kleve leek, na een bedevaart naar het Museum B. C. Koekkoek-Haus, vervolgens een bezoek aan het Museum Kurhaus Kleve onvermijdelijk, hoezeer ik ook opzag tegen mijn hernieuwde kennismaking met de naargeestige esthetiek van Joseph Beuys. Groter contrast dan met Koekkoek is toch welhaast niet denkbaar? Toen bleek dat dit museum voor enige tijd gesloten was, kon ik een zekere opluchting niet onderdrukken. Het voelde als een soort ontsnapping. Maar wat dan verder te doen in de nogal steriele en door de oorlog zwaar verzoetermeerde stadjes in de omgeving? We hadden weinig zin om naar het Romeinse park in Xanten te gaan en Goch was zo grauw en zielloos als het huidige kabinet. Uiteindelijk stelde Jenet voor om naar Museum Schloss Moyland in Bedburg-Hau te gaan: een kasteeltje in neo-gotische stijl met een fraaie tuinaanleg, tussen Kleve en Kalkar gelegen.

Jan de Beijer - Schloss Moyland 1746
Jan de Beijer - Schloss Moyland 1746
Achteloos stemde ik meteen toe, niet beseffende dat dat kasteel beschikt over de grootste Beuyscollectie van Duitsland! Ai, van de regen in de drop.
Enig speurwerk op het internet leert ons: rond 1350 liet ridder Roland Hagedorn een kasteel bouwen dat op zijn Nederlands Mooi Land ging heten. Tussen 1854 en 1860 werd het gebouw door de Keulse domarchitect Ernst Friedrich Zwirner gerenoveerd in neogotische stijl, met een spectaculair interieur dat aan ons eigen kasteel De Haar deed denken.

Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog, met de intocht van de geallieerden op 25 februari 1945 nam veldmaarschalk Montgomery het gebouw in gebruik als stafkwartier. Churchill bezocht het gebouw. Tot zover was er niets aan de hand. Na de aftocht van Montgomery echter besloten de Canadese soldaten het gebouw volledig te gaan plunderen en strippen. In 1956 kwam daar nog eens een brand overheen, zodat er nu van het oorspronkelijke kasteel nog slechts de buitenkant is overgebleven en een kale en onaantrekkelijke, volmaakt onpersoonlijk witgekalkte binnenkant, voor niets anders meer geschikt dan als tentoonstellingsruimte.
Wat je meteen proeft aan Beuys is dat hij permanent een historisch noodlot met zich lijkt mee te torsen: ‘Hier ben ik. Mij is voorgoed de schoonheid ontnomen door dit schuldige tijdperk.’ Het lelijke op aarde is kernonderdeel geworden van zijn door de oorlog en de erop volgende koude oorlog gevormde bittere, industriële esthetiek. In dat opzicht is hij een van vele Duitse tijdgenoten: Anselm Kiefer, Arnulf Rainer, A. R. Penck, Markus Lüpertz en Georg Baselitz. Onomstreden is hij beslist niet en er zijn er die niets positiefs willen horen 
over de man die tijdens de Tweede Wereldoorlog als vrijwilliger in het leger ging.

Net als de mede tentoongestelde Marina Abramović was Beuys een mens van installaties en van performance. Als je door het aan hem gewijde museum rondloopt kun je je op een bepaald moment gaan afvragen wat hij nu eigenlijk aan echte objecten heeft gemaakt. Ja veel slordige schetsen op achteloos afgescheurd pakpapier, een sleetje met vilt en vet, wat stukken wrakhout, maar de objecten wekten de indruk vooral a propos te zijn, een bijgerecht bij het hoofdwerk: zijn performances. Video’s waarin hij op een stoel zit en iets ontregelds doet, bijvoorbeeld in een kleine ruimte aan een dode haas zijn oudere schilderijen uitleggen, foto’s van hemzelf omringd door leerlingen, steeds weer in rokerig debat. Het debat trok hem - hij was ook één der medeoprichters van de politieke partij Die Grünen. 

Wie man dem toten Hasen die Bilder erklärt, 1965
Naarmate we in dat rare kasteeltje dieper doordrongen in Beuys’ wereld, viel ons allengs steeds meer op hoezeer de Chinese kunstenaar Ai Weiwei door hem geïnspireerd moest zijn. De Chinees ontkent dat zelf met de flauwe smoes: ‘Ik zat toen in New York, ik was niet van Beuys op de hoogte.’ Wat een kokette kletskoek: ik zat in die tijd in Amsterdam-Oudwest en was wel van hem op de hoogte!
Het is natuurlijk niet voor het eerst en het zal zeker niet voor het laatst zijn dat bij de appreciatie van kunstuitingen het persoonlijke verleden van de kunstenaar in aanmerking genomen moet worden (zojuist nog de zangeres Bente, die op school gepest werd zodat haar irritante liedjes schijnbaar op een geheel andere, meer eerbiedige manier beluisterd moeten worden), maar kunstenaars als Beuys of Ai Weiwei gaan wel heel erg nadrukkelijk in beeld staan, omdat ze zelf het begin en het einde van de kunstuiting zijn. Dat ontkennen ze natuurlijk, maar ik althans zie niet hoe ik om hun dominante aanwezigheid heen kan kijken. Ik vind het eigenlijk allemaal pretentieuze fopperij. Meestal is mijn reisgenote het oneens met mijn ongenuanceerd klinkende, maar uit een consistent engagement voortkomende kritiek, maar ditmaal hoorde ik weifelend instemmende geluiden.

Naar buiten dan maar. Het park rond het kasteel, dat weinig of niets wilde bewijzen, was ons veel aangenamer, met kruiden- en wilde bloementuin. De bloemen hadden natuurlijk wel hun hoogseizoen achter de rug, maar in het lekkere nazomerzonnetje, met prachtige lichtinvallen was het er niettemin goed toeven, ook al was de beeldhouwer van dienst in het park een wel heel opvallende navolger van Richard Minne.