zaterdag 29 september 2012

Eindexamenbegeleider

Als je het hebben wilt over “politiek incorrecte jeugdliteratuur” (en wie wil dat nu niet?), dan ontkom je niet aan de Bob Evers serie. Alles aan deze reeks was wat de huidige mens met opgetrokken neus aanschouwt. Het wereldbeeld in deze serie tentoongespreid, de levensinstelling zoals door de jonge helden verwoord, de politieke incorrectheid druipt ervan af. Boven alles geldt dit voor de zeer omstreden levensloop van de schrijver van de reeks zelf, Willy van der Heide.

Willy van der Heide is een van de vele pseudoniemen van de schrijvende schelm Willem van den Hout, die tijdens de oorlog een bedenkelijke rol speelde onder het pseudoniem Willem W. Waterman, die meisjesboeken schreef als Sylvia Sillevis, maar net zo gemakkelijk pornoverhalen onder pseudoniemen die de lezer zelf ook wel kan verzinnen. Een overtuigde broodschrijver dus, een hacker. Maar wel degelijk een goede schrijver. Vooral een zeer behendig stylist.

Hoewel ik ook heden, op min of meer gevorderde leeftijd, nog steeds zo nu en dan met veel plezier een deeltje lees, doe ik dat niet meer zo fanatiek als bijna 40 jaar geleden tijdens wat nu in de annalen gedagboekt is als de „Eerste Integrale Evers-lezing”. Het waren de eindexamenweken en de stamp-procedure was als volgt: twee uur blokken, dan een deeltje Bob Evers lezen, dan weer twee uur blokken, daarna weer een deeltje. Drie deeltjes per dag, twee weken lang. Na een paar dagen werden vanzelfsprekend de bloktijden korter en korter, eerst anderhalf uur, later nog maar nauwelijks een uur. Zo verslavend waren de deeltjes. Achteraf is het een groot wonder dat ik dat examen gehaald heb (wel met een herexamen, overigens). Ik kan uit eigen praktijk het oordeel van de “betere jeugdboekhandel” bevestigen: Bob Evers corrumpeert echt de jeugd!

Wat me vanaf het moment dat ik de boeken voor het eerst ben gaan lezen het meest fascineerde, was het feit dat de middelbare scholieren Bob Evers, Arie Roos en Jan Prins er allerlei eigenaardigheden op na hielden die je veel eerder bij een gepokte en gemazelde avonturier van 55 (zoals van den Hout zelf) zou verwachten, dan bij een stel jongens van 16.
Om een voorbeeld te noemen: wanneer Arie Roos in Den Haag moet zijn (goed beschouwd is dat op zich al een vreemde voorstelling van zaken: een Amsterdamse middelbare scholier die „toch even in Den Haag moet zijn”), ging hij altijd bij Het Gouden Hoofd langs, waar ze hem wel kenden. Als de jongens ergens in de provincie terechtkwamen, Ootmarsum, Oldenzaal of Oisterwijk, dan wisten ze er altijd wel een vaag vertegenwoordigers-hotelletje of een wegrestaurant waar ze bekend waren en waar ze zes broodjes halfom en zes broodjes ei konden bunkeren. De jongens hadden voor het gemak maar de volledige luidruchtige sociale en culturele context van hun besnorde en wereldwijze schrijver aangemeten gekregen. Ze hielden niet van popmuziek, maar van jazz, ze lazen geen romannetjes, maar alleen maar boeken over veldslagen, vliegtuigen en mijnbouw in de Andes.
Alleen de rook- en drinkgewoonten van hun bulderende schepper bleven de jongens bespaard: ze rookten wel eens en dronken als het niet anders kon nu en dan een glaasje bier, maar (en dat vind ik een geniale vondst) „ze hielden er eigenlijk niet zo van”. Ze hielden het liever bij Droste-flikken, London Tonic en blikken ananasschijven.

De avonturen varieerden van grote, panoramische epen, die tegen de zeshonderd pagina’s nodig hadden om tot volledige ontplooiing te komen, tot kolderieke niemendalletjes, die het maar ternauwernood de 192 pagina’s van een pocket-deeltje uithielden. Er werd in samenwerking met de FBI gerausd door vier continenten, maar ook werd er een eenvoudig toeristenhotel op stelten gezet, of kregen Peter Schilperoort en zijn Dutch Swing College Band te maken met uitermate domme diamantsmokkelaars...
Negers en Chinezen deugden in het algemeen niet en al het goede op de wereld kwam uit de Verenigde Staten, ook al liet de auteur zijn twee Hollandse helden geregeld hun Amerikaanse vriend in de zeik nemen.

Heel veel avonturen vonden plaats op het water: op stoomvrachtvaarders en plezierjachten in de Stille Zuidzee, in een twaalfvoets jolletje op de Kagerplassen, in een roeivlet op de Loosdrechtse plassen, of op een raderboot in de Rijn. Maar ook trein, vliegtuig en natuurlijk de automobiel waren prominente requisieten in de avonturen. Op een leeftijd dat u en ik overwogen om een brommertje aan te schaffen, hadden de jongens vliegbrevetten, rijbewijzen en zeevaardigheidspapieren. Geld speelde ook al geen rol, want niet alleen waren de jongens alle drie van gegoede families, maar bovendien hebben ze in de loop der jaren met hun avonturen tonnen verdiend.

Dit alles maakt het niet eens zo gemakkelijk om je met de jongens te identificeren: ze zijn daarvoor te zeer larger than life. En naarmate de serie vorderde, werden hun eigenschappen steeds zwaarder aangezet: de dikke en slimme Arie Roos werd monsterlijk dik en onmenselijk slim; zuinige Jan Prins veranderde langzaam in een ware vrek, en Bob Evers werd allengs doorzichtiger, totdat zijn karakterloosheid zijn enig overgebleven karaktereigenschap bleef. Het is om die reden waarschijnlijk niet zo’n slechte ontwikkeling geweest dat Van der Heide op een gegeven moment vanwege een meningsverschil over contracten gestopt is met de reeks. Dat het concept, schoongepoetst en gemoderniseerd, wel van unieke waarde was, blijkt uit het feit dat na de dood van van der Heide alweer een hele berg deeltjes verschenen is, nu geschreven door Peter de Zwaan.


Of deze Bob Evers versie 2.0 dezelfde magische uitstraling bezit als de 35 canonieke deeltjes van de oorspronkelijke schepper, weet ik niet. Als een ware van der Heide-adept heb ik me er tot op heden nog niet toe kunnen brengen om ze te lezen. Om over de groeiende stapel stripalbums nog maar te zwijgen...

vrijdag 14 september 2012

Verhaal dat uiteindelijk over katten blijkt te gaan

(Nog steeds is het oude blog volledig in het ongerede. Dat komt nooit meer goed. Liever dan het hele oude blog integraal te verhuizen, wat ik andere slachtoffers van het blog-d├ębacle heb zien doen, vind ik het prettig om zo nu en dan (en soms om geen andere reden dan dat ik gepord ben om er weer eens aandacht aan te besteden) iets uit dat blog op te pakken, er een beetje aan te schaven, en het vervolgens in het nieuwe blog te plaatsen. Ik noem en tag dit: "Blogherstel".)


Vanaf de straat zag ik al direct wat het grote bezwaar zou zijn: de woning was veel te klein. Desondanks belde ik aan, ik stond hier nu toch. Geen reactie.
Ik klopte tegen het raam. Een oudere dame, die blijkbaar ook het huis kwam bezichtigen keek op, schrok toen ze mij door het raam zag, en liep verder, een achterkamer in. Ik belde nogmaals en tikte voor de tweede keer tegen het raam. De deur werd, naar het scheen met de grootste tegenzin, door een vlezige man van achter in de veertig opengeschoven.
‘D'r zit een bel op de deur, hoor ouwe.’ Ik was zevenendertig, hij in de veertig. Ik voelde direct een sterke antipathie tegen hem.
‘Het is me opgevallen,’ fluisterde ik, onthutst zoals ik dat altijd meteen ben bij misplaatste brutale onbeschoftheid. ‘Ik neem aan dat de bel wel weer stuk zal zijn, zoals bijna alles bij deze woningbouwvereniging meestal niet werkt.’ De man drukte op de bel. Vanuit het huis was zachtjes gerinkel te horen.
‘Niet als je op de goede bel drukt.’ Ik was hem naar binnen gevolgd. Hij had dikke billen.
‘Voor mensen die ik niet mag ben ik gewoon u en meneer.’

Na aldus de stemming van het onderhoud op plezierige wijze geregeld te hebben, negeerde ik de man verder en begon ik de woning te inspecteren.
Twee lelijke vrouwen, kennelijk een moeder met haar dochter, waren zich met de discussie gaan bemoeien door de kant van de bewaarder te kiezen. Ze smoesden onder elkaar. Ik kon niet dan met verbazing naar ze staren. Wat genen al niet doen om zich voort te planten. Achteraf denk ik dat het feit dat ze zich van een soort mensentaal bedienden, in plaats van het woedende gegrom dat ik verwacht had, me zozeer getroffen had dat ik er een verbijsterd zwijgen toe deed. Ik zag dat ze volgnummer 1 hadden. Zij zagen dat ik volgnummer 2 had. Het angstige, oude vrouwtje droeg nummer 5.
Het bekijken van de woning was snel gedaan. Zoals ik buiten al gedacht had, was alles veel te klein. Ik had thuis tussen de stenen van mijn veranda grotere groenstroken dan het droevige, miezerige driehoekje tuin achter deze woning. Ik zou hier dagelijks op Graham of Joni trappen. En dat alles voor het twijfelachtige voorrecht, in een "betere" buurt te komen te wonen? 
Ik groette het oude vrouwtje vriendelijk en smeerde hem.
‘Mag ik uw nummer?’ vroeg de man. Ik staarde naar zijn schoenen, inspecteerde zijn zonder smaak gekozen broek en zei zacht tegen zijn bollende buik: ‘Nee.’
Buitengekomen genoot ik van de gedachte hoe de vrouwen het huis zouden accepteren enkel om mij een loer te draaien. Dan zou die lelijke dochter jaren vast zitten aan de stuitende woning. Tenzij ze natuurlijk een bemiddelde partij zou huwelijken, wat ik uitgesloten achtte. (Een boosaardig sprookje zou nu eindigen met: "En als er niets gebeurd is, dan zit ze daar nu nog.”)