donderdag 9 december 2021

Het antwoord van de wever

Laat mij toch zien, wever van de tijd
Patronen van mijn levensloop
Geknoopt in jouw tapijt
Kreeg ik een seconde één blik op jouw getouw
Zodat de bloei van mijn verleden aan mij verschijnen zou
Toont het uit mijn jeugd de tranen van voorheen
Hartepijnen in het hart toen liefde daar verscheen
Wisselden patronen toen ik opgroeide tot man
Een onbekend nieuw aura scheen toen ik vroeg om haar hand
Stak jouw gouden naald zijn draad vol maagdelijke pracht
Toen wij als minnaars één werden in onze huwelijksnacht
Heb je alle vreugd gevat, de komst van onze zoon
Geluk in de familie en een tweede nog als kroon
Het groeien van de broeders, ontwikkeling tot man
Is het vol details en zal mij niets ontgaan
Lichten levensvonken op wanneer zij trouwen gaan
Om zelf te zullen leven als echtgenoot voortaan
Werd mijn liefs draad doorgesneden toen zij overleed
En vormt mijn rouw een zwarte vlek op jouw gewoven kleed
Een allerlaatste samenkomst terwijl de kist verdween
As tot as en stof tot stof, maar ooit zijn wij weer één
Toont het de visites met het kleinkind op mijn knie
Dat ik nog enkel horen kan omdat ik niets meer zie
Schiet misschien ten langen leste in mijn eenzaamheid
Een toverster mijn ogen in en toont me jouw tapijt
Ik meen dat ik warempel jouw weefgetouw kan zien
Zijn dan mijn gebeden toch een keer verhoord misschien
Na een tijd van piekeren begrijp ik nu waarom
Je hebt het mij nu wel gegund: mijn eigen tijd is om
Nu kan ik zien, wever van de tijd
Patronen van mijn levensloop geknoopt in jouw tapijt

The Weaver's Answer
Family, van het album Family Entertainment (1969)
Auteurs: John Whitney & Roger Chapman
 

 


zondag 28 november 2021

Waar

Je maakt je eigen landschap, vaag en mild.
Je projecteert een heuvel met wat bomen,
een flets riviertje dat vergeet te stromen:
een wereldje dat enigszins verstild

en uit een frêle diepte lijkt te komen.
Je bouwt een muurtje: een denkbeeldig schild
waarachter in een veldje, ongewild
de doden rustig blijven liggen dromen.

Daar zijn de graven, achter deze muur:
‘t familiegraf met vader en met ma,
en met mijn al te vroeg gestorven zusje.

Je fantaseert daarbij een duifgrijs musje.
Maar Frans verdomme, nu ook Ger en ja!
Ja Ger. Frans ja! Waar ben je op dit uur?

woensdag 10 november 2021

Brugwachtersgeluk

De brugwachter is vast een man alleen.
Hij is op leeftijd. Onbehouwen heeft
het lot hem neergesabeld. Wat wel leeft
glijdt langs zijn drukkende cabine heen.

Een jacht, een sloep met zeil eroverheen,
een rondvaartboot die naar de kade streeft.
En op de brug wie haast en wielen heeft:
koeriers en taxi’s, vrachtwagens met steen.

Wanneer zijn dienst voorbij is klinkt een plaat,
want in zijn hok staat ook een grammofoon.
Een koffertje met singletjes staat klaar.

Hij houdt van zachte ballads met gitaar.
Een oog wordt mistig bij de eerste toon
en zacht het grijs beton van zijn gelaat.

(Naar een blog van Marius Jaspers uit zijn boek: Dagklad, de Haarlemse jaren.)

 

maandag 18 oktober 2021

Oe-oehoe

Vannacht rond drie uur klonk het in de straat.
Een eerste oe-oehoe passeerde traag
de achterkant van het gordijn: een vraag
die ijzingwekkend lang gesteld werd. Kwaad

alsof het diepste van de nacht alleen
aan hem behoorde? Zuiver, ijl, vol kilte,
omlijst door niet te vatten, zware stilte
alsof het leven was gehakt uit steen.

Een tweede oe-oehoe klonk ijselijk.
Ik had, wist ik nu zeker, niet gedroomd.
Klonk hier het antwoord of een diepe klacht?

‘Was dat een uil?’ vroeg mijn geliefde zacht.
‘Ik hoop het wel,’ antwoordde ik beschroomd,
‘want anders zijn er spoken in de wijk.’

(Naar een blog van Marius Jaspers uit zijn boek: Dagklad, de Haarlemse jaren.)

 


 

 

woensdag 29 september 2021

South Wind herlezen

Ik heb een zwak voor eilandromans. Vorig jaar heb ik Het eiland van het tweede gezicht (1953) gelezen, een immens, 1000 pagina’s lang portret van Mallorca door Albert Vigoleis Thelen, en dit jaar had ik op mijn herleesstapeltje South Wind (1917) van Norman Douglas klaarliggen, een ode aan Capri. En tegelijk aan het paganisme.

Met de Eerste Wereldoorlog in zijn zwartste fase was het goed toeven in de veilige warmte van een klein, vrijdenkend Italiaans eiland. Vele rare types wisten Capri dan ook te vinden: Russen ontsnapt aan het communisme, Britse homoseksuelen ontsnapt aan de strenge zedenwetten van hun thuisland, natuuraanbidders en hippies, ontsnapt aan de burgerlijkheid, aan lager wal geraakte Franse en Ottomaanse adel ontsnapt aan de moderne tijd. De Zweedse arts Axel Munthe had er een villa gebouwd waar hij uiteenlopende culturele iconen als Henry James, Oscar Wilde, Rainer Maria Rilke en Curzio Malaparte ontving. De symbolistische schilder Karl Wilhelm Diefenbach, sekteleider, vegetariër en naturist, was er in 1913 gestorven.

De bereisde en internationaal ingestelde Norman Douglas beschreef de vaak kluchtige intriges van een denkbeeldig eiland Nepenthe, dat een zeer precieze replica blijkt te zijn van Capri, waar Douglas zelf lange tijd woonde. Alles in de beschrijving klopt, tot en met de aanwezigheid van een enorme, overigens niet met naam genoemde vulkaan aan de overkant van het water die als twee druppels lava lijkt op de Vesuvius.

De naam Nepenthe is zeer zorgvuldig gekozen: niet alleen betekent het woord zoiets als “een tegengif tegen verdriet” maar bovendien komt het begrip uit de Griekse mythologie, die Douglas in alle opzichten superieur achtte aan de Christelijke. De roman was weliswaar in eerste instantie vooral bedoeld om wat divertissement te verschaffen in de moeilijke oorlogstijd, maar Douglas heeft altijd een onderliggende agenda: de superioriteit van de oude (met name de Griekse) cultuur ten opzichte van de moderne. Het boek wordt overheerst door een gevoel van nostalgie naar een simpeler tijd, zonder wereldoorlogen en zedenwetten, en het gestileerde en geïdealiseerde, fundamenteel onschuldige eiland wordt niet slechts letterlijk een toevluchtoord voor Douglas en zijn lezers, maar ook ideëel. 

Capri, 1917

Blijkbaar voorzag het boek in een behoefte, want het werd op slag een bestseller, die zeven drukken beleefde. Naast Douglas’ persoonlijke bespiegelingen bevatte het een veelheid aan ingrediënten voor zoveel mogelijk lezers: een antieke romance in de stijl van Ronald Firbank, een moordintrige, humor, zorgvuldige en wetenswaardige natuurobservaties en satire. Daarbovenop is het boek dus doorspekt met gewaagde uitweidingen over godsdienst, psychologie en sociologie. De lezer leert Douglas kennen als een openhartige vijand van georganiseerde godsdiensten en een aanhanger van een paganistisch hedonisme dat toen al nauwelijks nog kon en dat heden ten dage volstrekt taboe is. Daarover later meer.

Hoewel het psychologisch perspectief heen en weer vliegt, lijkt de persoon van de Anglicaanse bisschop Thomas Heard het meest op een centraal personage om wie heen de gebeurtenissen zich afspelen. Hij is echter niet de persoon die het meest lijkt op de schrijver, dat is de frauduleuze, hedonistische Graaf Caloveglia. Thomas Heard is op doorreis uit Afrika en pauzeert op Nepenthe om er zijn nicht op te halen en haar te begeleiden naar Engeland. Door een veldkijker ziet hij haar een moord plegen en hij besluit het er maar bij te laten, omdat het slachtoffer een schurk was. Hiermee heeft Douglas zijn ultieme doel bereikt: binnenin een officiële vertegenwoordiger van de kerk zegeviert de vrije geest, de bisschop is definitief een mens van de Middellandse Zee geworden.

Norman Douglas, ca. 1910

Het boek werd nogal bekritiseerd omdat het geen duidelijke plot zou hebben - een bezwaar dat wij in de tijd van soapseries op de televisie niet meer navoelen. Van het boek zou dan ook prima een serie van twaalf of achttien delen van drie kwartier gemaakt kunnen worden, een beetje in de trant van de ITV-serie The Durrells in Corfu, alleen venijniger. De vulkaan barst uit. Een louche graaf verkoopt een vals Grieks beeld aan een Amerikaanse condoom-miljonair, de Russische vegetarische apostelen maken amok als blijkt dat de lucifers die de sigarenboer verkoopt van dierenvet zijn gemaakt en de carabinieri drukken een revolte de kop in with such precision that four schoolchildren, seven women, eleven islanders, and twenty-six Apostles were wounded—about half of them, it was believed, mortally. Laconiek vat Douglas samen, dat order reigned in Nepenthe. En er wordt dus een moord gepleegd. Er gebeurt kortom op zich al meer dan genoeg. Maar bovendien is het voornamelijk een dialogenroman, een ideeënroman die zich alleen om die reden al uitstekend zou lenen voor de hierboven gesuggereerde dramatisering.
Toen ik het boek voor het eerst las, zo’n veertig jaar geleden, vond ik dat het te dik was en dat een strenge redacteur veel goeds zou hebben kunnen doen, maar nu zie ik dat heel anders. Als er één fout is aan dit boek, dan is het dat het met zijn ruim driehonderd pagina's veel te kort gebleven is. Allerlei aspecten worden niet volledig uitgewerkt, waardoor die gesuggereerde plotloosheid wel een beetje benadrukt wordt. Zo wordt de moord bijvoorbeeld maar heel slordig afgeraffeld, alsof hij slechts een bijzaak was. Maar dan, misschien was hij dat ook wel. In plaats van die ruim driehonderd, zou ik nu liever iets in de buurt van de zeshonderd pagina’s hebben gezien. Sommige dingen moet je ten slotte de tijd geven.

Er valt niet aan te ontkomen om het over Norman Douglas zelf te hebben. Hij was tot op hoge leeftijd een grote, sterke en indrukwekkende vent. Als telg van een oude Schotse familie werd hij geboren in Duitsland. Zijn eerste taal was dan ook Duits. Hij werd opgeleid in het gymnasium van Karlsruhe en de Uppingham School in Rutland. Naast Duits en Engels sprak hij vloeiend Frans en Italiaans. Een carrière in de diplomatie liep schipbreuk toen hij in St. Petersburg een vrouw zwanger had gemaakt. Terug in Groot-Brittannië trouwde hij een nichtje met wie hij twee zonen kreeg. Nadat zijn broer het familiekapitaal verkwanseld had, werd hij broodschrijver en niet zonder succes. Bekende schrijvers als Joseph Conrad en D.H. Lawrence hielpen hem op weg. Zijn boeken Old Calabria, Fountains in the Sand en Siren Land horen tot de hoogtepunten van de Britse reisliteratuur. South Wind was zijn eerste en meest succesvolle roman. 

Norman Douglas en Ettore, ca. 1950

Na een poosje verloor de wereld deze voormalige bestseller volledig uit het oog en Douglas’ opmerkelijke levenswandel zal daar best een van de oorzaken van geweest zijn. Vanuit zijn overtuiging dat de klassieke Griekse cultuur superieur was aan de moderne westerse, was hij de Griekse beginselen gaan overnemen, en wel in hun meest extreme en consequente vorm: hij prefereerde jonge jongens als zijn kompanen. De huidige tijd zou hem zonder twijfel een “monster” noemen. Toch moeten we met een dergelijke betiteling heel voorzichtig zijn, want hij leefde vanuit intrinsiek hoogstaande en goedaardige principes: zijn “slachtoffers” waren geen slachtoffer, althans zelf beschouwden ze zich niet als zodanig. De jongens voor wie hij zich interesseerde en die hij overlaadde met geschenken, ervaringen en educatie, bleven allen bevriend met hem, ook na hun volwassenwording en huwelijk. Er zijn critici die deze reactie afdoen als een vorm van Stockholmsyndroom, de neiging van langdurig ontvoerden om zich emotioneel te binden aan hun ontvoerders, maar dat lijkt mij een interpretatie door een andere tijd, met gebruikmaking van een ander moreel palet. Het heeft er alle schijn van dat de relaties die Douglas met jongens onderhield tot beider voordeel gediend hebben.

Moet men dit weten alvorens South Wind te lezen? Het kan geen kwaad, denk ik. Veel van wat later zou komen is reeds latent in het boek aanwezig en wordt, als het ware, voorzichtig gebracht. Men stelle zich hier niets spectaculairs bij voor: het blijft een lichte roman met slechts enkele eetlepels hedonistische peper die het geheel een beetje pit geeft.








donderdag 26 augustus 2021

"Wij" en het geluk

Ik heb altijd al wat moeite gehad met “wij”. Wij zijn wereldkampioen, wij hebben de oorlog doorstaan, wij hebben ons verrijkt over de rug van slaven, wij hebben ons ingehouden met Oud en Nieuw, wij zijn de Lockdown zo zat…
‘Ik niet,’ zeg ik dan altijd, ‘Ik was er niet bij en ik heb niet meegevoetbald.’
In tegenstelling tot die “wij” heb ik achttien topmaanden achter de rug. Achttien onvergetelijke topmaanden.

2020/21 is voor mij een van de beste periodes geweest uit mijn hele werkzame leven. Thuiswerken vind ik geweldig, de tuin was en is een verrukkelijke plek om in de zon vele boeken te lezen, met of zonder een glas Nieuw-Zeelandse Sauvignon. Het vakantieverbod was een geschenk uit de hemel, een verhoord stil gebed. Geheel de wereld spande samen om mijn anderhalve jaar fantastisch te maken. Voor mijn type kon het niet beter. Ik ben een introverte huismus en voel me het meest op mijn gemak in mijn eigen kasteel. Wat men buiten de kantelen allemaal uitvoert, ik neem er kennis van en ga over tot de orde van de dag. Men zoeke het gevoeglijk maar uit. Er is veel teveel om je over op te winden, van grote dingen tot de allerkleinste (zoals bijvoorbeeld dit: mijn spellingschecker merkt het zojuist getypte “zoeke” aan als fout, want de randdebiel die dit stuk sofware heeft geprogrammeerd kent de aanvoegende wijs niet, zulke dingen).

Ik kijk dus met een zeker onbehagen naar de toekomst, waar de straten weer overvol zullen zijn, waar ik weer met die vervelende trein naar Den Haag op en neer zal moeten voor mijn werk (een tijdverlies van ongeveer tweeëneenhalf uur per dag!), waar we weer de godganse dag vol kippendrift op weg zullen zijn naar dit of naar dat, altijd in de drukte, altijd in het lawaai. Nu steekt de dreiging van dat alles ontwrichtend Formule-1 gedoe de kop op en straks zal het gebeuk van popfestivals in de Haarlemmer Hout en dancefeesten bij de Veerplas weer tot onze achtertuin doordringen.

Dagelijks hoor ik als een mantra dat “wij” er naar snakken, naar het opheffen van alle beperkingen. Nou, ik dus niet. Ik zie alleen maar echte beperkingen in het verschiet.
Natuurlijk realiseer ik me dat ik vanuit een bevoorrechte positie schrijf. Lang niet iedereen kan op de fortuinlijke omstandigheden bogen onder welke ik leef: een ruim huis, een redelijk grote tuin, een kolossale bibliotheek, een voorraad muziek die reiken zal tot aan de jongste dag, speelfilms en televisieseries meer dan voldoende voor de komende vijftien jaar en verder geen enkele materiele behoefte buiten een enkel natje en droogje.

Maar zeg nu zelf: om de unieke kans te krijgen anderhalf jaar alleen nog maar met jezelf, je naasten en je beste vrienden te maken te hebben, daar zou toch eigenlijk iedereen blij van moeten worden?

maandag 9 augustus 2021

Fiets

Ik heb een fiets. Dat is me toch iets.
Hij heeft een mandje, een bel die klingelt,
spul om te versieren.
Ik gaf hem aan jou als ik kon, maar hij is geleend.

Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik heb een jas. Ik ben niet in mijn sas.
De voorkant is gescheurd. Hij ’s rood en zwart.
Ik heb hem allang.
Als je vindt dat hij me staat dan zeg ik inderdaad.
 
Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik ken een muis en hij heeft helaas geen huis.
Ik snap het niet. Ik noem hem Gerald.
Hij is al aardig oud, maar is een top-muis.
 
Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik heb een bende peperkoekvolk.
Hier een pop, daar een pop, heel veel peperkoekvolk.
Neem ze lekker allemaal. Zo uit de schaal.
 
Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik ken een hok gevuld met muziek.
Rijmend of ka-tsjingend. Vele als een uurwerk.
Kom mee naar binnen en dan gaan we aan het werk.


Bike
Pink Floyd, van het album
The Piper at the Gates of Dawn (1967)
Auteur: Syd Barrett