maandag 19 juni 2017

Cirkel

Daar ligt mijn moeder in een laatste zwijm
van dormicum, versneden met morfine.
Het slapen is voor haar tot een routine
geworden - ik vereeuwig haar in rijm.
  
Dit moeizaam ademhalend perkament,
mijn mammie, lijkt een mummie nu te zijn,
een Hatsjepsoet of Nefertiti: klein
en breekbaar en onpeilbaar onbekend.

Terwijl ik langzaam afscheid van haar neem
weerklinkt iets dat de zware rust bederft 
(want alles in het leven is gelaagd).

Mijn iPad, zie ik, legt op mij een claim.
Dus lees ik, drie kwartier voordat ma sterft
een mail van Jonathan: hij is geslaagd!

19 juni 2017


vrijdag 2 juni 2017

Kwansuis

(Mijn eerste blog is reeds lang afgesloten. Niet vrijwillig, maar door incompetentie van de host. Met frisse moed begon ik een paar jaar geleden aan De dwarse man versie 2. Zo nu en dan zie ik een aanleiding om een stukje uit de eerste reeks blogberichten opnieuw te plaatsen. In dit geval het voorkomen van het woord "kwansuis" in een stukje in het blog Raarlems Dagklad. Daar had ik in juli 2011 ook ooit een blogje aan gewijd...)

Toen ik laatst mijn moeder bezocht in het verzorgingshuis, zei ze over een verpleegster: ‘Die is een soort fotomodel. Ja, kwansuis hoor.’
Dat woord had ik haar wel vaker horen gebruiken en verder eigenlijk nooit iemand. Dus zocht ik het eens op. Eerst met Google: Kwansuis – Let op: Spelling van 1858 kwanswijs, geveinsdelijk, naar den schijn. Vooral “geveinsdelijk” vind ik prachtig. Dat ga ik zelf gebruiken. De van Dale geeft, naast de betekenis (in dit geval schijnbaar, of quasi) ook een soort etymologie: het oud-franse queinsi, of quanses. Zou het woord dus met de Hugenoten het Nederlands binnengedrongen zijn? Het klinkt mij als een nogal volkse uitdrukking in de oren. Dat kan kloppen, want mijn moeder is van de allerarmste Amsterdamse afkomst.

Ik besloot eens wat beter te luisteren naar haar uitdrukkingen. De meest opvallende die ze gebruikt is ‘Wat dat amputeert...’ Met als betekenis: “wat dat impliceert”, tenminste, dat nam ik oorspronkelijk aan. Googelen leverde echter tot mijn verbazing een vindplaats in de literatuur op die anders uitwees. In de novelle Stille Menschen uit 1890 van Justus van Maurik, geheel in Amsterdams dialect geschreven, komt het citaat voor “Berbertje zal wat dat amputeert, gerust op me neer kunnen zien, ik heb mijn woord gehouwen: Geen druppel, nooit!” De uitdrukking betekent dus veeleer “wat dat betreft”. Mijn moeder beheerst haar plat-Amsterdams niet meer! Ha!!

Ze refereert ook graag aan twee familieleden van “malle Eppie”, namelijk “gevluchte Lucie”, een vreemd vrouwwezen met een sterk verwilderd uiterlijk, en “achterlijke Sjennie”, wat zo ongeveer hetzelfde betekent als “malle Eppie”. Er zit, zeker in Sjennie, een zekere affectie verscholen in deze uitdrukkingen, en ook ik ben meermalen “achterlijke Sjen” geheten. De persoon van “gevluchte Lucie” komt uit de roman Der Gefängnisarzt oder Die Vaterlosen van Ernst Weiss, Mährisch-Ostrau 1934. Hiermee is het wat mij betreft zonder meer duidelijk dat de uitdrukking geïntroduceerd is door Oom Theo, die in die periode hoofdzakelijk Duits las. Over “achterlijke Sjennie” heb ik helemaal niets kunnen vinden. Ik weet dat Sjennie een bestaande voornaam is, maar naar wie het verwijst? Of is het een verbastering van “achterlijke Chinees”? De afstand van de Conradstraat, waar mijn moeder woonde, en de Binnen-Bantammerstraat, waar de Chinezen woonden is niet zo groot...

woensdag 24 mei 2017

Bargello

Palazzo del Bargello (midden)
Een museum in Florence op welks weerzien ik me bijzonder verheugd had, is het Palazzo del Bargello, dat in 1255 gebouwd werd als zetel voor de capitano del popolo. De 54 meter hoge klokkentoren, La Montanina moest de Florentijnen waarschuwen bij onraad. Een fraaie trap naar het balkon is van Nero di Fioravanti. Tot het midden van de 14e eeuw heeft het gebouw nog diverse uitbreidingen ondergaan. 
De trap van Nero di Fioravanti
Vanaf 1261 fungeerde het gebouw als zetel van de Podestà en vanaf 1502 zetelde de raad van justitie en de politie erin. In 1574 nam het hoofd van de politie, de zogenaamde Bargello, er zijn intrek en werd het paleis een gevangenis. Tot 1786 zijn er in de tuin van het paleis executies voltrokken. Nadat groothertog Pietro Leopoldo de doodstraf had afgeschaft, bleef het gebouw nog tot 1857 in gebruik als gevangenis. In 1865 werd het paleis gerestaureerd door de architect Francesco Mazzei. Met zijn harmonieuze oerkrachtige rust wordt het Palazzo del Bargello heden ten dage gezien als een mooi voorbeeld van de Florentijnse gotiek.

Ivoren miniatuur
Het gebouw ligt een beetje weggemoffeld in het noordoosten van het centrum, niet al te bekend bij de toeristenhorden en volledig gewijd aan beeldhouwkunst, kunstnijverheid en aardewerk, is het dan ook niet zo’n luidruchtig museum als de Uffizi. Ik was er bijna veertig jaar geleden geweest en was toen op slag verliefd geraakt op vooral de vele delicate kunstnijverheidsvoorwerpen in de vitrines. 
Broche van Cellini
Miniatuur reisaltaartjes van been of ivoor, bronzen beeldjes van drie centimeter hoog, prachtig bewerkt goud, geciseleerd en ingelegd met robijntjes, ivoren cameo’s in een lijstje van gedreven goud of geëmailleerd koper. Na de overkill van alle grote werken in Florence, was deze schaalverkleining aan het eind van de adembenemende zeventiger jaren een verademing voor me, toen ik nog jong was en onstilbaar hongerig naar indrukken alle attracties afrende.

Vogels van Giambologna
Lopen we door. Op de grote galerij richting Donatello treffen we de merkwaardige vogelbeelden aan van de Vlaamse beeldhouwer Jean Boulogne, geïtalianiseerd tot Giambologna. Weinig beeldhouwers hebben zulk gevarieerd werk gemaakt als deze maniërist. Naast een hele stoet neoklassieke goden vinden we in de tuin van de Villa di Pratolino in Vaglia, tien kilometer ten noorden van Florence, een onaards grote Neptunus getiteld L'Appennino: half mens, half berg en voorzien van allerlei gadgets. 
L'Appennino van Giambologna
Het complete arsenaal aan wansmaak van het maniërisme wordt uit de kast gehaald: gecontroleerde overwoekering door algen, mossen en derrie, labyrinten en bedriegertjes, waterorgels voor de scherzi d'acqua, niets wordt de pretzoekende post-renaissancist bespaard. Maar enfin, hier in het Bargello zijn er dus de vogels. De bezoeker raakt enigszins bevreemd.

Jonge David van Donatello
Iets verderop treffen we de hoofdattractie van het museum aan: mijn en ieders favoriet is de Jonge David van Donatello, maar ook het Vissertje van de laat negentiende-vroeg twintigste-eeuwer Vincenzo Gemito staat er en ook dat beeld heeft een hoge iconische betekenis. De Donatellozaal is van zichzelf al een heel indrukwekkende plaats gonzend van serene oerkracht.

Il pescatore van Gemito
Een reden om juist niet naar het Palazzo del Bargello toe te gaan, zoals mijn makker Fons scherp opinieerde, is de reusachtige overvloed aan aardewerk door de Della Robbia-clan. Luca della Robbia (1399/1400-1482), zijn neef Andrea (1435-1525), diens zonen Marco, Giovanni, Luca de Jonge, Francesco en Girolamo hadden het maken van kleurige, geëmailleerde terracottabeelden tot de familiespecialiteit gemaakt en het moet gezegd worden, het Bargello barst bijkans uit zijn voegen door hun werk. 
Andrea della Robbia, Fanciullo, ca. 1475
Sommige kleurige bas-reliëfs zijn beslist heel prachtig, maar het is bij mij net als in een museum voor oudheden met al die nogal op elkaar lijkende Griekse vazen: de precisie in mijn kijken is jaren geleden verdwenen en ik zie het er gewoon niet meer aan af. Melancholiek zoek ik soms nog naar die concentratie die ik eertijds kon opbrengen en waarmee ik – gids in de ene hand, toneelkijkertje in de andere, details zocht die me konden bevallen.

De uitgebreide wapencollectie op zolder lieten we voor wat die was. We gingen antipasti eten aan een pleintje.








woensdag 3 mei 2017

Pitti

Als allerlaatste schuifelde de wereldberoemde cellist Mischa Maisky het vliegtuig uit, zijn verweerde cellokoffer aan zijn zijde. Daarna werd er getankt en konden de passagiers voor Florence inchecken. De vlucht verliep een beetje onverwacht: er was teveel wind in Florence en de piloot twijfelde of hij kon landen. Na een half uur in de parkeercirkelstand en een paar ongekend scherpe bochten landde de kist ten slotte in Pisa, waar op Italiaanse wijze verder vervoer naar de bloemenstad georganiseerd was (niet dus).

De laatste keer dat ik in Florence was, was het november. De stad was toen aanzienlijk rustiger dan haar reputatie, maar het weer was dan weer niet zo geweldig geweest. Nu, einde april, was de drukte spectaculair groter, maar het weer niet vreselijk veel beter! De rijen voor Brunelleschi’s Duomo en Giotto’s Campanile besloegen honderden meters, de wachtenden voor de Uffizi, waar we de vorige keer gewoon naar binnen konden lopen, reikte bijna tot aan de Arno, de Ponte Vecchio kon je alleen betreden met een goed geslepen junglemes om de mensenmassa’s om je heen weg te kappen. Het was vooral: een stad vol kinderen. Het was alleen wat minder druk als het regende.

De ietwat verborgen ingang van Dante's Kerk
Noodgedwongen (maar niet onvoorbereid) wijdden we ons dus aan andere zaken: zo ontdekten we de Chiesa di Santa Margherita dei Cerchi, ook wel bekend als Dante’s kerk. Vreemd genoeg is daar niet de bard zelf, maar wel zijn aanbedene Beatrice begraven. De uit Florence verbannen Dante ligt in Ravenna en mag op grond van de middeleeuwse wet nog steeds niet in de stad herbegraven worden die hem ooit verbannen heeft. Er is een actiecomité dat hier tevergeefs tegen strijdt. Op het plein voor de kerk reciteerde een als Dante geklede acteur voor een gezelschap van Japanners met gezichtsmaskers en Italiaanse joeljeugd een hele reeks terzinen uit diens werk. Ernaast een afhaalluikje voor Florentijnse broodjes pens. Ook weer onafzienbare rijen.

We hadden ons een paar bezoeken specifiek voorgenomen. In ieder geval het Palazzo Pitti dat als front dient voor de steile Boboli-tuin, en tot de hoogste nokken gevuld is met vooral lokale schilderkunst. Veel tweederangs werk, maar ook wel degelijk een groot aantal topstukken. Schilderijen van Titiaan hingen er, van Rafaël en de moordenaar en schavuit Caravaggio, van Tintoretto, van de hypochonder Pontormo, van Botticelli, Filippo Lippi, Andrea del Sarto, Perugino en de merkwaardige Veneziaan Giorgione. Niet-Italianen waren schaars aanwezig, maar de geweldige Ribera, Diego Velázquez, Antoon van Dyck en Rubens kan men er aantreffen. En vooral heel veel van de Brabantse schilder Justus Sustermans, die met zijn vertrek naar Florence een droombaan wist te winnen als hofschilder van de Medici.

Het gebouw zelf is, net als zoveel bouwwerken uit de Florentijnse renaissance, niet echt mooi. Op een sombere dag zou ik het zelfs uitgesproken lillik noemen. Bruut, overgroot, bedreigend en zelfs in de gouden zon en de diepblauwe lucht van de Toscaanse lente bepaald somber. Palazzo Pitti werd in 1458 naar een ontwerp van de bouwmeester van de Duomo, Brunelleschi gebouwd als residentie van de machtige bankier Luca Pitti. Na 1549 kwam het in bezit van de Medici. Cosimo I De' Medici liet de door Dan Brown beroemd geworden Corridoio Vasariano bouwen: een verbindingsgang tussen het Palazzo Pitti en het Palazzo Vecchio. Nog weer veel later werd het paleis de verblijfplaats van Napoleon Bonaparte. We bezichtigden zijn badkamer. Na de eenwording van Italië was Florence enige tijd de hoofdstad van het land en het paleis de residentie van de Italiaanse koninklijke familie. We stonden in de troonzaal, direct gelegen naast de muziekzaal met uitzicht op het amfitheater in de Boboli-tuin.

Florence is een volle stad. Iedere dag is er iets anders te zien.


Badkamer van Napoleon

donderdag 20 april 2017

Honger in Rotterdam

Ik heb het al eerder benadrukt: wie naar Rotterdam reist, wordt onherroepelijk geconfronteerd met architectuur. Het ene ambitieuze project lost het andere af. Torens gaan de hoogte in, scheve en brutale gebouwen wenken je in de straffe zuidwestenwind. Een ontworpen stad is Rotterdam, met dank aan de Duitsers.

Het is leuk om de architectonische nieuwbouw te vergelijken van Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Die van Amsterdam speelt zich uiteraard voornamelijk af aan de rand van de bebouwing. Veel van de nieuwe gebouwen in het centrum, aan de Prins Hendrikkade, rond de ringspoorweg of in stadsdeel Noord blijven, hoewel ze zeker niet kleinschalig te noemen zijn, redelijk behapbaar. Door gebruik van veel baksteen en andere vriendelijk ogende materialen blijft de menselijke maat (daar is-ie-weer!) aanwezig.

In scherp contrast hiermee lijkt de Haagse stijl wel een beetje verdwaald en op zoek naar een identiteit. Ik vind die nieuwe architectuur van Den Haag niet spannend, ook niet troostend of rustgevend. Bestaat er zoiets als verongelijkte architectuur?

De Rotterdamse architectuur is veel spannender, avontuurlijker en brutaler. Niet in het minst doordat hier juist het centrum volgezet wordt. Door het bombardement van 1940 is er een unieke kans ontstaan om een nieuwe stad te ontwerpen en dat wordt nu, na een wat naargeestige periode in 1950-1980, flink ter hand genomen. Het ene fantastische gebouw tuimelt over het volgende. En hoewel ik werkelijk geen liefhebber ben van moderne architectuur moet ik toegeven dat die tomeloze levenskracht van de Rotterdamse nieuwbouw me wel vrolijk maakt.

Eén gebouw dat we per se wilden bekijken tijdens ons Rotterdam-weekend was de Markthal. Veel over gelezen natuurlijk – lovende beschrijvingen in de krant te over – maar tot op heden nog nooit bezocht. En ondertussen was het nieuwe ervan af, sleetse plekken leken zich te tonen. ‘Ga daar maar niet naartoe,’ werd ons geadviseerd, ‘het zal lelijk tegenvallen.’ Het zou er tochten gelijk de neten, er zouden tientallen kale plekken zijn waar kraamhouders de pijp aan Maarten hadden gegeven, je zou er struikelen over de drommen volk uit oost en west en alles zou er veel te duur zijn. Daar bleek allemaal niets van waar te zijn. Het was een vrolijke mengelmoes van exotisch en nuchter Hollands, een enkele lege plek viel niet echt op, er was een samballerie die tientallen, ja, een half honderd verschillende sambals verkocht die je allemaal mocht proeven: van zoet tot ondraaglijk heet. Tientallen restaurantjes, sommige (zoals dat hoort) op verhogingen midden in de hal, lokten ons. We kozen uiteindelijk voor een pintxos-bar.

Alle onheilsboodschappen van goedwillende vrienden ten spijt dus, heb ik intens genoten van dit architectonisch wonder: een woonflat in de vorm van een poort, met een one-stop microkosmos in zijn ingewanden. Ik vond het schitterend.


Aan de andere kant van de stad, in Katendrecht is ook een markthal, de Fenix Food Factory. Deze is ook heel leuk, maar wel totaal anders. Een beetje alternatief, rommelig in een oud havengebouw gepropt, met de industriële resten open en bloot. Veel linkse gezinnetjes, rastakoppen en bluesmensen. Ach, ik hou nu eenmaal van overdekte voedselmarkten. In Madrid en Florence, in Amsterdam of hier, in die rare stad, de geboortestad van mijn vader, hier in Rotterdam.



zondag 16 april 2017

Raadselreiziger


Niet weten wat je wilt is een vreselijke eigenschap die alleen dan enigszins vermag vreugde te bereiden, wanneer je geld hebt om je besluiteloosheid vorm te geven door op slag je plannen rigoureus te veranderen, zonder daardoor meteen in al te netelige financiële problemen terecht te komen. Zo hadden F. en ik nadat we in één ruk in Kopenhagen waren aangekomen, besloten dat we toch liever naar het zuiden wilden. In het holst van de nacht en met nog iets meer dan een halve druppel benzine in de tank, hadden we de rand van Keulen bereikt. Heuvelafwaarts waren we tot aan een benzinestation gerold, terwijl we ons uitgebreid verbaasd hadden over de imposante smakeloosheid van de Keulse buitenwijken.
Als we nu over voldoende geld zouden hebben beschikt, zouden we ons direct naar een comfortabel, zij het saai handelsreizigerhotel hebben begeven, maar een chronisch geldtekort en ons overmoedig voornemen om hoe dan ook een wezenlijk deel van onze beperkte fondsen achter te laten in het deftige casino van Baden-Baden, had ons doen besluiten desnoods de ergste gribus te accepteren, zolang de prijs voor logies met ontbijt niet de DM 20,- te boven zou gaan.
‘Dergelijke hotelletjes zijn vaak ook nog eens veel interessanter dan de normale, burgerlijke gelegenheden,’ had F. nog gezegd, wel met twijfel in zijn stem. Ik had slaap. Ik vond alles best.

Uiteindelijk vonden we een soort jeugdhotel dat gehouden werd in een oud en zo op het oog nauwelijks omgebouwd ARAL-tankstation. De uitbater was een man van in de veertig met ongelooflijk veel haar overal, een intens wantrouwige blik en een penetrante oriëntaalse geur om hem heen, veroorzaakt door knoflook en kardemom. We hoefden geen pas te laten zien, konden meteen naar boven, maar ‘reken maar niet op ontbijt.’ Daarvoor betaalden we dan ook slechts zeven marken per persoon.
Na het bedrag betaald te hebben overlegden F. en ik of we de koffers wel of niet mee naar boven zouden nemen. F. gaf er de voorkeur aan ze in de auto achter te laten in verband met “het uiterst onbetrouwbare uiterlijk” van de uitbater en zijn nering. Ik kreeg de indruk dat F. zelfs van plan was volledig gekleed te bed te gaan, teneinde in noodgevallen ogenblikkelijk de aftocht te kunnen blazen zonder voorafgaand gezoek naar verspreid ondergoed en brillen.
Het licht van de trap deed het niet. Op de tast vonden we de deur die zich, zoals de herbergier reeds had beloofd, aan het eind van de gang bevond. Bij het licht van mijn aansteker ontwaarden we het met viltstift op de deur geschreven cijfer “3".
Ook in kamer 3 deed het licht het niet. Bij een zeer bleek maanlicht sloop ik naar een nauwelijks te onderscheiden bed, terwijl F. tevergeefs probeerde de deur op slot te draaien. Mijn bed was niet veel meer dan een matras in een houten kist met een oud en levenloos dekbed. Verderop beklom F. een wankel, piepend, gietijzeren ledikant uit lang vervlogen tijden. Ik was langzamerhand tot F.'s standpunt over gaan hellen betreffende de nachtelijke dress-code. Ik was blij dat we besloten hadden de bagage in de Ford Fiësta achter te laten.
Gewoonlijk kost het me geen enkele moeite om in een diepe slaap te verzinken zodra ik een rustplaats van welke aard dan ook onder me weet en ook deze keer, in het goedkoopste spuitershotel van Keulen duurde het slechts vijf minuten alvorens zich lichtende ballen, weke vliegtuigen, glooiende grasvelden en blote vrouwen aan mijn geestesoog begonnen te manifesteren. Dát stadium, derhalve, was aangebroken, dat door het geringste onverwachte geluidje tot hartkloppingen en paniek kan verworden, hetgeen daadwerkelijk ook gebeurde. Ik liep door een opalen gang met deuren van vlinders en zilver en de kleur van vrede, toen een kuch van F. en een zwakke echo daarvan me klaarwakker en met pijnlijk bonzend hart rechtop in mijn bed deed zitten. Ik trachtte met mijn blik het diepe zwart van de kamer te doorboren en vroeg me af of ik nu één, of twee kuchjes gehoord had. Toen klonk uit het duister de stem van F.: ‘Zei je wat?’
Terwijl ik mijn hoofd schudde klonk in de verre hoek van de kamer gestommel, gevolgd door een stem die ‘Entschuldige’ mompelde, waarna een schemerlampje aangeknipt werd. Pas nu bleek dat het vertrek minstens twee maal zo groot was als we hadden aangenomen. In onze kamer bevonden zich nog twee bedden, waarvan één beslapen. Dat had de harige exploitant niet de moeite van het vermelden waard gevonden. In het bed lag een jongeman met een klein, fijn gezicht, die met nietsziende, koolzwarte ogen de duisternis in staarde, tot hij een uilenbrilletje met ronde glazen op de neus zette en in het vage schijnsel van zijn bedlampje ons ontwaarde.
‘Gutenabend.’
Ik was te beduusd om iets van de werkelijkheid te beseffen en had bovendien een nog altijd opstandig galopperend hart te temmen, maar F., die koele kikker, wist in vrij aanvaardbaar Duits te vragen wie hij was en wat hij godver de godver in onze kamer deed?
‘Mijn naam is Walther von Horvath en ik logeer hier, net als jullie.’
Hij leek van onze leeftijd te zijn, midden twintig. Zijn in T-shirt gehulde gestalte glipte uit bed en bereikte een lichtknopje dat wij over het hoofd gezien hadden. Toen de kamer dan ten slotte min of meer verlicht en Walther von Horvath terug in zijn bed gekropen was en een Gauloise had aangestoken begon ik langzamerhand wat rustiger te worden, vooral doordat ik eindelijk wist hoe mijn omgeving er in werkelijkheid uitzag. Zelfs bleek ik in staat tot het draaien van een sjekkie zonder al te veel bobbels erin.
Zoals gezegd, de kamer was een stuk groter dan we eerst hadden gedacht. Naast de vier bedden stonden er een groot dressoir en twee klerenkasten, alsmede drie matrassen, zeer merkwaardig rechtop in een hoek gepoot. Het was dus eigenlijk meer een slaapzaal/opslagplaats dan een hotelkamer.
Von Horvath tastte onder zijn fantastische geloogd eiken bed en haalde een - nee, niet een pistool - een fles drank te voorschijn, wees op een tweetal keukenstoelen en nodigde ons uit een consumptie van hem te gebruiken. F., die geen alcohol drinkt, draaide zich na een korzelige verontschuldiging met een knor om, zonder twijfel nu met portefeuille en paspoort stevig in de knuist geklemd. Dus begaf ik me alleen naar Von Horvath. De fles bleek Metaxa brandy te bevatten die ik me, gedronken uit een plastic spoelbekertje, goed liet smaken. Naar omstandigheden zelfs opmerkelijk goed. Zwijgend rookten we een poosje. Toen vertelde Von Horvath dat hij al drie maanden in die kamer woonde, dat de meeste mensen het vervelend vonden dat er nog iemand op hun kamer logeerde, en dat niemand zich afvroeg hoe hij, Walther, er eigenlijk tegenover stond, want hij woonde er het langst en goedbeschouwd had hij toch de oudste rechten, vond ik niet? En of hij het leuk vond dat steeds nieuwe gezelschappen zijn nachtrust kwamen verstoren, niet dat hem dat iets kon schelen, maar ze zouden op zijn minst toch even kunnen informeren, nietwaar?
Ik vroeg of hij van adel was.
‘Van adel? Wat een zotte vraag! Ja, ik dacht van wel, maar wat doet het er toe?’ Ik vertelde hoe F. en ik vorig jaar in Trier onderzoek hadden verricht naar mijn voorvaderen, die volgens een oom met een grote fantasie daar in de 13e of 14e eeuw een klein vorstendom zouden hebben gehad. Als dat zo was, was het grondig verdwenen, want er woonde niet één Eckstein, Eksteen, Ecckestein of Heckstein in Trier. (‘Dat is maar goed ook,’ zei von Horvath, ‘dan had je middagen lang taartjes moeten eten met geborneerde Trierer middenstanders die je nog nooit ontmoet had, en ook nooit had willen ontmoeten.’ Bovendien, wie wil er van adel zijn? Was de wereld niet al veel te edel, hè? Nou?)
Wat of hij deed, wilde ik weten.
‘Ik ben Rätsler’ Ik hield mijn kop schuin en kneep mijn ogen dicht. “Huh?’
“Rätsler, raadselmaker. Ik maak raadsels.’ Hij schonk zich nog eens in en verduidelijkte: ‘De opgaven voor quizzes of puzzels in de krant groeien niet aan de boom. Iemand moet ze bedenken. Nu, dat doe ik dus. Ik ben raadselreiziger.’ Een beroep dat ik in gedachten direct toevoegde aan het illustere lijstje: rattenvanger, cruisefilosoof, matrassentester, odedichter bij de NASA en kwartjesvinder, betrekkingen uit Duckstad die ik zelf in mijn leven serieus ambieerde.
Al zuigend aan zijn sigaretten die hij ketting bleek te roken, vertelde Von Horvath op merkwaardige wijze zijn levensverhaal: hoe hij op negenjarige leeftijd als schaakwonder zijn geboortestad vertegenwoordigde, tot hij plotseling op zijn veertiende niets meer van het spel begreep. ‘M’n hersenen liepen zomaar weg, joh, in stroompjes uit m’n neus en m’n oren. Vieze bende. Drie dagen poetsen en schoonmaken en nog bleef je het zien op de vloer.’
Vervolgens was hij zich bezig gaan houden met de Grote Levensvragen, ‘tot ik ontdekte dat het slimmer was om de vragen te stellen dan ze te proberen te beantwoorden. Ik ging me van alles afvragen: waarom worden muren wel, plafonds juist niet behangen? Uit hoeveel onderdelen bestaat Griekenland? Als je onder iets doorloopt dat wel lijkt op een ladder, maar niet als zodanig is ontworpen, heb je dan toch ongeluk? Verandert het feit dat iemand hem wel of niet als ladder gebruikt daar iets aan? Waarom heeft een sok geen vingers? Als je een ideale eenvoudige knoop legt in een touw van precies één centimeter dikte, hoeveel korter wordt dat touw dan? Hoe spoelt badwater weg op de Evenaar?’
Walther was veel te jong getrouwd en rampspoed begon toe te slaan: ‘Mijn lieve vrouw rende er na een paar maanden vandoor. Ik had een gezellig vuurtje gebouwd van haar garderobe en dat vond ze niet fijn. Ach, ze had wel gelijk natuurlijk, dat was een rotstreek.’ Hij sloot zijn ogen en stak nog een Gauloise op. ‘Ik verkeerde een tijdje in de waan dat ik binnenste buiten leefde. Het was me allang duidelijk dat ik een beetje getikt was, maar ik aanvaardde dat. Ten slotte was ik geen griezelig geval met schreeuwen en hoofden tegen muren beuken.’
Dus mocht hij snel weer weg uit het gekkenhuis. Net tweeëntwintig geworden. ‘En goddank nog steeds niet helemaal goed bij het hoofd. Hoe vind je deze: Ik weet dat ik op Malta ben of op Gozo. Ik weet voorts dat de Maltezers altijd liegen, en de Gozanen altijd de waarheid spreken. Met welke vraag kom ik er achter waar ik ben?’
‘Is dat niet iets met: wat zal de ander antwoorden als ik hem vraag of jij liegt?’ probeerde ik.
‘Oh nee. Veel simpeler.’
Een half jaar geleden werd zijn woning onbewoonbaar verklaard. Het moest zo snel mogelijk gesloopt worden. ’Op zekere dag was mijn arme huisje gevuld met nors nee-schuddende meneren en mevrouwen. Het huisje weende met grote tranen op de ramen. Toen ben ik maar gaan raadselreizen. Mijn hoofd was ook niet gelukkig, maar dat is toch niets vergeleken met het leed van mijn huisje. Een hoofd is veel kleiner.’
Nog uren lang vertelde Walther over zijn levensvragen (wat is de absoluut eerlijkste manier waarop drie boeven hun ongelijkvormige buit verdelen?), zijn uitvindingen (apparaat voor geluidssynchronisatie van heimachines, in te stellen tot 500 meter) zijn zeer gunstig ontvangen dichtbundel (ach, het bekende gelul, je weet wel...) en zijn leven. Toen hij niets meer wist te verzinnen was de fles leeg, en begonnen de contouren van de dageraad een raam te suggereren. Ik zag dubbel en rilde. Walther knikkebolde en sprak, zo leek het, op de automatische piloot. Zonder iets te zeggen hees ik me van de harde stoel en met een pijnlijke rug sleepte ik me naar mijn bed. In het voorbijgaan knipte ik het licht uit. Walther murmelde nog wat door, zweeg toen.
De volgende ochtend was zijn bed verlaten en tijdens het afstropen van ons beddengoed vertelde de werkster dat Wallie al vroeg op weg gegaan was, zoals gewoonlijk. Waarheen? ‘Dat weet niemand. Irren’, dwalen, meende ze.
Er stak een briefje onder de ruitenwisser van de auto met daarop: ‘Vraag aan iemand: “woont u hier?”. Op Gozo zal een Gozaan “Ja.” antwoorden, een Maltees “Ja”, want hij liegt altijd. Op Malta zal een Gozaan “Nee” antwoorden, en een Maltees “Nee”, want hij liegt altijd. Ach, was alles in het leven maar zo eenvoudig. Groetjes van Walther Graf von Horvath.’
Pas veertien jaar later zag ik hem weer; nu op de televisie als een vooraanstaand lid van de Grüne Partie. Hij sprak een grote groep aanhanger toe in een circustent. Hij had geprononceerde Geheimratsecken en praatte met vermoeid ongeduld. Hij had helemaal geen vragen meer, alleen maar antwoorden. Hij noemde zich Walther Horvath en zag er saai, tevreden en diep ongelukkig uit.
Tot op heden heb ik niemand ontmoet die voor mij het raadsel van het touw kan oplossen, of zelfs maar een meetkundig model kan produceren waarmee het probleem aangepakt kan worden. Walther had het al gezegd: ‘De eenvoudigste problemen zijn het moeilijkst op te lossen.’

(1987?, herzien 2017)

donderdag 30 maart 2017

Museumbezoek in Rotterdam

Dalí aan de lijn
We waren in Rotterdam met als officiële reden de tentoonstelling Gek van Surrealisme; uit de collecties van Roland Penrose, Edward James, Gabrielle Keiller en Ulla en Heiner Pietzsch in Museum Boijmans van Beuningen. De tentoonstelling was ingericht per collectie en aangezien er nogal wat overlap was, kon je de werken van Dalí, Ernst, Magritte, Miró, Duchamp, Tanguy en anderen telkens opnieuw tegenkomen. Het was kwalitatief een goede tentoonstelling met veel topstukken. Mij beviel Yves Tanguy het meest, met zijn sciencefiction-achtige werken: ideale boekomslagen voor de legendarische Meulenhoff-reeks. Verder werd ik plezierig verrast door twee vrouwen: Leonora Carrington en vooral de bizarre Dorothea Tanning. Paul Delvaux met zijn ietwat zorgelijke, gefrustreerde magisch realisme beviel me, zoals gebruikelijk, het minst.

Dorothea Tanning - Eine Kleine Nachtmusik (1943)
Wat me opviel was hoe klein de pool van kunstenaars van het surrealisme eigenlijk is. Zijn het niet altijd dezelfde tien of vijftien namen? Zelfs nu werden er al kunstenaars met de haren erbij gesleept. Want was Duchamp wel een surrealist? Picasso? De Nederlanders vielen blijkbaar buiten het blikveld van de verzamelaars: er was geen Willink of Melle te bekennen. Er hingen in een achterafzaaltje wel wat Nederlanders maar erg bijzonder was het niet.

Mijn belangstelling ging vooral uit naar het kwadrant over Roland Penrose. Zelf bepaald geen groot kunstenaar, was hij een leidende kracht achter het surrealisme. Bevriend met Paul en Nusch Éluard, Man Ray en Pablo Picasso, en bovendien redelijk gefortuneerd, kon hij een heel complete verzameling opbouwen. Vooral toen hij voor 1500 pond ruim honderdvijftig schilderijen van Éluard kon overnemen. Ik ben helaas weinig nieuwe zaken met betrekking tot Sir Roland te weten gekomen – niet dat het de tentoonstelling erom te doen was om mijn belangstelling voor hem en zijn vrouw Lee Miller te voeden!

De dag erna bezochten we in de Kunsthal de tentoonstelling van hyperrealisten. Ik had me daar van te voren weliswaar niet zo verschrikkelijk veel van voorgesteld, meer het leek een aardig divertissement. Lichte kost in het knisperende vroege-lente-licht van de Maasstad.

Krijg ik trek van Tjalf Sparnaay?
Men weet al wat ik vind van architecten in het algemeen en van Rem Koolhaas in het bijzonder en het zal dan ook geen verbazing wekken wanneer ik zeg dat me de hele filosofie, de hele doelstelling van zijn architectonische kunst ook hier weer heel doorzichtig en onsympathiek voorkwam. Een gebouw moet blijkbaar jeuken, een beetje te strak in de schouders zitten, liefst met een naadje dat kriebelt. De Kunsthal laat zich bijvoorbeeld niet gemakkelijk betreden. Aan de grote weg (de Westersingel) ligt wat lijkt op een pontificale hoofdingang, maar dat blijkt bedotterij te zijn. Via die namaakhoofdingang wordt de bezoeker een vrij steil aflopend, betonnen pad af geleid, waarna hij of zij zich plotseling in de Museumtuin blijkt te bevinden, tussen de Kunsthal en Museum Boijmans. Ook daar is er geen hoofdingang te bekennen. Dan maar zonder resultaat om het gebouw heenlopen. Uiteindelijk blijkt een onooglijke glazen deur die naar een soort restaurant/museumwinkeltje leidt de gezochte entree te zijn. Is men eenmaal doorgedrongen tot de buik van het gebouw, is het ook nog weer een route vol onduidelijkheid en irritatie en trappen die treden van net het verkeerde formaat hebben. Uiteindelijk vind je dan bijna per ongeluk de tentoonstellingsruimte. Zucht. Het gebouw is weer lekker in discussie gegaan met de omgeving. Al vind ik de manier van discussiëren van Koolhaas’ bouwwerken wel verdacht veel op sarren en zuigen lijken.

Maar goed, we kwamen niet voor het gebouw, maar voor de hyperrealisten. Of zoals Emily Ansenk, de directeur van de Kunsthal in het voorwoord van de begeleidende catalogus, getiteld Hyperrealisme, zegt: fotorealisten. Ze voegt eraan toe: ‘In deze publicatie is ervoor gekozen om de term fotorealisme aan te houden en deze niet af te wisselen met hyperrealisme.’ Prima, maar hoe zit het dan met de titel van het boek? 

Ben Johnson, The Rookery (1995)
Fotorealisme dus. Wat ervan te vinden? De meeste kunstwerken zien eruit alsof ze met engelengeduld, indrukwekkende materiaalbeheersing, onvoorwaardelijke toewijding en koppig uithoudingsvermogen vervaardigd zijn, en zeker: vreselijk knap werk is het geworden, neurotisch, soms op het psychotische af. De obsessief gedetailleerde doeken van Ben Johnson vallen wat mij betreft bijna in de categorie outsider-art. Want is dit niet een soort artistiek autisme?

Wat me vooral opviel is de volstrekte liefdeloosheid van de schilderijen. Het is de bedoeling om niets te bedoelen. In deze is er denk ik verwantschap met minimal music en met de nouvelle roman, waar engagement en esthetiek ook rigoureus worden opgeofferd aan objectiviteit en neutraliteit.

Bij mij heeft dit alles het befaamde Chinese-restaurant-effect tot gevolg: de honger wordt niet gestild. Hoe kunstig en vol toewijding het ook gemaakt is, hoeveel lange dagen de schilder ook gewerkt heeft aan zijn doek, het bleef wat mij betreft fast food voor het oog. Ik dacht: “Wat ontzettend knap." Ik dacht: "Wat ontzettend zinloos.”

In het Grieks-Orthodoxe kerkje naast het museum werd door een diepe bas hartverscheurend mooi gezongen. We zijn even blijven luisteren.