zondag 5 augustus 2018

Frans Crabbendam (1956-2018)



Het kon gebeuren dat op een doodgewone woensdagavond de telefoon ging. Frans’ vrolijke, ietwat nasale, klaterende stem weerklonk.
‘Maestro, heb jij wat te doen, de komende dagen?’
‘Niets bijzonders.’ We spreken over de tachtiger jaren. In die tijd was ik, zeer tot mijn genoegen, langdurig werkloos.
‘Nou, het zit namelijk zo: ik heb mijn auto weer ingeruild voor een nieuwe en wilde hem een beetje uitproberen. Effe voelen hoe de koppeling zich gedraagt, even honderdtachtig op de Autobahn, een pittig bergje op, je weet wel.’
Ik moest dan lachen. Ik wist zeker wel, het was namelijk bepaald niet de eerste keer. ‘Ik heb er zin in, maestro.’ Frans schatergrinnikte zoals alleen een volledig opgeruimd mens kan schateren en grinniken tegelijk en zei: ‘Prima, dottore. Zeg maar waar we heen gaan. Ik heb tien dagen.’
En dan reden we de volgende dag rond zes uur ‘s ochtends Amsterdam uit om dertien uur later in Tremezzo achter de pasta alle vongole te zitten. In de schemering, aan het Comomeer, pal tegenover de onwaarschijnlijke sprookjesstad Bellagio.

Ik leerde Frans kennen in 1968. Op de eerste dag van mijn middelbare schoolcarrière werd me een plaats toegewezen op het tweede bankje rechts en naast me kwam een rossige jongen te zitten die vreselijk worstelde met de baard in de keel. Hij piepte. Ik was zo ongeveer de enige in de klas die hem daar niet mee pestte, dus een vriendschap was gesmeed. Het bleek dat we een paar interesses deelden: schaken, rare popmuziek. En Italië. Italië in het bijzonder. Hoewel hij een jongen was van Amsterdam-West, en er hoegenaamd niets exotisch aan hem, noch zijn vader te ontdekken viel, was de geschiedenis van de familie diep vervlochten met dat land. Zijn vader had de eerste twintig jaar van zijn leven in Noord-Italië doorgebracht, Tante Jopie had een hotel in Donato en Frans begaf zich door Italië alsof hij er woonde.

In heel veel opzichten verschilden Frans en ik enorm, zodat de rest van mijn vriendenkring maar niet begreep waarom ik toch steeds met hem bleef optrekken. De waarheid was dat Frans me normaal hield. Hij was de gezonde nuchterheid zelve in een tijd waar je middelbare-schoolstatus voor een flink deel bepaald werd door de lengte van je haar en de buitenissigheid van je hippielaarzen. Ik deed volop mee, rookte braaf hasj en dronk braaf zoete witte wijn en Martini vermout, maar Frans moest van al die onzin niets hebben en bij hem schaakten we, of we speelden tafeltennis op een minuscuul eettafeltje, met vier rechtop gezette boeken als netje. Hij draaide van de radio opgenomen muziek op zijn krakkemikkige taperecorder. Het soort schaak dat we speelden was van een afgrondelijk niveau, wat met name voor hem een schande was, want zowel zijn vader als diens broer hadden in de decennia ervoor tot de Nederlandse subtop gehoord. Vader Crabbendam kwam wel eens de kamer in en zag dan ons geknoei hoofdschuddend aan.

In de periode tussen 1978 en 1993 maakten we zeker twintig vakantiereisjes samen, naar Engeland, Denemarken, Duitsland, België, Frankrijk en Zwitserland. Maar vooral naar Italië. Ik ben de tel kwijtgeraakt maar in wat toch waarschijnlijk wel een dozijn reizen moet zijn geweest, hebben we geheel Noord-Italië bezocht, stadje voor stadje. Overal melig en barok commentaar leverend, voelden we ons in de schemering van Cremona, de slaap van Mantova, de schittering van Milaan of de bonkige middeleeuwsheid van Volterra evenzo thuis als in de druistige nervositeit van Florence, dat toen nog niet autoluw was, of de intimiderende drakenlandschappen van de Dolomieten. Al die jaren was er maar één plaats die ons tegen was gaan staan en dat was Turijn, vooral waarschijnlijk omdat daar de auto opengebroken was en mijn gettoblaster ontvreemd. Trouwe lezers van mijn blog zijn Frans al een paar keer tegengekomen: in dit deels fictieve verhaal, of hier bijvoorbeeld, compleet met zijn internationale familie. Maar hij reisde ook in andere verslagen van Italiëreisjes stilletjes en op de achtergrond mee.

Frans was een gokker. Een reisje was niet compleet als er niet een casino of twee bezocht konden worden. In zijn achterbak had hij altijd een net overhemd en een stropdas liggen, zijn werkkleding. Ikzelf was niet zo op dat gokken (ik had chronisch te weinig geld, maar was ook meer van het pokeren, een behendigheidsspel immers), maar de casino’s van Baden Baden of Campione heb ik wel van binnen gezien. In Salzburg scheidden onze wegen kortstondig: terwijl ik het Mozarthuis en de rococo binnenstad bezocht, toog Frans naar het plaatselijke casino. Vier uur later hadden we rendez-vous bij de auto. ‘Zo,’ zei Frans handenwrijvend, ‘dat waren een paar goed bestede uurtjes: ik heb m’n hele vakantie eruit, en zelfs nog wat extra! Vijftienhonderd guldentjes gewonnen!’ Een scherpe steek van jaloezie ging dwars door me heen, tot hij vervolgde: ‘Ik denk dat ik nu voor het lopende boekjaar weer onder de tienduizend verlies ben gezakt!’ Later ging hij op de beurs speculeren en nog later zat hij nachten lang online te pokeren. Ik snapte daar niets van en snap er nog steeds niet veel van. Misschien wilde Frans, griffier bij het Paleis van Justitie, diep in zijn hart wel helemaal niet zo verstandig, nuchter en normaal zijn!

Onze reisjes hielden op in het begin van de negentiger jaren. We kregen beiden relaties en uiteindelijk ook allebei een kind. Frans bleef wel een fanatiek reiziger. Met zijn vrouw Simone, die hij in Nepal ontmoet had, en zijn dochter Linda heeft hij heel Azië en de Verenigde Staten afgereisd. Las Vegas was een favoriet reisdoel, maar ook Hong Kong of Singapore. Nog in maart van dit jaar poseerde hij maar weer eens met de Mount Everest op de achtergrond.

Ik heb hem voor het laatst gezien in mei. Hij was broodmager geworden, maar er was niets aan de hand, vertelde hij. ‘De dokter heeft niets kunnen vinden, dus is het afvallen een soort bonus, zullen we maar zeggen.’ Stomme, argeloze kloot die ik nu eenmaal ben, accepteerde ik dit kletsverhaaltje zonder meer. Of Frans echt dacht dat er niets aan de hand was, weet ik niet, maar ikzelf had me veel meer zorgen moeten maken. Op 17 juli is hij na een kort ziekbed aan een acuut alvleesklierfalen bezweken. Voor iedereen toch nog volkomen onverwacht. Het heeft bijna drie weken geduurd voordat ik iets over hem heb kunnen schrijven. Ook al liepen we de laatste jaren elkaars deur niet meer plat, ik mis mijn reismakkertje heel erg. Het is moeilijk me het leven voor te stellen zonder zijn opgewekte stem. Mensen als Fransje gaan niet dood, dat hoort niet!

vrijdag 6 juli 2018

Drie nieuwe gedichten


De grootste structuur in het hele heelal

De grootste structuur in het hele heelal
drijft hier lui in het slootje langs het huis.
Hoe dat kan? Ik snap er ook niets van – het
schijnt iets met het licht van doen te hebben,
hoe de schaduw van een zieke els een floers
van zacht en zangerig onbegrip in het veelal
rimpelloos blijvende, duistere water van die sloot
geniepig injecteert. Hoe dan ook, ’t is niet pluis.
Waar sterrenstelsels een haast verwaarloosbaar
klein menigtetje vormen, gravitas suggereren
die er niet is, daar maken slootvlooien werk
van het echte licht, en schaduwen dansen dankbaar.



Ik val niet ik vlieg
“The knack of flying is learning how to throw yourself at the ground and miss." (Douglas Adams)

Net zoals een ongemerkt moment van niets plots iets wordt, even-
wel nog steeds niet opgemerkt wordt,
wordt mijn onbeholpen manier van vliegen
lang niet altijd naar waarde geschat.
Ik houd daarvoor de ogen en hersenen
van al mijn mede- en tegenmensen verantwoordelijk.

Lopen? Maar... lopen?

Wat is dat ja, dat korte, wankelende net niet vallen,
dat telkens net op tijd je leven redden, keer
op keer in monotone regelmaat
het neerstorten doen stoppen?

Vermoeiend? Ja… vermoeiend! Vandaag
was zuster zwaartekracht minstens tien procent groter
aanwezig dan gisteren.



Verwoordbaar (maar eigenlijk de dood, natuurlijk)

Onverwoordbaar is de stille pijn die allen escorteert.
Uitgesproken pijn is juist oververwoordbaar.
Kan ik die pijn door woorden onderwerpen? Stillen soms?
En welke pijn is dan het meest verwoordbaar? Bliksems!

Het lukt niet. Het blijkt dat alle pijn mijn ziel blijft kwetsen.
Niks is verwoordbaar. Waar valt tot alfabet uiteen abstracte pijn?
En moet ik voortaan, ondoorzichtig ook, gaan trachten
machteloos gelach van woorden te doorgronden?

Wat is het boze weer weer onweer barend,
wat sist de tondel in mijn kist met woordvoorraad:
het knettert dat het heilig is, jij, zij, ik.
Ik. Ik. Ik. Ik. Voornaamwoordelijkheden knallen uit elkaar.

dinsdag 5 juni 2018

Van het voetstuk


Boeken waren er altijd meer dan genoeg. Omdat mijn vader bij uitgeverij Querido werkte (hijzelf zei: ‘Kerido’), hadden we bijvoorbeeld de complete Salamanderreeks staan, in een laag boekenkastje onder de vensterbank. Zoiets stimuleert enorm, als je 12-13 jaar oud bent, vooral omdat mijn vader zo slim was geweest om me bepaalde boeken te verbieden. Zo las ik, waarschijnlijk voor mijn tijd, Alain Fournier, en Raymond Radiguet, maar ook smeuïge soft porno (vergeten hoe dat heette. Of was dat Olivia, door Olivia?)

Wat vader me wel aanried, waren een paar jeugdboekjes van Leonhard Huizinga: Twaalf maal Hieronymus, en Twaalf maanden Joost. Veel vond ik er niet aan, maar ach: lezen was lezen.

Verderop in die Salamanderkast ontdekte ik van diezelfde schrijver een trilogie over Adriaan en Olivier, en dat vond ik aanmerkelijk leuker. Sterker, ik was in de leeftijd dat ik grappen als “Geef eens een kopje.” “Nee, ik ben geen kat.” onbetaalbaar en geniaal vond. Een dag of twee later zat ik uit te buiken van de drie delen melige studentenhumor, en begreep ik dat het op was. Oh die kou, die leegte! Mijn vader bevestigde dat het bij deze drie deeltjes gebleven was. Van de weeromstuit begon ik maar weer aan deel 1. Maar hij had zich vergist!

Mijn oom Theo, toen al in de zeventig, bewoonde als weduwnaar een rommelig pand aan de Zeeburgerdijk. Hij had zijn huis allengs volgestouwd met boeken, sedert de dood van Tante Annie in een steeds hoger tempo. In zijn jeugdjaren had de geheimzinnige zigeuner die hij leek, met zijn gepommadeerde haar en zijn David-Nivensnorretje, de Grote Literatuur gelezen. Door het leven geblutste exemplaren van Oorlog en Vrede, of Der Mann ohne Eigenschaften stonden achter gordijnen als relicten van een vorig leven onder een ombouw te verstoffen, alsook de verzamelde werken van Goethe, Schiller, Heine, Storm en Keller. Zoals dat gaat (ik merk die tendens bij mezelf ook) verplaatste zijn aandacht zich in de loop der jaren naar het wat lichtere genre, en nu vulde hij zijn eenzame uren met Asterix, Bommel, Bob Evers, Karl May en de negen delen Adriaan en Olivier.

Jawel!

Naast de drie bekende deeltjes (het Oude Testament), had hij nog zes andere, dikke delen staan, in blauw plastic uitgegeven, zoals dat gebruikelijk was met triviaalliteratuur in de zeventiger jaren. Ik geloofde mijn ogen niet, vroeg of ik ze mee mocht nemen. Nu ja, natuurlijk mocht dat, als ik in ruil iets interessants voor hem meenam. Dat werd de avonturen-sf van Jack Vance of de space-opera van Heinlein.

Na zijn dood ontstond er in de familie ruzie over de oude troep en met name over sommige schitterende schilderijen die achteloos aan de muren hadden gehangen. Alleen de boeken leverden geen strijd en naijver op: die mocht ik regelen. Ik pikte er voor mezelf de antiquarische Bommels uit, alsmede de deeltjes Goethe, Schiller en Heine, liet een opkoper komen voor de complete Karl-May serie en de schier oneindige rijen esoterica die Oom Theo tegen het einde van zijn leven had laten aanslepen uit ECI-catalogi, en liet ten slotte de rest meenemen door het Leger des Heils. Natuurlijk vergat ik niet om de Adriaan en Olivier-serie in een van de met “Roberto” gemerkte dozen te stoppen.

Sedertdien draag ik de negen delen met me mee. En herlees ik ze nu en dan in de zomer. De laatste keer dat ik dat deed was alweer dertien jaar geleden, en ik kan me herinneren dat ik toen in het vierde deel gestopt ben. Vorige week besloot ik om de set deze zomer in ieder geval nog één keer in z’n geheel door te werken, en daar ben ik nu aan begonnen.

Oef!

P.G. Wodehouse is het bepaald niet.

Wat is dít slecht, zeg! Elke tweede zin bevat een Tante Betje, iedere melige grap laat zich van een kilometer aankondigen, geen enkele gevatheid draagt bij tot het vormen van een soort van karakter bij de hoofdpersonen, die niet alleen oningevuld blijven, maar als Huizinga per ongeluk eens iets met die personen doet, eerder ergernis opwekken vanwege het inconsistente karakter van dat… karakter. Ik vraag me werkelijk af of ik de negen delen ga halen. Ik vraag me serieus af of ik het einde van het eerste deel wel ga halen. Misschien als ik er stevig bij ga drinken. Maar dat is weer zonde van de drank.

donderdag 3 mei 2018

Naar het vuur


Ik heb met Koningsdag op de hartbewaking gelegen. En dat brengt me automatisch op de Russische componist Alexander Scriabin (1872-1915).
Dat zit zo: als je met je verdachte hart wordt binnengereden, is het eerste dat ze doen je aan de bewakingsapparatuur vastmaken: een monitor die via tien electroden aan de patiënt wordt bevestigd en een continu elektrocardiografisch beeld op een fluorescerend scherm projecteert. Als de getoonde cijfertjes boven of onder een vooraf bepaalde waarde geraken, gaat er ergens in een kantoortje een lampje knipperen en begint het apparaat verschrikt te piepen. En om dat piepen gaat het me nu. Die alarmpiep, die in de hartafdeling van het ziekenhuis de hele dag door van alle kanten weerklinkt en zelfs midden in de nacht, zachtjes en gesmoord uit een andere kamer, of als een wekker zo hard van mijn eigen monitor, die klinkt als: “tatataaa-tata”, het morseteken voor é: "· · — · ·". Het heeft weliswaar niet dezelfde toonsoort, maar het is wel exact hetzelfde ritmische motief als dat in de apotheose van het korte pianostuk Vers la Flamme, opus 72, één der allerlaatste werken van mijn favoriete klassieke componist, de modernistische symbolist Alexander Scriabin. En de gelijkenis wordt pas compleet als je het alarmgepiep legt naast de vurige, vitale interpretatie van het stuk door de legendarische pianist Vladimir Horowitz. Dit detail mag de lezer onvergeeflijk pedant in de oren klinken, maar is dat zeker niet. Laat me het uitleggen.

Toen Jan-Paul en ik, zestien, zeventien jaar oud, onze muzikale horizonten aan het verruimen waren, vooral middels de klassieke muziek en bebop jazz, ontdekten we al gauw Alexander Scriabin. Het is achteraf volkomen logisch dat diens o zo eigenwijze stem onze taal bleek te spreken en al spoedig begonnen we zijn muziek op platen te verzamelen. Daar ben ik nooit meer mee gestopt en ik heb nu een zeer uitgebreide Scriabin-collectie. Vooral zijn late werk, geschreven in het tweede decennium van de twintigste eeuw, heeft ons vanwege het mysterieuze, ongrijpbare karakter ervan vanaf het begin buitengewoon dwingend aangesproken.

Het korte pianostuk Vers la Flamme wordt langzaam vanuit het niets opgebouwd: melodische flarden worden samengestrikt tot er langzaam een bestendiger thema ontstaat. Vervolgens wordt het smeulende vuurtje opgestookt en begint de muziek feller te branden, met kringelende rook- en aspluimpjes die opstijgen en uitdoven. En dan plotseling, terwijl het steeds heter gloeien van het vuur nerveus doorgaat, klinken die vijf noten: “tatataaa-tata” voor het eerst, alsof een grote vlam naar boven tongt. Keer op keer spatten die noten omhoog vanuit het bijna chaotisch zinderen van de hitte, waarna het vuur uiteindelijk langzamerhand met een paar onheilszwangere akkoorden uitdooft en de duisternis terugkeert boven dode sintels.

Vladimir Horowitz’ uitvoering was gepassioneerd en wild, want bovenal, zo betoogde hij, was Vers la Flamme een percussie-stuk en de vingers moesten nietsontziend trommelen op de toetsen. Voor zover ik kan nagaan hebben alle andere interpretatoren besloten het stuk melodischer en minder als oermuziek op te vatten en wat bij Horowitz vijf explosieve noten zijn, klinken bij hen vaak veel lichter, een beetje gehaast gespeeld soms, zelfs nu en dan bijna beschaamd en onzeker. Vandaar – en ik raad de lezer aan om op YouTube naar vergelijkingsmateriaal te zoeken – vandaar de interpretatie van Horowitz en geen ander!
En vandaar de associatie: muziek die je hart van streek maakt als noodsignaal dat je hart van streek is.