maandag 14 augustus 2017

Rawlinson's End

Vivian Stanshall
Het is bijna drie jaar geleden dat Madge en Bobby Rawlinson hun biezen pakten en gearresteerd werden door de plantsoenendienst. (De alruinen schreeuwden!)
Jeremias Sluitspier is na de pluimvee-paniek naar Australië gegaan. (HIJ zal hier verder ongenoemd blijven.)

De oude heer Trilonious blijft achter op de boerderij, een gebroken man nu, en een ongeneeslijke alcoholicus. Behalve zijn geregelde bezoekjes aan de dorpswinkel voor een paar flessen "oude klare", komt hij nauwelijks de deur nog uit. Hij besteedt zijn resterende jaren aan het kweken van die prachtige guppies waar hij volkomen terecht zo beroemd om is.

Sandra… riekt.

Randy heeft zich in zichzelf teruggetrokken. Geen geringe prestatie voor een man van 250 kilo! (En bovendien, hij is nog steeds getrouwd met Sharon, en is slechts ternauwernood de vader van Paulette!)

Arme Rosemarie heeft haar handen vol aan Rawlinson End, waar ze Timothy en Laetitia groot moet brengen, die nu in de moeilijke leeftijd zijn, waarin ze vragen gaan stellen… en… gaan masturberen…

Ondertussen…

Zijn Aubrey & Maureen Rawlinson naar het oude huis gegaan, ervan overtuigd dat ze daar iets zullen vinden om Rogers geboorterecht te kunnen bewijzen. (Maar zich er niet bewust van dat Paul Maynard zich verborgen houdt in de alkoof.)

Lees nu verder…

"Ergens, binnen in mijn hoofd, klonk een bel".
Na het geklingel sprongen de secondes op, de minuten kwamen uit hun hoeken tevoorschijn. Vanaf de oprijlaan schreeuwde iemand: "In godsnaam! Gooi de gootsteen naar binnen!" Er klonk een enorme plons.

En de gootsteen lag op de grond, ondersteboven, happend naar lucht als een vis op het droge. Direct knielde Aubrey ernaast en nam de verdoofde kraan in zijn hand, hij draaide hem langzaam.

Een asgrauwe klimop van gebarsten adertjes strekte zich voor altijd uit over zijn wangen en het vuil van de stad vond gemakkelijk toegang tot zijn geopende poriën.

Zonder zijn ogen af te wenden, keek hij op naar Maureen.
"O schat..", zei hij bedachtzaam, "herinner jij je nog dat f-f-feestje? Je w-weet w-wel? De B-bernard Buffet tafel was daarginds, nietwaar? Ha-haa! We dronken sloten champagne! En ja, ik deed allerlei idiote dingen… en die konijnenkostuums, uche uche, leken wel… Ik sprong b-b-boven op je, nou, iedereen lachte toen, maar ze hebben ons nooit meer teruggevraagd. T-t-toch?"

Ik denk dat dat de eerste keer was dat hij haar ooit kuste. Ze draaide zich weg van het raam om hem aan te kijken.

"Hij zag er zo sinister uit in dat korset. En toch kan hij zo lief zijn."

Ze zag de wallen en dunne etsstrepen rond zijn ogen en de manier waarop zijn onderkinnen over zijn gekreukelde boord hingen. Hij was buiten adem van het opstaan en stond daar, terwijl hij zijn buik terugwurmde onder zijn riem. Het was nauwelijks te geloven dat hij nog maar zesentwintig was.
Ik kon de spanning in haar lichaam voelen.
En die oude kluis… de lucht knetterde ervan… in die oude kamer, deels gelambriseerd, deels behangen met een eigenaardig, vooroorlogs patroon van gezichten en als je je ogen half sloot leken ze rozen te vormen van ongekende vulgariteit. Die oude kamer, die zoveel vreugde gekend had: het gelach van kinderen, en zoveel tragedies gezien had, en generaties van Rawlinsons en Maynards had zien sterven.

De sputterende kaars tekende loerende geesten op de muren. Het was haast alsof de oude Sir Henry en dat verschrikkelijke Amerikaanse mens er nog waren.

Ze kon hen nu zien: de tafel op stelten van Mrs. Radcliffe, met rechte rug, cadavereus, boven haar sherry zwevend als een bidsprinkhaan, en de boerse, vrolijke Sir Henry, die met zijn brandy speelde. Met zijn benen wijd uit elkaar, zijn jaspanden omhoog voor het haardvuur, zette hij zijn eindeloze heldendaden uiteen voor de gloed:

<kuch kuch kuch> "Weet je, de inboorlingen hadden het in hun knar gehaald, dat als je ziel maar puur is, de slangenbeet je niet zou schaden. HAHAHA! Arme ouwe Hargreaves was bijna op slag dood! Vreselijk geleden. Laat me nou iets vertellen over die grote jongen, weet je, Kleintje en ik gingen de bush in, achter hem aan en hebben we hem gevonden? Bij god ja, we hebben hem gevonden! Ik kon de ogen van die schurk zien gloeien als kolen. Toen kwam hij op me af door het kreupelhout, zo groot als een tank en met een paar slagtanden zo scherp als sikkels. Je hebt ze waarschijnlijk wel zien liggen in de studeerkamer, ik gebruik ze tegenwoordig om de Reader’s Digest aan stukken te snijden. Nou, geweer geblokkeerd, totaal nutteloos, Kleintje in paniek, rende weg als een vos, kleine idioot, dragers alle kanten uit, niet dat ik ze iets verwijt, wat we daar terug op de open plek gezien hadden was genoeg om ieders lever om te doen draaien. Toen was hij boven op me, happend en stekend naar me benen. Ik stapte opzij, sierlijk als een verdomde homo en met mijn ogen dicht ging ik met mijn vuisten tekeer tegen de klootzak: Bam! Kaboem!" <hijg> "Oeps! Oh oh, spijt me verschrikkelijk, lieverds, ik heb over me hele broek gespetterd." <hoest, hijg> "Ik denk dat ik er maar eens vandoor ga."

Ze liepen naar een deel van de hal waarvan ik wist dat die onveilig was. Koste wat het kost, ik moest ze waarschuwen.

"Kijk uit voor die losse vloerplaat," riep ik (God, had ik dat maar niet gedaan).

Allebei draaiden ze zich om en staarden naar me. Toen begaf het verrotte hout het en stijf van schrik verdwenen ze in de kelder.

Met een lenigheid die me verbaasde, sprong ik uit mijn schuilplaats tevoorschijn en loerde in het gat. Maureen was met haar hoofd naar voren in een vat met augurken met dille terechtgekomen, en worstelde furieus.
Ik wist dat ze een snorkel in haar handtas meedroeg, maar zou ze die gebruiken?
Aubrey was bewusteloos, verankerd tussen de versplinterde vloerplaten zag hij er meelijwekkend uit en belachelijk. Hij was zijn kilt kwijtgeraakt tijdens de val.
Met zijn ogen dicht zag hij eruit als in Monte Rey del Mar, die zomer. Ouder, misschien, maar die trotse Rawlinson kin was onmiskenbaar. En de jukbeenderen, iets hoger dan die van zijn moeder, staken uit als twee bulten boven op zijn hoofd.

De kalenderbladen scheurden af en waaiden weg, de vreselijke herinneringen begonnen terug te vloeien: de oude Mrs.Macavore die die afschuwelijke kip at en het doodsbange kind dat wegrende van de brandende fabriek.

Hij begon wakker te worden.

Ik heb vier jaar gewacht, heb drieduizend mijl gevlogen en heb een zeehond met een Shetland pony gekruist alleen maar om deze man te ontlopen en nu…

Ik herinnerde me…

Ik herinnerde me een tip van mijn vader:
de ouwe heer had iets met wespen en droeg altijd fietsklemmen als hij het gazon maaide. Hij leek er een heleboel te hebben, maar zou het nu nuttig zijn?

En nu eindelijk een paar antwoorden.

Ik had het niet zo gepland, maar…
<tok tok tok tok> knipperden zijn oogleden.
Een luik rimpelde zijn gezicht en verdween in de hoeken van zijn mond, met de lippen omhoog krullend en wachtte geduldig in de dieper wordende schaduw onder zijn neus.

Nu was het tijd om met de billen bloot te gaan…

<POEF>

(Vivian Stanshall)


vrijdag 14 juli 2017

Cultureel rentenier

Nog steeds word ik door goedbedoelende mensen in mijn nabijheid voor vol aangezien. Ze houden me nog steeds voor de avonturier die ik ooit was. Ze trachten me scherp te houden door me te verleiden tot avontuurlijke tentoonstellingen, grensverleggende theatervoorstellingen of experimentele concerten. Ik krijg boeken in de hand gedrukt die ik per se moet lezen – boeken van mensen van wie ik nog nooit gehoord heb, over onderwerpen die me op voorhand niet bijzonder lijken te zullen boeien. Boeken die op de televisie of in het zaterdags bijvoegsel gunstig besproken zijn door mensen van wie ik ook al nooit gehoord heb. Ik bedank dan ook meestal zeer kordaat voor de eer met een kwinkslag en een snufje ironie. De goedbedoelende mensen hebben namelijk een ernstige inschattingsfout gemaakt: ik behoef niet langer voor “vol” te worden aangezien, ik ben godzijdank een ouwe lul geworden.

In mijn jeugd was mijn cultureel credo samen te vatten met één enkel woord: “Ontdek!” Iedereen die klaagde dat bepaalde zaken voor hen niet bereikbaar waren en die mij vervolgens om mijn eclectische, op het eigenzinnige en exotische gerichte smaak een geniepig soort elitarisme verweten, riposteerde ik standaard met het hartstochtelijke betoog dat open domein bij definitie nooit elitair kán zijn. Wie op school of in de huiselijke kring de boot gemist heeft waar het lastige klassieke muziek of complexe romans uit het Interbellum betreft, kan dat slechts zichzelf verwijten en moet niet jammeren. Voor wie alsnog mee wil doen liggen de boeken en platen klaar om ontdekt te worden, vaak slechts voor een paar dubbeltjes op rommelmarkten en in kringloopwinkels of als leengeld bij de bibliotheek. Zo kon en kan deze kansarme zich nog steeds een myriade aan werelden toe-eigenen. Daar is helemaal niets elitairs aan, integendeel. Ik heb het zelf ook zo gedaan! Wat me behaagde behield ik, maar een veelvoud heb ik gedecideerd terzijde geworpen. Mijn mantra luidde dan: dit is duidelijk niet voor mij gemaakt. En dat hinderde helemaal niet.

Het is mijn hele leven een grondwet geweest dat men als cultureel mens volstrekt autonoom dient te zijn. Uw smaak en de mijne hoeven in geen enkel opzicht op elkaar te gelijken, maar als u tot uw conclusies gekomen bent door een levenslange ontdekkingsreis, kan ik alleen maar u de hand schudden: ik ook. Ik heb hard gewerkt om alles te ontdekken dat door de voorzienigheid voor mij bestemd was en dat nu tot mijn biotoop behoort. Niet geleid door een of andere cultuurpaus, noch door de vluchtige mode, maar door mijn eigenzinnige smaak, jong eerst, bedaarder later, maar altijd autonoom. Hoe eclectisch die verzameling dingen ook is (en hoe eclectisch die van u ook is), het doet er niet toe. Elke aanvulling is een versterking gebleken van mezelf als cultureel wezen, heeft me gedefinieerd en heeft mijn zelfwaarde verhoogd.

In de afgelopen zestig jaar heb ik voor mezelf een kader geschapen waarbinnen zich mijn esthetiek (en meer!) bevindt: dit ben ik. Er zijn duizenden boeken die binnen de wereld van deze persoon passen en honderdduizenden die dat niet doen. Ik heb van die longlist nog lang niet alles gelezen, verheug me erop dat zo dadelijk te gaan doen als dit stukje af is. Er zijn tienduizenden stukken muziek die binnen de wereld van deze persoon passen, miljoenen evenwel die dat niet doen. Terwijl ik dit stukje typ hoor ik één van de tienduizenden platen die bij me passen. Ik kende de muziek niet, herkende haar donders goed.

Begrijpt men dat ik rijk ben? Ik heb alles wat ik mogelijkerwijs wil hebben en dat is al teveel om nog voor mijn dood te beluisteren, te lezen, te bezichtigen. De schatkamer is vol. Er kan niets meer bij, ik heb genoeg. Het klopt allemaal. Want weet u: ik ben een rentenier. Ik ben een culturele rentenier.

maandag 19 juni 2017

Cirkel

Daar ligt mijn moeder in een laatste zwijm
van dormicum, versneden met morfine.
Het slapen is voor haar tot een routine
geworden - ik vereeuwig haar in rijm.
  
Dit moeizaam ademhalend perkament,
mijn mammie, lijkt een mummie nu te zijn,
een Hatsjepsoet of Nefertiti: klein
en breekbaar en onpeilbaar onbekend.

Terwijl ik langzaam afscheid van haar neem
weerklinkt iets dat de zware rust bederft 
(want alles in het leven is gelaagd).

Mijn iPad, zie ik, legt op mij een claim.
Dus lees ik, drie kwartier voordat ma sterft
een mail van Jonathan: hij is geslaagd!

19 juni 2017


vrijdag 2 juni 2017

Kwansuis

(Mijn eerste blog is reeds lang afgesloten. Niet vrijwillig, maar door incompetentie van de host. Met frisse moed begon ik een paar jaar geleden aan De dwarse man versie 2. Zo nu en dan zie ik een aanleiding om een stukje uit de eerste reeks blogberichten opnieuw te plaatsen. In dit geval het voorkomen van het woord "kwansuis" in een stukje in het blog Raarlems Dagklad. Daar had ik in juli 2011 ook ooit een blogje aan gewijd...)

Toen ik laatst mijn moeder bezocht in het verzorgingshuis, zei ze over een verpleegster: ‘Die is een soort fotomodel. Ja, kwansuis hoor.’
Dat woord had ik haar wel vaker horen gebruiken en verder eigenlijk nooit iemand. Dus zocht ik het eens op. Eerst met Google: Kwansuis – Let op: Spelling van 1858 kwanswijs, geveinsdelijk, naar den schijn. Vooral “geveinsdelijk” vind ik prachtig. Dat ga ik zelf gebruiken. De van Dale geeft, naast de betekenis (in dit geval schijnbaar, of quasi) ook een soort etymologie: het oud-franse queinsi, of quanses. Zou het woord dus met de Hugenoten het Nederlands binnengedrongen zijn? Het klinkt mij als een nogal volkse uitdrukking in de oren. Dat kan kloppen, want mijn moeder is van de allerarmste Amsterdamse afkomst.

Ik besloot eens wat beter te luisteren naar haar uitdrukkingen. De meest opvallende die ze gebruikt is ‘Wat dat amputeert...’ Met als betekenis: “wat dat impliceert”, tenminste, dat nam ik oorspronkelijk aan. Googelen leverde echter tot mijn verbazing een vindplaats in de literatuur op die anders uitwees. In de novelle Stille Menschen uit 1890 van Justus van Maurik, geheel in Amsterdams dialect geschreven, komt het citaat voor “Berbertje zal wat dat amputeert, gerust op me neer kunnen zien, ik heb mijn woord gehouwen: Geen druppel, nooit!” De uitdrukking betekent dus veeleer “wat dat betreft”. Mijn moeder beheerst haar plat-Amsterdams niet meer! Ha!!

Ze refereert ook graag aan twee familieleden van “malle Eppie”, namelijk “gevluchte Lucie”, een vreemd vrouwwezen met een sterk verwilderd uiterlijk, en “achterlijke Sjennie”, wat zo ongeveer hetzelfde betekent als “malle Eppie”. Er zit, zeker in Sjennie, een zekere affectie verscholen in deze uitdrukkingen, en ook ik ben meermalen “achterlijke Sjen” geheten. De persoon van “gevluchte Lucie” komt uit de roman Der Gefängnisarzt oder Die Vaterlosen van Ernst Weiss, Mährisch-Ostrau 1934. Hiermee is het wat mij betreft zonder meer duidelijk dat de uitdrukking geïntroduceerd is door Oom Theo, die in die periode hoofdzakelijk Duits las. Over “achterlijke Sjennie” heb ik helemaal niets kunnen vinden. Ik weet dat Sjennie een bestaande voornaam is, maar naar wie het verwijst? Of is het een verbastering van “achterlijke Chinees”? De afstand van de Conradstraat, waar mijn moeder woonde, en de Binnen-Bantammerstraat, waar de Chinezen woonden is niet zo groot...

woensdag 24 mei 2017

Bargello

Palazzo del Bargello (midden)
Een museum in Florence op welks weerzien ik me bijzonder verheugd had, is het Palazzo del Bargello, dat in 1255 gebouwd werd als zetel voor de capitano del popolo. De 54 meter hoge klokkentoren, La Montanina moest de Florentijnen waarschuwen bij onraad. Een fraaie trap naar het balkon is van Nero di Fioravanti. Tot het midden van de 14e eeuw heeft het gebouw nog diverse uitbreidingen ondergaan. 
De trap van Nero di Fioravanti
Vanaf 1261 fungeerde het gebouw als zetel van de Podestà en vanaf 1502 zetelde de raad van justitie en de politie erin. In 1574 nam het hoofd van de politie, de zogenaamde Bargello, er zijn intrek en werd het paleis een gevangenis. Tot 1786 zijn er in de tuin van het paleis executies voltrokken. Nadat groothertog Pietro Leopoldo de doodstraf had afgeschaft, bleef het gebouw nog tot 1857 in gebruik als gevangenis. In 1865 werd het paleis gerestaureerd door de architect Francesco Mazzei. Met zijn harmonieuze oerkrachtige rust wordt het Palazzo del Bargello heden ten dage gezien als een mooi voorbeeld van de Florentijnse gotiek.

Ivoren miniatuur
Het gebouw ligt een beetje weggemoffeld in het noordoosten van het centrum, niet al te bekend bij de toeristenhorden en volledig gewijd aan beeldhouwkunst, kunstnijverheid en aardewerk, is het dan ook niet zo’n luidruchtig museum als de Uffizi. Ik was er bijna veertig jaar geleden geweest en was toen op slag verliefd geraakt op vooral de vele delicate kunstnijverheidsvoorwerpen in de vitrines. 
Broche van Cellini
Miniatuur reisaltaartjes van been of ivoor, bronzen beeldjes van drie centimeter hoog, prachtig bewerkt goud, geciseleerd en ingelegd met robijntjes, ivoren cameo’s in een lijstje van gedreven goud of geëmailleerd koper. Na de overkill van alle grote werken in Florence, was deze schaalverkleining aan het eind van de adembenemende zeventiger jaren een verademing voor me, toen ik nog jong was en onstilbaar hongerig naar indrukken alle attracties afrende.

Vogels van Giambologna
Lopen we door. Op de grote galerij richting Donatello treffen we de merkwaardige vogelbeelden aan van de Vlaamse beeldhouwer Jean Boulogne, geïtalianiseerd tot Giambologna. Weinig beeldhouwers hebben zulk gevarieerd werk gemaakt als deze maniërist. Naast een hele stoet neoklassieke goden vinden we in de tuin van de Villa di Pratolino in Vaglia, tien kilometer ten noorden van Florence, een onaards grote Neptunus getiteld L'Appennino: half mens, half berg en voorzien van allerlei gadgets. 
L'Appennino van Giambologna
Het complete arsenaal aan wansmaak van het maniërisme wordt uit de kast gehaald: gecontroleerde overwoekering door algen, mossen en derrie, labyrinten en bedriegertjes, waterorgels voor de scherzi d'acqua, niets wordt de pretzoekende post-renaissancist bespaard. Maar enfin, hier in het Bargello zijn er dus de vogels. De bezoeker raakt enigszins bevreemd.

Jonge David van Donatello
Iets verderop treffen we de hoofdattractie van het museum aan: mijn en ieders favoriet is de Jonge David van Donatello, maar ook het Vissertje van de laat negentiende-vroeg twintigste-eeuwer Vincenzo Gemito staat er en ook dat beeld heeft een hoge iconische betekenis. De Donatellozaal is van zichzelf al een heel indrukwekkende plaats gonzend van serene oerkracht.

Il pescatore van Gemito
Een reden om juist niet naar het Palazzo del Bargello toe te gaan, zoals mijn makker Fons scherp opinieerde, is de reusachtige overvloed aan aardewerk door de Della Robbia-clan. Luca della Robbia (1399/1400-1482), zijn neef Andrea (1435-1525), diens zonen Marco, Giovanni, Luca de Jonge, Francesco en Girolamo hadden het maken van kleurige, geëmailleerde terracottabeelden tot de familiespecialiteit gemaakt en het moet gezegd worden, het Bargello barst bijkans uit zijn voegen door hun werk. 
Andrea della Robbia, Fanciullo, ca. 1475
Sommige kleurige bas-reliëfs zijn beslist heel prachtig, maar het is bij mij net als in een museum voor oudheden met al die nogal op elkaar lijkende Griekse vazen: de precisie in mijn kijken is jaren geleden verdwenen en ik zie het er gewoon niet meer aan af. Melancholiek zoek ik soms nog naar die concentratie die ik eertijds kon opbrengen en waarmee ik – gids in de ene hand, toneelkijkertje in de andere, details zocht die me konden bevallen.

De uitgebreide wapencollectie op zolder lieten we voor wat die was. We gingen antipasti eten aan een pleintje.








woensdag 3 mei 2017

Pitti

Als allerlaatste schuifelde de wereldberoemde cellist Mischa Maisky het vliegtuig uit, zijn verweerde cellokoffer aan zijn zijde. Daarna werd er getankt en konden de passagiers voor Florence inchecken. De vlucht verliep een beetje onverwacht: er was teveel wind in Florence en de piloot twijfelde of hij kon landen. Na een half uur in de parkeercirkelstand en een paar ongekend scherpe bochten landde de kist ten slotte in Pisa, waar op Italiaanse wijze verder vervoer naar de bloemenstad georganiseerd was (niet dus).

De laatste keer dat ik in Florence was, was het november. De stad was toen aanzienlijk rustiger dan haar reputatie, maar het weer was dan weer niet zo geweldig geweest. Nu, einde april, was de drukte spectaculair groter, maar het weer niet vreselijk veel beter! De rijen voor Brunelleschi’s Duomo en Giotto’s Campanile besloegen honderden meters, de wachtenden voor de Uffizi, waar we de vorige keer gewoon naar binnen konden lopen, reikte bijna tot aan de Arno, de Ponte Vecchio kon je alleen betreden met een goed geslepen junglemes om de mensenmassa’s om je heen weg te kappen. Het was vooral: een stad vol kinderen. Het was alleen wat minder druk als het regende.

De ietwat verborgen ingang van Dante's Kerk
Noodgedwongen (maar niet onvoorbereid) wijdden we ons dus aan andere zaken: zo ontdekten we de Chiesa di Santa Margherita dei Cerchi, ook wel bekend als Dante’s kerk. Vreemd genoeg is daar niet de bard zelf, maar wel zijn aanbedene Beatrice begraven. De uit Florence verbannen Dante ligt in Ravenna en mag op grond van de middeleeuwse wet nog steeds niet in de stad herbegraven worden die hem ooit verbannen heeft. Er is een actiecomité dat hier tevergeefs tegen strijdt. Op het plein voor de kerk reciteerde een als Dante geklede acteur voor een gezelschap van Japanners met gezichtsmaskers en Italiaanse joeljeugd een hele reeks terzinen uit diens werk. Ernaast een afhaalluikje voor Florentijnse broodjes pens. Ook weer onafzienbare rijen.

We hadden ons een paar bezoeken specifiek voorgenomen. In ieder geval het Palazzo Pitti dat als front dient voor de steile Boboli-tuin, en tot de hoogste nokken gevuld is met vooral lokale schilderkunst. Veel tweederangs werk, maar ook wel degelijk een groot aantal topstukken. Schilderijen van Titiaan hingen er, van Rafaël en de moordenaar en schavuit Caravaggio, van Tintoretto, van de hypochonder Pontormo, van Botticelli, Filippo Lippi, Andrea del Sarto, Perugino en de merkwaardige Veneziaan Giorgione. Niet-Italianen waren schaars aanwezig, maar de geweldige Ribera, Diego Velázquez, Antoon van Dyck en Rubens kan men er aantreffen. En vooral heel veel van de Brabantse schilder Justus Sustermans, die met zijn vertrek naar Florence een droombaan wist te winnen als hofschilder van de Medici.

Het gebouw zelf is, net als zoveel bouwwerken uit de Florentijnse renaissance, niet echt mooi. Op een sombere dag zou ik het zelfs uitgesproken lillik noemen. Bruut, overgroot, bedreigend en zelfs in de gouden zon en de diepblauwe lucht van de Toscaanse lente bepaald somber. Palazzo Pitti werd in 1458 naar een ontwerp van de bouwmeester van de Duomo, Brunelleschi gebouwd als residentie van de machtige bankier Luca Pitti. Na 1549 kwam het in bezit van de Medici. Cosimo I De' Medici liet de door Dan Brown beroemd geworden Corridoio Vasariano bouwen: een verbindingsgang tussen het Palazzo Pitti en het Palazzo Vecchio. Nog weer veel later werd het paleis de verblijfplaats van Napoleon Bonaparte. We bezichtigden zijn badkamer. Na de eenwording van Italië was Florence enige tijd de hoofdstad van het land en het paleis de residentie van de Italiaanse koninklijke familie. We stonden in de troonzaal, direct gelegen naast de muziekzaal met uitzicht op het amfitheater in de Boboli-tuin.

Florence is een volle stad. Iedere dag is er iets anders te zien.


Badkamer van Napoleon

donderdag 20 april 2017

Honger in Rotterdam

Ik heb het al eerder benadrukt: wie naar Rotterdam reist, wordt onherroepelijk geconfronteerd met architectuur. Het ene ambitieuze project lost het andere af. Torens gaan de hoogte in, scheve en brutale gebouwen wenken je in de straffe zuidwestenwind. Een ontworpen stad is Rotterdam, met dank aan de Duitsers.

Het is leuk om de architectonische nieuwbouw te vergelijken van Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Die van Amsterdam speelt zich uiteraard voornamelijk af aan de rand van de bebouwing. Veel van de nieuwe gebouwen in het centrum, aan de Prins Hendrikkade, rond de ringspoorweg of in stadsdeel Noord blijven, hoewel ze zeker niet kleinschalig te noemen zijn, redelijk behapbaar. Door gebruik van veel baksteen en andere vriendelijk ogende materialen blijft de menselijke maat (daar is-ie-weer!) aanwezig.

In scherp contrast hiermee lijkt de Haagse stijl wel een beetje verdwaald en op zoek naar een identiteit. Ik vind die nieuwe architectuur van Den Haag niet spannend, ook niet troostend of rustgevend. Bestaat er zoiets als verongelijkte architectuur?

De Rotterdamse architectuur is veel spannender, avontuurlijker en brutaler. Niet in het minst doordat hier juist het centrum volgezet wordt. Door het bombardement van 1940 is er een unieke kans ontstaan om een nieuwe stad te ontwerpen en dat wordt nu, na een wat naargeestige periode in 1950-1980, flink ter hand genomen. Het ene fantastische gebouw tuimelt over het volgende. En hoewel ik werkelijk geen liefhebber ben van moderne architectuur moet ik toegeven dat die tomeloze levenskracht van de Rotterdamse nieuwbouw me wel vrolijk maakt.

Eén gebouw dat we per se wilden bekijken tijdens ons Rotterdam-weekend was de Markthal. Veel over gelezen natuurlijk – lovende beschrijvingen in de krant te over – maar tot op heden nog nooit bezocht. En ondertussen was het nieuwe ervan af, sleetse plekken leken zich te tonen. ‘Ga daar maar niet naartoe,’ werd ons geadviseerd, ‘het zal lelijk tegenvallen.’ Het zou er tochten gelijk de neten, er zouden tientallen kale plekken zijn waar kraamhouders de pijp aan Maarten hadden gegeven, je zou er struikelen over de drommen volk uit oost en west en alles zou er veel te duur zijn. Daar bleek allemaal niets van waar te zijn. Het was een vrolijke mengelmoes van exotisch en nuchter Hollands, een enkele lege plek viel niet echt op, er was een samballerie die tientallen, ja, een half honderd verschillende sambals verkocht die je allemaal mocht proeven: van zoet tot ondraaglijk heet. Tientallen restaurantjes, sommige (zoals dat hoort) op verhogingen midden in de hal, lokten ons. We kozen uiteindelijk voor een pintxos-bar.

Alle onheilsboodschappen van goedwillende vrienden ten spijt dus, heb ik intens genoten van dit architectonisch wonder: een woonflat in de vorm van een poort, met een one-stop microkosmos in zijn ingewanden. Ik vond het schitterend.


Aan de andere kant van de stad, in Katendrecht is ook een markthal, de Fenix Food Factory. Deze is ook heel leuk, maar wel totaal anders. Een beetje alternatief, rommelig in een oud havengebouw gepropt, met de industriële resten open en bloot. Veel linkse gezinnetjes, rastakoppen en bluesmensen. Ach, ik hou nu eenmaal van overdekte voedselmarkten. In Madrid en Florence, in Amsterdam of hier, in die rare stad, de geboortestad van mijn vader, hier in Rotterdam.