donderdag 3 mei 2018

Naar het vuur


Ik heb met Koningsdag op de hartbewaking gelegen. En dat brengt me automatisch op de Russische componist Alexander Scriabin (1872-1915).
Dat zit zo: als je met je verdachte hart wordt binnengereden, is het eerste dat ze doen je aan de bewakingsapparatuur vastmaken: een monitor die via tien electroden aan de patiënt wordt bevestigd en een continu elektrocardiografisch beeld op een fluorescerend scherm projecteert. Als de getoonde cijfertjes boven of onder een vooraf bepaalde waarde geraken, gaat er ergens in een kantoortje een lampje knipperen en begint het apparaat verschrikt te piepen. En om dat piepen gaat het me nu. Die alarmpiep, die in de hartafdeling van het ziekenhuis de hele dag door van alle kanten weerklinkt en zelfs midden in de nacht, zachtjes en gesmoord uit een andere kamer, of als een wekker zo hard van mijn eigen monitor, die klinkt als: “tatataaa-tata”, het morseteken voor é: "· · — · ·". Het heeft weliswaar niet dezelfde toonsoort, maar het is wel exact hetzelfde ritmische motief als dat in de apotheose van het korte pianostuk Vers la Flamme, opus 72, één der allerlaatste werken van mijn favoriete klassieke componist, de modernistische symbolist Alexander Scriabin. En de gelijkenis wordt pas compleet als je het alarmgepiep legt naast de vurige, vitale interpretatie van het stuk door de legendarische pianist Vladimir Horowitz. Dit detail mag de lezer onvergeeflijk pedant in de oren klinken, maar is dat zeker niet. Laat me het uitleggen.

Toen Jan-Paul en ik, zestien, zeventien jaar oud, onze muzikale horizonten aan het verruimen waren, vooral middels de klassieke muziek en bebop jazz, ontdekten we al gauw Alexander Scriabin. Het is achteraf volkomen logisch dat diens o zo eigenwijze stem onze taal bleek te spreken en al spoedig begonnen we zijn muziek op platen te verzamelen. Daar ben ik nooit meer mee gestopt en ik heb nu een zeer uitgebreide Scriabin-collectie. Vooral zijn late werk, geschreven in het tweede decennium van de twintigste eeuw, heeft ons vanwege het mysterieuze, ongrijpbare karakter ervan vanaf het begin buitengewoon dwingend aangesproken.

Het korte pianostuk Vers la Flamme wordt langzaam vanuit het niets opgebouwd: melodische flarden worden samengestrikt tot er langzaam een bestendiger thema ontstaat. Vervolgens wordt het smeulende vuurtje opgestookt en begint de muziek feller te branden, met kringelende rook- en aspluimpjes die opstijgen en uitdoven. En dan plotseling, terwijl het steeds heter gloeien van het vuur nerveus doorgaat, klinken die vijf noten: “tatataaa-tata” voor het eerst, alsof een grote vlam naar boven tongt. Keer op keer spatten die noten omhoog vanuit het bijna chaotisch zinderen van de hitte, waarna het vuur uiteindelijk langzamerhand met een paar onheilszwangere akkoorden uitdooft en de duisternis terugkeert boven dode sintels.

Vladimir Horowitz’ uitvoering was gepassioneerd en wild, want bovenal, zo betoogde hij, was Vers la Flamme een percussie-stuk en de vingers moesten nietsontziend trommelen op de toetsen. Voor zover ik kan nagaan hebben alle andere interpretatoren besloten het stuk melodischer en minder als oermuziek op te vatten en wat bij Horowitz vijf explosieve noten zijn, klinken bij hen vaak veel lichter, een beetje gehaast gespeeld soms, zelfs nu en dan bijna beschaamd en onzeker. Vandaar – en ik raad de lezer aan om op YouTube naar vergelijkingsmateriaal te zoeken – vandaar de interpretatie van Horowitz en geen ander!
En vandaar de associatie: muziek die je hart van streek maakt als noodsignaal dat je hart van streek is.

zondag 8 april 2018

Een schokkende dialoog?

Bonnefantenmuseum
Een op P.F. Thomése gelijkende, intellectueel ogende vrijwilliger van in de vijftig met wild alle kanten uit krullend ongekamd draadjeshaar had zich verschanst bij de ingang van het Bonnefantenmuseum in Maastricht. ‘Bent u hier voor het eerst?’

Betrapt! Ontkennen had geen zin. Weliswaar ben ik eerder in Maastricht in een museum van die naam geweest, maar dat was meer dan vijfendertig jaar geleden, toen de verzameling religieuze kunst nog knus lag te slapen in de oude stad en niet luidruchtig aanwezig was in de flonkerende, ondertussen ook alweer bijna dertig jaar oude, assertieve nieuwbouw van Aldo Rossi aan de Maas.

Dat hele stuk van de Maasboulevard, de wijk Céramique waar we ook ons hotel hadden, is een voorbeeld van hoe kortstondig moderne architectonische esthetica doorgaans stand weet te houden. Zonder twijfel was de wijk in haar beginjaren mooi en fris maar na nog geen drie decennia bekruipt je het gevoel van… gedateerdheid, sleetsheid zelfs. Zo geslaagd als de bouwkunst toen was, zo onverschillig lijkt ze thans. Het oog went veel te snel.

Onze-Lieve-Vrouwe-Basiliek
Vreemd blijft het toch: de duizend jaar oude Romaanse Onze-Lieve-Vrouwe Basiliek Stella Maris aan de overzijde van de Maas oogt geen moment gedateerd. Oud, jazeker, maar nooit gedateerd.

De vrijwilliger begon aan zijn uitleg. Aan mij is zoiets niet zo besteed: ik houd niet bijster van gidsen, tours, info-boekjes en QR-punten. Dwarse man die ik ben, ga ik het liefste onvoorbereid en onbevooroordeeld op pad. Hoewel je op die manier vermoedelijk heel veel mist, levert het ook vaak juist heel bijzondere ontdekkingen op. Wie de snelweg verlaat en gaat dwalen, vindt in een zijsteeg onvermijdelijk kleine schatten van grote waarde. Misverstanden en verkeerde richtingen leveren doorgaans nieuwe uit- en inzichten op. Bertus Aafjes had het over de kunst van het verdwalen.

De eerste verdieping, vertelde de wegwijzer, is gewijd aan de oorspronkelijke collectie oude en vooral religieuze kunst. Ik dacht: ik weet genoeg, bek houden verder.

De tweede en derde verdieping, ging hij verder, zijn geheel gevuld met moderne kunst. Ik ben altijd bereid om eventjes snel door een moderne kunstcollectie heen te flaneren, maar voor mij was het museum voornamelijk op die eerste verdieping te vinden. Toen liet de vrijwilliger een klein bommetje knallen: ‘Wel heel interessant is dat een aantal moderne kunstenaars met hun kunstwerken een commentaar hebben geleverd op de tentoongestelde religieuze kunst.’

Ik stamelde: ‘Oh god, nee toch!’ Het was eruit voordat ik er erg in had. Jenet keek misprijzend, de man moest evenwel smakelijk lachen. Als er iets is dat ik haat, is het die arrogantie van de moderne tijd om, liefst op zo onbeholpen mogelijke wijze, commentaar te leveren op klassieke kunst. Het is zo’n sleetse idee ondertussen, om een postmoderne video-installatie naast een renaissance schilderij te plaatsen en dan hoog van de toren te blazen (zie bijvoorbeeld Bill Viola vorig jaar in het Palazzo Strozzi in Florence: ik was erbij en ik heb gehuiverd). De man ging meteen in een verdedigende stand over. ‘Geef het een kans,’ zei hij, ‘de moderne kunst op de zalen confronteert de kijker heel direct met het universele karakter van die oude kunst. Vooral het werk van Helen Verhoeven wordt als zeer schokkend ervaren. Het benadrukt iets waardoor je intenser naar het oude materiaal gaat kijken.’ Aangezien ik doorgaans toch al vrij intens naar “oud materiaal” kijk, was dat allemaal aan mij niet zo besteed. Niettemin was ik wel benieuwd geworden wat deze Helen, dochter van de beroemde en getormenteerde filmregisseur, ons te bieden had. Dus hup, naar de eerste verdieping.



Het zal mijn trouwe lezer ondertussen wel duidelijk geworden zijn dat ik qua schilderkunst een streep wens te trekken rond 1675. Na Vermeer was het wat mij betreft wel zo’n beetje afgelopen. En Vermeer zie ik als iemand van de oude garde (wat de jongelui teugesworrigs “old skool” noemen), iemand als Frans Hals was het halverwege zijn carrière, rond 1630, al een beetje kwijtgeraakt.



Melchior Feselen, Marientod (1531)
De verzameling religieuze kunst van het Bonnefantenmuseum moge voor de gemiddelde museumbezoeker wellicht een beetje saai zijn, ik houd ervan. Die minutieuze toewijding, dat gedetailleerde gepruts aan ivoren reis-retabeltjes: het zoeken naar het ultieme blauw in een Moeder-met-kind of een mooi landschapje als achtergrond, in verfijnd aquamarijn, turquoise of hemelsblauw gepenseeld, daar leef ik van op. Ik zal niet, reddeloze zondaar die ik ben, de loft uiten van de goddelijke inspiratie die deze iconen, kruisafnames en naakte Jezussen heeft veroorzaakt, maar ik geniet van het détail en van de knusse herkenning in al dat oude goed. Ook ben ik altijd weer verrukt als ik, in de landerijen naast de snelweg aanbeland, op de ongeplaveide binnenweggetjes weer eens een nieuwe naam ontdek: een obscure schilder die diep in mij een klier aan het werk weet te zetten om genotzuchtige endorfine aan te maken. Deze keer was dat Melchior Feselen (ca. 1495-1538), een Duitser die nu eens een keer juist niet goed was in zijn achtergronden, maar vooral excelleerde in zijn mensen, in zijn koppen. Daarin deed hij me denken aan mijn stadsgenoot Maerten van Heemskerck. Ik was blij.



Waar was ik? O ja, Helen Verhoeven. We klommen naar de eerste verdieping en ik was alweer lekker aan het zoemen en vibreren in de mij vertrouwde ouwe meuk en eerlijk gezegd was ik de opporringsactiviteiten van Helen Verhoeven alweer vergeten, toen we plotseling geconfronteerd werden met een onooglijk fröbelwerkje op een pedestal: een klein diorama gewijd aan de kruisaflegging of zoiets. De figuren waren ruw uitgeknipt en opgeplakt en het geheel, iets van dertig bij dertig bij dertig centimeter, trof me als ongelooflijk infantiel. Verderop waren er meer. Het “schokkende” aan Verhoevens religieuze kunst was dat alle aanwezigen naakt waren, de mannen met een erectie, de vrouwen met al dan niet geschoren wijd open gespreide vagina’s. Ik was, zoals de woest behaarde vrijwilliger al voorspeld had, geschokt. Maar wellicht niet op de manier die hij zich had voorgesteld. Ik was geschokt door de aanmatiging waarmede de moderne kunstenaar, gespeend van enig historisch of cultureel besef, niettemin blijmoedig telkens weer de discussie aan wenste te gaan. ‘Hou daar nu toch eens mee op,’ dacht ik, ‘laat het toch. Je kunt dit nooit winnen.’ Het is zo’n ongelijke strijd. Het verleden bestaat, en gaat nooit meer voorbij. Erken dat en doe niet zo bespottelijk met je knip-en-plak kwajongenskunstjes. Probeer grootheid te bereiken in jezelf, in wat je zelf bedacht hebt, wat je zelf geleerd hebt. Laat nu toch eindelijk eens die postmoderne meta-discussie met de vijftiende eeuw voor wat zij is. Van communicatie is hier geen sprake. Verhoeven doet haar ding, de vijftiende eeuw het zijne. Het verschil tussen de twee was voor mij te pijnlijk. En zo was er in het museum nog veel meer hinderlijk er doorheen praten aan te treffen. Ik had het zwaar.



maandag 2 april 2018

De kunst der nagedachtenis

De stad is geheel doordrongen van de dood. Mistflarden drijven door de nauwe stegen rond de markt en tasten alles aan: vocht dringt door kleding en houtwerk heen en doet muren schimmelen en verkruimelen. Oude begijntjes hebben moeite overeind te blijven op de gladde kinderhoofdjes in de smalle de straten. Mantelmeeuwen vliegen krijsend van dak naar dak. De bovenste veertig meter van de toren van het Belfort is in wolken gehuld. Slechts heel weinig hoeven de nevelflarden zich te verdikken om zich in de straten en stegen bij de andere dolende en vergetelheid zoekende geesten te voegen, die, hoewel nog niet gestorven, niettemin dood zijn en begraven in deze stad van weemoed en moedeloosheid - in Brugge. 
Hugo van Vianen draait de volumeknop van zijn versterker iets verder open en vraagt zich af wat hem ertoe gebracht heeft juist vandaag, juist hier Tsjajkovski's Souvenir de Florence te draaien. Juist vandaag, de dag dat Iris en hij elkaar definitief vaarwel zullen zeggen.
Harde schoenen kletteren door de Heilige Geeststraat, waar Hugo woont. Hij kijkt uit het raam en ziet een geestelijke zich reppen naar zijn pastorie. Hoe melancholiek en verstorven ook, zelfs in de herfst heeft de slaap van Brugge nog iets gehaasts, alsof de zielen bang zijn weer op te zullen lossen in de zachte nevel.
Hugo schuift de zware velours gordijnen dicht en zet zijn Javaanse kamerscherm voor het raam. Kaarsen in een vijfarmige kandelaar op de schoorsteenmantel flakkeren in de veranderde tochtstroom. Hij gaat weer zitten en laat, terwijl een enkele koude vinger het trijp op zijn leestafeltje streelt, de klanken van Tsjajkovski’s herinnering aan hun Florence zijn pijnlijke slapen balsemen.
Lief Pesseke schuifelt de zitkamer binnen en kijkt Hugo op haar zo eigen manier aan, bedremmeld en scheef, maar met een liefdevol glimlachend, gebogen hoofd. Ze lijkt op een klein begijntje als ze aankondigt dat er voor twee is gedekt, zoals meneer had opgedragen, en dat er over vijf­tien minuten kan worden opgediend.
Hugo bedankt haar en staat langzaam op. Met tegenzin draait hij het smachtende strijksextet zachter, tot hij niets meer kan horen. Dan zet hij de versterker en de cd-speler af en loopt naar de slaapkamer om zich voor het avondmaal te kleden. Hij wast zijn handen en gezicht en posteert zich voor de grote kapspiegel. Hij bewondert de oude lijst van ingelegd hout, voordat zijn ogen de bleke schim van zijn gezicht vinden.
Hij kiest een mooi overhemd van azuurblauwe zijde, een witte, fluwelen broek en, in een opwelling, zijn zeeroverslaarzen van zacht leer. Lang twij­felt hij of hij een das zal knopen, maar ten slotte ziet hij daar van af. Hij kamt het haar lichtjes naar achteren, zodat het los achter zijn oren hangt. Met instemming bekijkt hij zijn gezicht dat gevormd is rond zijn diepe, donkere ogen en scherpe, dunne neus. Een klein gouden ringe­tje in zijn oor en de brede, vierkante, gladgeschoren kaak geven hem het uiterlijk van een Russische prins uit een boek van Toergenjev.
Op de kaptafel, naast zijn aftershave, staat een portretje van Iris, met een gestreept hemdje hermafrodiet verkleed als Pierrot, een roos tussen haar lippen. Het is een bespottelijk prentje, dat hem bijna doet huilen. Hij werpt een korte blik op het grote bed, verlaat dan de slaapkamer en zet zich in de eetkamer aan het hoofd van de zware kloostertafel. Hij kijkt de kamer rond, alsof ook hij vandaag afscheid neemt - en misschien is dat ook wel zo. De middeleeuwse balkenstructuur in de donkere wanden is in de loop der eeuwen intact gebleven, en ook de binten van het houten plafond en de dikke stijlen van deuren en ramen zijn al die jaren ontsnapt aan misplaatste renovatiedrang. De lange muur, in het midden onderbroken door de deur naar de hal, wordt symmetrisch gevuld door twee grote pastiches op geliefde schilders. Links, in de donkere hoek hangt een schilderij op de manier van Barend Koekkoek, een groot, bijna surreëel doek waarop een bos, en veel jagers en wild en hoorngeschal. Rechts, waar een spaarzame zonne­straal nog wel eens zijn weg weet te vinden, hangt Hugo's meester­proef: een klassieke God naar Caravaggio met nimfen, marmer, toga's en juwelen. Alle kennis van materialen en stoffen die Hugo als schilder ooit wist te verwer­ven, is hier aangewend. Hij kan nog steeds met trots naar dit doek kijken, dat hem heeft bewezen dat hij de technieken van zijn kunst beheerst.
Achter Hugo (hij draait zich om en bekijkt hem goedkeurend), staat een grote Biedermeier dressoir, op het blad waarvan Lief Pesseke op zijn aanwijzingen diverse flessen heeft gerangschikt die het maal zullen vergezellen: wijnen en likeuren uit Italië en België.
Recht tegenover hem, boven de stoel van Iris, hangt een wandkleed dat geheel aan voedsel en de consumptie ervan is gewijd, en dat Hugo in Zuid Duitsland in een beter soort souvenirwinkel gevonden heeft. Het is een monster­lijk kleed, met vele felle kleurtjes en onpasselijk makende varkenshoof­den, flessen brandewijn, wijnvaatjes, geplukt en aan staken geregen pluimvee, taarten, pasteien en bokalen. De grote hoeveelheid details maakt het tot een brutaal en overmoedig schallend ornament. Hugo staat op en neemt het van de muur. Plotseling heeft hij ingezien dat hij het ding moet verbranden. Hij werpt de lap in een lade en loopt naar de zitkamer, waar hij een groot portret van Iris op de manier van Botticelli van zijn haakje licht. Met enige moeite hangt hij zijn tweede meesterproef op de plaats waar juist nog het kleed had gehangen.
Nadat hij weer is gaan zitten repeteert hij in gedachten de begroeting die hij zich voorgenomen heeft te gebruiken bij Iris haar binnenkomst. Een ernstige, warme, maar niet formele begroeting. Uiteindelijk sluit hij slechts de ogen en knikt lichtjes, terwijl hij een beweging van opstaan maakt. Zijn linkerhand glijdt hulpeloos over zijn voorhoofd en gaat dan, als leidt hij een eigen leven, met het tafelzilver spelen. Bestek van verguld zilver waar het goud hier en daar is afgeschuurd, zodat het zilver iets doorschemert onder de versleten goudlaag, en dit een zachte, heel uitgeputte en zieltogende tint geeft.
Iris is betoverend. Ze draagt een hoogsluitende avondjapon van donker, bordeauxrood fluweel. Ze heeft zich zoals gewoonlijk maar heel summier opgemaakt in de superieure wetenschap dat haar gezicht al van nature bijna perfect is. Haar lange rode haar heeft ze in twee strengen gevlochten, die in een ingewikkelde spiraal als slangen om haar slapen glijden. Ze lacht veel maar zwijgt. Haar lichtgroene ogen kijken spot­tend de kamer in. Ze is zoals Hugo zich haar zal moeten herinneren: nerveus, er jonger uitziend dan de 28 jaar die ze in werkelijkheid is. Het is het beeld dat hij tot aan zijn dood met zich mee zal dragen, deze Iris. Deze Iris van hem.
Hugo schenkt een Cynar in en heft het glas: op het verleden. De donker­rode, vermoeide en bitterzoete vloeistof accentueert op het geslepen kristal van het glas plotselinge heldere plekken, zoals dat bij oud fluweel soms gebeurt. Terwijl hij van een schaaltje olijven snoept maakt een diepe triestheid zich van hem meester, een triestheid die geboren wordt uit geluksgevoel. Het besef op het moment van genieten zelf dat dit het einde zal zijn, dat er hierna niets meer zal resteren dan het terugden­ken aan deze warmte, dit moment. Melancholiek in het heden, met heimwee naar het heden, dat is de opperste zielstoestand voor de trieste genieter. Hij zwijgt, luistert naar de stilte. Geen wanhoop nu. Nu zijn we nog samen. Nu eten we samen.
Een dikke plak grove Ardenner boerenpaté vormt het begin van het af­scheidsmaal. Iris is dol op deze kost die niet in gelei, maar in een jasje van wit vet geserveerd wordt.
Iris poserend voor het kasteel van Clervaux. Iris onder een Jupiler-reclame in een bocht van de weg. Iris onder de douche. Iris brutaal grijnzend met de Bobolituinen om haar hoofd. Iris naakt met de teddybeer Evelyn tussen haar gespreide dijen in een roze bed in Bellinzona. Iris die grappa drinkt in het Beatrix-park. Iris op de fiets, wijzend naar de ruïne van Brederode. Iris die op de markt van Brussel paté eet.
Hugo zwijgt en denkt aan foto's.
Bij de paté heeft hij een fles witte Corvo uit 1977 gekozen. Edoardo Alliata di Villafranca, hertog van Salaparuta sloeg een hem kwellende kraai met zijn wandelstok dood en plantte die stok in de grond, en daaruit ontstond de bloeiende wijnstok van de Corvo-wijnen.
Ieder gerecht weerspiegelt iets. Iedere drank. Weet je nog, Iris, hoe we in de Ardennen zelfgevangen forel aten? Op een teken komt Lief Pesseke binnen met het eerste hoofdgerecht: forel met amandelen. Erbij heeft Hugo een koud flesje Rosato di S. Colombano neergezet bij wijze van echo. Het lijkt of de naar amandelen smakende wijn een mild commentaar levert op het gerecht. Op Hugo dus en Iris want Hugo en Iris worden weerspiegeld in ieder gerecht en ieder gerecht ís Hugo en Iris.
Iris zit te ver weg voor Hugo om haar hand te kunnen strelen, die de voet van haar wijnglas streelt. Hij kan zich het leven zonder Iris niet voorstellen. Erger dan de dood zal de leegte zijn, de toestand waarin niets er meer toe doet, waarin niets zich meer tot hem wendt. Hij heeft Brugge uitgekozen om er zijn laffe leven zonder impulsen of driften te slijten. Laf, omdat hem eigenlijk de dood, de echte dood, samen met Iris toebedacht is. Brugge, verwacht hij halfslachtig, zal voor hem een afdoende substituut zijn voor de dood. In de zomer zal hij zijn huis niet verlaten, druk als het dan in het kleine stadje is met toeristen. In de zomer zal hij werken en boete doen. De vroegmis bijwonen, hoewel hij ook van die kant geen heil en verlossing verwacht. In de winter zal hij zijn gecapitonneerde woning verlaten en zullen de Bruggenaren hem zijn  plaats in zien nemen in de rij dolende schimmen, echoënd tegen blinde muren met het getik van hun wandelstokken. Hij zal zijn plaats innemen, jawel, hij zal zonder doel langs de glimmende straten en donkere kaaien slenteren, net als de anderen vlekkeloos in het zwart gekleed.
De warmte, ook nu ze echt, definitief weggaat, ja reeds weggegaan is, de warmte van hun samenzijn is intens en maakt wanhopig. Angst voor de kou rust als ijsbloemen op de ramen, maakt een helder inzicht onmogelijk.
De hoofdgang, geserveerd met de dieprode Monfortino uit de streek Barolo, is een fazant op Ardenner wijze, met jenever en spek klaarge­maakt door Lief Pesseke, die daarvoor slechts de recepten van haar grootmoeder hoeft na te volgen.
Terwijl hij zijn ogen laaft aan de stille maniertjes van Iris, gaan Hugo’s gedachten terug naar de periode van opperst geluk, van werken en minnen, van kunst en liefde, de periode die hij in zijn hoofd schilderde met lichte en door­dachte kleuren. 's Morgens wekte hij haar met thee en bramenjam en eieren, vervolgens schilderde hij haar gekmakende naaktheid in de kamer op het noorden tot het middaguur, daarna wandelden ze door de omringende bossen, genietend van wilde rotspartijen, vermetele roofvogels en massaal ruisende dalen. Dan ging het met de auto naar Laroche of Bastogne voor inkopen en thuisgekomen dronken ze zich een zachte roes van liefde en appellikeur en Marc de Gewürztraminer.
Bij een langzaam schuchterder wordend kaarslicht in de niet langer vertrouwde omgeving van het oude huis roept de fazant, gegarneerd met vijgen en preiselbeeren, opgediend met spruiten en gekookte aardappelen, een gevoel op van schrijnende onrechtvaardigheid. Waarom toch moet Iris weg, waarom?
Hij is eraan gewend geraakt op elk moment met bijna religieuze overgave van haar te houden en ze is, meer dan wie of wat ook, een symbool geworden. Zij hoort vereeuwigd te worden in een romantisch schilderij, in een lijst van marokijn en verguldsel. Hij eet langzaam en bedachtzaam van zijn gevogelte. En Iris maar zitten en stralen.
De afstand tussen hen schijnt te groeien. Als in een LSD-droom rekt zich de tafel uit tot er een lange, breekbare sliert ontstaat met heel in de verte, door gulden schittering omgeven, Iris Primavera, Iris. Hugo is heel dronken nu, en hij kijkt.
Ach, hoe zwijgzaam is Iris. Ook tijdens het eenvoudige nagerecht van perziken in Poire Williams spreekt ze zo weinig. Maar waarom zou ze ook? De taal is de meest machteloze communicatie, wanneer ogen kunnen zien, tongen kunnen proeven en vingertoppen warmte kunnen overbrengen en koelte. Taal kan alleen maar wegspatten, als druppels op een oliejas. Hier te zijn, samen met Iris, niet wetend van de dreigende koude die in een front optrekt om hem en zijn vesting in een eeuwigdurende poolnacht te hullen, niets voorvoe­lend van de komende boetedoening. Was het maar zo. Was hij maar dom en kon hij nog maar in onwetendheid genieten. Maar nee, integendeel. Hij beseft maar al te goed, terwijl hij nipt van zijn Grappa en van zijn zoete espresso: dit was voor het laatst, hierna is er niets meer. Hij staart blind in het groen weerkaatsende glas.
Boven het oppervlak van de grappa in de fles steekt de ruta-plant uit, haar kleine blaadjes glimmend van het vocht. De ruta, of wijnruit, werd vroeger geassocieerd met boetedoening, weet Hugo. Misschien vanwege de bittere en sterke smaak van het kruid? Merkwaardig tegenovergesteld hieraan werd ook algemeen aangenomen dat de wijnruit met haar stimule­rende en irriterende werking een der belangrijkste heksenkruiden was. Boetedoening en hekserij, denkt Hugo, in dit kleine glaasje. Pas maar op. Hier gebeuren rare dingen. Er trekt een schaduw door de schemerige kamer, als de eerste van de kaarsen op tafel uitdooft.
Hij staat op en kijkt uit het raam: keien glinsteren in zwak lantaren­licht. Even verderop maakt de korte straat een bocht, verdwijnt van de wereld, vergeet dat ze ooit heeft bestaan. Aan de andere kant doemt dreigend de massieve toren van de St. Salvatorkerk op die, veinzend te waken over de stad, in feite die stad voor eeuwig gegijzeld houdt.
Een tweede kaars sterft. Slechts één flikkerend vlammetje brandt nog, aan zijn kant van de tafel. Hugo draait zich om en staart in de duister­nis. Iris is weg. Haar stoel is leeg. Hij bevoelt de lederen zitting: koud. Haar bord is schoon en ongebruikt.
Lief Pesseke ziet meneer Hugo bleek bij het loze bord staan en schudt het hoofd: meneer Hugo is er niet goed aan toe. Ze weet niet dat meneer Hugo heeft laten dekken voor zijn dode Iris, de renaissancistische godin met haar smetteloze glimlach. Ze weet niet dat dit een laatste avondmaal geweest is, dat dit Hugo's afscheid betekent van Iris, die hij heeft laten leven in dit stille huis in het dode Brugge.
Hugo bedankt Lief Pesseke voor het uitstekende maal en loopt de zitkamer in. Hij kiest uit zijn platencollectie het lange orkestlied Der Ab­schied van Mahler. Een Duitse mezzo-sopraan zingt:
Ich sehne mich, o Freund, an deiner Seite
Die Schönheit dieses Abends zu geniessen.
Hugo bladert in een Botticelli-monografie, totdat hij de afbeeldingen vindt van de diverse wrede en verleidelijke Maria's, waar Sandro Fili-pepi zijn kunstenaarschap in heeft uitgedrukt. De stoffige en fletse tempera's vormen het beeld, het ideaalbeeld waarmee Hugo Iris in de herinnering gevangen wil houden.
Want zelfs al zou Lief Pesseke weten, dat het een dode Iris is, van wie Hugo afscheid genomen heeft, dan nog zou ze maar een gedeelte van het verhaal kennen. Dan zou ze nog niet weten dat Hugo zijn dode Iris zelf heeft samengesteld uit wat hem lief is: de tientallen schone en intrige­rende vrouwen die hij ontmoet heeft in musea in Florence, Parijs, Vene­tië, Brugge, Londen en Amsterdam.
En als Lief Pesseke dit al zou weten, dan zou ze het niet begrijpen. Hoe het gewone leven Hugo zodanig verveelt, dat hij zich liever een prachtige crisis bedenkt, waar hij volledig in op kan gaan. Deze prach­ti­ge wanhoop, langzaam echt geworden, is hem oneindig liever dan de grauwe gelijkmatigheid van het gewone leven. Dit is beter dan niets.
Dat hij aldus figureert in een zinsbegoocheling beseft hij en dat maakt het allemaal alleen maar aantrekkelijker voor hem: te weten dat voor hem het leven werkelijk schijn is geworden, en dat hijzelf de grote schepper is van deze hem omringende illusie, dat is wel de grootste triomf van de stervende avond.
En zijn wanhoop kleurt zich mooi rood, en zijn tranen zijn tranen van goud en zijn toegeklemde kaken ontspannen zich tot er een zachte glim­lach over zijn gezicht kruipt.
Terwijl de tonen van Mahlers Abschied wegsterven, loopt Hugo terug naar de eetkamer, en haalt het schilderij Iris weer van de muur. Het stuk krijgt zijn vertrouwde plaats terug, aan de slaapkamermuur. Hugo knikt instemmend als hij het werkstuk inspecteert. Dan opent hij een tube oker en verwijdert de valse signatuur: n. Botticelli. Met een dunne penseel zwarte verf schrijft hij ervoor in de plaats: Hugo van Vianen inv. & fecit. Eronder, vrijwel onleesbaar: Ars Naturae Magistra.


Een oud verhaal dat ik terugvond op mijn harde schijf. Gedateerd: Arlon/Gent, 1986/1993