maandag 1 juli 2019

Eten



In Spanje ontbijt je twee keer heel licht, heb je van twee tot half vier de hoofdmaaltijd: de Menú del diá en ’s avonds laat, na negenen meestal, een paar tapas bij je bier. Omdat wij in een hotel met een vorstelijk ontbijtbuffet zaten, is de middagmaaltijd wegens verzadiging nooit helemaal van de grond gekomen, en moesten wij het juist weer hebben van de avondtapas, die we wat naar voren schoven, naar een uur of acht.

Op maandag zijn alle eettentjes in Valencia gesloten, met uitzondering van restaurants en terrassen die horen bij hotels. Die blijven vreemd genoeg wel open. Wij vonden het terrasje van Ramirez Flats (een design-aparthotel, niet geheel toevallig om de hoek bij ons hotel gelegen), waar we vier gerechtjes namen.
Steak tartar
Wie het leven tot de grens wil leven, moet natuurlijk in den vreemde rauwe kost gaan eten. De Steak tartar was in dat opzicht een verrukkelijke uitdaging. Subtiel en vluchtig, maar aards tegelijk. En de volgende dag leefden we nog!
De Caracoles cabrilla waren een klein beetje vlak. Eigenlijk smaken slakken nergens naar en moet het knoflook/oliesausje de zaak pimpen. Atùn marinado en Sepia con mayonesa, de twee visgerechten, waren volledig naar genoegen. Alles was goed en vers, en met panache klaargemaakt. Als wij in Nederland inktvis zeggen, zeggen de Spanjaarden sepia, of chipiron, pulpo of calamar (waarvan de tentakels weer puntillitas genoemd worden). Inktvis bestaat hier niet.

Jenet ziet eruit als een geboren Spaanse, zodat zij en haar eigenaardige, bleke reus overal meteen een soort rapport met de bediening en de aanpalende tafeltjes hadden. Helaas beperkt Jenet haar Spaans zich tot “No hablo español”. Het mijne ook, trouwens. Maar met flarden Ivriet en Swahili (Jenet), en Italiaans (ik), redden we ons niettemin verder uitstekend, wel hier en daar enkele verbijsterde blikken veroorzakend.

Omdat ons hotel buiten het centrum van Valencia ligt, namelijk aan de voormalige oostoever van de drooggelegde rivier Turia, thans een zeer indrukwekkend stadspark, hadden wij het geluk dat we voor ons avondeten onze toevlucht konden zoeken bij eenvoudige, ééntalige en niet op toeristen ingestelde pretentieloze eetstalletjes, met wat wrakkige tafeltjes op straat en voor minder dan de helft van de prijs die ze durven vragen in het toeristische centrum. Het spreekt vanzelf dat zulks precies is wat we wensten.

12 Intenciones
De meeste avonden vond men ons dan ook terug bij het tentje 12 Intenciones aan de Carrer de Vicent Sancho Tello. Daar zit je echt tussen de Spaanse buurtgenoten en de geparkeerde auto’s.

De Sepia a la plancha met mayonaise en de Colas de gambon al ajillo (grote garnalen met knoflook) waren zodanig smakelijk dat we die meerdere malen genomen hebben. Verder passeerden een paar oude bekenden de revue. Om te beginnen natuurlijk Patatas bravas, in Valencia consequent kortweg Bravas genoemd. Een wat machtige variant hier, met naast de bekende hot pimenton ook een gulle portie room. Croquetas caseras, truffel-, ham- en preikroketjes mochten natuurlijk ook niet ontbreken. Een standaard groentegerecht is Esgarraet casero con ajo negro, een in de oven gebakken schaaltje paprika met groenten en zoute stokvis. 

Het grootste waagstuk was Morcilla de Burgos. Bloedworst met rijst, lieve lezer, en daar een rauw ei overheen gebroken. Ik denk dat je dat in Nederland niet eens mág serveren. Ik dacht: durf het leven te leven, al is het het laatste dat je doet!
Morcilla de Burgos
Dit alles werd weggespoeld met een vederlicht, ijskoud wit wijntje waarvan vier glazen net zoveel kostten als één tapa.

zondag 23 juni 2019

Valencia fris als een sinaasappel


Toen de Turia nog stroomde...
In 1981, tijdens El Tejerazo, die malle staatsgreep van Antonio Tejero, die het fascisme van Franco wilde herintroduceren in Spanje, reden de tanks door Valencia. Kapitein Generaal Jaime Milans del Bosch had er de noodtoestand uitgeroepen en getracht in deze, de derde stad van Spanje, een bruggenhoofd te vormen voor de coup. Ondanks dat de coup een snelle dood stierf, gaf Milans del Bosch zich pas drie dagen later over.
Dit is geen oude geschiedenis. Dit gebeurde toen ik vijfentwintig was.

Nu is Valencia een moderne, jeugdige stad, bewoond door jonge en oude, moderne en conservatieve vrije mensen. Ze zijn zelfbewust, ze weten voor zichzelf te zorgen, ze letten uitstekend op: dit is hun stad: schoon, progressief, sportief, verankerd in haar traditie en trots.

De grote overstroming van 14 oktober 1957
In vroeger tijden werd de stad geflankeerd door een onbetrouwbare en grillige rivier, de Turia, gevreesd door haar overstromingen. Na de grote overstroming van 14 oktober 1957, die enorme schade aanrichtte en ten minste 81 doden ten gevolge had, was men het zat en besloot men de rivier om te leiden (Plan Sur de Valencia). De werkzaamheden waren gereed in 1969 en de oude rivierbedding bleef jarenlang braak liggen. Opeenvolgende franquistische burgemeesters trachtten de bedding in te richten als een monstrueuze tienbaans autoweg, maar met de komst van democratie na Franco’s dood in 1975, werd de bedding ingericht als stadspark (Jardí del Túria/Jardín del Turia) waar fietsers en wandelaars het drukke verkeer omzeilen, waar tai-chi- en zenklasjes hun rituelen uitvoeren, waar middelbare scholen hun sportdag houden en waar iedereen neerploft om te picknicken, de boom-box in stelling, de rugzak als hoofdkussen. 
Ciudad de las Artes y las Ciencias
Het park bevat vijvers, bloembedden, kleine bossen, speelplaatsen, monumenten en pleinen, restaurants en kiosken, sportterreinen, klimmuren en barretjes. De vele oude bruggen zijn gehandhaafd en laten het drukke verkeer van de buitenwijken naar de stad gaan en terug. Het is een beetje surrealistisch om door een tuin te wandelen en onder zo’n statige rivierbrug door te gaan.
Helemaal aan het einde van het langgerekte park bevindt zich de door Santiago Calatrava en Félix Candela ontworpen, hypermoderne Ciudad de las Artes y las Ciencias (Stad van Kunst en Wetenschap), waaraan in 1989 werd begonnen. Het laatste gebouw was in 2009 klaar.

Ons hotel lag aan de oostoever van de voormalige rivier en keek uit op het Palau de la Música Valenciana. Voor ons aan de overkant van het park lag de negentiende-eeuwse wijk Canovas, officieel geheten: La Gran Via. Onze “oever” van het park was een moderne façade, terwijl achter ons hotel de negentiende eeuw weer verder ging, in de vorm van de wijk Albors, waar we meestal onze tapas aten (daarover later meer).

Ergens links is ons hotel te zien
De rust van het park compenseerde bijna de drukte van de stad. Niemand was nerveus. Wel doelbewust, kordaat en energiek, niet nerveus. Jong en oud paradeerde, arm in arm of in rijtjes van vijf, door de brede lanen. Niemand trok zich iets aan van verkeerslichten, niemand ging opzij als er iets of iemand aankwam. Het meest gebruikte vervoermiddel was de elektrische step, die zich met doodsverachting door het verkeer boorde. Ook op die voertuigjes zag je weer jong en oud, bekommerd en onbekommerd, mooie getatoeëerde meisjes en oude getatoeëerde gekken met grijze paardenstaarten.

Een blijde stad is Valencia, die indruk was het scherpst. Een ontspannen stad.

dinsdag 30 april 2019

Eten in een sprookjesboek



Ter afsluiting van een verblijf van een week in het Ourthedal, hadden we onszelf getrakteerd op een diner in het restaurant La Maison de Hary Cot, gelegen aan de Rue de Dolmens in het dorpje Wéris. Die dolmen liggen in een kruispunt van de weg en doen wel een beetje denken aan Drenthe: een paar menhirs, een soort megalithisch huisje en iets dat herinnert aan een hunebed. Verrassend en bijzonder, zeer zeker, maar ik mag in dit soort situaties graag Willem Kloos citeren: 'Ik houd erg van een mooi uitzicht buiten maar ik móet er iets te drinken bij hebben.'


Dolmen van Wéris

Het bovenop een glooiende Ardennenheuvel gesitueerde restaurant is gevestigd in een heel wonderbaarlijk gebouw dat we al een paar keer met de auto waren gepasseerd en waar een malle tovenaar lijkt te wonen met zijn katten en kabouters. Het bleek niet zomaar een eettent te zijn, maar een serieus restaurant: toen we op een doordeweekse dag op de bonnefooi naar binnen wilden, werden we door een spijkerdunne, licht getatoeëerde, zwartharige jonge vrouw met assertieve borsten en een doorrookt hese stem vriendelijk maar zeer beslist weggebonjourd. Thuis op internet bekeken we voor alle zekerheid toch maar eerst even de menukaart alvorens voor een paar dagen later alsnog te reserveren.

Dominique Noël
De eerste indruk die het gebouw van ambachtsman/architect Dominique Noël achterlaat is er een van jugendstil vermengd met Anton Pieck. Rechte hoeken zijn nergens te bekennen. De  muren zijn, net als bij de meeste gebouwen in de streek, opgetrokken uit grijze en roodbruine natuurkeien, afgewerkt met golvende, bakstenen randjes. Veel hout was er gebruikt, grote, zware balken. Het interieur was een doolhof van verschnörkelde trapjes, panelen, glas-in-loodramen. Deuren van onregelmatige platen zwarte lei sloten het toilet af. Er hingen schepen aan het plafond en ook dobberde een boot onder de doorzichtige vloer in een inpandige vijver. De houten eettafel was lang en (iets te) breed, bezaaid met katrollen en ankerkettingen en aqualongen en sextanten. Een zeevaartthema, zoveel was duidelijk.

De toiletten
De diverse gezelschappen zaten aan dezelfde lange tafel, van elkaar gescheiden door barrières van aangespoeld olijvenhout. Wij zaten aan het uiterste stuk en naast ons had een familie postgevat van een deftige, luidruchtige dame, haar muisachtige echtgenoot, wat kinderen met aanhang en een stelletje kleinkinderen die zoet aan het tekenen waren. De grote mensen waren een beetje tegen elkaar aan het opbieden: ‘Dat had ik laatst in Japan. Daar zijn die kamers zo klein…’ ‘Als je een volgende keer in Argentinië bent, moet je…’ ‘Dat doet me denken aan toen ik in Rome woonde…’ Wij keken elkaar een beetje lacherig aan en ik vrees dat we het een en ander niet geheel zonder commentaar hebben kunnen laten passeren, onder dergelijke omstandigheden wordt een mens immers vanzelf melig. Iemand van ons merkte zachtjes (maar mogelijkerwijs voor de buren wel hoorbaar) op: ‘Ik ben vorig jaar weer eens in Narnia geweest. Had ik niet moeten doen: zo’n derde keer valt altijd een beetje tegen.’ Eén vrouw in het gezelschap die niet meedeed aan het opbieden moest moeite doen haar lach in te houden.

Toen het gekwebbel ophield – er moest ten slotte ook nog gegeten worden – viel het mij een beetje tegen dat er middels het geluidssysteem een heel album van Katie Melua ten gehore gebracht werd. Niet te hard, maar wel hard genoeg om gehoord te worden. Ik geef daar niet om, persoonlijk houd ik het meest van muziekloze horeca.
Het eten was Frans en bedelde een beetje om een Michelin-ster. Deconstructie van worteltjes (wortel pureren, mengen met gepureerde vergeten groenten, op laten stijven in worteltjesvorm en serveren als oranje staafjes), geestige granen met wilde kruiden en spek onder een hartige schuim, alsook drie bereidingen van ananas als toetje.
Als ik heel eerlijk ben: voor mij hoeft dat allemaal niet zo. Het was zeker lekker, maar een duiveltje op mijn schouder begint altijd een beetje meewarig te grinniken bij zoveel culinaire poeha en haalt me uit mijn rozige gemoed.

Enfin: het was het enige fatsoenlijke restaurant dat we in die contreien tegen waren gekomen en als aparte ervaring was het zeer zeker de moeite waard geweest.

maandag 15 april 2019

Lizzie vrijdagochtend?


Een prachtig bleke jonge vrouw zat daar
de NRC te lezen, ‘k rook haar roken.
Haar groen-juwelen ogen keken ook en
we monsterden elkaar. Op mijn gebaar

gewerd mij naast een whisky een sigaar
(want ieder vecht altijd met eigen spoken).
Ze heeft me toen begerig aangesproken -
er sprak een rode waterval van haar:

‘Ik zag u zitten poëzie te lezen
en wilde met u samen zijn voorgoed
en elke avond weer gepassioneerd

de liefde met u spelen, met uw wezen:
ik houd van u, uw spuug, uw geil, uw bloed.’
Zo had ik dit moment gefantaseerd.

zaterdag 13 oktober 2018

Dorst, kroniek van een 'romantische' obsessie



Mijn levenslange vriend Jan-Paul van Spaendonck is alcoholist. Min of meer genezen nu, maar alcoholist ben je voor je leven. Ook is hij een buitengewoon scherp denker en observeerder, getuige zijn blog Voorheen Rookzanger.

In de afgelopen jaren heeft hij vijf boeken gepubliceerd die volledig of gedeeltelijk handelen over zijn tragische verhouding met de drank. In zijn eerste bundeling blogcolumns, Rookzanger (2012) kwam naast allerlei andere onderwerpen de drank geregeld even langs. In datzelfde jaar verscheen bij de Vlaamse bibliofiele uitgeverij De Carbolineum Pers een bundel Haiku’s getiteld De weg van de nap (2012). In deze bundel correspondeerden Jan-Paul en ikzelve over zijn zwakte in het strikte keurslijf van 78 haiku. Na Bankjeszomer en De Sigarenwinkel is Dorst zijn derde prozawerk dat vrijwel geheel handelt over alcoholisme en het daaruit voortvloeiende vermogen of onvermogen om te functioneren in een sociale context van familie, werkkring of maatschappij. Deze keer hebben we te maken met een poging om te komen tot een niet-romantische ontmythologisering van het drinken. Het beschreven tijdsbestek is de periode direct na het stoppen, de periode van droog staan, die voorafgaat aan de complete ineenstorting die in de eerdere twee prozaboeken beschreven wordt. Als zodanig is het een beschrijving van een tussenfase, een momentopname. Er is geen eenduidig einde, geen moraal van het verhaal. Er is een geschiedenis vóór het boek en een erna.

Hoewel ogenschijnlijk een dagboek, is Dorst in werkelijkheid veel meer: een geraffineerde collage van notities, weliswaar telkens van een dagtekening voorzien, maar zich lang niet altijd schikkend in een chronologisch keurslijf. Juist door deze schijnbare tegenstrijdigheid ontdekken we allengs dat we zeker niet met een simpel autobiografisch document te maken hebben. Precies de sprongen in de chronologie, de wisselingen van toon en temperament, het voortdurend wisselen ook van perspectief en decor, maakt dat deze caleidoscopische tekst telkens intenser lijkt te worden, zonder dat de heldere, analytische, vaak humoristische en ironische schrijfstijl daaraan opgeofferd wordt. Ik vind dat heel knap. Het is alsof een oculair langzaam in de juiste stand gedraaid wordt, zodat uiteindelijk uit die schijnbaar losse verzameling citaten, herinneringen en bespiegelingen een telkens scherper beeld ontstaat, het ware beeld van een alcoholisme. Alcoholisme is niet altijd verschrikkelijk, soms geeft het rust, soms dreigt het, vlak om de hoek, wanneer de schrijver weer eens droog staat, dan weer troost het en geeft het op een vreemde manier houvast. Door de benadering die Jan-Paul gekozen heeft, wordt de aandoening in iedere geval driedimensionaal, wat bepaald verfrissend is bij een onderwerp dat doorgaans slechts de ééndimensionale behandeling krijgt. Het graaft dieper dan je verwacht, juist omdat hier een volledige mens, met al zijn goede en slechte kanten, gepresenteerd wordt. Het boek gaat, kortom, niet over alcoholisme, maar over een alcoholist, en dat maakt een essentieel verschil.

Doordat het werk ontstegen lijkt te zijn aan allerlei zichzelf opgelegde literaire en gekunstelde regeltjes en dat wat verteld moet worden dientengevolge min of meer aan zijn lot overgelaten wordt, is dit misschien wel het allerbeste dat Jan-Paul ooit heeft geschreven. Juist het nadrukkelijk ontbreken van de literaire pose maakt van dit bedrieglijk eenvoudige document een krachtig en vooral vreemd en literair werk. Hier hebben we wel een monomane schrijver, maar tevens een monomane analyticus en een die een heleboel mooie woorden in zijn ransel heeft. En zoals hij loopt de mopperen op de jeugd van tegenwoordig op pagina’s 171 en 172, zo mag hij van mij de rest van zijn leven blijven mopperen. De nieuwe Jan-Paul van Spaendonck een anti-romanticus? Dat mocht hij willen!


Het boek is hier te bestellen