maandag 2 april 2018

De kunst der nagedachtenis

De stad is geheel doordrongen van de dood. Mistflarden drijven door de nauwe stegen rond de markt en tasten alles aan: vocht dringt door kleding en houtwerk heen en doet muren schimmelen en verkruimelen. Oude begijntjes hebben moeite overeind te blijven op de gladde kinderhoofdjes in de smalle de straten. Mantelmeeuwen vliegen krijsend van dak naar dak. De bovenste veertig meter van de toren van het Belfort is in wolken gehuld. Slechts heel weinig hoeven de nevelflarden zich te verdikken om zich in de straten en stegen bij de andere dolende en vergetelheid zoekende geesten te voegen, die, hoewel nog niet gestorven, niettemin dood zijn en begraven in deze stad van weemoed en moedeloosheid - in Brugge. 
Hugo van Vianen draait de volumeknop van zijn versterker iets verder open en vraagt zich af wat hem ertoe gebracht heeft juist vandaag, juist hier Tsjajkovski's Souvenir de Florence te draaien. Juist vandaag, de dag dat Iris en hij elkaar definitief vaarwel zullen zeggen.
Harde schoenen kletteren door de Heilige Geeststraat, waar Hugo woont. Hij kijkt uit het raam en ziet een geestelijke zich reppen naar zijn pastorie. Hoe melancholiek en verstorven ook, zelfs in de herfst heeft de slaap van Brugge nog iets gehaasts, alsof de zielen bang zijn weer op te zullen lossen in de zachte nevel.
Hugo schuift de zware velours gordijnen dicht en zet zijn Javaanse kamerscherm voor het raam. Kaarsen in een vijfarmige kandelaar op de schoorsteenmantel flakkeren in de veranderde tochtstroom. Hij gaat weer zitten en laat, terwijl een enkele koude vinger het trijp op zijn leestafeltje streelt, de klanken van Tsjajkovski’s herinnering aan hun Florence zijn pijnlijke slapen balsemen.
Lief Pesseke schuifelt de zitkamer binnen en kijkt Hugo op haar zo eigen manier aan, bedremmeld en scheef, maar met een liefdevol glimlachend, gebogen hoofd. Ze lijkt op een klein begijntje als ze aankondigt dat er voor twee is gedekt, zoals meneer had opgedragen, en dat er over vijf­tien minuten kan worden opgediend.
Hugo bedankt haar en staat langzaam op. Met tegenzin draait hij het smachtende strijksextet zachter, tot hij niets meer kan horen. Dan zet hij de versterker en de cd-speler af en loopt naar de slaapkamer om zich voor het avondmaal te kleden. Hij wast zijn handen en gezicht en posteert zich voor de grote kapspiegel. Hij bewondert de oude lijst van ingelegd hout, voordat zijn ogen de bleke schim van zijn gezicht vinden.
Hij kiest een mooi overhemd van azuurblauwe zijde, een witte, fluwelen broek en, in een opwelling, zijn zeeroverslaarzen van zacht leer. Lang twij­felt hij of hij een das zal knopen, maar ten slotte ziet hij daar van af. Hij kamt het haar lichtjes naar achteren, zodat het los achter zijn oren hangt. Met instemming bekijkt hij zijn gezicht dat gevormd is rond zijn diepe, donkere ogen en scherpe, dunne neus. Een klein gouden ringe­tje in zijn oor en de brede, vierkante, gladgeschoren kaak geven hem het uiterlijk van een Russische prins uit een boek van Toergenjev.
Op de kaptafel, naast zijn aftershave, staat een portretje van Iris, met een gestreept hemdje hermafrodiet verkleed als Pierrot, een roos tussen haar lippen. Het is een bespottelijk prentje, dat hem bijna doet huilen. Hij werpt een korte blik op het grote bed, verlaat dan de slaapkamer en zet zich in de eetkamer aan het hoofd van de zware kloostertafel. Hij kijkt de kamer rond, alsof ook hij vandaag afscheid neemt - en misschien is dat ook wel zo. De middeleeuwse balkenstructuur in de donkere wanden is in de loop der eeuwen intact gebleven, en ook de binten van het houten plafond en de dikke stijlen van deuren en ramen zijn al die jaren ontsnapt aan misplaatste renovatiedrang. De lange muur, in het midden onderbroken door de deur naar de hal, wordt symmetrisch gevuld door twee grote pastiches op geliefde schilders. Links, in de donkere hoek hangt een schilderij op de manier van Barend Koekkoek, een groot, bijna surreëel doek waarop een bos, en veel jagers en wild en hoorngeschal. Rechts, waar een spaarzame zonne­straal nog wel eens zijn weg weet te vinden, hangt Hugo's meester­proef: een klassieke God naar Caravaggio met nimfen, marmer, toga's en juwelen. Alle kennis van materialen en stoffen die Hugo als schilder ooit wist te verwer­ven, is hier aangewend. Hij kan nog steeds met trots naar dit doek kijken, dat hem heeft bewezen dat hij de technieken van zijn kunst beheerst.
Achter Hugo (hij draait zich om en bekijkt hem goedkeurend), staat een grote Biedermeier dressoir, op het blad waarvan Lief Pesseke op zijn aanwijzingen diverse flessen heeft gerangschikt die het maal zullen vergezellen: wijnen en likeuren uit Italië en België.
Recht tegenover hem, boven de stoel van Iris, hangt een wandkleed dat geheel aan voedsel en de consumptie ervan is gewijd, en dat Hugo in Zuid Duitsland in een beter soort souvenirwinkel gevonden heeft. Het is een monster­lijk kleed, met vele felle kleurtjes en onpasselijk makende varkenshoof­den, flessen brandewijn, wijnvaatjes, geplukt en aan staken geregen pluimvee, taarten, pasteien en bokalen. De grote hoeveelheid details maakt het tot een brutaal en overmoedig schallend ornament. Hugo staat op en neemt het van de muur. Plotseling heeft hij ingezien dat hij het ding moet verbranden. Hij werpt de lap in een lade en loopt naar de zitkamer, waar hij een groot portret van Iris op de manier van Botticelli van zijn haakje licht. Met enige moeite hangt hij zijn tweede meesterproef op de plaats waar juist nog het kleed had gehangen.
Nadat hij weer is gaan zitten repeteert hij in gedachten de begroeting die hij zich voorgenomen heeft te gebruiken bij Iris haar binnenkomst. Een ernstige, warme, maar niet formele begroeting. Uiteindelijk sluit hij slechts de ogen en knikt lichtjes, terwijl hij een beweging van opstaan maakt. Zijn linkerhand glijdt hulpeloos over zijn voorhoofd en gaat dan, als leidt hij een eigen leven, met het tafelzilver spelen. Bestek van verguld zilver waar het goud hier en daar is afgeschuurd, zodat het zilver iets doorschemert onder de versleten goudlaag, en dit een zachte, heel uitgeputte en zieltogende tint geeft.
Iris is betoverend. Ze draagt een hoogsluitende avondjapon van donker, bordeauxrood fluweel. Ze heeft zich zoals gewoonlijk maar heel summier opgemaakt in de superieure wetenschap dat haar gezicht al van nature bijna perfect is. Haar lange rode haar heeft ze in twee strengen gevlochten, die in een ingewikkelde spiraal als slangen om haar slapen glijden. Ze lacht veel maar zwijgt. Haar lichtgroene ogen kijken spot­tend de kamer in. Ze is zoals Hugo zich haar zal moeten herinneren: nerveus, er jonger uitziend dan de 28 jaar die ze in werkelijkheid is. Het is het beeld dat hij tot aan zijn dood met zich mee zal dragen, deze Iris. Deze Iris van hem.
Hugo schenkt een Cynar in en heft het glas: op het verleden. De donker­rode, vermoeide en bitterzoete vloeistof accentueert op het geslepen kristal van het glas plotselinge heldere plekken, zoals dat bij oud fluweel soms gebeurt. Terwijl hij van een schaaltje olijven snoept maakt een diepe triestheid zich van hem meester, een triestheid die geboren wordt uit geluksgevoel. Het besef op het moment van genieten zelf dat dit het einde zal zijn, dat er hierna niets meer zal resteren dan het terugden­ken aan deze warmte, dit moment. Melancholiek in het heden, met heimwee naar het heden, dat is de opperste zielstoestand voor de trieste genieter. Hij zwijgt, luistert naar de stilte. Geen wanhoop nu. Nu zijn we nog samen. Nu eten we samen.
Een dikke plak grove Ardenner boerenpaté vormt het begin van het af­scheidsmaal. Iris is dol op deze kost die niet in gelei, maar in een jasje van wit vet geserveerd wordt.
Iris poserend voor het kasteel van Clervaux. Iris onder een Jupiler-reclame in een bocht van de weg. Iris onder de douche. Iris brutaal grijnzend met de Bobolituinen om haar hoofd. Iris naakt met de teddybeer Evelyn tussen haar gespreide dijen in een roze bed in Bellinzona. Iris die grappa drinkt in het Beatrix-park. Iris op de fiets, wijzend naar de ruïne van Brederode. Iris die op de markt van Brussel paté eet.
Hugo zwijgt en denkt aan foto's.
Bij de paté heeft hij een fles witte Corvo uit 1977 gekozen. Edoardo Alliata di Villafranca, hertog van Salaparuta sloeg een hem kwellende kraai met zijn wandelstok dood en plantte die stok in de grond, en daaruit ontstond de bloeiende wijnstok van de Corvo-wijnen.
Ieder gerecht weerspiegelt iets. Iedere drank. Weet je nog, Iris, hoe we in de Ardennen zelfgevangen forel aten? Op een teken komt Lief Pesseke binnen met het eerste hoofdgerecht: forel met amandelen. Erbij heeft Hugo een koud flesje Rosato di S. Colombano neergezet bij wijze van echo. Het lijkt of de naar amandelen smakende wijn een mild commentaar levert op het gerecht. Op Hugo dus en Iris want Hugo en Iris worden weerspiegeld in ieder gerecht en ieder gerecht ís Hugo en Iris.
Iris zit te ver weg voor Hugo om haar hand te kunnen strelen, die de voet van haar wijnglas streelt. Hij kan zich het leven zonder Iris niet voorstellen. Erger dan de dood zal de leegte zijn, de toestand waarin niets er meer toe doet, waarin niets zich meer tot hem wendt. Hij heeft Brugge uitgekozen om er zijn laffe leven zonder impulsen of driften te slijten. Laf, omdat hem eigenlijk de dood, de echte dood, samen met Iris toebedacht is. Brugge, verwacht hij halfslachtig, zal voor hem een afdoende substituut zijn voor de dood. In de zomer zal hij zijn huis niet verlaten, druk als het dan in het kleine stadje is met toeristen. In de zomer zal hij werken en boete doen. De vroegmis bijwonen, hoewel hij ook van die kant geen heil en verlossing verwacht. In de winter zal hij zijn gecapitonneerde woning verlaten en zullen de Bruggenaren hem zijn  plaats in zien nemen in de rij dolende schimmen, echoënd tegen blinde muren met het getik van hun wandelstokken. Hij zal zijn plaats innemen, jawel, hij zal zonder doel langs de glimmende straten en donkere kaaien slenteren, net als de anderen vlekkeloos in het zwart gekleed.
De warmte, ook nu ze echt, definitief weggaat, ja reeds weggegaan is, de warmte van hun samenzijn is intens en maakt wanhopig. Angst voor de kou rust als ijsbloemen op de ramen, maakt een helder inzicht onmogelijk.
De hoofdgang, geserveerd met de dieprode Monfortino uit de streek Barolo, is een fazant op Ardenner wijze, met jenever en spek klaarge­maakt door Lief Pesseke, die daarvoor slechts de recepten van haar grootmoeder hoeft na te volgen.
Terwijl hij zijn ogen laaft aan de stille maniertjes van Iris, gaan Hugo’s gedachten terug naar de periode van opperst geluk, van werken en minnen, van kunst en liefde, de periode die hij in zijn hoofd schilderde met lichte en door­dachte kleuren. 's Morgens wekte hij haar met thee en bramenjam en eieren, vervolgens schilderde hij haar gekmakende naaktheid in de kamer op het noorden tot het middaguur, daarna wandelden ze door de omringende bossen, genietend van wilde rotspartijen, vermetele roofvogels en massaal ruisende dalen. Dan ging het met de auto naar Laroche of Bastogne voor inkopen en thuisgekomen dronken ze zich een zachte roes van liefde en appellikeur en Marc de Gewürztraminer.
Bij een langzaam schuchterder wordend kaarslicht in de niet langer vertrouwde omgeving van het oude huis roept de fazant, gegarneerd met vijgen en preiselbeeren, opgediend met spruiten en gekookte aardappelen, een gevoel op van schrijnende onrechtvaardigheid. Waarom toch moet Iris weg, waarom?
Hij is eraan gewend geraakt op elk moment met bijna religieuze overgave van haar te houden en ze is, meer dan wie of wat ook, een symbool geworden. Zij hoort vereeuwigd te worden in een romantisch schilderij, in een lijst van marokijn en verguldsel. Hij eet langzaam en bedachtzaam van zijn gevogelte. En Iris maar zitten en stralen.
De afstand tussen hen schijnt te groeien. Als in een LSD-droom rekt zich de tafel uit tot er een lange, breekbare sliert ontstaat met heel in de verte, door gulden schittering omgeven, Iris Primavera, Iris. Hugo is heel dronken nu, en hij kijkt.
Ach, hoe zwijgzaam is Iris. Ook tijdens het eenvoudige nagerecht van perziken in Poire Williams spreekt ze zo weinig. Maar waarom zou ze ook? De taal is de meest machteloze communicatie, wanneer ogen kunnen zien, tongen kunnen proeven en vingertoppen warmte kunnen overbrengen en koelte. Taal kan alleen maar wegspatten, als druppels op een oliejas. Hier te zijn, samen met Iris, niet wetend van de dreigende koude die in een front optrekt om hem en zijn vesting in een eeuwigdurende poolnacht te hullen, niets voorvoe­lend van de komende boetedoening. Was het maar zo. Was hij maar dom en kon hij nog maar in onwetendheid genieten. Maar nee, integendeel. Hij beseft maar al te goed, terwijl hij nipt van zijn Grappa en van zijn zoete espresso: dit was voor het laatst, hierna is er niets meer. Hij staart blind in het groen weerkaatsende glas.
Boven het oppervlak van de grappa in de fles steekt de ruta-plant uit, haar kleine blaadjes glimmend van het vocht. De ruta, of wijnruit, werd vroeger geassocieerd met boetedoening, weet Hugo. Misschien vanwege de bittere en sterke smaak van het kruid? Merkwaardig tegenovergesteld hieraan werd ook algemeen aangenomen dat de wijnruit met haar stimule­rende en irriterende werking een der belangrijkste heksenkruiden was. Boetedoening en hekserij, denkt Hugo, in dit kleine glaasje. Pas maar op. Hier gebeuren rare dingen. Er trekt een schaduw door de schemerige kamer, als de eerste van de kaarsen op tafel uitdooft.
Hij staat op en kijkt uit het raam: keien glinsteren in zwak lantaren­licht. Even verderop maakt de korte straat een bocht, verdwijnt van de wereld, vergeet dat ze ooit heeft bestaan. Aan de andere kant doemt dreigend de massieve toren van de St. Salvatorkerk op die, veinzend te waken over de stad, in feite die stad voor eeuwig gegijzeld houdt.
Een tweede kaars sterft. Slechts één flikkerend vlammetje brandt nog, aan zijn kant van de tafel. Hugo draait zich om en staart in de duister­nis. Iris is weg. Haar stoel is leeg. Hij bevoelt de lederen zitting: koud. Haar bord is schoon en ongebruikt.
Lief Pesseke ziet meneer Hugo bleek bij het loze bord staan en schudt het hoofd: meneer Hugo is er niet goed aan toe. Ze weet niet dat meneer Hugo heeft laten dekken voor zijn dode Iris, de renaissancistische godin met haar smetteloze glimlach. Ze weet niet dat dit een laatste avondmaal geweest is, dat dit Hugo's afscheid betekent van Iris, die hij heeft laten leven in dit stille huis in het dode Brugge.
Hugo bedankt Lief Pesseke voor het uitstekende maal en loopt de zitkamer in. Hij kiest uit zijn platencollectie het lange orkestlied Der Ab­schied van Mahler. Een Duitse mezzo-sopraan zingt:
Ich sehne mich, o Freund, an deiner Seite
Die Schönheit dieses Abends zu geniessen.
Hugo bladert in een Botticelli-monografie, totdat hij de afbeeldingen vindt van de diverse wrede en verleidelijke Maria's, waar Sandro Fili-pepi zijn kunstenaarschap in heeft uitgedrukt. De stoffige en fletse tempera's vormen het beeld, het ideaalbeeld waarmee Hugo Iris in de herinnering gevangen wil houden.
Want zelfs al zou Lief Pesseke weten, dat het een dode Iris is, van wie Hugo afscheid genomen heeft, dan nog zou ze maar een gedeelte van het verhaal kennen. Dan zou ze nog niet weten dat Hugo zijn dode Iris zelf heeft samengesteld uit wat hem lief is: de tientallen schone en intrige­rende vrouwen die hij ontmoet heeft in musea in Florence, Parijs, Vene­tië, Brugge, Londen en Amsterdam.
En als Lief Pesseke dit al zou weten, dan zou ze het niet begrijpen. Hoe het gewone leven Hugo zodanig verveelt, dat hij zich liever een prachtige crisis bedenkt, waar hij volledig in op kan gaan. Deze prach­ti­ge wanhoop, langzaam echt geworden, is hem oneindig liever dan de grauwe gelijkmatigheid van het gewone leven. Dit is beter dan niets.
Dat hij aldus figureert in een zinsbegoocheling beseft hij en dat maakt het allemaal alleen maar aantrekkelijker voor hem: te weten dat voor hem het leven werkelijk schijn is geworden, en dat hijzelf de grote schepper is van deze hem omringende illusie, dat is wel de grootste triomf van de stervende avond.
En zijn wanhoop kleurt zich mooi rood, en zijn tranen zijn tranen van goud en zijn toegeklemde kaken ontspannen zich tot er een zachte glim­lach over zijn gezicht kruipt.
Terwijl de tonen van Mahlers Abschied wegsterven, loopt Hugo terug naar de eetkamer, en haalt het schilderij Iris weer van de muur. Het stuk krijgt zijn vertrouwde plaats terug, aan de slaapkamermuur. Hugo knikt instemmend als hij het werkstuk inspecteert. Dan opent hij een tube oker en verwijdert de valse signatuur: n. Botticelli. Met een dunne penseel zwarte verf schrijft hij ervoor in de plaats: Hugo van Vianen inv. & fecit. Eronder, vrijwel onleesbaar: Ars Naturae Magistra.


Een oud verhaal dat ik terugvond op mijn harde schijf. Gedateerd: Arlon/Gent, 1986/1993

donderdag 1 februari 2018

Menno Wigman (1966-2018)



In de tweede helft van de jaren tachtig hadden Jan-Paul en ik een cultureel tijdschriftje, getiteld Faun. Programmatisch wilde het blad tegen de toen geldende tijdgeest ingaan, die van de post-krakerscultuur. We besteedden aandacht aan, nu ja, wat ons tweeën interesseerde: klassieke en romantisch-decadente cultuur, Italië, negentiende-eeuwse muziek. Het was een pretentieloos uitgevoerd dingetje, evenwel van binnen propvol met echte pretenties. Geproduceerd op de elektrische IBM van Edwin (waar je zelfs indien nodig ook cursief mee kon tikken!), vermenigvuldigd bij de Copyrette op de Weteringschans en verspreid op de fiets, bereikte het blad op het toppunt van zijn roem een oplage van wel vijftig of zestig exemplaren!

Het tweemaandelijkse tijdschrift werd aanvankelijk voornamelijk gevuld door ons tweeën, niet omdat we vonden dat ons werk nu zo vreselijk belangrijk was, maar omdat er maar bar weinig andere mensen waren die ons hun bijdragen toestuurden. Dat werd iets beter nadat we met ons blaadje bij een VPRO-radioprogramma vanuit het Atheneum Nieuwscentrum tussen de andere blaadjes aanwezig waren geweest. Plotseling kwamen er nu en dan dikke enveloppes binnen met dichtwerk van zeer wisselende kwaliteit.

Eind 1986 ontvingen we de eerste bijdrage van een jonge, onbekende dichter die zich Menno Wichmann noemde. Het was een kort stuk over de decadente Franse schrijver Jean Lorrain, gevolgd door een vertaling van een kort verhaal van hem. We plaatsten het zonder een moment van twijfel: het viel binnen ons programma en Menno Wichmann kon duidelijk schrijven. We raakten in contact met de dichter en al gauw bleek dat hij net als wij een knipkaart van de Copyrette bezat. Hij gaf net als wij tijdschriftjes uit, en waar wij zowel het blad als de uitgeverij Faun noemden, had hij de zijne Nachtschade gemunt: we waren gelijkgestemde geesten. 

Ik ontving van hem een dik nummer van Nachtschade, van omslag naar omslag volgeschreven door Menno zelf, onder de meest kokette romantisch-decadente schuilnamen: Guillaume de Bazelaire, Friedrich Löwengarten, Arthur von Salis. De dood, de morbide dood, altijd de dood. Daarna ontvingen we een aantal vertalingen van poëzie van Baudelaire, die we als voorpublicatie van zijn in 1987 te verschijnen bundel in het april/mei-nummer van Faun plaatsten.

We organiseerden een Faun-soiree en, ietwat schuchter, ietwat schuw, was Menno ook aanwezig. We dronken wat, we rookten wat, we draaiden wat muziek. Jan-Paul en ik waren 31, hij 21. Hij was die wij geweest waren; hij vertederde mij. Een jaar later hielden we op met het tijdschrift. Ik bleef Menno’s carrière nauwgezet volgen. En met recht, want hij bezat wat Jan-Paul en ik in veel mindere mate bezaten: ambitie, zelfbewustzijn, energie. Oh, en talent. Vanaf zijn eerste bundel schreef hij heel precieze, zelfverzekerde regels, boordevol met vondsten. Ik benijdde hem dat talent en wilde dat ik zo kernachtig kon formuleren. In 1997 verscheen zijn eerste “echte” bundel, getiteld ’s Zomers stinken alle steden. Hij kwam op de tv, in de krant. Hij werd een bekende dichter, nog later werd hij een van onze grootste dichters. Toen hij op Facebook verscheen heb ik meteen het contact hersteld en we hebben nu en dan wat van gedachten gewisseld, vooral over Geerten Meijsing, voor ons beiden een held in de Nederlandse literatuur. Toen had hij al last van een “mysterieuze hartaandoening”, waarover hij dichtte in zijn laatste bundel, Slordig met geluk

De dood stond aan mijn autodeur te rukken
en ik schrok weerloos wakker in een witte zaal

Mij schreef hij dat, boven alles, die ziekte hem onzeker gemaakt had. In februari 2017 schreef hij ‘Ik ben bang dat het veel tijd zal kosten mijn zelfvertrouwen terug te vinden, het enige dat ik kan doen is afwachten’. Het heeft niet zo mogen zijn: vandaag staat in de kranten dat hij aan zijn hartziekte is overleden. Op de ellendige leeftijd van 51 jaar - te oud om jonggestorven te zijn, en verder veel te jong. 

Mijn bewondering voor de buitengewoon zorgvuldige en krachtige poëzie van meesterdichter Menno Wigman was enorm en oprecht. Als er weer eens in een vriendenkring oeverloos gediscussieerd werd over welke Nederlandse schrijver in aanmerking zou komen voor de Nobelprijs voor de literatuur, zei ik altijd: ‘Op dit moment zou ik het niet zo weten, maar ik ben ervan overtuigd dat de enige die hem in de toekomst ooit zal toekomen Menno Wigman is, let op mijn woorden.’ Bij een dergelijke boude uitspraak van mij moet men altijd scherp opletten of ik ironisch ben of meen wat ik zeg. In dit geval was het wel duidelijk dat ik het werkelijk meende. Ik had het mis en ben verdrietig om het verlies.

dinsdag 28 november 2017

Ondanks alles een ode aan de Bohème

Een korte roman van mijn vriend de Rookzanger waarin zijn drie grote passies samenvallen: de pijp, de nap en de muziek. Net vijftig geworden, zijn zangcarrière een beetje in het slop, de fles immer dreigend om de hoek en de kunst van het pijproken, aanvankelijk opgevat als surrogaat voor de veel directere roes van de drank, maar al spoedig uitgegroeid tot maniakale proporties, besluit Pascal van Raemsdonck zijn leven een suggestie van structuur te geven door aan te monsteren bij een sigarenwinkel op stand. Met een zeer zorgvuldige, hier en daar zelfs iets té precieuze schrijfstijl wordt het doen en laten in de winkel getoond, alsook de manier waarop Pascal, die van zijn leven nog nooit een regulier baantje heeft gehad, met de nieuwe situatie om probeert te gaan. Wat aanvankelijk een ontsnapping lijkt uit een hels bestaan, een vakantie bijna, mondt onherroepelijk uit in diezelfde hel die Pascal nu eenmaal altijd met zich mee blijft dragen. Want Pascal blijft een zinnelijke man, eindeloos op zoek naar het ultieme genot. Als hij zich realiseert dat hij een burgerlijk baantje gaat nemen, vervult hem dat met een onmiddellijke roes: Ozon en zwavel, de woeste geuren van een nieuwe dageraad! Hij voelde zich licht in het hoofd worden en moest oppassen zich niet te laten meeslepen door de euforie die hem op dat moment beving.

Na een paar frisse wittebroodsweken kondigen zich de eerste conflicten aan: Pascals positionering tegenover zijn dominante collega Mieke ontaardt steeds meer in een regelrechte machtsstrijd, die verder ontregeld wordt door de komst van het derde wiel aan de wagen, Floor, en nog weer later van Wouter. Wel wordt Pascal gesteund door een lief barmeisje(!), maar dat is hem niet voldoende. Het is niet eens meer duidelijk of de conflicten worden veroorzaakt door Pascals toenemende drankgebruik of juist omgekeerd. Alles leidt wel tot een diepe crisis. ‘Als God ergens is,’ dacht hij, terwijl de herinnering aan de druk gebarende en tegen zijn eigen twijfels in roepende pastoor in hem opkwam, ‘dan is het in deze fles. Nergens anders is soelaas.’ 

De schrijver spaart zichzelf bepaald niet en kleedt zich naakt uit voor het lezerspubliek. Er volgt een dwaaltocht van mythologische proporties: Hijzelf probeerde niet stil te blijven staan. Hij moest naar huis - maar waar was dat, welke kant moest hij op? Hij had geen idee waar hij zich bevond. De stad om hem heen leek op de vloeistofdia’s uit zijn jeugd: kleurige lichtvlekken die verschenen, uitdijden, uit elkaar spatten en met elkaar vervloeiden.
   Hij verzette een voet, draaide zijn hoofd om en wankelde. De kant die hij op keek was de kant die hij op moest. Zijn hoofd draaide als een tol, spon rond, suizend, wervelend, duizelig makend, en kwam tot stilstand, natrillend, in een nieuw perspectief. Het rechtdoor van zojuist had een ander aanzien maar het bleef dezelfde dwingende, enige richting om te kiezen. Elke andere koers was vergeten zodra de tol begon te draaien. Rechts, links, voor en achter hadden geen betekenis meer in dit hallucinante eenrichtingsverkeer.

Dan volgt, na opname in een kliniek, de catharsis en ten slotte de uiteindelijke scheiding: hij verlaat, met een voor hem volstrekt onbruikbaar getuigschrift in zijn la opgeborgen, het bedrijf. Na de eerdere ontsnapping uit het troosteloze bohémiensbestaan naar de rust en orde van de middenstand, blijkt nu de ontsnapping terug naar die Bohème het enige dat erop zit. Pascal kan het uiteindelijk allemaal navertellen: hij heeft geluk en kracht gehad. 

De sigarenwinkel handelt over de wanhoop in het hoofd van een zwak mens, iemand die nooit helemaal de controle heeft over zijn eigen leven. Als zodanig is het een wrang boek, ondanks de goed geplaatste ironische kwinkslag hier en daar. De portretten van de excentrieke klanten uit de Amsterdamse Grachtengordel, hoogst waarschijnlijk naar het leven getekend, zijn bij tijd en wijle hilarisch. Soms wordt een bekende persoon geïntroduceerd en met enige kennis van de hoofdstedelijke cultuur kan men dubbel genieten van de vele toespelingen en karikaturen, hoewel die kennis beslist niet noodzakelijk is om het boek te begrijpen, want het is voor de verhaallijn zelf uiteindelijk volkomen onbelangrijk wat voor soort winkel het hier betreft. De winkel is een generiek begrip dat contrasteert met de Bohème. De eruditie die hier en daar versnipperd in het boek terug te vinden is, zou ook over lingerie kunnen gaan, of over zeventiende-eeuwse kopergravures.

Toch is het zeer veelzeggend dat de schrijver als metafoor voor Pascals poging om te ontsnappen aan de drankverslaving, precies kiest voor nu juist een tabakswinkel, een tempel ten slotte voor die andere grote verslaving. In de wereld van Pascal is alles ofwel verslavend, ofwel niet interessant.

Ik heb eerlijk gezegd heel weinig met alcoholliteratuur, noch interesseert de pijp, of een longfiller sigaar uit de Dominicaanse Republiek mij ook maar in het geringste. Toch is het boek zeer boeiende kost geworden, omdat het hoofdonderwerp niet het leven in een winkel is, maar het levensgevecht van een gevoelige, naar zijn waardigheid zoekende, zwakke mens. Eigenlijk gewoon een mens dus, als u en ik. En naast een overduidelijke apologie van deze gulzig levende, zelfdestructieve mens, is het boek zeker ook een eulogie geworden op het ongebonden kunstenaarsleven.


Jan-Paul van Spaendonck – De sigarenwinkel
Nijmegen, Uitgeverij Flanor, 2017
180 pagina’s
ISBN 978-94-92432-01-8
Prijs € 19,50.

dinsdag 21 november 2017

Abstract

Uiteraard houd ik niet van ambiant, techno en andere elektronische muziek. Tot nu toe voegde ik daar meestal verontwaardigd aan toe: ik houd immers van muziek! Toch zit er meer aan vast. Het heeft in mijn geval te maken met figuratief/non-figuratief.

Na een halve eeuw lang voortbrengselen van medemensen tot me genomen te hebben, ben ik nu bereid om te verklaren dat het niet aan die bepaalde “muziek”-soort ligt, maar volledig aan mijzelf. Ik mis namelijk iets, ik heb een gebrek. Ik begrijp abstracte kunst niet. Ik moet het hebben van figuratieve kunst. Ik wil zelfs verder gaan: ik begrijp abstracties niet. Op de middelbare school was het iedereen al opgevallen dat ik voor natuurkunde een 8, voor wiskunde een 3 haalde. Het rekenen bij natuurkunde diende een concreet doel (valsnelheid, smeltpunt, weet ik het), en het rekenen bij wiskunde diende geen enkel doel, slechts zichzelf. Het uitgangspunt was eenvoudigweg te abstract voor mij, weet ik nu.

Ik heb ook altijd problemen gehad met rechte lijnen.

De rechte lijn
In de natuur is er maar één rechte lijn te vinden, en dat is de horizon. Voor de apen die we zijn, staat horizon voor afstand, alleenheid, onbeschermdheid. De kronkelende fractals van een bos staan voor dichtbijheid, beschutting en veiligheid. Abstracties ontberen wat mij betreft de herkenbare, menselijke maat, die figuratieve en kronkelige zaken wel hebben. Een gebouw dat recht is als de horizon is een horizon. Een kubistisch schilderij is voor mij als een verzameling horizonten. Niet slechts inhoudloos, maar zelfs lichtelijk dreigend.

Mijn onvermogen om abstracties te appreciëren gaat heel ver. Ik begrijp, zoals gezegd, helemaal niets van welke elektronische dansmuziek dan ook. Ik ben niet ritmisch en heb van mijn leven nog nooit een danspas uitgevoerd, dus beluister ik muziek altijd op eigen merites. Het feit dat het je hypnotiseert als je met z’n tienduizenden bent en het lawaai oorverdovend is, laat ik bij mijn appreciatie buiten beschouwing. En dan hoor ik als resultaat een muziek die uitsluitend uit een paar rechte lijnen bestaat. En nog wel lijnen die met een dikke witkwast neergezet zijn. De subtiliteiten zijn geheel overgeschilderd. Evenmin en op dezelfde wijze begrijp ik de musique concrète of de poésie concrète van voorbije decennia op fundamenteel niveau.

Maar ook simpelweg abstracte, of “moeilijke” poëzie vermag me weinig te zeggen. Ik zie heus nog wel dat een bepaald woord in een context dubbelzinnig wordt, etc. – ik tracht zelf poëzie te schrijven, een aantal van dergelijke trucs ken ik wel. Ik heb mijn blok Moderne poëzie tijdens mijn studie aan de UvA aan Leo Vroman gewijd. Moeilijk, maar goed te doen. Een gedicht dat echter niet “ergens over gaat”, dat dus niet, uiteindelijk, min of meer te begrijpen valt, laat ik liever aan mij voorbijgaan.

Iets van Mark Rothko: WTF?
Ik snap niet waarom de schilderijen van Mark Rothko er zijn, of die van Piet Mondriaan of Rob van Schoonhoven. Ik word intellectueel, noch emotioneel gestimuleerd door Pollock, Penck of Tapièz. Deze overgrote, nors tot mij zwijgende doeken stoten me af. Ze moeten mij niet, ik moet hen niet. Ook ontgaat me bijvoorbeeld de schoonheid van een tag op een muur of een treinstel. Ik moet voor mijn kunstgenot iets hebben dat soms door “kenners” snerend anekdotisch genoemd wordt.

Nu ik eerlijk heb bekend dat het geheel en al mijn fout is, willen jullie dan nou allemaal weg gaan? Asjeblieft? Laat mij lekker met mijn Ghirlandajo, Tsjaikovski, Kavafis, Wodehouse, Vermeer, Couperus, Jethro Tull en Pierre Cuypers. Ik doe verder niemand kwaad.


Iets van Govert Flinck: fijn.

woensdag 15 november 2017

Lepelaars

Een jongeling die wegvluchtte in dromen
ontdekte dat, een schoolse donderdag
terwijl de juf vertelde van een slag,
een lepelaarsgezin was aangekomen.

De schoorsteen van het gymlokaal, benest
door spatelsnavelige droomexoten,
staande op hun hoge, kromme poten
werd voor die vale trekkers een gevest.

Wat hij niet wist toen, is dat lepelaars
maar zelden uit hun eigen land van kassen
en drassig rietland naar de steden trekken.

Ze waren vreemd: verwaten klepperaars.
Hij zag hun nest, maar ook de zon, de plassen.
Hij zag de kuikens met hun korte nekken.




(De Waarheid, 30 juli 1965)

zondag 5 november 2017

Misschien al eens

Ik weet niet of ik dementeer, of langzaam verstrooid word,
is hier tekort aan zuurstof?
Stil, moet je horen,
was dat niet een klop op de deur?

Ik moet van alles op gaan schrijven, want ja ik vergeet het.
Waar is nou mijn bril toch en trouwens hoe heet het:
hoe kan ik nou slagen als ik mijn ogen weer keur?
Of heb ik dat al eens gezegd?

Je moet me eerlijk zeggen of ik dit al verteld heb.
Waar is mijn mobieltje, ‘t is niet opgeladen,   
‘t is een namaak-doelwit
en als ik mezelf bel kom ik in mijn Voicemail terecht

Ik prik het liefste alles vast, voordat ik het kwijtraak.
Autosleutels zijn pleite. En waarom probeer ik
ze de laatste tijd soms te gebruiken voor mijn voordeur?
Of heb ik dat al eens gezegd?

Oh kap me af met mijn gezeur, ik zoek alleen maar aandacht
en waar ik niet aan dacht: ik kan mijn bril niet vinden,
maar ik heb hem verbogen toen ik hem liet vallen
toen ik worstelde met mijn mobiel.

Het lijkt alsof, alsof ik niets meer,
alsof ik niets meer kan onthouden.

Ik heb de grijns van een debiel
die ooit zo triomfantelijk keek,
maar ga nu inzien dat alles wat ik leek
stilaan vergeten wordt.

Ik meen het echt,
of had ik dat misschien al eens gezegd?
Ik meen het echt,
of had ik dat misschien al eens gezegd?

Ik ben mezelf kwijt, en waar ik steeds naar speur
Ik ben de draad kwijt van
wat ik heb gezegd.


Peter Hammill






(Met dank aan JP voor hulp en suggesties)