dinsdag 16 juni 2015

De naam van de roos

(Umberto Eco’s meesterwerk samengevat in 8 ollebollekes. Voor Drs. P)

I
Requiem requiem.
Willem van Baskerville
reist door de Alpen voor
kerk’lijk beraad,

vindt in een klooster een
moordenaarsfestival:
fratellocide en
bloedig verraad.

II
Monnik na monnik wordt
door een gevaarlijke
moordenaarshand om het
leven gebracht.

Welke fanaat moet voor
monnikonterende
moord verantwoordelijk
worden geacht?

III
Onderzoek levert een
serie geheimen betreffend
de boekzaal van ’t
hoofdgebouw op.

Bibliotheek blijkt een
onoverzienbare
doolhof van gangetjes:
engheid ten top.

IV
Africa Africa,
“hic sunt leontes”, een
kreet die per ongeluk
iemand ontvliedt.

Hierop hoopt Willem dat
A.-Conan-Doyle-achtig
nachtelijk spoorzoeken
uitsluitsel biedt.

V
Spoedig ontdekt hij,
terwijl het vermoorden van
monniken doodgewoon
voortgezet wordt,

dat al die misdaad een
aristotelische
achtergrond hebben moet –
twijfelt maar kort.

VI
Jorge van Burgos, de
blinde beheerder van
boeken en handschriften
in de abdij

neemt zijn beroep in het
bibliotheekwezen
dodelijk ernstig als
bloedig karwei.

VII
Wat is de reden dat
Jorge de broeders met
ijzeren strengheid om
hals heeft gebracht?

Dat heeft te maken met
levensgevaarlijkheid
van een oud boekwerk, en
kennis is macht.

VIII
Hij kan tevreden zijn:
niemand zal ooit nog het
boek kunnen lezen waar
alles om gaat,

daar de abdij in de
allesverterende
tongen der vlammen
volkomen vergaat.




dinsdag 9 juni 2015

Zeg het mijn liefste

Hoewel
we heel goed
weten wat belangrijk is,
slaan onze
woorden
als ze komen vaak de plank net mis.
Het taalprogramma heeft een programmeringsfout,
geen wonder dat je wat we zeggen niet vertrouwt.

Dus zeg het mijn liefste,
maar zeg het dan ook in 't Frans,
nu met een Welsh accent.
Zeg het als Katja Schuurman,
en op z’n Jenny Areans,
zeg dat je van me houdt.

En dan,
net als
de boodschap duidelijk moet zijn,
is ‘t helder,
vrees ik,
dat we zeer verbijsterd zijn.
Dat wat gezegd is werd niet gehoord,
dat is de makke met gesproken woord.

Dus zeg het mijn liefste,
en nu een keer in 't Latijn
schreeuw het in 't Russisch.
Fluister het in 't Kroatisch,
dat vind ik reuze fijn,
zeg dat je van me houdt.

Open je modem
kies dan je transmit-mode,
zend me een handshake.
Zeg het in Fortran, zeg het in Basic,
zeg het in binaire code,
zeg dat je van me houdt.

En woorden
gaan maar door,
betekenis is kwijt.
Jawel
meneer,
de draden zijn verkeerd geleid.
Er stond: “Het is echt waar: de koning loopt gevaar”
je zei: “Het echtpaar in de woning ontloopt elkaar”

Dus zeg het mijn liefste,
maar nu in de Griekse taal,
Oud-Grieks of Nieuw-Grieks.
Demotiki of Katharevousa,
van mij mag het allemaal,
zeg dat je van me houdt.

Zeg het in 't Chinees
en ook in het Tibetaans,
althans, zolang dat nog kan.
Zeg het in Zulu, zeg het in Xhosa,
zeg het in 't Afrikaans:
zeg dat je van me houdt.

Sein me in morse,
flits me in heliograaf,
vlag me signalen.
Zeg het in Esperanto,
ik lach niet, ik blijf braaf.
Zeg dat je van me houdt.


(Tell me You Love Me, Chris Judge-Smith)


maandag 25 mei 2015

Groeistappen

In Het gat in de wereld heeft Benno Barnard het over “de sigaret die aan alle sigaretten voorafging”.

Ik was twaalf, heel misschien net dertien. Ik had mijn eerste pakje shag gekocht. Dat ik zou gaan roken was vanzelfsprekend, iedereen deed dat, einde zestiger jaren. Je in de fietsenkelder van de school vertonen zonder een pakje Zware van Nelle in het linkerborstzakje van je afgedragen spijkerjasje was volstrekt onbespreekbaar. Je rookte, of anders was je cool definitief naar de vaantjes...

Ik fietste met mijn buit naar een rozenplantsoen net buiten de invloedssfeer van familie en buren en, staande met de fiets tussen mijn knieën, opende ik mijn allereerste pakje shag. Ik bestudeerde de samengeperste plak tabak (helemaal niet zoals ik me dat voorgesteld had) en plukte er ten slotte wat draadjes uit. Dit leek wel te gaan lukken. Mijn met Mascotte vloei gedraaide debuutsjekkie had allerlei rare bulten, maar rook goed, zoals het hoorde: een kruidige lucht die achter in je neusholte een tintelende mengeling van spanning en knusheid opriep.

Ik stak het sjekkie aan en nam een tentatieve trek.

Ik had wel degelijk al eens wat gerookt, meestal trekjes van een Belinda die de vroegrijpe meisjes meenamen naar schoolfeestjes, maar ik was in het geheel niet voorbereid op de dramatische verschillen tussen dat lichte rokertje en het grote-meneren-werk van de weduwe Van Nelle. Ik verslikte me dus terstond en werd bekropen door een diep gevoel van schaamte, spijt en zinloosheid. Maar door die ellende en het gehoest heen begon allengs iets binnenin mijn hoofd te tintelen en ik begreep al snel dat ik nog niet klaar was met dat roken.

Wel leek het me een goed idee om de fiets even neer te zetten, en op een bankje te gaan zitten. Langzaam duizelig wordend bezag ik de wereld op een nieuwe manier. Eén van mijn maagdelijkheden was ik aan het kwijtraken en ik besefte dat ik aan het toetreden was tot een nieuwe kaste, en een stoere nog wel! Maar misschien kon ik het een volgende keer beter eens proberen met halfzware.

Toch fietste ik naar huis met een zeker gevoel van transcendentie, van overgang. Groeien gaat met momenten, realiseer ik me nu, en dit was zo’n moment.

Pas ruim dertig jaar later maakte ik de logisch daaropvolgende groeistap. In augustus 2000 stak ik mijn allerlaatste sjekkie op. 

maandag 27 april 2015

ALEXANDER SKRJABIN 1872-1915


Vandaag precies honderd jaar geleden, op 14 april 1915, stierf de Russische componist Alexander Nicolajevitsj Skrjabin (Moskou l872 - Moskou l915) aan de gevolgen van een bloedvergiftiging, veroorzaakt door een karbonkel aan zijn bovenlip.

Dat van die datum moet ik misschien even uitleggen. Langzamerhand waren de meeste Europese landen overgegaan van de Juliaanse, naar de veel preciezere Gregoriaanse kalender, met zijn schrikkeljaren. Rusland was een van de landen die daar een beetje bij achterbleven. Pas in 1918 volgde de overgang. Rusland was ondertussen 13 dagen achtergeraakt op de omgeving en de dag na 31 januari was dan ook 14 februari. Vertaald naar Gregoriaans, was Skrjabins sterfdatum dus 27 april 1915.

Alexander Skrjabin was de componist van een metafysische muziek die men, zoals de opera’s van Richard Wagner, "totaalkunst" zou kunnen noemen. Hij geloofde in de mediamieke vermogens van muziek. Met zijn verfijnde sensitiviteit trachtte hij het onuitspreekbare uit te drukken, terwijl anderzijds zijn intellectualisme hem ook tot een moeilijk te classificeren theoreticus maakte.
 
Nicojaj Zverev met zijn studenten.
Tweede van links Skrjabin, vierde van rechts Rachmaninov
De gangbare benaderingswijze van deze componist is om zijn werk in drie fasen in te delen. Zijn eerste periode wordt dan gekenmerkt door een briljante, enigszins aan Frédéric Chopin herinnerende "salonstijl", waaruit de componist echter al heel gauw tevoorschijn komt als iemand met zijn unieke, eigen klank en ideeën. Enerzijds is Skrjabins pianomuziek stevig in de traditie gefundeerd, maar anderzijds breidt hij die traditie uit tot ver voorbij de op dat moment geldende grenzen. Hoewel nog lang de echo's zijn te horen van de middennegentiende-eeuwse pianotraditie, zijn Skrjabins werken al vanaf een heel vroeg stadium als onmiskenbaar en persoonlijk te herkennen. En dan doel ik nog niet zozeer op zijn twee evergreens uit de vroege periode, de etudes op. 2 no. 1 en op. 8 no. 12, die ook best van zijn conservatoriumklasgenoot Sergej Rachmaninov hadden kunnen zijn, en die dan ook op iedere recital-plaat te vinden zijn, maar meer de werken vanaf op. 11 (24 preludes, 1888-1896) tot op. 27 (2 preludes, 1900).

Een grote cesuur, en meteen de overgang naar de tweede periode vindt men in het jaar 1902, waarin hij in het geheel niets publiceert. Dat lijkt een korte tijd, maar in een totale scheppingsperiode van slechts twintig jaar krijgt zo'n periode veel meer reliëf.

Jean Delville - Les trésors de Satan, 1895
Zijn tweede periode begint in 1903 met een onwaarschijnlijke productie. De componist van 74 opus-nummers publiceert in dat jaar ongeveer een vijfde van zijn totale catalogus! Kontakten in West-Europa met enerzijds de "Decadenten" (Paul Verlaine, Claude Debussy, Stéphane Mallarmé, Jean Delville) en anderzijds de Theosofie van Mevrouw Blavatsky en Rudolf Steiner zetten hem aan het denken. Hij verlaat Rusland en vestigt zich in 1904 in Zwitserland omdat, zo meent hij, de artistieke atmosfeer in het westen zich meer leent voor zijn grensverleggende werk. Hij is zich goed bewust van zijn eigen avant-gardisme. De tweede periode kenmerkt zich door een filosofische verdieping van zijn muziek, natuurlijk onder invloed van het theosofische mysticisme. Reeds in zijn vierde sonate, op. 30 wordt van de luisteraar verwacht dat deze er een reis in hoort, een reis naar de sterren en naar de zon. De Sovjet-Unie die via allerlei onnavolgbare staaltjes geschiedvervalsing van deze dweepzieke en neurotische mysticus en salonsocialist een revolutionair van het eerste uur had gemaakt, zal zijn latere werk Poème d'Extase zowel tijdens de ruimtereis van Joeri Gagarin, als tijdens diens "ticker-tape-parade" laten weerklinken.
In zijn verwachtingen omtrent het westerse bevattelijkheid voor zijn ideeën wordt hij wat teleurgesteld en zijn grootste triomfen kent hij pas in 1909 en 1910, na zijn terugkeer naar Rusland, waar hij nu als een godheid vereerd wordt.

De overgang van tweede naar derde periode is ietwat diffuus. Ikzelf geef er de voorkeur aan die ergens tussen opus-nummers 53 en 60 te plaatsen. Poème d'Extase, op. 54 heeft nog nèt niet dat, wat Prometheus, op. 60 tot een volledig nieuw, haast aan de aarde ontstegen werk maakt. 
 
De vijf laatste sonates, die elkaar in hoog tempo opvolgen sluiten naadloos aan bij Prometheus. Van deze sonates is mijn favoriet de zesde, op. 62, die in alle denkbare betekenissen "decadent" is. Een enigszins perverse, "ongezonde" muziek die heel elegant en gemaakt is, die tegelijkertijd flirt met de dood en duivelspraktijken. De zeer kleine Skrjabin heeft deze zeer veeleisende sonate noodgedwongen nooit publiekelijk uit kunnen voeren. Te kleine handen... Maar evenmin moedigt hij de uitvoering ervan door anderen aan. Hij schijnt oprechte en diepgewortelde angst gehad te hebben voor het stuk. Niet zo vreemd voor iemand die in de mediamieke machten van muziek gelooft. Hij achtte het gevaar reëel aanwezig dat middels deze sonate de Duivel aangeroepen zou kunnen worden. 

Al het werk dat hij in de laatste vier jaar van zijn leven publiceert en dat als een hermetisch oeuvre met unieke, geheel naar zichzelf terugverwijzende regels alleen vergeleken kan worden met dat van Anton Webern, beschouwt Skrjabin als voorstudies voor zijn magnissimum opus, een Totalkunstwerk van licht, dans, zang, muziek, liefde, seks en transcendentie, dat Mysterium moest gaan heten, en dat, als het uitgevoerd zou worden niet slechts de maatschappij zou verheffen naar een hogere trede van bewustzijn, maar, zo vreesde Skrjabin, de wereld zelfs zou kunnen vernietigen. Tijdens de arbeid aan dit meesterwerk van de mystieke decadentie stierf Alexander Skrjabin in 1915 aan de in de aanhef genoemde bloedvergiftiging.

Zo wil de muziekhistoricus het: drie duidelijke periodes met een bijna "ideale" ontwikkeling: jeugd, middenperiode, apotheose, dood (vroegtijdig). Hoe correct ook, misschien een beetje te schematisch. Je kunt ook voor een andere invalshoek kiezen.
 
We zien hier een man die enerzijds een nerveuze, hypersensitieve natuur had, maar anderzijds een scherpzinnige, analyticus was. Hij mag dan heel veel mystieke en theosofische vaagheden te berde hebben gebracht, hij wist zeer terdege wat hij met zijn muziek wilde bereiken, en hoe hij dat kon bewerkstelligen. Hij was in zijn componeren een rationele vakman, en zeer beslist geen besluiteloze dromer. En juist door deze tweestrijdigheid van eigenschappen is het mogelijk, Skrjabin in de cultuurgeschiedenis te plaatsen. 

- Hij was geen impressionist, want impressionisten beredeneren hun gevoelsuitingen niet.
- Hij was geen formalist, want formalisten kwijnen niet en hebben geen last van "spleen".
- Hij was geen vertegenwoordiger van de Jugendstil, want de Jugendstil vervangt gevoelens door gebruiksornamentiek.

Hij was wel een romanticus. Want romantici werken met gevoelens en zintuiglijkheden. Zij voegen vakmanschap toe aan hun inspiratie. Ze beredeneren de vorm, die de enige vorm is waarin hun gevoelens op dat moment geuit kunnen worden.

Maar bovenal was hij een kind van zijn tijd. Kunst was pose, gemaniëreerdheid, synesthesie, analogie. Kunst was geëxalteerd, nerveus en gekunsteld. Kunst was decadent. 

En zo was Skrjabin, vóór alles, een romanticus en een decadent; een romantisch-decadent. Als hij al verwant was aan andere kunstenaars, dan waren dat schrijvers als Charles Baudelaire, Stefan Georg en Joris-Karl Huysmans, misschien onze landgenoot Ary Prins, schilders als Gustav Klimt, Jean Delville en Gustave Moreau, componisten als Richard Wagner en Claude Debussy:  romantisch-decadenten. 
 
Van de eerste akte van Mysterium is een door de Sovjet componist Alexander Nemtin afgemaakte versie op plaat te krijgen: The Initial Act. Men hoort daar een zichzelf vernietigende muziek. De nervositeit en intensiteit zijn zo prominent, dat de muziek, doodop van de zenuwen, zijn structuur verliest, en er niets dan een kolossale hoeveelheid neurotische zintuiglijkheid overblijft, een seksorgie waarin veertig minuten lang steeds nèt niet klaargekomen wordt. Men houdt het hart vast als men speculeert over het oeuvre dat Skrjabin niet heeft kunnen schrijven. Hebben we hier, niet alleen in de muziek maar ook in de schepper ervan te maken met die ultieme decadente attitude, de zelfvernietiging?  

(Bewerking van een artikel dat oorspronkelijk verschenen is in Het Eenmalige Tijdschrift nr. 3, Amsterdam, 1991)

zondag 12 april 2015

Het 45-jarig huwelijksfeest van mijn opa en oma (1965)

Verkreukelde, verkleurde foto’s van
mijn opa met familie en zijn vrouw,
het grijzend zonlicht maakt de serre grauw.
Daar zit een dikke dame naast haar man.

Ik scan ze en bewaar ze volgens plan,
die plaatjes van een feest om huwelijkstrouw.
Ik kijk je witte haardos aan en jou,
en denk: “Verwarm me dan eens als je kan!”

Ik voel geen liefde achter mijn computer,
noch word ik door intimiteit geroerd.
Het zijn slechts jpeg-jes voor mijn collectie.

Ik word bedroefd en koud van mijn geploeter.
Hier wordt een pantomime opgevoerd:
een onvoldragen veinzen van affectie.


 

maandag 30 maart 2015

Geloofscrisis



Ik lijd zo’n pijn, het is weer eens gebeurd:
een harde, dikke drol zaterdagmorgen,
ontviel mij slechts met hangen en met worgen,
en heeft toen iets rectaals en teers gescheurd.

Dat heeft mijn levensstemming zwart gekleurd.
Het heeft me zwaar belast met diepe zorgen.
Normaliter houd ik dit graag verborgen,
er wordt ten slotte al genoeg gezeurd.

Maar nu vind ik genoeg genoeg! Bij dezen
wil ik me richten tot het Opperwezen:
Als u zo goedertieren bent, Meneer,

wat moet ik dan voor diepe boodschap lezen
in wat toch triviaal zou moeten wezen?
Waar past dit pijnlijk kakken in Uw leer?

zondag 22 maart 2015

Conservatieve ruimte op links

Gedurende mijn sociale en politieke vormingsjaren, had je duidelijke vleugels. Links was nog echt links en rechts was rechts. Links van het midden woonde D’66.  De PVDA van Joop den Uyl was linkser dan tegenwoordig de SP, en daar weer ter linkerzijde van had je ook nog eens de PSP en de CPN. Op rechts zetelden de Christelijke partijen (ARP was iets linkser dan de KVP, de CHU iets rechtser) en daar ter rechter zijde van bevond zich de VVD. Nog weer verder rechts kon je de malloten van de Boerenpartij, SGP of Binding Rechts aantreffen.

Links was progressief, rechts conservatief. En dat was de reden waarom ik in een vreselijke spagaat zat. Ik was sociaal/cultureel gezien namelijk beslist conservatief , maar politiek toch wel een beetje linksig (al moest ik weinig hebben van mijn mede Zware van Nelle-rokende, mede-langharige en bebaarde leeftijdgenoten). Wat nu? Ik was geen Christen en bij die zelfingenomen cacque-figuren van de VVD zou ik nog niet dood aangetroffen willen worden. Het kwam erop neer dat ik dan dus maar D’66 stemde, maar nooit hartstochtelijk.

Waarin uitte zich dat conservatisme dan? Ik geloofde in de leidende waarde van de traditie. Ik geloofde niet in rigoureuze veranderingen: ik was ervan overtuigd dat waswater telkens weer grondig moest worden gecontroleerd op kinderen. Ik hield van de grootheid van de geschiedenis, de ernst van instituten. Een bibliotheek behoorde een marmeren trap te hebben, met links en rechts een gebeeldhouwde leeuw. Ik geloofde dat industriële actie zich strikt tot het gewraakte bedrijf moest richten, en dat ik als publiek er niet mee lastig gevallen moest worden. Ik was ervan overtuigd dat het, cultureel gezien, vroeger beter was dan nu.

Het grappige is dat ik in mijn conservatisme helemaal niets veranderd ben. Ik geloof nog steeds dat het vroeger allemaal beter was, dat de politisering en democratisering van de cultuur funeste gevolgen heeft, dat de waardigheid - nee: de Waardigheid van de cultuur in het geding is. Ik ben zo conservatief als de pest.

Pjotr Kropotkin
Maar politiek ben ik finaal doorgeschoten naar een positie die in de zeventiger jaren ergens ter linkerzijde van de CPN gezocht moest worden. Mijn politieke landschap bestaat uit een idyllisch soort pre-marxistisch communisme dat geen enkele praktische waarde heeft, maar als moreel referentiepunt voor mij zijn diensten meer dan bewezen heeft. De basispremissen zijn simpel en echoën elkaar. Zorg dat anderen zo weinig mogelijk last van jou hebben, zorg dat jij zo weinig mogelijk last van anderen hebt. Dat tweede ervaar ik als aanzienlijk lastiger dan het eerste, al zullen mensen om mij heen het daar waarschijnlijk weer niet mee eens zijn! Wie heeft tegenwoordig nog tijd voor de ethische onthaasting van Louis Blanc of Pjotr Kropotkin? U ziet het: in wezen een aartsconservatief standpunt.

En als je er even over doordenkt, klopt het ook wel: progressie, “vooruitgang” is tegenwoordig toch vooral synoniem met “economische vooruitgang”, een bij uitstek rechtse specialiteit. En wat ik tegenwoordig stem, nu er nog steeds geen partij is voor mij? Zo conservatief en links mogelijk. Wie het weet mag het zeggen.