zondag 20 september 2015

Opnieuw Picnic

Een mens blijft zoeken. Mijn fascinatie voor Lee en Ady bracht me weer eens op het internet, en deze keer ontdekte ik maar liefst drie voor mij nieuwe foto's die genomen zijn tijdens wat hier in huis ondertussen al de "Picnic-shoot" genoemd wordt. Zoals de trouwe lezer misschien weet, heb ik een tijd geleden iets geschreven over de foto "Picnic" van Lee Miller. Later voegde ik een PS aan dat stukje toe, en nu dus weer!

De eerste foto is genomen door Roland Penrose, Lee Miller's toenmalige levensgezel.


Hij toont Nusch Éluard, met één der reeds eerder besproken muilen van Paul als hoofdtooi. Een melig kiekje.

De andere twee foto's zijn van een heel ander kaliber. Ze zijn erotischer en overduidelijk heeft Man Ray getekend voor de vervaardiging. We zien Ady Fidelin en Lee Miller in een soort lesbisch spel. 


Ady kijkt brutaal de camera van Man Ray, haar minnaar in. Paul Éluard verleent op wat onduidelijke wijze assistentie. Onhandig betast Ady de blonde Lee: er is overduidelijk sprake van pose. 
De tafel is bijna leeg. Is deze scene vóór, of juist na de beroemde foto van Lee Miller genomen? Ik denk ervoor, want anders zouden de dames hun bovenstukjes eerst uit, toen weer aan hebben moeten trekken hebben om ze vervolgens weer uit te doen.

De tweede, en sterkste foto toont Ady en Lee op haar intiemst. 


Een duistere, broeierige prent. Ady in een dominante rol, Lee totaal onderworpen aan de muze uit Guadeloupe. Haar linkerborst is helemaal blootgespeeld en zelf tast zij nu ook, al even onhandig, naar de rechterborst van Ady. Er wordt niet meer met de camera geflirt en Paul is weg, zodat er een "pose van natuurlijkheid" (Philip Mechanicus) wordt bereikt. Niettemin heeft de rechterhand van Ady zo te zien geen noemenswaardige handelingen verricht. Pose dus, nog steeds. 

zondag 13 september 2015

Ogenlast

Schaten voor de deur                                    (foto Jenet Fenenga)
Terwijl de zon als een dofrode vuurbol achter een droge, geelgroene heuvel verdwijnt, de vele vleermuizen aan hun grillige vlucht beginnen op zoek naar insecten en een enorme kudde schaten of misschien: geipen (schapen met een geitenkop - ik denk dat er nog wel geestiger namen te bedenken zijn) belrinkelend het dorre land afstruint op zoek naar een vers blaadje of een veelbelovend twijgje van een vijgenboom, nip ik van mijn tsipouro met ijs. Het is waarlijk niet slecht toeven in dit rampgebied. Noodtoestand hier? Nu, dat is wel een beetje overdreven.

Mithymna, in de Ottomaanse tijd ook wel Molyvos geheten, ligt in het uiterste noordwesten van het Griekse eiland Lesbos en is daardoor één van de prominentste toegangsportalen vanuit Turkije voor de vele Syrische vluchtelingen. Turkije ligt maar een paar kilometer ver weg. De noordkust van het eiland rond Mithymna/Eftalou ligt bezaaid met de stoffelijke resten van langzaam leeglopende rubberboten, achtergelaten wollen truien en goedkope reddingsvesten van het merk Yamaha. De vluchtelingenproblematiek drukt niet alleen op de gemoedsrust hier, maar ook nog eens heel zwaar op het milieu.

De noordkust                                               (foto: Jenet Fenenga)
In ons vakantieverblijf, in het uiterste noorden van het stadje, hebben we een zeer strategische positie. Net voorbij ons huisje is een parkeerplaats, meteen daarachter vind je al de steile kliffen van de noordkust. Zo zijn wij de eerste mensen die de groepen aan land gekomen, kletsnatte Syriërs in Europa treffen. ‘Hello, thank you!’ is steevast hun eerste begroeting, gevolgd door: ‘Police which way?’ Wij wijzen dan op de twee mogelijkheden: linksom (eerst klimmen, dan dalen), of rechtsom (eerst dalen, dan klimmen). Mithymna is een zeer geaccidenteerd stadje.

Jenet met een groep Syriërs
Over het algemeen gedraagt de bevolking zich voorbeeldig. Men is bezorgd, behulpzaam, vriendelijk, en waarom ook niet? De Syriërs bedelen niet, ze stelen niet en vechten niet. Ze rusten uit in de berm, roken een sigaretje, i-phonen met hun achtergebleven familie: we hebben het gehaald, mama, we zijn in Europa! Veel jonge mannen, veel moeders met kleine kinderen. Ze zijn in geen enkel opzicht ongewoon. Ze zijn juist ongewoon normaal. Ze zijn hoogopgeleid en behoren tot de Syrische middenklasse en komen uit Damascus of Aleppo, grote steden met Wifi, bibliotheken, aspirines, spaaracties van de Achmed Heijn, wandelverenigingen en kleuterscholen, eigenlijk net als Groningen of Utrecht. En Aleppo was daarbij ook nog eens de culinaire hoofdstad van het Midden-Oosten: persoonlijk kan ik niet wachten op het eerste Syrische restaurant in regio Kennemerland.

En ja, natuurlijk zijn er ook Grieken die niets van dit volk moeten hebben. Angstige, kleinzielige en kortzichtige PVV-ers heb je nu eenmaal overal - in dit land heet hun club Gouden Dageraad. Maar ze zijn sterk in de minderheid. Want evenzeer zijn er stokoude inwoners van dit eiland die maar al te graag hun steentje bij willen dragen. Want zij herinneren zich nog heel goed hoe in 1943, tijdens de Tweede Wereldoorlog, het eiland ten prooi viel aan een verschrikkelijke hongersnood. Hoe zij zelf toen hun eiland moesten ontvluchten. En hoe zij liefdevol werden opgenomen door gastgezinnen in hun tijdelijke nieuwe land. Welk land dat was? De lezer heeft het natuurlijk al geraden: Syrië.

Wat overheerst hier is een soort berustende blijmoedigheid. En een zekere gelatenheid omdat de toeristen massaal wegblijven. De vluchtelingencrisis geeft ons als toerist een raar, heel ambivalent gevoel. Wij zijn druk bezig met onze zinledigheid in de slagschaduw van deze crisis, maar tegelijkertijd steunen we de bevolking (en op die manier zelfs indirect de vluchteling) door zo veel mogelijk geld uit te geven. Het klinkt lichtelijk hypocriet, maar is wel een deel van de werkelijkheid. Als we zouden hebben geannuleerd vanwege de perverse omstandigheden, zou dat niets positiefs hebben bijgedragen, zou dat de situatie alleen maar hebben verslechterd. Toerisme zien als parasitisme? Nee, eerder als een soort symbiose.

De enige last die wij toeristen hier op Lesbos zouden kunnen hebben van de stroom vluchtelingen, is de ongewenste confrontatie met een echte wereld, waar de beelden niet gefilterd zijn door een redactie op het kantoor van de krant of de omroep. Die onversneden werkelijkheid die de toeristen (gelukzoekers die ze nu eenmaal zijn) uit alle macht proberen te omzeilen. Degene die last wenst te hebben van de vluchtelingen wordt dan ook op zijn wenken bediend. Wat deze onbehaaglijke mensen zich niet realiseren is dat deze last alleen maar in hun eigen hoofd zit en nergens anders. Zoals reeds verzucht: ’t is niks als angst, kleinzieligheid en kortzichtigheid. Ogenlast, meer niet.

dinsdag 14 juli 2015

Schepen in de nacht

Bijna dertig jaar lang heb ik mijn luiheid weten te verbloemen door te suggereren dat er wel een roman in me zat, maar dat die in mijn hoofd nog niet geheel voldragen was. Tja.

Wel heb ik mijn hele leven geschreven, maar altijd was het resultaat fragmentarisch, onaf en klein gebleven. Aanzetjes waren er genoeg. Thrillers (lang voordat de wereld wild werd van Dan Brown was ik al aan het plotten over bibliotheekmedewerkers die een Groot Geheim moesten ontrafelen, want anders...), sciencefiction, literaire thrillerachtige dingen zoals Herman Koch ze later schreef. Nooit werd iets afgemaakt, altijd werd het diep weggestopt, eerst in een van vele kartonnen mappen, zalmkleurig, later in virtuele mappen, diep verborgen in het labyrint van mijn harde schijf.

Helemaal blague was die pose van onvoldragenheid echter niet. Al in 1995, gedurende een lange wandeling door het op dat moment in ontwikkeling zijnde Oostelijk Havengebied van Amsterdam, bedacht ik wat later de “plot” zou worden van mijn nu verschenen novellen-roman. Zou het niet interessant zijn, dacht ik, om een aantal los van elkaar te lezen verhalen te schrijven die, gerangschikt, ook een soort romanstructuur zouden kunnen suggereren?
Ik bedacht zes verhaallijnen, geconcentreerd rond zes hoofdpersonen met steeds dezelfde, zevende persoon in een bijrol. Het doel was om die zevende persoon uiteindelijk geheel in te vullen, zoals hij gedefinieerd werd door zijn omgang met de zes hoofdpersonen. Dit klinkt ambitieus en gekunsteld, maar ik ben ervan overtuigd dat het voor de lezer in de praktijk enorm mee zal vallen.

Uiteindelijk, toen het allemaal niet langer meer tegen te houden was, kocht ik een MacBook en begon ik de zes verhalen uit te werken, heerlijk met rust gelaten in de stoptrein van Haarlem naar Den Haag. Het ging opmerkelijk gemakkelijk. Of de opzet ook gelukt is, kan ik nauwelijks beoordelen, dat zal ik aan de lezers van het boek overlaten.
En daar is hij dan: mijn (eerste) roman, Schepen in de nacht. Ik ben er best trots op.
Het boek is onder andere hier te bestellen.

dinsdag 16 juni 2015

De naam van de roos

(Umberto Eco’s meesterwerk samengevat in 8 ollebollekes. Voor Drs. P)

I
Requiem requiem.
Willem van Baskerville
reist door de Alpen voor
kerk’lijk beraad,

vindt in een klooster een
moordenaarsfestival:
fratellocide en
bloedig verraad.

II
Monnik na monnik wordt
door een gevaarlijke
moordenaarshand om het
leven gebracht.

Welke fanaat moet voor
monnikonterende
moord verantwoordelijk
worden geacht?

III
Onderzoek levert een
serie geheimen betreffend
de boekzaal van ’t
hoofdgebouw op.

Bibliotheek blijkt een
onoverzienbare
doolhof van gangetjes:
engheid ten top.

IV
Africa Africa,
“hic sunt leontes”, een
kreet die per ongeluk
iemand ontvliedt.

Hierop hoopt Willem dat
A.-Conan-Doyle-achtig
nachtelijk spoorzoeken
uitsluitsel biedt.

V
Spoedig ontdekt hij,
terwijl het vermoorden van
monniken doodgewoon
voortgezet wordt,

dat al die misdaad een
aristotelische
achtergrond hebben moet –
twijfelt maar kort.

VI
Jorge van Burgos, de
blinde beheerder van
boeken en handschriften
in de abdij

neemt zijn beroep in het
bibliotheekwezen
dodelijk ernstig als
bloedig karwei.

VII
Wat is de reden dat
Jorge de broeders met
ijzeren strengheid om
hals heeft gebracht?

Dat heeft te maken met
levensgevaarlijkheid
van een oud boekwerk, en
kennis is macht.

VIII
Hij kan tevreden zijn:
niemand zal ooit nog het
boek kunnen lezen waar
alles om gaat,

daar de abdij in de
allesverterende
tongen der vlammen
volkomen vergaat.




dinsdag 9 juni 2015

Zeg het mijn liefste

Hoewel
we heel goed
weten wat belangrijk is,
slaan onze
woorden
als ze komen vaak de plank net mis.
Het taalprogramma heeft een programmeringsfout,
geen wonder dat je wat we zeggen niet vertrouwt.

Dus zeg het mijn liefste,
maar zeg het dan ook in 't Frans,
nu met een Welsh accent.
Zeg het als Katja Schuurman,
en op z’n Jenny Areans,
zeg dat je van me houdt.

En dan,
net als
de boodschap duidelijk moet zijn,
is ‘t helder,
vrees ik,
dat we zeer verbijsterd zijn.
Dat wat gezegd is werd niet gehoord,
dat is de makke met gesproken woord.

Dus zeg het mijn liefste,
en nu een keer in 't Latijn
schreeuw het in 't Russisch.
Fluister het in 't Kroatisch,
dat vind ik reuze fijn,
zeg dat je van me houdt.

Open je modem
kies dan je transmit-mode,
zend me een handshake.
Zeg het in Fortran, zeg het in Basic,
zeg het in binaire code,
zeg dat je van me houdt.

En woorden
gaan maar door,
betekenis is kwijt.
Jawel
meneer,
de draden zijn verkeerd geleid.
Er stond: “Het is echt waar: de koning loopt gevaar”
je zei: “Het echtpaar in de woning ontloopt elkaar”

Dus zeg het mijn liefste,
maar nu in de Griekse taal,
Oud-Grieks of Nieuw-Grieks.
Demotiki of Katharevousa,
van mij mag het allemaal,
zeg dat je van me houdt.

Zeg het in 't Chinees
en ook in het Tibetaans,
althans, zolang dat nog kan.
Zeg het in Zulu, zeg het in Xhosa,
zeg het in 't Afrikaans:
zeg dat je van me houdt.

Sein me in morse,
flits me in heliograaf,
vlag me signalen.
Zeg het in Esperanto,
ik lach niet, ik blijf braaf.
Zeg dat je van me houdt.


(Tell me You Love Me, Chris Judge-Smith)


maandag 25 mei 2015

Groeistappen

In Het gat in de wereld heeft Benno Barnard het over “de sigaret die aan alle sigaretten voorafging”.

Ik was twaalf, heel misschien net dertien. Ik had mijn eerste pakje shag gekocht. Dat ik zou gaan roken was vanzelfsprekend, iedereen deed dat, einde zestiger jaren. Je in de fietsenkelder van de school vertonen zonder een pakje Zware van Nelle in het linkerborstzakje van je afgedragen spijkerjasje was volstrekt onbespreekbaar. Je rookte, of anders was je cool definitief naar de vaantjes...

Ik fietste met mijn buit naar een rozenplantsoen net buiten de invloedssfeer van familie en buren en, staande met de fiets tussen mijn knieën, opende ik mijn allereerste pakje shag. Ik bestudeerde de samengeperste plak tabak (helemaal niet zoals ik me dat voorgesteld had) en plukte er ten slotte wat draadjes uit. Dit leek wel te gaan lukken. Mijn met Mascotte vloei gedraaide debuutsjekkie had allerlei rare bulten, maar rook goed, zoals het hoorde: een kruidige lucht die achter in je neusholte een tintelende mengeling van spanning en knusheid opriep.

Ik stak het sjekkie aan en nam een tentatieve trek.

Ik had wel degelijk al eens wat gerookt, meestal trekjes van een Belinda die de vroegrijpe meisjes meenamen naar schoolfeestjes, maar ik was in het geheel niet voorbereid op de dramatische verschillen tussen dat lichte rokertje en het grote-meneren-werk van de weduwe Van Nelle. Ik verslikte me dus terstond en werd bekropen door een diep gevoel van schaamte, spijt en zinloosheid. Maar door die ellende en het gehoest heen begon allengs iets binnenin mijn hoofd te tintelen en ik begreep al snel dat ik nog niet klaar was met dat roken.

Wel leek het me een goed idee om de fiets even neer te zetten, en op een bankje te gaan zitten. Langzaam duizelig wordend bezag ik de wereld op een nieuwe manier. Eén van mijn maagdelijkheden was ik aan het kwijtraken en ik besefte dat ik aan het toetreden was tot een nieuwe kaste, en een stoere nog wel! Maar misschien kon ik het een volgende keer beter eens proberen met halfzware.

Toch fietste ik naar huis met een zeker gevoel van transcendentie, van overgang. Groeien gaat met momenten, realiseer ik me nu, en dit was zo’n moment.

Pas ruim dertig jaar later maakte ik de logisch daaropvolgende groeistap. In augustus 2000 stak ik mijn allerlaatste sjekkie op. 

maandag 27 april 2015

ALEXANDER SKRJABIN 1872-1915


Vandaag precies honderd jaar geleden, op 14 april 1915, stierf de Russische componist Alexander Nicolajevitsj Skrjabin (Moskou l872 - Moskou l915) aan de gevolgen van een bloedvergiftiging, veroorzaakt door een karbonkel aan zijn bovenlip.

Dat van die datum moet ik misschien even uitleggen. Langzamerhand waren de meeste Europese landen overgegaan van de Juliaanse, naar de veel preciezere Gregoriaanse kalender, met zijn schrikkeljaren. Rusland was een van de landen die daar een beetje bij achterbleven. Pas in 1918 volgde de overgang. Rusland was ondertussen 13 dagen achtergeraakt op de omgeving en de dag na 31 januari was dan ook 14 februari. Vertaald naar Gregoriaans, was Skrjabins sterfdatum dus 27 april 1915.

Alexander Skrjabin was de componist van een metafysische muziek die men, zoals de opera’s van Richard Wagner, "totaalkunst" zou kunnen noemen. Hij geloofde in de mediamieke vermogens van muziek. Met zijn verfijnde sensitiviteit trachtte hij het onuitspreekbare uit te drukken, terwijl anderzijds zijn intellectualisme hem ook tot een moeilijk te classificeren theoreticus maakte.
 
Nicojaj Zverev met zijn studenten.
Tweede van links Skrjabin, vierde van rechts Rachmaninov
De gangbare benaderingswijze van deze componist is om zijn werk in drie fasen in te delen. Zijn eerste periode wordt dan gekenmerkt door een briljante, enigszins aan Frédéric Chopin herinnerende "salonstijl", waaruit de componist echter al heel gauw tevoorschijn komt als iemand met zijn unieke, eigen klank en ideeën. Enerzijds is Skrjabins pianomuziek stevig in de traditie gefundeerd, maar anderzijds breidt hij die traditie uit tot ver voorbij de op dat moment geldende grenzen. Hoewel nog lang de echo's zijn te horen van de middennegentiende-eeuwse pianotraditie, zijn Skrjabins werken al vanaf een heel vroeg stadium als onmiskenbaar en persoonlijk te herkennen. En dan doel ik nog niet zozeer op zijn twee evergreens uit de vroege periode, de etudes op. 2 no. 1 en op. 8 no. 12, die ook best van zijn conservatoriumklasgenoot Sergej Rachmaninov hadden kunnen zijn, en die dan ook op iedere recital-plaat te vinden zijn, maar meer de werken vanaf op. 11 (24 preludes, 1888-1896) tot op. 27 (2 preludes, 1900).

Een grote cesuur, en meteen de overgang naar de tweede periode vindt men in het jaar 1902, waarin hij in het geheel niets publiceert. Dat lijkt een korte tijd, maar in een totale scheppingsperiode van slechts twintig jaar krijgt zo'n periode veel meer reliëf.

Jean Delville - Les trésors de Satan, 1895
Zijn tweede periode begint in 1903 met een onwaarschijnlijke productie. De componist van 74 opus-nummers publiceert in dat jaar ongeveer een vijfde van zijn totale catalogus! Kontakten in West-Europa met enerzijds de "Decadenten" (Paul Verlaine, Claude Debussy, Stéphane Mallarmé, Jean Delville) en anderzijds de Theosofie van Mevrouw Blavatsky en Rudolf Steiner zetten hem aan het denken. Hij verlaat Rusland en vestigt zich in 1904 in Zwitserland omdat, zo meent hij, de artistieke atmosfeer in het westen zich meer leent voor zijn grensverleggende werk. Hij is zich goed bewust van zijn eigen avant-gardisme. De tweede periode kenmerkt zich door een filosofische verdieping van zijn muziek, natuurlijk onder invloed van het theosofische mysticisme. Reeds in zijn vierde sonate, op. 30 wordt van de luisteraar verwacht dat deze er een reis in hoort, een reis naar de sterren en naar de zon. De Sovjet-Unie die via allerlei onnavolgbare staaltjes geschiedvervalsing van deze dweepzieke en neurotische mysticus en salonsocialist een revolutionair van het eerste uur had gemaakt, zal zijn latere werk Poème d'Extase zowel tijdens de ruimtereis van Joeri Gagarin, als tijdens diens "ticker-tape-parade" laten weerklinken.
In zijn verwachtingen omtrent het westerse bevattelijkheid voor zijn ideeën wordt hij wat teleurgesteld en zijn grootste triomfen kent hij pas in 1909 en 1910, na zijn terugkeer naar Rusland, waar hij nu als een godheid vereerd wordt.

De overgang van tweede naar derde periode is ietwat diffuus. Ikzelf geef er de voorkeur aan die ergens tussen opus-nummers 53 en 60 te plaatsen. Poème d'Extase, op. 54 heeft nog nèt niet dat, wat Prometheus, op. 60 tot een volledig nieuw, haast aan de aarde ontstegen werk maakt. 
 
De vijf laatste sonates, die elkaar in hoog tempo opvolgen sluiten naadloos aan bij Prometheus. Van deze sonates is mijn favoriet de zesde, op. 62, die in alle denkbare betekenissen "decadent" is. Een enigszins perverse, "ongezonde" muziek die heel elegant en gemaakt is, die tegelijkertijd flirt met de dood en duivelspraktijken. De zeer kleine Skrjabin heeft deze zeer veeleisende sonate noodgedwongen nooit publiekelijk uit kunnen voeren. Te kleine handen... Maar evenmin moedigt hij de uitvoering ervan door anderen aan. Hij schijnt oprechte en diepgewortelde angst gehad te hebben voor het stuk. Niet zo vreemd voor iemand die in de mediamieke machten van muziek gelooft. Hij achtte het gevaar reëel aanwezig dat middels deze sonate de Duivel aangeroepen zou kunnen worden. 

Al het werk dat hij in de laatste vier jaar van zijn leven publiceert en dat als een hermetisch oeuvre met unieke, geheel naar zichzelf terugverwijzende regels alleen vergeleken kan worden met dat van Anton Webern, beschouwt Skrjabin als voorstudies voor zijn magnissimum opus, een Totalkunstwerk van licht, dans, zang, muziek, liefde, seks en transcendentie, dat Mysterium moest gaan heten, en dat, als het uitgevoerd zou worden niet slechts de maatschappij zou verheffen naar een hogere trede van bewustzijn, maar, zo vreesde Skrjabin, de wereld zelfs zou kunnen vernietigen. Tijdens de arbeid aan dit meesterwerk van de mystieke decadentie stierf Alexander Skrjabin in 1915 aan de in de aanhef genoemde bloedvergiftiging.

Zo wil de muziekhistoricus het: drie duidelijke periodes met een bijna "ideale" ontwikkeling: jeugd, middenperiode, apotheose, dood (vroegtijdig). Hoe correct ook, misschien een beetje te schematisch. Je kunt ook voor een andere invalshoek kiezen.
 
We zien hier een man die enerzijds een nerveuze, hypersensitieve natuur had, maar anderzijds een scherpzinnige, analyticus was. Hij mag dan heel veel mystieke en theosofische vaagheden te berde hebben gebracht, hij wist zeer terdege wat hij met zijn muziek wilde bereiken, en hoe hij dat kon bewerkstelligen. Hij was in zijn componeren een rationele vakman, en zeer beslist geen besluiteloze dromer. En juist door deze tweestrijdigheid van eigenschappen is het mogelijk, Skrjabin in de cultuurgeschiedenis te plaatsen. 

- Hij was geen impressionist, want impressionisten beredeneren hun gevoelsuitingen niet.
- Hij was geen formalist, want formalisten kwijnen niet en hebben geen last van "spleen".
- Hij was geen vertegenwoordiger van de Jugendstil, want de Jugendstil vervangt gevoelens door gebruiksornamentiek.

Hij was wel een romanticus. Want romantici werken met gevoelens en zintuiglijkheden. Zij voegen vakmanschap toe aan hun inspiratie. Ze beredeneren de vorm, die de enige vorm is waarin hun gevoelens op dat moment geuit kunnen worden.

Maar bovenal was hij een kind van zijn tijd. Kunst was pose, gemaniëreerdheid, synesthesie, analogie. Kunst was geëxalteerd, nerveus en gekunsteld. Kunst was decadent. 

En zo was Skrjabin, vóór alles, een romanticus en een decadent; een romantisch-decadent. Als hij al verwant was aan andere kunstenaars, dan waren dat schrijvers als Charles Baudelaire, Stefan Georg en Joris-Karl Huysmans, misschien onze landgenoot Ary Prins, schilders als Gustav Klimt, Jean Delville en Gustave Moreau, componisten als Richard Wagner en Claude Debussy:  romantisch-decadenten. 
 
Van de eerste akte van Mysterium is een door de Sovjet componist Alexander Nemtin afgemaakte versie op plaat te krijgen: The Initial Act. Men hoort daar een zichzelf vernietigende muziek. De nervositeit en intensiteit zijn zo prominent, dat de muziek, doodop van de zenuwen, zijn structuur verliest, en er niets dan een kolossale hoeveelheid neurotische zintuiglijkheid overblijft, een seksorgie waarin veertig minuten lang steeds nèt niet klaargekomen wordt. Men houdt het hart vast als men speculeert over het oeuvre dat Skrjabin niet heeft kunnen schrijven. Hebben we hier, niet alleen in de muziek maar ook in de schepper ervan te maken met die ultieme decadente attitude, de zelfvernietiging?  

(Bewerking van een artikel dat oorspronkelijk verschenen is in Het Eenmalige Tijdschrift nr. 3, Amsterdam, 1991)