woensdag 26 maart 2025

Bedlezerig deel 4

In de volgende delen behandel ik een aantal Italianen, die Italiaanse misdaadfictie schreven. Mijn Italiaans is uitermate pover, dus beperk ik me noodgedwongen tot die schrijvers die een (bij voorkeur Engelse) vertaling hebben gekend. Dat zijn er nog best veel.

De godfather van het genre was de in Kyiv geboren Giorgio Scerbanenco (Володимир Щербаненко, 1911-1969). Vanaf 1935 heeft hij vele tientallen thrillers gepubliceerd, aanvankelijk onder Amerikaans aandoende pseudoniemen, later onder de Italiaanse versie van zijn Oekraïense naam. Helaas heb ik van hem maar heel weinig vertaald materiaal gevonden. Die paar boeken die ik heb kunnen vinden komen uit zijn latere oeuvre. De Milano tetralogie (1966-1969) valt onder de categorie Italiaanse noir, een genre dat Scerbanenco min of meer op de kaart heeft gezet. De sfeer in A private Venus (Venere privata) is die van de jaren zestig, met minirok en Beatle-haar. Hoofdpersoon Duca Lamberti is een jonge arts die drie jaar in de gevangenis heeft gezeten en zijn doktersvergunning is kwijtgeraakt vanwege een euthanasie die hij had toegepast op een terminale vrouw, en die nu diverse baantjes aanneemt. Als “lijfarts” van een jonge, zelfvernietigende alcoholist loopt hij tegen iets aan dat een jaar geleden officieel de boeken is ingegaan als de zelfmoord van een jong hoertje, maar dat bij nader inzien waarschijnlijk een moord was. In een toon die enigszins blasé is en hier en daar lichtelijk sarcastisch, wordt minutieus beschreven hoe de arts met zijn vriend in de politie het geval onderzoekt, en vanzelfsprekend komt er van alles aan het licht. De zelfmoord was inderdaad geen zelfmoord (uiteraard) en de daders bleken in de blanke slavinnenhandel te zitten. En als er iets is dat Duca haat, is het uitbuiting en hypocrisie.
De toegepaste psychologie in het boek is extreem primitief: een vriendin van de gestorven vrouw is bereid vreselijke verminkingen te ondergaan, de zware drinker geneest zomaar door Duca te helpen bij diens zoektocht en het angstige gedrag van een van de boeven wordt verklaard door de ontdekking dat hij homo is! Scerbanenco was een kind van zijn tijd, laten we het daar maar op houden.
Ook het tweede boek dat ik van Scerbanenco heb kunnen vinden blinkt niet uit in thans nog aanvaardbare psychologie. De vertalingen van Howard Curtis (een naam die we vaker zullen tegenkomen) zijn uitstekend. Als ik meer werk van Scerbanenco in handen krijg zal ik het wel lezen, het is vlot geschreven en je bent er in een paar dagen doorheen.
Scerbanenco was een zeer populaire schrijver en veel van zijn werk is verfilmd. Eén van mijn favoriete Italiaanse rockgroepen, Osanna, heeft de soundtrack gemaakt bij de, naar mijn smaak nogal primitief rauwe film Milano Calibro 9. Uit de diverse genoemde titels kan men terecht opmaken dat al zijn werk in Milaan speelt, en dat wel zonder uitzondering. 

Andrea Camilleri’s commissario Salvo Montalbano, die in het denkbeeldige Zuid-Siciliaanse stadje Vigàta zijn commissarispost bekleedt, is vermoedelijk de bekendste van alle hier genoemde personages. Naast het oplossen van moorden vormen het uit eten gaan en intens genieten van de plaatselijke visspecialiteiten, het beschouwen van de geringste veranderingen in de weersomstandigheden, en het maar steeds niet echt lekker op de rails krijgen van zijn relatie met vriendin Livia zijn voornaamste tijdbesteding.
De boeken, briljant in het Engels vertaald door Stephen Sartarelli, zijn in een “gezellige” maar tegelijk sardonische en vaak hilarische stijl geschreven, vol met toespelingen en scheldkanonnades. Veel van de “sicilianismen” worden, mede door een notenapparaat aan het einde van de boeken, in de Engelse vertaling gered. Dat wordt niet beweerd van de Nederlandse vertalingen. Ik kan daar zelf niet over oordelen: ik las de boeken niet in het Italiaans, noch in het Nederlands.
De commissaris leeft als Siciliaan tussen de Sicilianen, hij gaat om met iedereen of ze nu mafiosi zijn of priesters. De enige bevolkingsgroep waar hij een diepe hekel heeft zijn de politici, een sentiment dat in het Italië van na de oorlog wel te begrijpen valt. Of ze nu links zijn of rechts, communist of Christendemocraat, iedere politicus is omkoopbaar en achterbaks. In hun slagschaduw zijn ook alle topfunctionarissen bij de politie corrupt. Dat maakt de wereld wel heel helder, zij het in zwart en wit.

Catarella, Montalbano, Fazio en Mimì

Ik moet trouwens iedereen aanraden om ook naar de veeldelige Italiaanse televisieserie te kijken, waarin Montalbano’s naaste medewerkers Fazio, Mimì en Catarella onvergetelijke commedià dell’arte karakters vormen in de sardonische wereld van de door Luca Zingaretti fantastisch vormgegeven commissaris. Ook de prequel, de korter lopende serie Il Giovane Montalbano, met Michele Riondino in de hoofdrol, is beslist de moeite van het bingen waard. Net als van David Hewson heb ik ook van Andrea Camilleri nog een paar deeltjes klaarliggen voor vakanties en tripjes.

Een schrijver die ik heel recent, namelijk tijdens mijn ziekbed ontdekte is Marco Vichi, die met zijn commissario Bordelli in het Florence van de zestiger jaren een politieman gecreëerd heeft die uit de verte wel wat doet denken aan Montalbano. Bordelli trekt ook op met kleine boeven, excentriekelingen en prostituees. Hij is kettingroker, drinkt grappa met sloten en rijdt halfdronken rond in een Volkswagen Kever. Ook deze boeken zijn vertaald door Stephen Sartarelli. Qua sfeer doet Bordelli me, met zijn geschiedenis als partizaan in de Tweede Wereldoorlog, verder een klein beetje denken aan Inspector George Gently, de creatie van Alan Hunter, die in de televisieserie van die naam schitterend sober vertolkt wordt door Martin Shaw. Bordelli’s piepjonge assistent Piras doet me dan op een vergelijkbare manier een klein beetje aan Gently’s assistent Bacchus denken.
Bordelli houdt niet van de strikte letter van de wet en oogluikend laat hij veel kruimelmisdaad toe, vaak om in zijn beschermelingen betrouwbare informanten te winnen. Hij is bevriend met Rosa, een prostituee op leeftijd, bij wie hij een nekmassage en een glas grappa haalt. Verder is hij alleenstaand en drieënvijftig. Enigszins treurig is het allemaal wel.
Vichi doet niet aan hoofdstukken. Als een bioscoopfilm rollen zijn boeken uit:  lange vertellingen in duidelijk afgeronde scenes. De humor is mild en ingetogen, en de gewone mensen zijn nooit het slachtoffer van zijn pen.

maandag 3 maart 2025

Bedlezerig deel 3

Van de nieuwe lichting Britse schrijvers van in Italië spelende thrillers moet ik noemen de Welshman Philip Gwynne Jones, op wie Rookzanger me ooit attent maakte. Zijn protagonist Nathan Sutherland is een blijmoedige Britse honorair consul in Venetië die misdaden oplost met de hulp van onder andere zijn communistische vrienden. Als altijd komen ook hier de recente schaamtevolle jaren van de Italiaanse geschiedenis weer volop aan bod. Jones’ wereld is echter luchtig, laconiek en idiosyncratisch (zijn hoofdpersoon houdt, net als zijn schepper, van het aperitief Spritz en van de vreemde rockmuziek van Jethro Tull, Pink Floyd en Hawkwind). Zijn schrijfstijl is niet altijd helemaal evenwichtig en soms zou een strengere redactie wel wat geholpen hebben. Toch heeft hij me al in zeven deeltjes plezierig beziggehouden. Hij is een goedige, gezellige man die in zijn boeken nooit de volumeknop al te hoog zet. In dat opzicht doet hij me nog het meest denken aan Iain Pears. Het is jammer dat er sedert het opstarten van deze reeks in de Verenigde Staten een nogal onplezierig individu met de zelfde naam Nathan Sutherland enige naamsbekendheid heeft verworven.

Iemand die welhaast weer een navolger van Philip Jones lijkt te zijn is Tom Benjamin, wiens Daniel Leicester sedert kort als privédetective in Bologna actief is. De bijnaam van Bologna is La Rossa, niet alleen zo genoemd vanwege de kleur van haar daken, maar ook vanwege haar traditionele politieke klimaat. Dus ook de jong middelbare weduwnaar Leicester trekt veel op met communisten en anarchisten in een soortgelijke plezierige stijl als die van Philip Jones, zij het wat minder licht en humoristisch. En ook hij zou nu en dan een kleine extra redactieronde hebben kunnen gebruiken.

Van de Britse schrijvers vind ik David Hewson’s boeken verreweg de beste. In een superieure stijl beschrijven ze de avonturen van de vegetarische en melancholieke politieagent Nic Costa, gestationeerd in Rome, zoon van een ouderwetse communist, jong weduwnaar geworden door een schietpartij, gefascineerd door de werken van Caravaggio, en zo jong als hij is al wijs, gelaagd en gelouterd. Voorlopig is hij van alle hoofdpersonages die in deze stukjes de revue hebben gepasseerd het meest volledige.
Hewsons enige misstap in de reeks tot nog toe was het teleurstellende City of Fear, een nagenoeg plotloze emulatie van het ledige verschijnsel Dan Brown, compleet met de bekende, teleurstellende plotwending aan het eind dat de bad guys in werkelijkheid de good guys bleken te zijn en omgekeerd. Ik blijf positief: ik heb voor komende vakantiereisjes gelukkig nog deeltjes 9 en 10 in de reeks klaarliggen. Die móeten beter zijn. Hewson is, samen met de Siciliaan Andrea Camilleri, mijn favoriet.

Conor Fitzgerald, door critici wel eens de natuurlijke opvolger van Michael Dibdin genoemd (waar ik het niet mee eens ben: ik zou hem een opvolger van Dashiell Hammett of Ross Macdonald noemen…), schrijft over Commissario Alec Blume, een geboren Amerikaan uit Seattle die ook in Rome opereert. Zijn boeken zijn van alle hier genoemde het minst… hoe zal ik het zeggen… Italiaans. Akkoord, ze spelen in Italië, de handelende personen zijn (op de commissaris na) Italianen, de motieven en geschiedenissen achter de personages zijn Italiaans, de moord op Aldo Moro, een corrupte carabinieri-officier, alle Italiaanse clichés komen langs, maar toch, maar toch. Mutatis mutandis zou deze reeks ook in Parijs, Berlijn of Washington kunnen spelen. Het zijn goede boeken, daar niet van. Ze ontvouwen zich in een rustig tempo, zonder ook maar een moment te vervelen. Ze zijn heel goed geschreven in een heldere en krachtige stijl en ik lees ze met veel plezier, maar echt diep Italiaans, neen, zo voelen ze niet aan.
Het zijn typische “procedurele” policiers: van begin tot eind volgen we heel precies hoe een misdaad door de politie aangepakt en opgelost wordt. Actie wordt tot een minimum beperkt en de juridische en competitieve kant van misdaadbestrijding komen uitgebreid aan bod: welk bewijsmateriaal mag wel, welk juist niet gebruikt worden? Wiens jurisdictie ligt waar? Klassiek is dat de held door zijn eigen superieuren tegengewerkt wordt en dat er allerlei lijntjes lopen tussen politie, politiek en geboefte die er niet zouden mogen zijn. Maar de mafiabaas Innocente uit The Dogs of Rome zou net zo goed een Californische mafiabaas kunnen zijn, en Colonel Farinelli uit The Fatal Touch een Britse machtsmisbruiker en bedrieger uit Tinker Tailer Soldier Spy. Ook mankeert er hier en daar wel iets aan de psychologie: in het tweede deel duiken Blume en zijn DI het bed in, iets dat wel min of meer half aangekondigd was, maar dat weinig of geen psychologische onderbouwing krijgt. Desondanks: een gritty aanrader.

dinsdag 25 februari 2025

Cultuur snuiven

Nu we allebei met pensioen zijn, kan het grote cultuur snuiven beginnen.
Donderdag waren we in het LAM, het Lisse Art Museum, waar een aan voedsel gewijde tentoonstelling (foodart moet dat tegenwoordig natuurlijk heten) belangstellenden van alle leeftijden moest trekken. De meeste belangstellenden hadden grijs haar en begrepen niets van de hi-tech kaartjesmachine en dito kluisjes (ongenummerd, het publiek werd aangeraden met hun telefoon een foto van hun kluisje te maken).
Drie zalen gevuld met moderne kunst die op de een of andere manier een verbinding vormde met onze mondiale obsessie: eten. Reusachtige bonbons, aardewerken avocado’s, een danseres van suikerspin en een laatste avondmaal voor hoofdloze torso’s passeerden de revue, zonder verklarende kaartjes of zelfs maar de naam van een maker. Daarvoor moesten we bij de suppoosten zijn, die ten allen tijde bereid waren onze vraag met een tegenvraag te beantwoorden: ‘Welk materiaal is hiervoor gebruikt?’ ‘Wat denkt u zelf? Doe eens een gok.’
Ikzelf heb geen behoefte aan zaalwachters die mij popelen om mij te vertellen dat ik iets mooi moet vinden, of juist confrontatief. Ook ben ik niet vreselijk gevoelig voor de diepere vragen die aan veel van de getoonde kunst ten grondslag schijnen te liggen en die de tentoonstellingsbegeleiders ons stellen: ‘Wat vindt u, is het moreel houdbaar om onze planeet volledig leeg te eten en zo een dorre vlakte achter te laten?’ Gelukkig werd mij die vraag bespaard want ik zou uit louter balorigheid hebben geantwoord: ‘Ja, prima toch?’ Ik identificeer mezelf als een tikje blasé.
Het was druilerig weer, dus lang hebben we erna niet gewandeld. Een rondje om het breekbare kasteeltje De Keukenhof en een gefrituurde lunch in de eetboerderij en dat was dat. Op de terugweg Hillegom nog even in.

Foto: Wouter Schenk
Zaterdag togen we naar een kort concert van de Griekse pianiste Tania Giannouli in Haarlem. Na een uitverkocht concert in Brussel vorige week voor 800 mensen, speelde ze nu in de Haarlemse Artone Studio voor slechts 45 luisteraars (ook uitverkocht). Ik begreep dat dit een soort liefdewerk van haar was. De solopianomuziek was een één uur durende suite: een wisselend landschap dat gepresenteerd werd onder de brede noemer jazz, maar ik hoorde er eigenlijk maar heel weinig jazz in. Ik vond het eerder een soort fusion van pop, (post)modern klassiek, folk en beschaafde avant-garde. Interessante, soms bijna elektronisch klinkende omlijstingen op de prepared piano gingen over in welluidende en voorzichtig temperamentvolle melodieën die me meer aan Michael Nyman of Ludovico Einaudi deden denken dan aan Thelonious Monk of Lennie Tristano. Ik hoorde zelfs hints van Billy Joel of Elton John, maar dat zal stellig uitsluitend toeval geweest zijn. Het geheel was verrassend prettig om aan te horen.

De zondag erna was er een Sunday Market (is dat wat anders dan een zondagsmarkt?) in de Koepel, maar onderweg naar deze voormalige gevangenis moesten we eerst even een kaart posten, Daartoe sloegen we links af, omdat ik wist dat er een brievenbus ergens in het voormalige Drosteterrein moest zijn. Die hebben we uiteindelijk niet gevonden. Wel was dit een goede gelegenheid om een beetje te verdwalen in die rare wijk. Bij het plannen maken was het de bedoeling geweest om van dit terrein een soort uitbreiding van het centrum te maken, maar dat is geheel mislukt. Het wijkje ligt aan alle kanten totaal geïsoleerd van de rest van de stad: door het Spaarne, een drukke verkeersweg en het spoor Haarlem-Amsterdam en het industrieterrein Waarderpolder. Er is met de bouw en de diverse renovaties duidelijk luxueus uitgepakt, maar met het aanleggen van infrastructuur (fietsbruggen, een winkelcentrum, een wijkgebouw) is de knip angstvallig dicht gebleven. Het resultaat is een afgesloten dorp zonder voorzieningen midden in de stad, precies het omgekeerde dus van wat er beoogd werd. Het grote restaurant in het Droste branderijgebouw staat, na een hele serie vergeefse pogingen, nu al een aantal jaren begrijpelijkerwijs troosteloos leeg.
Sommige andere leeggekomen fabrieks- en nutsgebouwen zoals het Meterhuis en de Lichtfabriek zijn, een beetje volgens het industriële Berlijnse model, wel populaire plekken geworden in het Haarlemse uitgaansleven. Maar ook hier kom je niet zomaar per ongeluk - je moet er doelbewust naartoe willen.

Bron: Wikipedia. ChocOase is allang opgedoekt
Niet iedere renovatie trof me als gelukkig. Zo is de monumentale Droste branderij uit 1920 van architect J. J. van Noppen opgeknapt volgens de moderne archeologische regels: dat wat ontbreekt moet je niet willen herstellen in de oorspronkelijke stijl (waar de befaamde architect Pierre Cuypers tot in het extreme mee bezig was), maar integendeel contrasterend streng neutraal laten. Ik kan er niet met plezier naar kijken. Een mooi bakstenen muurtje is toch niet zo ingewikkeld? Het resultaat is natuurlijk een krachtig statement, maar wat hebben gewone mensen en eenvoudige bewoners nu aan krachtige statements? De ernaast liggende Droste silo is daarentegen wel weer heel geslaagd, maar van het oorspronkelijke gebouw is bar weinig overgebleven.

Na onze dwaaltocht hebben we de braderie in de Koepel uiteindelijk maar gelaten voor wat die was.

woensdag 19 februari 2025

Leesrapportje 13

Tom Vitale - Over de kook : de wereld rond en achter de schermen met Anthony Bourdain

Tom Vitale (links) met Anthony Bourdain
Dit is de vertaling van In the Weeds, een verslag geschreven door de regisseur en producer van Bourdains laatste succesvolle televisiereeks Parts Unknown. Een aantal hoogtepunten passeert de revue, en uiteraard de tragische zelfmoord van de rocker/chef/reiziger/junkie en het onvermogen van de nabestaanden om die te bevatten.
Bourdain wordt geschetst als een echt mens, met grote kracht en grote zwakten, afwisselend een aardige vriend, dan weer een gemene naarling. De ware persoon lijkt maar in weinig op de persona die ons via de televisie meeneemt naar al die exotische plaatsen op de wereld.
De getatoeëerde, met zekere gratie ouder wordende reiziger, met zijn stoere laarzen en zijn dominante mannelijkheid blijkt een tobber en een klager te zijn, ja zelfs iemand die uitstekend kan zeuren. Iemand die vaak kwaadaardig en verongelijkt is, maar net zo vaak edel en genereus.
Dat hij al een aantal malen depressief was wist niet iedereen, zodat het bericht van zijn zelfmoord in Parijs als een volslagen verrassing kwam voor zelfs zijn naaste vrienden. De ontrouw van zijn nieuwe vriendin Asia Argento lijkt hem het laatste tikje gegeven te hebben. Maar wie weet wat voor gruwelen zich hebben afgespeeld achter dat barse, hoge voorhoofd van hem?

Dan Jones - The Templars

Dan Jones
Voor de verandering heb ik maar eens weer een geschiedenisboek ter hand genomen. Gezien de achternaam van de schrijver en zijn specialisme (Middeleeuwse geschiedenis en Kruistochten) dacht ik dat hij misschien een zoon kon zijn van Monty Pythons Terry Jones, die immers ook historicus was en zelfs een televisieserie heeft gemaakt over diezelfde Kruistochten, maar dat bleek niet zo te zijn.
Op het omslag belooft dit boek heel wat: “Triumphant. As addictive as a page-turning novel.” Die belofte wordt niet waargemaakt, maar dat is de auteur nauwelijks aan te rekenen. De waarheid is dat de beschreven geschiedenis (1100-1310) een aaneenschakeling is van feodale heersers, vestingen en veldslagen. Er is wel getracht om het boek te verlevendigen, maar dat is, puur door het onderwerp niet overal gelukt. Sommige prominente karakters hebben wel een beetje psychologische invulling gekregen, maar lang niet alle. Dat zal beslist met de beschikbaarheid van historische bronnen te maken hebben.
Het blijft allemaal een beetje een dorre opsomming, alle lovende kreten op het voorblad ten spijt.
Hoe een zo machtige multinational als de Tempeliers in zo korte tijd heeft kunnen ontstaan wordt niet helemaal uitgelegd. Zoals het er nu staat lijkt het haast alsof de tijd er rijp voor was, dat een dergelijke organisatie noodzakelijk was in het gegeven tijdgewricht. Alle betrokken vorsten en kerkelijke machthebbers waren vanaf het begin bereid om aanzienlijke sommen gelds, stukken land en onroerend goed weg te schenken aan de prille organisatie en al twintig jaar na zijn stichting is de Orde van de Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo een niet meer weg te cijferen machtsfactor in het Midden-Oosten. De van oorsprong Cisterciënzer orde beheert bankzaken, infrastructuur, diplomatie en politiek in het gebied en beschikt daarbij over een eliteleger met voorbeeldige discipline. Twee eeuwen lang volgen er grote militaire nederlagen en overwinningen. Tijdens de jaren van militair verval gaat de orde zich langzamerhand meer toeleggen op de civiele nevenzaken: het bankwezen en de politiek.
Het gewelddadige einde van de orde, dat me op voorhand meer interesseerde dan die vermoeiende, eindeloze, monotone reeks veldslagen en slachtpartijen wordt helaas maar heel summier beschreven. En dat is jammer, want juist hier lees ik een aantal dingen die ik niet wist, en die mijn beeld behoorlijk bij hebben gesteld.
Ik had bijvoorbeeld altijd gedacht dat de laatste Meester van de Tempeliers, Jacques de Molay, een heldhaftige figuur was, maar Jones schetst hem als een zwakke, kleingeestige opportunist. Ook had ik altijd gedacht dat Philips IV en Clemens V samen de orde vernietigd hebben, maar in werkelijkheid was de paus een ondergeschikte figuur naast de koning, die geheel zelf verantwoordelijk was voor de demonisering van de Tempeliers. Een studie van hedendaags populisme zou Philips IV als prototype kunnen beschouwen. Lees in plaats van Tempeliers: Joden of Marokkanen of zelfs pedofielen en je herkent onmiddellijk de onderliggende mechanismen. Philips IV was het om de bezittingen van de Tempeliers te doen, maar - en dat heeft de paus dan wel weer handig gedaan - die gingen uiteindelijk grotendeels naar de kerk.
Het boeiende einde was te summier, niet uitgewerkt genoeg om het boek te redden.

Martin Bril - Heimwee naar Nederland

Martin Bril
Dit boek trof ik aan in één van de straatkastjes hier in de buurt: een bundel impressies van plekjes in Nederland. De term “impressies” is hier wel heel goed van toepassing, want Brils stijl in dit boek is een ijzig volgehouden, gortdroog impressionisme. Hij beschrijft de plekken waar hij is door details uit te lichten en te vergroten (een reclamebord, een opgevangen flard van een gesprek, een geur van zuurkool) zonder de omringende decors in te vullen. Dat gaat snel een beetje monotoon worden, zodat ik het boek na een kleine honderd bladzijden dichtklapte. Niet omdat het boek me nu zo ergerde, maar meer omdat ik er mijn belangstelling voor verloren had.
Een heel opvallend stijlmiddel dat hij in zijn stukjes heeft toegepast is de extreem korte alinea, om een micro-schokmomentje teweeg te brengen. Iedere pagina kende er wel minstens een.
Ze werden voorspelbaar.
Dus ik ga het boek weer terugleggen, hetzij in de Johannes de Breukstraat, hetzij in de Floresstraat. Ik zal wel zien…

Iain Pears - Arcadia

Iain Pears

Ik leerde Iain Pears kennen als de schrijver van een lichtvoetige mystery-reeks over de kunsthistoricus Jonathan Argyll en zijn charmante vriendin Flavia Di Stefano. In zeven boeken, gepubliceerd tussen 1991 en 2000 volgen we het tweetal tijdens het oplossen van allengs ingewikkelder misdaden die altijd een kunsthistorisch aspect hebben: een vervalsing, een diefstal, een moord op een louche kunsthandelaar, etc. Na die zeven deeltjes had Pears daar blijkbaar genoeg van en begon hij zijn horizon te verwijden. Nog steeds waren zijn romans, zoals Stone’s Fall of An Instance of the Fingerpost wel te categoriseren als mystery, maar nu met een zeer gulle portie postmodernisme. Een misdaad (of was het wel een misdaad?) werd, via getuigenissen en belichting vanuit telkens veranderend perspectief, wel of niet opgelost en de lezer bleef achter met een onbestemd gevoel. Ik bespeur verwantschap met de Spaanse schrijver Perez-Reverte.
Zijn recentste boek Arcadia dateert alweer van 2015 en is nog ambitieuzer. Bij dit boek wordt een app geleverd die de diverse verhaallijnen interactief moet maken, zodat de lezer zijn eigen roman schijnt te kunnen samenstellen. In een roman over parallelle werelden en geschiedenissen kan zoiets, veronderstel ik, wel een verrijking zijn maar ik heb toch maar geen gebruik gemaakt van die app, hoewel ik hem wel gedownload heb. Het boek, zoals gedrukt, is volmaakt te lezen.
Kort samengevat komt de plot hierop neer: in het Oxford van de zestiger jaren probeert Professor Henry Lytten een fantasyroman te schrijven over een tegenwereld, genaamd Anterworld, een roman die het werk van Tolkien of C.S. Lewis moet doen vergeten. Hij neemt zijn buurmeisje Rosie in vertrouwen. Zij ontdekt in zijn kelder een door Angela Meerson, een tijdreizigster uit de toekomst, achtergelaten dimensiepoortje en daarachter treft ze een arcadisch land aan waar verhalenvertellers vereerd worden. Haar avonturen brengen haar in contact met een  excentrieke  psychomathematicus wiens werk alle betrokken levens en werelden beslissend kan beïnvloeden. Enzovoort. En zo verder. Vele verhaallijnen dansen een complexe dans met elkaar.
De lichte schrijfstijl van Pears maakt dat je bijna niet boos kunt worden op het boek. Hij zorgt er goed voor dat de draden nooit te complex worden. Wat overblijft is een young adult boek voor volwassenen.





vrijdag 7 februari 2025

De Assen experience

Voor het eerste uitstapje na de rampzalig verlopen trip door de Ardennen en de Eifel die in het ziekenhuis geëindigd was, togen we naar het rustige en weinig ambitieuze Assen. We hadden kaartjes besteld voor een midweeks bezoek aan het Drents Museum en verder zouden we wel zien. Daar staken een paar boefjes een stokje voor. Museum dicht! Anderhalf uur voor de terugreis kwam het er alsnog van.

Een politieauto stond geparkeerd naast de ingang. Een complete, zeer vriendelijke Roemeense cameraploeg liep onderzoekend rond. Journalisten van RTV Drenthe en de NRC, een cameraploeg van het journaal, iedereen was er, die vrijdagmorgen. Om tien uur ging het Drents Museum weer open na de spectaculaire maar nogal plebejische kunstroof van een paar dagen ervoor. Een grote klas voornamelijk in het zwart geklede kinderen baande zich een weg door het ingenieuze gebouw als een horde gazellen op de vlucht, uiteindelijk met straffe hand bijeen gedreven door een strenge en ervaren leidsvrouw. Wij besloten meteen onze eigen weg te zoeken en de consternatie zoveel mogelijk te vermijden. Dat lukte maar zeer ten dele. Halverwege, op de vlucht voor de kinderen, werden we ontdekt door een dame van NRC op zoek naar human interest. Jenet zag haar gevoelens in de zaterdageditie verwoord. Ikzelf had me schielijk teruggetrokken.
Het Drents Museum, regionaal museum voor kunst, cultuur en geschiedenis, heeft besloten zijn collectie aan te bieden via een interactief circuit, waar animaties en geluidsbandjes de bezoeker bijstaan in hun speurtocht naar het wezen van Drenthe. Dit is hoe het museum deze experience getiteld Labyrinthia zelf aankondigt: “Dwaal door ons historische gebouwencomplex en beleef de museumcollectie op spectaculaire wijze. Hier komen de iconische verhalen van Drenthe tot leven op een unieke manier. In de vijftien zalen valt van alles te beleven voor alle leeftijden. In Labyrinthia mag je kijken met je handen, ruik je de verf van de Noordelijke Figuratieven en voel je aan scherven uit de tijd van de hunebedbouwers. Leer de technieken van de mammoetjagers, poseer met de sieraden van de Prinses van Zweeloo of dans op een boerenbruiloft in de 19de eeuw. In elke zaal stap je een totaal andere wereld binnen en sta je midden in het verhaal.” 

De lezer begrijpt, zoiets lieten we ons geen twee keer vertellen en terwijl ik gekleed in een kapokken boerenkiel als een razende de horlepiep aan het dansen was voelde ik mijn waardigheid wegvloeien als een ondiepe plas van tranen. Wanneer men in het museumwezen iets “voor alle leeftijden” noemt, bedoelt men “voor kinderen”. Nee, deze benadering werkte niet voor ons, waarna we ons nog nadrukkelijker buiten het verhaal plaatsten.

Foto: Siese Veenstra
Op zich is de titel Labyrithia goed gekozen want het complex van gebouwen waar alles tentoongesteld wordt is inderdaad een waar doolhof. Diverse voormalige ambts- en kloostergebouwen uit zes eeuwen, hier doorgebroken en elders juist dichtgemetseld, gemoderniseerd en van een serieuze nieuwbouw voorzien die zich grotendeels onder de grond bevond, zorgden ervoor dat ik op zeker moment niet honderd procent zeker was waar ik me bevond ten opzichte van de uitgang. In elke gang trof men kamertjes aan met een thema. We zagen in de zelfportrettenzaal een schilderij van Henk Helmantel dat niet zo mooi was als zijn befaamde stillevens. Verderop vonden we een zaal met twee prulletjes van Vincent van Gogh in een zee van lichtgevende korenaren. Eén zaal was gevuld met veenlijken en -offers. Ook konden we met een speer een mammoet doden en in een scheepje door de afgegraven turfgebieden dobberen.

De nadruk leek voor een aanzienlijk deel te liggen op de negentiende eeuw en als zodanig ervoer ik het museum bijna als een voortzetting van het gevangenismuseum te Veenhuizen dat we de dag tevoren hadden bezocht. Ook hier moesten we weer een soort experience ondergaan, in plaats van een tentoonstelling, en ook hier heerste weer de educatief bedoelde anekdotiek die de collectie begrijpelijk moest maken voor Generatie Z. Bekende Nederlanders vertelden over hun ongelukkige voorouders die ooit gast waren in deze Kolonie van Weldadigheid. We volgden vier hedendaagse veroordeelden van hun arrestatie tot hun reclassering (of in één geval hun zelfmoord), we mochten ervaren hoe zwaar een blok aan het been of de boeien om de polsen waren en passeerden slapende gevangenen van paspopmateriaal in hun ongemakkelijk ogende slaapzakken. Het was uitermate rustig in het gebouw.

Het complex is gevestigd in wat ooit, in tijden voor klimaatverwarming Drents Siberië genoemd werd en de omgeving deed bepaald koud en eenzaam aan. Het leek het eind van de wereld. Als we iets verder waren doorgereden waren we gegarandeerd van de Aarde afgerold, met auto en al. Om een beetje warmte terug te vinden, nuttigden we de avondmaaltijd in een Portugees restaurant, waar aan een tafeltje naast me een evenbeeld zat van Ger, een veel te vroeg overleden vriend.

maandag 27 januari 2025

Bedlezerig deel 2

Ook het tweede en derde deel van deze serie over Italiaanse misdaadlectuur zullen gaan over van oorsprong Engelstalige boeken. De Britse Magdalen Nabb, in het vorige deel ter sprake gekomen, was voor zover ik kan zien de eerste die vanuit de Angelsaksische misdaadtraditie opereerde. Haar directe navolgster was de Amerikaanse Donna Leon, die ondertussen 33 deeltjes heeft geschreven over de daden van commissario Guido Brunetti in Venetië. Mijn vriend Voorheen Rookzanger schrijft over haar “Ik geloof niet dat ik saaiere misdaadlectuur ken dan de boeken van Donna Leon”. Daar scheiden bij wijze van uitzondering onze wegen eens een keer. Hij zou Magdalen Nabb moeten proberen!
Ik houd wel van de boeken van Leon. Rookzangers bezwaren snap ik, zeker als je in aanmerking neemt dat zijn benchmark Simenon is, maar Leons boeken zijn lang zo erg niet als hij beschrijft. Jazeker, de sociaaldemocraat Brunetti is een politiek correcte Gutmensch (onbegrijpelijk dat zoiets tegenwoordig een pejoratief kan zijn!) en zijn nogal clichématig geschetste adellijke, maar tegelijk communistische echtgenote Paola en hun kinderen zijn misschien niet de opwindendste karakters aller tijden, maar Leon schrijft met humor en haar beschrijvingen van falende personages hebben een lekkere dosis vinnig sarcasme die mij enorm bevalt. Dit is beslist niet de zwaarst denkbare kost, en wie het om gruizigheid te doen is kan beter doorzoeken. Maar ze heeft school gemaakt: haar aanpak en sfeer is bijvoorbeeld zeer herkenbaar terug te vinden in het werk van Iain Pears en Philip Gwynne Jones. 

Van haar boeken is een televisiereeks gemaakt, maar verrassend genoeg in het Duits, door de ARD. In de eerste vier afleveringen vertolkte Joachim Król de commissaris. Hij moest daarna wegens verplichtingen elders voor de rol bedanken. Uwe Kockisch (illustratie) nam het stokje over en kennelijk tot tevredenheid, want hij bleef aan in nog eens 22 afleveringen. Tot zijn 75e bleef hij Brunetti. Ook Paola veranderde van uiterlijk. Wat te zeggen over deze serie? In feite zijn het gewone Krimis, die toevallig eens een keer niet in München, maar in Venedig spelen. De bekende Italiaanse thema's komen weliswaar ruim aan bod, maar daar staat tegenover dat veel van de personages in hun uiterlijk en hun doen en laten grondig Duits zijn, met uitzondering van Karl Fischer die een zeer overtuigend Italiaanse sergente Lorenzo Vianello neerzet. Ik heb voor u een aantal afleveringen bekeken en naar mijn smaak was de Brunetti van Król de net iets meer overtuigende.

Michael Dibdin geeft ons de melancholieke detective Aurelio Zen. Zoals zijn naam al suggereert is Zen een geboortige Venetiaan. De Brit Dibdin is zeer op de hoogte met de Italiaanse mores en daardoor komt het Italië van zijn boeken zeer overtuigend over. Doordat Zen een specialist is opereert hij als kidnap-deskundige door heel Italië. Zo krijgen we een zeer compleet beeld van het land in al zijn uithoeken. In de elf delen bevinden we ons in Perugia, Sardinië. het Vaticaan, Venetië (een thuiswedstrijd), Napels, Rome, Catalina in Sicilië, de Dolomieten, Bologna en Calabrië.
Aurelio Zen is een gecompliceerd mens. Van alle schrijvers over Italiaanse misdaad, is Dibdin wel de meest literaire, niet alleen in schrijfstijl, maar ook in de uitgewerkte ideeën. Ambitieuze monologues intérieurs trachten van meet af aan een diepere psychologie aan te brengen dan in vergelijkbare boekreeksen. We leren Zen kennen als een bewogen ziel, met veel onverwerkt verleden.
Bovendien zijn de boeken geknipt voor verfilming - ze lijken zelfs uitdrukkelijk met dat oogmerk geschreven te zijn - dus is het raar dat er maar één, kort reeksje van drie afleveringen gemaakt is, waarin de boeken ook nog eens zwaar bewerkt werden.
Niemand begreep waarom de BBC het hierbij gelaten had, want de serie werd (terecht) goed ontvangen. Rufus Sewell, die binnen de gedeeltelijk locale cast overtuigend Italiaans overkomt en ex-bondgirl Caterina Murino (illustratie) zetten overtuigende karakters neer en de coleur locale was zeer precies gevangen.

Ook bij Zen keren natuurlijk weer de bekende thema’s terug: de Italiaanse familie, de Mafia, de incompetente superieuren met hun eigen agenda’s die na de onvermijdelijke flater hunnerzijds de verantwoordelijkheid trachten af te wentelen op de onder hen gestelden. Ook de animositeit tussen politie en carabinieri wordt geregeld benadrukt. Je kunt van clichés spreken, maar ooit was dit alles fris en nieuw. Bij Nabb dus, en in mindere mate bij Dibdin, Pears en Leon, de oude garde.

In het volgende stukje kijken we naar de nieuwere garde.

zondag 5 januari 2025

Bedlezerig deel 1

Toen ik aan het begin van een korte road trip door de Ardennen en het Moezelgebied op 3 september midden in de nacht wakker werd van de rugpijn, kon ik niet bevroeden dat ik de volgende vier maanden min of meer aan mijn bed gekluisterd zou blijven. Nadat we terug naar het vaderland gesneld waren, werd in het ziekenhuis vastgesteld dat ik aan spondylodiscitis leed, een bacteriële infectie van een van de onderste tussenwervelschijven. Plat liggen en mijn tijd beiden, daar kwam het op neer. Gelukkig had ik de beschikking over mijn trouwe tablets, die me internet, een discotheek, een keur aan sudokuboekjes en een uitgebreide bibliotheek verschaften. Ik heb in de afgelopen drie maanden zeker vijfenveertig boeken gelezen.

Door de omstandigheden (eerst een tijd in het rumoer van het ziekenhuis, later in de dwingende en nogal afstompende dagroutine van de antibiotica) kon ik me maar moeilijk concentreren, dus greep ik al gauw naar die lichte kost die ik het liefst tot me neem als ik me wil ontspannen: politieromans spelende in Italië. Daar zijn er verrassend veel van. Vreemd genoeg met name vanuit Engelstalige gebieden.

Wat maakt Italië zo geschikt voor thriller- en misdaadromans? Het lijkt voor de hand te liggen. Daar is ten eerste het karakter van het land zelf, met haar kunst, architectuur en cuisine. Dan speelt mee haar rijke sociale geschiedenis, met Mafia, Brigate Rosse en de mede door deze groepering geïnstigeerde Anni di piombo, de geweldadige Jaren van lood. Italië is een land met springlevend fascisme, communisme, schimmig katholicisme, met bandieten en partizanen en recentelijk met enorme vluchtelingenstromen. Ook is er in Italië een pittoreske, bittere concurrentiestrijd gaande tussen twee politiemachten, de Polizia en de Carabinieri. Voeg daar nog bij de enorme binnenlandse verschillen in leefomstandigheden, van de gortdroge arme steppegrond van Calabrië tot de luxueuze penthouses van Milaan, en er ontvouwt zich een weids panorama van uitersten. Italië is als het ware een continent in landgedaante, verbonden (of gescheiden) door dezelfde taal in rijke regionale verscheidenheid.

Toch lijkt het erop dat er meer aan de hand is. Italiaanse misdaadfictie is kennelijk echt een “ding”, want je zou op grond van deze overwegingen verwachten dat er ook een vergelijkbare, rijke misdaadliteratuur moet bestaan van en over bijvoorbeeld Spanje, dat immers net zo’n druistige geschiedenis, sociale structuur en veelzijdige couleur locale kent. Toch kost het me veel meer moeite om boeken in dat subgenre te vinden, indien ze al überhaupt bestaan. Ik heb wat vertaald werk van Manuel Vazquez-Montalban, en dat is het wel zo’n beetje. Waar het verschil in zit kan ik niet goed duidelijk krijgen.

Zoals gezegd is Italië een grote favoriet bij Engelstalige schrijvers. Mijn verhouding met de in Italië gesitueerde, Engelstalige misdaadromans begon een jaar of twintig geleden toen ik de zeven boeken ontdekte die de Engelse kunsthistoricus Iain Pears publiceerde over de Engelse kunsthistoricus Jonathan Argyll. Vreemde kunstgerelateerde misdaden worden opgelost door Argyll en twee bevriende politiemensen, generaal Taddeo Bottando en diens naaste medewerkster Flavia Di Stefano, met wie de excentrieke Brit in de loop der tijd een liefdesrelatie aan zal gaan. De boeken zijn vrolijk, ironisch en lekker nonchalant. Een diepe, beroepshalve kennis van de Italiaanse kunstwereld wordt gekoppeld aan een vlotte stijl en gedegen plotwerk. Er heerst een permanente staat van oorlog tussen de Polizia, de Carabinieri en de Kunstpolitie. Vaak zijn de plots gewiekst, nu en dan op het overgecompliceerde af, maar in de laatste tien bladzijden komt alles toch altijd weer op zijn pootjes terecht, meestal met nog een extra scherpzinnigheid van Argyll die een ultieme draai aan het geheel weet te geven.

Na deze reeks is Iain Pears een ander soort boeken gaan schrijven die allemaal wel steeds een zekere complexiteit in de plots behielden. Over zijn recentste boek, Arcadia, met zijn buitengewone structuur valt heel wat te schrijven.

Maresciallo Guarnaccia van de carabinieri, gecreëerd door Magdalen Nabb, opereert in het zuidelijke deel van Florence, onder de Arno. Deze verdwaalde Siciliaan die in Florence werkt terwijl zijn gezin achtergebleven is bij zijn stervende moeder in Siracusa, is groot, zwaar en bedachtzaam, als een ietwat sullige soort Maigret. Wat precies zijn officiële functie in de wirwar van Italiaans wetshandhavers is, wordt niet meteen duidelijk. Ondanks het aplomb van de titel, staat een maresciallo niet erg hoog in de pikorde. De carabinieri zijn militaire politie, en Guarnaccia is dan dus een onderofficier. De Nederlandse vertaling laat de functie zoals hij is, de VN-Thrillergids probeert het met “wachtmeester” en dat klinkt niet slecht. 

In sfeerrijk, kordaat proza komt de stad tot leven (het moge de lezer duidelijk zijn dat je dit soort boeken voornamelijk leest om de plaatsen en de personen, veel minder om de misdaden en het detectivewerk) en al snel ken je de weg in Florence. Toch kleeft er aan het werk van Magdalen Nabb een zeer groot bezwaar. Ze houdt heel veel van excentrieke mensen en ze laat ze volledig uitpraten over hun kleine drama’s. Dit haalt het tempo geregeld finaal uit de verhalen en verdoezelt de hoofdplot niet zo’n klein beetje. Ze gaat hier heel ver in, zodat men in haar boeken geregeld erg saaie en meanderende hoofdstukken kan aantreffen. Soms ook neemt een subplot het helemaal over. Zo bederft de onfortuinlijke dood zonder enige plot-reden van Guarnaccia’s assistent Gigi de ontrafeling van het mysterie van de dood van de Nederlander. Ik laat het wat Nabb betreft bij die paar deeltjes waar ik me doorheen geworsteld heb. De goede stukken wegen niet op tegen de taaie. Het leven is te kort.