zaterdag 8 oktober 2016

In memoriam: Jan-Kees van Langeveld (1950-2016)

Dat moet toch verdorie geen gewoonte worden: vorig jaar konden we via een whatsapp-groep op ons Griekse eiland Lesbos de ongelijke strijd volgen van een lieve vriendin die getroffen was door een aneurysma, dit jaar bereikte mij op een ander Grieks eiland, Ithaka, het bericht dat nog onverwacht snel Jan-Kees was overleden. Hij had al meer dan een jaar Micosis fungoides, een zeldzame vorm van huidkanker. Hij wantrouwde de dokter en pas op het allerlaatst had hij zich laten opnemen, veel te laat natuurlijk. Hij werd 66.

Ik leerde Jan-Kees in het begin van de tachtiger jaren kennen als collega bij een boekenveilingbedrijf en gedurende bijna vijftien jaar was ik heel dik met deze zeer eigengereide in Haarlem geboren Fries. Al gauw werd ik toegelaten tot zijn benedenwoninkje in de Hudsonstraat, een ware tijdcapsule, al was het nog niet eens zo makkelijk om vast te stellen wèlke tijd hier nu eigenlijk vastgelegd was. Was het de hippietijd van Height Ashbury 1967-1970, met gordijntjes, Boeddhabeeldjes en de gecompliceerde menggeur van wierook, patchouli en hasj? Of toch meer het Parijse fin-de-siècle van de decadentie, de Jugendstil, en dezelfde gecompliceerde menggeur van wierook, patchouli en hasj? Platenkasten vol muziek van Mountain, Hawkwind en de Grateful Dead stonden naast antieke eikenhouten boekenkasten met gekleurde glazen ruitjes, die vele eerste drukjes van Louis Couperus, Lodewijk van Deyssel en Ary Prins herbergden.

Maar net zo gemakkelijk knipte deze totaal autonome eclecticus doodgemoedereerd alle afleveringen uit van Dik Bruynesteyns Paroolstrip Appie Happie. Ooit miste hij één aflevering: de wereld was meteen te klein: ‘Dit is volstrekt onaanvaardbaar, Robje!' Ik was anderhalve kop groter dan hij. 'Hier gaan we onmíddellijk werk van maken!’. De zaak van het ontbrekende strookje was automatisch een principekwestie geworden en hij schreef een brandbrief naar de Paroolredactie. Het geval kwam Bruynesteyn zelf ter ore en in plaats van een kopietje van de gepubliceerde strip, stuurde hij een nieuwe, speciaal voor Jan-Kees getekende versie, die hij dolblij en apetrots toevoegde aan het plakboek. Zo breed en op ronduit schaamteloze manier uitsluitend aan zichzelf refererend was zijn smaak.

Jan-Kees was een van de interessantste mensen die ik gekend heb. Gecompliceerd ook. Zijn pretoogjes konden van het ene op het andere moment extreem argwanend worden, de vrolijke grijns op zijn kaken kon zomaar iets verbetens, iets teruggetrokkens en defensiefs krijgen. Hij had een venijnig soort humor (‘Mam, wat tracht je klaar te maken?’ 15 jaar oud) en een onweerstaanbare, terloopse bluf (‘Die blonde van Abba, je weet wel, die heb ik nog ‘s in m’n tent gehad, tijdens een midzomerfeest aan de Noordkaap, 1968.’).
Hoewel hij zes jaar ouder was dan ik waren we even oud en begrepen we elkaar bij tijd en wijle blindelings. Zonder hem zou de verhuizing naar Amsterdam-Oost, die mijn leven totaal veranderen zou, nooit gelukt zijn. Halfnaakt hing hij drie meter boven de diepte, hoog in een tegen de leuning van een trapgat vastgeklemde ladder met een klopboor te werken. Voor de verhuizing huurde hij een vrachtwagen die hij uit eigen portemonnee betaalde. Het kostte me soms maanden om hem zulk soort bedragen terug te mogen betalen (‘Nu niet, Robje. Ik heb een beetje haast. Laten we er volgende week effe naar kijken.’)

Samen reden we in de bedrijfsauto naar overal in Nederland om de bibliotheken van overleden verzamelaars op te halen en in de weekenden reden we in zijn metallic siena gespoten Toyota Celica Hatchback naar weer andere plaatsen in Nederland om onze eigen voorraden te verkopen op amateur-boekenmarktjes. Hij was een ongelofelijk handige prater en wist altijd de beste plekjes te krijgen, of voorspraak en heilige beloftes aan organisatoren te ontfutselen. Iedereen mocht hem ook. Een antiquaar uit het hoge noorden, een mede Diepfries, bracht een keer speciaal voor hem paling mee, die Jan-Kees vervolgens met een vies gezicht onder zijn collega's verdeelde. "Dat vullis vreet ik niet," mopperde de strenge vegetariër dan blijmoedig, ‘onvergeeflijk dat hij dat niet weet.’

Hij was een vegetariër, naaktloper, hasjroker, estheet, psychedelische rocker, filosoof, womanizer, voetbalkenner, cabaretier. Hij nam het begrip vriendschap bloedserieus en was tot in het absurde hulpvaardig. Al die jaren heeft hij mij van alles gegeven, boeken, prenten, LP’s, maar het is mij niet gelukt om hem ook maar één ding terug te geven. “Hou dat maar liever, Robje, jij hebt er meer aan dan ik”. Telefoneren met Jan-Kees was een zware opgave. Om te beginnen liet hij de telefoon rustig twintig, vijfentwintig keer overgaan, alvorens op te nemen. Had je hem dan aan de lijn, wist hij je anderhalf uur bezig te houden met een onstuitbare waterval van opinies, observaties, schijnbewegingen, grappen en dwaalwegen. Aan het eind van het gesprek was alles behandeld, behalve datgene waarover ik hem in eerste instantie gebeld had!

Langzaam maar zeker hield het op. Ik merkte het en het speet me, maar moest me er bij neerleggen. Wat kon ik anders dan mijn schouders ophalen? Mijn eigen leven met vrouw en baby ging immers ook door en als hij echt niet meer wilde, dan wilde hij niet. Ik was niet de enige, hoorde ik later, Jan-Kees weerde steeds meer mensen. Hij wilde niet dat iemand zich aan hem zouden hechten, hij zou toch gauw dood gaan (“Op m’n vijftigste maak ik er een eind aan, Robje. Wie wil er nu oud zijn?”)
Ik heb nadien nog geregeld geprobeerd hem terug te vinden via het internet, maar hij was voor mij in ieder geval totaal onvindbaar geworden. Dat klopt wel, schreef zijn zus Egbertien: ook het internet wantrouwde hij en hij verkoos zonder computer te leven.

Kan iemand Jan-Kees kennen? Bij al zijn schijnbaar vrolijke openhartigheid had hij zoveel verdedigingslinies, dat ik me nu achteraf realiseer dat ik eigenlijk bijna niets van hem afweet. Zijn inhalertjes bijvoorbeeld, zonder welke hij geen stap deed, was dat om iets heel anders te maskeren? Ik heb nooit geweten of hij het bij de hasj hield. Ik heb het hem nooit gevraagd en hij heeft het er nooit over gehad. En was zijn dochtertje nu wel of niet van hem? Mooie, dramatische verhalen vertelde hij er omheen, maar een duidelijk antwoord: nooit. En dan was ik nota bene ruim tien jaar zijn “beste vriend”.

Hoewel ik hem alweer zo lang jaar geleden voor het laatst gezien en gesproken heb, zal ik hem nu pas echt gaan missen.


(met dank aan Egbertien van Langeveld, van wie ook de foto’s afkomstig zijn)

(PS. Egbertien corrigeert me op een paar punten. Het geheugen is constant bezig zelf de witte stukjes op de landkaart in te vullen en soms kiest dat geheugen voor het gemak maar voor een cliché, misschien omdat het in dit geval zo'n voor de hand liggend, lekker kloppend hippie-cliché is: patchouli had Jan-Kees beslist nooit. Bleven over: hasj en wierook. En zeepjes. Hij had altijd allerlei lekkere zeepjes die hij overal in huis bewaarde. Wat ik "inhaler" noemde, was gewoon Vicks Spray. Volgens Egbertien zeker niet om duisterder zaken te maskeren of op te vangen, maar gewoon omdat hij het door een kromgegroeid neustussenschot vaak een beetje benauwd had.. RKE)


1 opmerking:

  1. Ja, zo was Jan Kees, je kwam niet verder dan hij toe liet. Zou iedereen moeten doen. De Oppers Drachten.
    auke.

    BeantwoordenVerwijderen