maandag 30 maart 2015

Geloofscrisis



Ik lijd zo’n pijn, het is weer eens gebeurd:
een harde, dikke drol zaterdagmorgen,
ontviel mij slechts met hangen en met worgen,
en heeft toen iets rectaals en teers gescheurd.

Dat heeft mijn levensstemming zwart gekleurd.
Het heeft me zwaar belast met diepe zorgen.
Normaliter houd ik dit graag verborgen,
er wordt ten slotte al genoeg gezeurd.

Maar nu vind ik genoeg genoeg! Bij dezen
wil ik me richten tot het Opperwezen:
Als u zo goedertieren bent, Meneer,

wat moet ik dan voor diepe boodschap lezen
in wat toch triviaal zou moeten wezen?
Waar past dit pijnlijk kakken in Uw leer?

zondag 22 maart 2015

Conservatieve ruimte op links

Gedurende mijn sociale en politieke vormingsjaren, had je duidelijke vleugels. Links was nog echt links en rechts was rechts. Links van het midden woonde D’66.  De PVDA van Joop den Uyl was linkser dan tegenwoordig de SP, en daar weer ter linkerzijde van had je ook nog eens de PSP en de CPN. Op rechts zetelden de Christelijke partijen (ARP was iets linkser dan de KVP, de CHU iets rechtser) en daar ter rechter zijde van bevond zich de VVD. Nog weer verder rechts kon je de malloten van de Boerenpartij, SGP of Binding Rechts aantreffen.

Links was progressief, rechts conservatief. En dat was de reden waarom ik in een vreselijke spagaat zat. Ik was sociaal/cultureel gezien namelijk beslist conservatief , maar politiek toch wel een beetje linksig (al moest ik weinig hebben van mijn mede Zware van Nelle-rokende, mede-langharige en bebaarde leeftijdgenoten). Wat nu? Ik was geen Christen en bij die zelfingenomen cacque-figuren van de VVD zou ik nog niet dood aangetroffen willen worden. Het kwam erop neer dat ik dan dus maar D’66 stemde, maar nooit hartstochtelijk.

Waarin uitte zich dat conservatisme dan? Ik geloofde in de leidende waarde van de traditie. Ik geloofde niet in rigoureuze veranderingen: ik was ervan overtuigd dat waswater telkens weer grondig moest worden gecontroleerd op kinderen. Ik hield van de grootheid van de geschiedenis, de ernst van instituten. Een bibliotheek behoorde een marmeren trap te hebben, met links en rechts een gebeeldhouwde leeuw. Ik geloofde dat industriële actie zich strikt tot het gewraakte bedrijf moest richten, en dat ik als publiek er niet mee lastig gevallen moest worden. Ik was ervan overtuigd dat het, cultureel gezien, vroeger beter was dan nu.

Het grappige is dat ik in mijn conservatisme helemaal niets veranderd ben. Ik geloof nog steeds dat het vroeger allemaal beter was, dat de politisering en democratisering van de cultuur funeste gevolgen heeft, dat de waardigheid - nee: de Waardigheid van de cultuur in het geding is. Ik ben zo conservatief als de pest.

Pjotr Kropotkin
Maar politiek ben ik finaal doorgeschoten naar een positie die in de zeventiger jaren ergens ter linkerzijde van de CPN gezocht moest worden. Mijn politieke landschap bestaat uit een idyllisch soort pre-marxistisch communisme dat geen enkele praktische waarde heeft, maar als moreel referentiepunt voor mij zijn diensten meer dan bewezen heeft. De basispremissen zijn simpel en echoën elkaar. Zorg dat anderen zo weinig mogelijk last van jou hebben, zorg dat jij zo weinig mogelijk last van anderen hebt. Dat tweede ervaar ik als aanzienlijk lastiger dan het eerste, al zullen mensen om mij heen het daar waarschijnlijk weer niet mee eens zijn! Wie heeft tegenwoordig nog tijd voor de ethische onthaasting van Louis Blanc of Pjotr Kropotkin? U ziet het: in wezen een aartsconservatief standpunt.

En als je er even over doordenkt, klopt het ook wel: progressie, “vooruitgang” is tegenwoordig toch vooral synoniem met “economische vooruitgang”, een bij uitstek rechtse specialiteit. En wat ik tegenwoordig stem, nu er nog steeds geen partij is voor mij? Zo conservatief en links mogelijk. Wie het weet mag het zeggen.

woensdag 18 maart 2015

Schaakmat (Paul Berkhoudt 1956-2015)

Een woeste, ongekamde bos vroeggrijs haar, een ruim bemeten kin, altijd en eeuwig vroeggrijs gestoppeld, een grote, licht getinte metalen bril en een paar ver naar voren uitstekende boventanden. Hij woonde in ruitjescolberts, de clubkampioen van onze schaakvereniging: Paul.

Hij had altijd iets smalends in zijn stem, ook als het over hemzelf ging. ‘Ja, jongens, en toen zag ik daar dat pionnetje staan, en ik vroeg me af wat er zou gebeuren als ik dat zou slaan.’ Dan keek hij op van het analysebord en vervolgde schaterlachend: ‘Nou, ik ben er achter gekomen! Dat was een hele drol om door te slikken. Als een kind ben ik van het bord gezet. Het was nog dramatischer dan een partij van Robbert Eksteen!’ Ik heette Robert, maar Paul sprak het consequent uit met twee b’s en ik keurde dat goed. Zo heet ik nu al decennia officieel: “Robbert, maar met één b”.

Ik had wel geschaakt vroeger, maar was midden tachtiger jaren met heel andere dingen bezig. Totdat de KRO een schaakmatch organiseerde tussen Jan Timman en Gary Kasparov. Dagelijks toog ik naar het schaak- en bridgecafé op de Kostverlorenkade en analyseerde daar die wonderbaarlijke toverschaakpartijen tot diep in de nacht met het andere halfbezopen kroegmeubilair. Nieuw schaken was dit, het schaken van de toekomst, een soort schaken dat mij terugwon. Ik wilde er weer deel van uitmaken.

Toen ik me als lidmaat in liet schrijven bij de lokale schaakclub DCG, was Paul er voorzitter. Dat was hij al jaren en dat zou hij waarschijnlijk ook nog jaren blijven. Zo’n club. Hij was Mr. DCG. Het eerste bord van het eerste tiental had bij wijze van spreken een plaquette met zijn naam erop in de rugleuning vastgeschroefd. Tijdens alcoholische post mortem analyses, of politieke, sociale en culturele discussies voerde hij, meestal omringd door vier of vijf lege bierflesjes en een tot de rand gevulde asbak, het hoogste woord (‘Wat, hou jij van Yes? Bah! Wat een castratenrock! Nee, geef mij maar David Bowie!’ En ik dan vervolgens natuurlijk: ‘Bowie? Die hoerige windhaan? Mag ik even een teiltje?’ Enzovoort. Heerlijke tijden.)

Paul was een beetje gemakzuchtig (of leed hij aan faalangst?). Zolang hij duidelijk de sterkste in de groep was, voelde hij zich op zijn best en had hij praats voor tien, maar hij werd nerveus als de tegenstand sterker werd. Nooit had hij de stap genomen van het regionale naar het landelijke schaakwereldje, hoewel hij daar zeker de capaciteiten voor had. Hij vond het wel prima zo bij DCG, de voortzetting van zijn huiskamer.

Enige jaren later sloeg op de vereniging de rampspoed toe. De combinatie van een overambitieuze geldschieter, een paar rebelse, woedend broedende leden, een nooit serieus genomen verenigingsstatuut en de onverenigbaarheid van karakters maakte dat de vereniging op spectaculaire wijze explodeerde. De kampen: aan de ene kant Paul en zijn opvolger als voorzitter Otto. Aan de andere kant de querulant George, en ikzelf, inmiddels Otto weer opgevolgd als neutrale voorzitter, maar in feite de stroman van de geldschieter, de jurist Peter, die gedurende de conflicten zelf grotendeels buiten schot bleef. Het liep hoog op. Beledigende brieven kruisten elkaar en iedereen raakte met iedereen gebrouilleerd (na een weifelende start (zie hier), waren dit meteen mijn tweede, derde en vierde brouillage! Dat tikt lekker aan.)

In een dergelijk conflict heeft niemand gelijk. Mijn eigen rol was geenszins heroïsch. Ik was zonder twijfel de zwakste voorzitter die de club ooit gehad heeft.

Het einde was spectaculair. DCG was, geholpen door ingehuurde grootmeesters, vanuit de zwartste dieptes van de regionale onderbond doorgepromoveerd naar de hoogste klasse van het Nederlandse schaak en zou een redelijke gooi kunnen doen naar het landskampioenschap. Zover is het echter geheel niet gekomen. De pan kookte zo hevig over, dat de brokstukken over de hele wereld verspreid raakten. Paul was al weg, Otto ook, geloof ik. Geldschieter Peter ging naar een andere club, het professionele tiental werd teruggetrokken uit de competitie, de grootmeesters verdwenen (eentje zelfs helemaal naar Australië!), de voorzitter, uw dienaar dus, nam vroegtijdig ontslag en verhuisde naar buiten de stad en de eens florerende club met honderd leden werd gereduceerd tot een minderheidspartner in de eerste van een hele serie paniekfusies.

Het feit dat deze kwestie mij mijn vriendschap met George kostte, heeft me nadien zeer veel verdriet gegeven. Met Paul heb ik het sedertdien wel weer goedgemaakt. Ik zag hem een aantal jaren later eens aan een tafeltje zitten bij het Ohra-toernooi. Ik zette een pilsje voor hem neer en zei: ‘Zullen we ophouden met die onzin?’ Hij was meteen voor. Heel veel later kwam ik Otto toevallig tegen op Facebook en ook met hem heb ik de strijdbijl begraven. Maar niet dus met George. Dat kon en kan ik niet opbrengen.

Vanochtend stond er een advertentie in de Volkskrant. Een dag voor zijn 59e verjaardag is Paul overleden. Het was een oorlog geweest “die niet te winnen was”, aldus de advertentie.

woensdag 11 maart 2015

Dagboeken van Jules Renard

Jules Renard was actief in de periode 1890-1910, het fin-de-siècle van de negentiende eeuw, en de vreemde jaren voor de eerste wereldoorlog, waarin het oude voor het laatst opbloeide, om vervolgens, na 1914, voorgoed voorbij te zijn. Een fascinerende tijd van koetsen en auto’s, van weelderig symbolisme en opkomend kubisme, van ouderwets en modern. Midden in die tijd zat Jules Renard.

Een rare vent en een rare schrijver, zo omschrijft Sartre hem. Zeker, dat klopt. Deels geworteld in de 19e eeuwse Decadence van Parijs, met kennissen als Barrès, Mallarmé, Verlaine en de Montesquiou, deels een nuchtere boer van het platteland, met lokale politieke ambities, is hij een vreemde, dubbelzinnige man geweest. Een verfijnde lomperik, een botte lyricus.

Naast een paar toneelstukken, en wat korte romans en verhalen, is hij, net als bij voorbeeld de gebroeders de Goncourt, en bij ons Hans Warren, vooral toch bekend geworden door zijn dagboeken, die in een Nederlandse vertaling van Frans de Haan en Marianne Kaas,verschenen zijn in de reeks Privédomein van de Arbeiderspers. Dagboeken waarin hij aforismen, observaties, roddels en gemopper bundelde. Minuscule gevoelens en levensbepalende gebeurtenissen worden met evenveel nadruk beschreven, zodat de lezing ervan een bijna surrealistische dwaaltocht wordt door het labyrint dat zijn (net zo goed als mijn en uw) hoofd geweest moet zijn. Hij kon goed bot zijn. Sentimenteel gevoelig, of gewoon gestoord. De dood van zijn vader, later van zijn broer en zijn moeder: het greep hem aan, maar het is alsof hij zichzelf dergelijke sentimenten niet toe wilde staan. Een soort gespeelde onverschilligheid doortrok zijn dagboek, met soms ineens de verbaasde vaststelling dat hij weer een hele dag aan zijn vader gedacht had.

Hij was altijd op zoek naar vergelijkingen, literaire epitheta, en zijn aforistische notities werden dan ook wel gekscherend de documentatie genoemd bij het hoofdwerk van Marcel Proust, À la recherche du temps perdu. Hij was iemand die voortdurend koketteerde met zijn wat bonkige zielenleven, dan ineens weer uit zijn slof schoot met bijna kleuterachtige omschrijving voor bijvoorbeeld dieren: "De zeugen dragen onder hun buik een vest met dubbele knoopjes", of "parkietjes als zingende dasspelden". Het is of ik een kind van zeven hoor babbelen.
Hij observeerde zijn collega schrijvers, maar kon zelden besluiten of hij ze nu bewonderde, of diep verachtte. Als hij bewonderde, was dat zonder voorbehoud, diep uit zijn hart. Dan was hij zich ook terdege bewust van zijn bijna kritiekloze, idolate houding, waar hij zich niet voor schaamde. Als hij iemand afwees, kon hij buitengewoon vals zijn.

Hij had een vreemde manier van schrijven. Hij schreef vele zinnetjes zonder werkwoord, als ware het decoratief materiaal voor een nog te schrijven roman. Zo zag hij zijn dagboek zelf ook, bij tijd en wijle."Stukken ijzerdraad gekleed in schapenwol", of "Het fijne latwerk van de regen". Je vraagt je bij lezing vaak af waar hij heen wilde, wat zijn reden eigenlijk was om te schrijven. Op bepaalde momenten raakt hij een surrealistische snaar die me in een diepe schaterlach doet uitbarsten: "Een vlinder heeft in Clamecy de trein genomen en is met me meegereisd". Sommige van zijn aforismen zijn echt raak en geestig, zoals bijvoorbeeld: "Een humorist is iemand met een goed slecht humeur". Je zou een aardig aforismenboekje in duodecimo kunnen samenstellen. Een kalenderschrijver zou er zijn voordeel mee kunnen doen.

Een aardige man? Vast niet: een onzekere, ijdele zeur, een dubbelzinnige figuur, een boer tussen de dichters, een dichter tussen boeren. Maar wel iemand die zijn ogen gebruikte en zijn pen liet zeggen wat hij zag, vaak op een ontwapenende wijze, vaak op zo’n manier dat iets doodgewoons toch weer een nieuwe invalshoek kreeg, zodat een koe, een telegraafpaal, een sok net weer een kleur erbij kreeg. Fascinerende lectuur, ideaal voor het nachtkastje.

donderdag 26 februari 2015

Robert Loesberg – Enige defecten (1974)


Een zeer kunstig, gekunsteld boek. Gedateerd ook, al is dat bij mij meestal eerder een aanbeveling dan een pejoratief. Het is echt zo’n boek zoals ze werden geschreven in de zeventiger jaren. Loesbergs werk was enerzijds, in zijn barokke gebruik van de Nederlandse taal, het zoeken naar het ultieme epitheton, verwant aan dat van Gerard Kornelis van het Reve, maar anderzijds ook aan dat van (Arbeiderspers-)stalgenoot Mensje van Keulen, in de zin dat het hyperrealistisch was, vergroot realistisch, zodat bij wijze van spreken het vallen van een druppel snot van het puntje van een neus de hoofdhandeling van een verhaal kon worden.

Maar vooral een heel gekunsteld boek vanwege de opbouw. Zeven lange verhalen, alle met een Loesberg (Robert, Robert A., Bob, Robbie) in de hoofdrol: één van ongeveer 11, één van 18, van 25, 35, 50, 60 en tenslotte één van 75. Alle verhalen spelen in 1968. Wat het dus niet is: het is geen chronologische biografie van een coherent personage. Het is wel een veelzijdige belichting van de vele facetten van een denkbeeldige figuur, die voor het gemak (of voor de verwarring) "Loesberg" genoemd is. Een zeer knap staaltje schrijfkunst, gelardeerd met prachtige zinnen, grootse scheldpartijen, maar ook met wordplay dat me soms ineens rechtop doet zitten in mijn stoel. Kleine, felle tikjes met de vingers tegen mijn wang. Je leest er de schrijfvreugde aan af.
Door het heel precies, "hyperrealistisch" beschrijven van de gedachtegang van zijn Loesbergen, compleet met letterlijke weergave van versprekingen (verdenkingen?), het tonen van hun zwakheid, maar ook door het zijn hoofdpersonen toe te staan in zekere opzichten ineens heel mild te zijn, is Enige defecten tot mijn verrassing tevens een humanistisch boek geworden. Zie de mens, in al zijn zwakheid en al zijn kracht.
Vies, bang, banaal, boos, machteloos, maar nooit echt "slecht".

Al deze Loesbergen zijn ook steeds heel verschillende mensen: de ene is sympathieker dan de ander. Het is bij lezing duidelijk dat vele van deze Loesbergen niet echt zijn. Zoals te verwachten is de Loesberg die onder de meest autobiografische omstandigheden optreedt (verhaal 3, de beschrijving van een vakantie met een vriend (voor wie Rien Vroegindewei model heeft gestaan) die ook werkelijk plaats heeft gevonden in 1968. De auteur was achter in de 20 toen hij het boek schreef), de enige die volstrekt natuurlijk te voorschijn komt, die geloofwaardig is in alle aspecten. De te jonge Loesbergen zijn weliswaar begrijpelijk en herkenbaar, maar fictief niettemin, en de te oude Loesbergen worden allengs minder vloeiend, minder een eenheid. Ook wordt hun monologue intérieur duisterder, minder navoelbaar.
Verval, weerzin en angst zijn de thema’s in de verhalen. Maar zoals ikzelf, nu ik 53 ben, me realiseer, denkt iemand van 50 niet zoals de Loesberg uit het vijfde verhaal denkt: die denkt zoals een jongeman van 30 denkt dat een middelbare man van 50 zal denken. Hij weet het niet echt. De angst en de weerzin van de 50-jarige, ze blijken anders verpakt te zijn, meer beschouwend en minder apocalyptisch dan ook ik, 25 jaar geleden, verwachtte. Zo geeft dit boek me troost: want wat geldt voor 50, zal dan misschien ook gelden voor 75. Mijn angst voor die leeftijd is evenzeer gebaseerd op hoe ik me nú, jong nog, verwacht te gevoelen als ik die tragische leeftijd bereikt zal hebben.

Loesberg publiceerde nog een tweede boek, Een eigen auto, dat in veel opzichten uit dezelfde zak kwam. En uiteindelijk was dit Loesbergs literaire tragiek: de schrijver te zijn met maar één thema, één kunstje, en dat ene kunstje, hoe virtuoos ook uitgevoerd, zou uiteindelijk niet genoeg zijn voor een groot oeuvre. Hij wist het zelf. In tegenstelling tot Reve, of Celine zat er geen grote roman in. Het kleine oeuvre van twee verhalenbundels en wat verspreid werk dat resteert is alles wat er in zat. Hij had, in 1977, zijn potentieel reeds waargemaakt.

Zijn eigen leven verliep trouwens geheel anders dan hij had kunnen verzinnen. In 1976 kwam zijn verloofde om bij het beroemde treinongeluk bij Schiedam. Loesbergs psyche knakte, hij raakte aan de drank, en stierf uiteindelijk in 1990, vereenzaamd en ziek. Het leven kan altijd veel erger worden dan zelfs je meest ironische fantasie kan bedenken. (Oorspronkelijk in de Dwarse Man 1 verschenen, 2009)

zaterdag 13 december 2014

Ideeën of mensen: Elias Canetti's herinneringen

Elias Canetti, Zurich 1919
Ik heb Die Blendung van Elias Canetti in het begin van de tachtiger jaren gelezen. Ik was werkloos en begaf me van balie naar balie. Om de wachttijden draaglijk te maken had ik  dit vreemde boek meegenomen. Het maakte een diepe indruk op me en deed me de wachttijd in de verschaalde lokalen vergeten. Geconcentreerd puzzelde ik me door de compacte Duitse zinnen heen en ik verwonderde me over die eigenaardige schrijfstijl, die me trof als zowel heel gewoon als propvol geladen met zwaarte, intensiteit en betekenissen.

Via mijn vader, die bij het uitgevershuis werkte waar Martin Ros’ belangrijkste bijdrage tot de Nederlandse uitgeverscultuur, namelijk de prachtige (auto)biografische reeks Privédomein werd uitgegeven, was ik al vele jaren in het bezit van Canetti’s autobiografische trilogie, vertaald in het Nederlands: De behouden tong, De fakkel in het oor en Het ogenspel. Pas nu, nadat de ruggen van de drie delen tientallen jaren in de kast hebben staan wachten, ben ik ze gaan lezen.

De vertaling maakte me meteen alweer een beetje verdrietig. Zoals zo vaak wanneer een boek uit het Duits vertaald wordt, worden de typisch Duitse stijlfiguren, zoals de zogenaamde Tante Betje, één op één mee vertaald. Een stijlfiguur die in het Duits grammaticaal is (niettemin erg lelijk, vind ik!), maar dat in het Nederlands werkelijk niet is. Deze en een menigte andere grammaticale zwakheden heeft, na de uitgave van het eerste deel, de uitgever van de reeks er kennelijk toe gebracht om er met de vertaler eens een evaluatieronde aan te verbinden, want in de volgende delen is het aantal stijlfouten aanzienlijk geslonken, ook al blijft het Nederlands in de laatste twee delen helaas nog steeds niet bepaald foutloos. Wat mij brengt op mijn overtuiging dat een vertaler eerst en vooral de taal moet beheersen waarnaar hij of zij vertaalt. Want een Nobelprijswinnende topauteur verdient perfecte taal. Heinz G. Konsalik trouwens ook, natuurlijk. 

De betekenis van Elias Canetti als chroniqueur en filosoof van de tijdgeest van de 20e eeuw valt niet te overschatten. Als wereldbewoner met Sefardisch, Oostenrijks, Italiaans, Bulgaars en Turks bloed, was hij precies daar aanwezig waar de 20e eeuw gebeurde: in het Zürich van de Eerste Wereldoorlog, vervolgens in het Wenen, Berlijn en Straatsburg van het Interbellum. Hij noteerde nauwlettend wie hij tegenkwam. Dat waren bepaald niet de minsten: Karl Kraus, Alma Mahler, Alban Berg, James Joyce, Robert Musil, Emil Ludwig, Hermann Broch, Oskar Kokoschka en Franz Werfel. Zijn memoires zijn een cultuurgeschiedenis van de 20 eeuw geworden. Het was een tijd waarin je met grote ernst voor of tegen was. Wanneer twee schrijver elkaar niet moesten, diende de rest zich voor een van de twee uit te spreken, en daarmee dus tegen de ander. Veel van Canetti’s beschrijvingen gaan dan ook over deze cliques. Ogenschijnlijk behoudt Canetti afstand, maar wie beter leest ziet een jongeman die zelf evenzeer meedoet aan het spel van adoreren en radicaal afwijzen. Zijn persoon wordt op deze wijze in het geheel niet naar de achtergrond gedrongen, hij blijft steeds in het licht staan en ontneemt ons een vrij uitzicht over het culturele landschap. Eerlijk is eerlijk, dat hoeft ook niet: het betreft hier memoires, ten slotte.
Voor mij komt Canetti uit deze drie boeken tevoorschijn als een zeer serieuze, maar tegelijkertijd ook zeer ijdele jongeman: iemand die zich al op zeer jonge leeftijd bewust was van zijn eigen bijzonderheid, zeker vergeleken met de hem omringende tijdgenoten. Nog voordat er één letter van hem gepubliceerd was, bevond hij zich al in het centrum van een klein mediaspektakel, waarin hij in salons ten overstaan van beroemde en gevestigde cultuurdragers zijn toneelstukken naspeelde en hoofdstukken van zijn grote roman voorlas.
Emil Ludwig
Het is mogelijk dat al die vroege aandacht zijn perspectief op de culturele wereld beïnvloed heeft. Hoe dan ook, zijn oordeel over anderen was altijd extreem, binair zou je bijna kunnen zeggen: degenen die hij tegen kwam waren halfgoden of het waren vodden, aan wie niets deugde. In drie, vier alinea’s brandde Canetti mensen af die hij te oppervlakkig vond, te ijdel, te ouderwets, te zeer van zichzelf vervuld. Met een enkele uitzondering veroordeelde hij hen niet naar hun poëtica of denkbeelden, maar naar hun daden en zwakheden, die in zijn ogen blijkbaar een verschijningsvorm waren van hun denkbeelden. Mild was hij nooit. De meedogenloosheid waarmee hij veelschrijver Emil Ludwig neersabelde is een mooi voorbeeld. Hij beschreef in een paar satirische zinnen diens pompeuze gedrag in de Opera, en daarmee was de zaak afgedaan. Waren ze goed, die vuistdikke biografieën die Ludwig aan de lopende band uitgaf, of slecht? Het wordt ons niet verteld, het deed er niet toe: Ludwig’s productie was te hoog, zijn boeken waren veel te populair en de man gedroeg zich als een pias. Punt. Basta!
Nooit liet de zelfbewuste jongeman evenwel na de positieve meningen van anderen over hem op te schrijven. Sommige aanwezigen bij zijn voorleesavonden wezen bij eerste gehoor zijn werk af, om vervolgens naderhand toch overstag te gaan, zoals Canetti fijntjes tussen neus en lippen door wist te vertellen. Als vanzelfsprekend nam hij de complimenten in ontvangst, meestal verborgen in een zinnetje dat bij eerste lezing een grote bescheidenheid suggereerde, maar dat bij nadere lezing juist heel aanmatigend bleek te zijn. Alsof de bewonderaars hem die bewondering met grote vanzelfsprekendheid schuldig waren.

Zoals ook zijn ongebreidelde en met heel veel woorden vormgegeven bewondering voor bepaalde groten der aarde aanmatigend aandeed: hij, Canetti, was te goed om bewondering te hebben voor zomaar iemand, neen, slechts de 1% was zijn adoratie waard.
Georg, Elias, moeder Mathilde en Nissim
Uit dit alles komt een onuitstaanbare ijdeltuit tevoorschijn, een kwezel ook. Onbarmhartig waar het zwakheden van anderen betreft, blind voor die van hemzelf. Mensen komen in zijn boeken voor en doen hun kunstje, lijkt het wel, om Elias Canetti er een dimensie bij te geven, hetzij door contrast, hetzij door accentuering. Vervolgens worden ze afgevoerd om nooit meer ter sprake te komen. Anderhalf boek lang heeft Canetti zijn zeer dominante moeder niet nodig gehad om zijn verhaal te doen. Is ze dood? Is ze definitief opgesloten in een zenuwinrichting?
Dan, halverwege deel 3 was ze er ineens weer, kort.  Een pijnlijk verslag van hun wederzijdse totale hulpeloosheid met menselijke verhoudingen volgde, afgesloten met een laconieke mededeling dat ze haar zoon nadien nooit meer wenste te zien. Toch is zij het frame waarop Canetti’s leven is gespannen: haar dood vormt het schijnbaar terloopse einde van het derde en laatste deel. Een wezenlijke analyse van hun kennelijk zeer grote en ingrijpende wederzijdse invloed komt echter niet van de grond.
Veza
Of de zwaar gehandicapte filosoof Thomas Marek in zijn rolstoel. Niemand zag iets in hem, iedereen was een beetje bang voor hem. Maar niet Elias Canetti. Hij raakte bevriend met hem, ze praatten met dedain over anderen, en een tiental bladzijden later, hup! Weg was hij weer. Hoe het verder met de jongen vergaan is? Jonggestorven? Groot filosoof geworden? We zullen het nooit weten. Ergens midden in deel drie merkte Canetti terloops op dat zijn vriendin Veza en hij anderhalf jaar tevoren getrouwd waren.

 Neen, een mensenmens was Canetti beslist niet. Een ideeënmens des te meer, maar dan wel weer een die de hem onwelgevalligen juist op hun menselijke zwakheden afserveerde. En dat wringt, dat voelt helemaal niet goed. Want dat heeft zo’n groot schrijver helemaal niet nodig.

woensdag 10 december 2014

ZTL




Ik zag het meteen. Geen halve seconde van twijfel, geen vaag zoeken naar wat het nu precies was… Wham! Autovrij! Kun je nagaan hoe lang ik niet in Florence geweest was, dat ik niet eens wist dat ze het centrum ervan autovrij gemaakt hadden!
Mijn eerste reactie was: ‘Geweldig! Eindelijk! Hoera!’ Als u niet van uitroeptekens houdt, lees gerust verder: dit waren ze zo’n beetje.

In mijn herinnering was het centrum van Florence een levensgevaarlijke plek, waar auto- taxi- en busverkeer in een verbitterde veroveringsstrijd gewikkeld waren om hun deel en liefst meer dan hun deel van het beperkte straatoppervlak van de middeleeuwse stad voor zich op te eisen. Voetgangers waren daarbij geen partij en dienden zich niet met de twisten der kolossen te bemoeien. Eén keer, zo herinner ik me, liep ik over het trottoir dichter bij de winkelpuien dan bij de weg, toen er een hitsig Italiaans autootje recht op me af vloog. Hoppa met de linker voorband omhoog, bijsturen, dan de rechter en enigszins zwevend volgde het kontje alras. Door de scheefheid van de manoeuvre was het Fiatje, een flink deel van zijn snelheid achtergelaten in de trottoir-rand, wel van zijn koers afgeraakt en met enige tegenzin boorde het voertuig zich ten slotte in een lantarenpaal naast me, maar mijn hart is die dag niet meer helemaal rustig geworden. Dat was vijfentwintig jaar geleden. Tijden veranderen.
Hoera, dus. Eindelijk autovrij. Ik wilde meteen de pleinen en straten in bezit nemen, de stad voor me opeisen.

Maar al snel viel me op dat door de verandering het karakter van de stad, en niet eens zo subtiel, aan het veranderen was. Waar vroeger pretentieloze ontbijtbarretjes voor de werkende bevolking gevestigd waren, konden de modieus geklede Japanse yuppies nu hun vruchtendrankjes en bagels nuttigen. Morsige antiquariaatjes hadden plaats gemaakt voor leerwinkels, duurder en chiquer dan die in de P.C. Hooftstraat. Geen autobus te bekennen, maar toch, maar toch. Ik voelde me niet veilig.
Het begon te regenen, eerst zachtjes, allengs wat harder. De kinderhoofdjes glinsterden en uit alle hoeken en gaten schoten Roma vrouwen tevoorschijn die prullige parapluutjes te koop aanboden voor 3 euro per stuk. De stad baadde in een goudgeel kunstlicht van vele strategisch geplaatste schijnwerpers. Er was geen enkele kruidenier te bekennen. Wel heel veel winkeltjes met waanzinnig decadente ijs-traktaties of peperdure  prodotti regionali. Pas dagen later vonden we een supermarkt, waar diezelfde producten zeker de helft goedkoper waren.

(Foto: Fred Rosenkamp)
Die avond praatten we erover met onze gastheer, Gianfranco, geboren en getogen Florentijn – hij woont in het huis dat zijn grootvader ooit kocht in het begin van de 20e eeuw.
Ik zei: ‘Ik kan me voorstellen dat er over het autovrij maken van de binnenstad heftige debatten geweest zijn. Dat er fanatieke voor- en tegenstanders waren, allemaal met de hakken in het zand.’
Gianni sloot zijn ogen en knikte scheef. ‘Davvero,’ fluisterde hij. ‘Inderdaad’.
‘En jij?’ Melancholiek schudde hij zijn hoofd.
‘Ik was en ben een hartstochtelijke tegenstander van de Zona Traffico Limitato ofte wel de Zeta-Ti-Elle,’ bekende hij. Hij pakte de kaart erbij. ‘Wij zitten hier,’ zijn gedrongen wijsvinger priemde op een plekje aan de zuidoever van de Arno, een paar centimeter ten oosten van de Ponte Vecchio. ‘Ik werk hier.’ Hij wees naar een verre buitenwijk van Florence. ‘Scandicci. Vroeger reed ik gewoon naar het westen, langs de Arno en ik was er binnen een half uur. Nu moet ik eerst een heel stuk naar het oosten, naar de Via Marco Polo en vandaar over de zuidelijke ringweg. Ik ben twee keer zo lang onderweg! Een groot buitenlands bedrijf heeft de opdracht gekregen een sneltramlijn aan te leggen. Dat loopt al vele jaren. Alleen maar bouwputten.’ Hij nipte van zijn grappa en haalde zijn schouders op. ‘Al tien jaar lang alleen maar bouwputten. Ach, Italia, eh?’
Ik vertelde hem hoe ik vroeger altijd heel precies het verschil kon appreciëren tussen “levende” en “dode” tweelingsteden: Gent was levend, er werd gewerkt en gewoond. Er stortten gebouwen in die werden vervangen door nieuwe. De stad was een organisme, en herstelde zichzelf, zoals een gezond organisme dat doet. Brugge daarentegen was dood (Bruges la morte van Georges Rodenbach, verschenen in 1892, wees daar al op). Een verstilde, verstorven museumstad.
Een dergelijke relatie was er voor mij ook tussen Firenze, de levende, en Siena, de dode stad. Maar nu wist ik dat zo net niet meer. Het centrum van Florence leek me net zo dood, nep, museaal geworden te zijn als dat van Siena. Gianni knikte een beetje droef en instemmend.

En nu is het dus officieel. Na slechts een paar uur was ik om: weg met de ZTL! Leve de levende stad!