woensdag 24 februari 2016

New-age geldwolf

Goud in gindse new-age heuvels
Goud in gindse new-age heuvels

Zij is een new-age geldwolf.
Ze was ooit een hippie lone wolf.
Toen had ze haar overal,
Maar nu is ze totaal,
zelfs van onder, helemaal kaal.

Hij is verzorgd van wieg tot graf.
De mensen vinden hem wel maf.
Hij gokt zijn hele leven weg
en luistert niet naar wat men zegt.

Ze gaan naar Peru,
beklimmen Machu Picchu.
Zijn naar Stonehenge gegaan,
Ontmoeten daar hun sjamaan

Ze gaan naar Egypte,
mediteren in de crypte.
Zij waant zich Isis
midden in een crisis.

Haar leven is drama,
het ene na het andere.
Dus gaat ze naar de Dalai Lama
op zoek naar beter karma.

Ze zegt: ‘Zoek diepgang in getallen
Dat is de poort naar het walhalla.’
Met haar ogen wijd open
Gaat ze jou van alles verkopen.

Ik wil dat ook,
wil dat ook, wil dat ook
Ik wil dat ook,
wil dat ook

Hier heb je het, kom maar halen.
Kom maar halen, kom maar halen,
kom maar halen.

Goud in gindse new-age heuvels
Goud in gindse new-age heuvels

Ze is een new-age geldwolf.
Ze was ooit een hippie lone wolf.
Toen had ze haren overal,
zelfs van onderen een baal.

Goud in gindse new-age heuvels
Goud in gindse new-age heuvels (etc.)

(Jennifer & Phil Shiva Jones)



donderdag 18 februari 2016

Leesrapportje 2


4 februari
Julien Green - Journaal (1946-1978)
Het tweede deel van de dagboeken zoals die verschenen zijn in de reeks Privédomein. De jongen is er nog steeds, ook als hij zestig is. Nog steeds de wat naïeve directheid van een onzekere puber. Maar daarbij is Green zich langzamerhand aan het ontwikkelen tot een ware kwezel. Zijn persoonlijke leven is katholiek, zijn worsteling met zijn homoseksualiteit is katholiek. Je krijgt het beeld van iemand bij wie de onthouding op geen enkele wijze natuurlijk komt. Hij volgt geen dieet maar hij vast. En dat blijft altijd pijn doen, het is een onthouding die geen geluk brengt, maar vooral twijfel en weerzin. Het is een negatieve toestand, niettegenstaande de vele mooie, vrome woorden die de zoekende ervoor gebruikt.
Ik vind Green het sympathiekst in zijn dromen, die vaak heel frappant zijn. Hij droomde dat hij onthoofd werd en daarna gewoon met de tram naar huis ging...
Vreemd hoe de jongeman van zesentwintig en de oude man van vierenzeventig eigenlijk onveranderd dezelfde gebleven zijn. Het tempo ligt wat lager, de intensiteit vertoont hier en daar wat speling, maar au fond zit daar nog steeds die jongen van achttien, die zoekend/twijfelend gelijk hoopt te hebben.

10 februari
Hendrik van Teylingen - De schildpad en het schot (1985)
De eerste verhalenbundel van de domineeszoon die later zijn heil zou zoeken in de oosterse mystiek.
In Van Teylingens necrologie in Trouw van 28 december 1998 schrijft Tom van Deel: Het opmerkelijke aan Van Teylingens literatuur is dat ze niet bezwijkt onder het getuigende karakter ervan, in tegendeel, en dat is precies mijn eerste gedachte geweest bij het lezen van dit boekje.
Henk, de hoofdpersoon van deze bundel, besluit op een dag zich aan te sluiten bij een godsdienst die officieel Gaudiya Vaishnavisme heet, maar die wij beter kennen als de kleurrijke Hare Krishna beweging. Het mooie is dat dit een volstrekt vanzelfsprekende gebeurtenis is. Van Teylingen doet geen enkele poging om de lezer uit te leggen waarom, noch om die lezer naar zijn geloof over te halen.
In plaats daarvan schetst hij humoristisch, goed geschreven en hier en daar een beetje venijnig het leven in de commune in het oude Amsterdamse grachtenpand. Hijzelf en zijn geloofsgenoten worden bijvoorbeeld, vanwege hun geprefereerde zithouding (kleermakerszit) enkeleeltverzamelaars genoemd.
Toen dit boek verscheen was Van Teylingen overigens alweer uit de beweging gezet, en was hij met zijn eigen Sri Chaitanya-gemeenschap begonnen. Dat zou de volgehouden ironie kunnen verklaren, die overigens nooit een spoortje van kwaadaardigheid krijgt.


17 februari
Hendrik van Teylingen – Zorgvlied (1986)
Nog een verhalenbundel van Van Teylingen, nu niet over zijn vlucht naar een nieuw geloof, maar zijn ontsnapping aan het oude. Met de melodramatische verontwaardiging van een kind geneert de domineeszoon zich kapot en scheldt zijn vader uit voor godsdienstwaanzinnige. Krasse terminologie, die toch in een ander licht komt te staan als je je realiseert hoezeer Van Teylingen zelf later een ongemeen streng, zij het niet langer Christelijk geloofsleven aan zou nemen. Bovendien komt de vader er eigenlijk helemaal niet zo slecht van af. De paar keer dat hij handelend of beslissend optreedt, is hij eigenlijk wel verstandig en begripvol. Ik zie dan ook ondanks alles een mild, en onder alle grappen zelfs wijs boek.
Ook hier hebben we weer te maken met de heldere, ironische schrijfstijl die we van Van Teylingens eerder werk al kennen. Nu en dan doet hij me qua stijl sterk denken aan Lennaert Nijgh, wiens roman Tobia ook handelt over een naar volwassenheid zoekende jongeman, omringd door dominees en andere krankzinnigen.

woensdag 10 februari 2016

Cocooning in zwart wit en full-color


Ik heb nooit zoveel opgehad met de wintermaanden, vooral niet met februari. Hoewel het dit jaar wel gaat, houd ik altijd een groot onbehagen waar het de F-maand betreft.
Door de tijdelijke omstandigheid dat mijn levensgezellin tegenwoordig voor haar werk in de vluchtelingenopvang avonddiensten draait, heb ik deze winter een voor mij geheel nieuwe manier van cocooning kunnen uitproberen. Gewoonlijk duik ik weg in boeken en tijdschriften, soms met een beige fleece dekentje over me heen tegen de echte of vermeende koude van het bikkelig seizoen, maar de afgelopen maanden ben ik weggezonken in tv-series en misdaadkomedies uit de jaren zestig en zeventig, en dat zeer tot mijn bedaagde plezier.

De moderne mens schijnt niet meer zonder de keiharde, supersnelle, kordate tv-series van HBO te kunnen. Ik begrijp daar niets van, want wat voor mij al die series gemeen hebben is een overdaad aan abstracte, computergegenereerde bewegingen en tumultueus geweld, die mij al na twee minuten tot tranen toe verveelt. Nee, dan zoek ik mijn heil liever in de bedaardheid van The Avengers, Mission Impossible, The Rivals of Sherlock Holmes, Cadfael, The Man from U.N.C.L.E., The Persuaders of I Spy.

Desalniettemin ben ik een moderne vent en ben ik behoorlijk handig op het internet, zodat ik via allerlei bronnen ondertussen de meeste van die series wel op de harde schijf heb staan, klaar om via een USB-stick bekeken te worden. Niet in de cloud, natuurlijk, want dat vind ik weer flauwekul en waan van de dag. Modern conservatief zijn: het luistert nauw, heel nauw!

Als Jenet op een zaterdag of zondag om twee uur ‘s middags naar de Bijlmer vertrokken is, om niet vóór middernacht terug te keren, schuif ik de hangstoel voor het schouwvlak, bereid een schaaltje nootjes, schenk me een tonic of een single malt in en ga lekker zitten binge-kijken.

Robert Culp en Bill Cosby
Waar ik me op voorhand het meest van voorgesteld had, was de enige serie uit mijn jeugd waar ik dispensatie voor had gekregen van mijn ouders. Als Dubbelspion (I Spy. Ik meen op dinsdag, ik meen bij de AVRO) op de tv was, mocht ik een half uurtje langer opblijven. Maar juist deze serie viel me in het begin behoorlijk tegen. Aanvankelijk kon ik de sfeer niet terugvinden die ik me herinnerde van vroeger. De chemie tussen de blanke tennisser en zijn zwarte coach, beiden tevens geroutineerde geheim agenten met schouderholsters en harde knuisten, ontbrak een beetje. Robert Culp als Kelly Robinson had bij tijd en wijle nog wel een zwierige tinteling in zijn stem, maar de op dit moment zo in opspraak geraakte Bill Cosby als Alexander Scott was eigenlijk maar een sombere, al te serieuze, enigszins broedende figuur. Later, toen de serie wat meer haar eigen sfeer wist te vinden, veranderde dat weliswaar een beetje, maar niettemin heb ik mijn passie van vroeger niet terug kunnen vinden.

Tony Curtis en Roger Moore
Heel anders ging dat met het werkelijk schitterend geremasterde De Versierders (The Persuaders) met Tony Curtis als Danny Wilde en Roger Moore als Lord Brett Sinclair. De chemie tussen de twee mannen spat eraf. Het is een feit dat Moore niemand anders dan Curtis wilde hebben als co-star en dat is te zien. Deze mannen hielden van elkaar en trokken de kijker onweerstaanbaar mee in hun melige, oubollige, gedateerde en verrukkelijke wereld van repartee, banter en quips.
Vooral Tony Curtis is op het homoseksuele af, met zijn kneden van nekken, masseren van dijen en bij de arm nemen van mannen en vrouwen, onderwijl opgewekt honderduit babbelend en de gevaren nooit serieus nemend. Een beminnelijk oud wijf was hij, deze vleesgeworden verpersoonlijking van de metro-man.
Toen ik mijn verrukking over deze 24-delige serie via Facebook kenbaar gemaakt had, ontving ik bezorgde reacties: was dit niet veel te oubollig en gedateerd geworden? Zonder twijfel. Als Game of Thrones je ijkpunt is, heb je hier vermoedelijk niet veel te zoeken. En wat dat gedateerde betreft: ik snap wel dat het woord meestal in pejoratieve zin gebruikt wordt, maar naar mijn mening staat alles in een traditie, vormt alles een doorlopend koord doorheen de tijd, en dient alles dus ook altijd gedateerd te zijn. Natuurlijk kijk je naar de kleuren van 1973, dat was de bedoeling ook!

Patrick Macnee en Ian Hendry
De Wrekers (The Avengers) begon helemaal niet zo veelbelovend. De in zwartwit opgenomen reeks begon op 7 januari 1961 en was een rommelige, ietwat smoezelige vertoning. Niet veel afleveringen van die eerste jaargang zijn behouden gebleven, maar genoeg om te zien dat Patrick NcNee zijn rol nog helemaal niet had gevonden. Zijn tegenspeler was ook nog geen vrouw, maar een man, Ian Hendry in de rol van Doctor David Keel. De John Steed van de eerste jaren was een luidruchtige, vaak ietwat sarcastische volksjongen, weliswaar soms met een bolhoed op het hoofd, maar beslist geen heer. Meer verwant aan Michael Caine dan aan Roger Moore, zullen we maar zeggen. Pas enige tijd later, na eindeloze reeksen met de niet bijzonder opwindende Honor Blackman wist hij met Miss Emma Peel (Diana Rigg) de zo broodnodige chemie te vinden. Toen werd de persoon Steed ook eindelijk de iconische, ironische gentleman die met artistiek gemak en een welgemikte klap met zijn paraplu de boeven buiten westen stelde. Toen pas verscheen ook de meer dan levensgrote persoon van Mother en werd de serie vol excentrieke boeven en slachtoffers een legendarische. Helaas ging zij, met nieuwe tegenspelers, daarna nog veel te lang door.


donderdag 28 januari 2016

Mijn dichters 1: Hendrik van Teylingen

Hendrik van Teylingen (1938-1998) besloot in 1975 verder door het leven te gaan als Sri Hayesvar Das, een naam die hij ontving van zijn goeroe A.C. Bhaktivedanta Swami.
De zoon van een gereformeerd predikant uit IJmuiden-Oost trad toe tot de Hare-Krishnabeweging. Hij had toen al wel het een en ander meegemaakt. Na korte tijd in militaire dienst te zijn geweest werd hij alsnog weigeraar, waarna hij bijna anderhalf jaar lang diverse penitentiaire inrichtingen van binnen heeft mogen bestuderen, met name Nieuwersluis en Scheveningen. Deze ervaring leverde later een autobiografische roman op: Depot van discipline. Hoewel getrouwd en met twee kinderen, reisde hij, verliefd op de schrijfster Bea Vianen, naar Paramaribo (zijn dochter Louise is de vrouw van tatoeëerder Henk Schiffmacher).

Krishna, jazz, nuchtere speelsheid, een zekere terloopsheid, dat waren de dingen die in de eerste helft van de zeventiger jaren mijn zo jonge hoofd en hart aanspraken, de reden dat ik, wat voor new-age waanzin hij ook nadien in zijn leven toeliet, onvoorwaardelijk trouw ben gebleven aan wat er in Henk van Teylingens dichtader en kijkhoofd afspeelde.

Hij maakte het zichzelf niet makkelijk (zoon van een gereformeerde predikant: zul je ooit helemaal vrij kunnen zijn?). De veganist Van Teylingen besloot zich op een gegeven moment te laten steriliseren - genoeg is genoeg moet hij gedacht hebben, het was niet bij zijn eerste twee dochters gebleven), en deed dat onverdoofd, zoals dat hoort voor de zuiveren van geest. Het deed helse pijn, bekende hij later.

Hij stierf veel te jong: hij overleed op zestigjarige leeftijd aan een hersentumor.

Voor mij, zoon van een vertegenwoordiger bij Singel 262, het uitgevershuis waar Querido en Van Teylingens uitgever De Arbeiderspers onder vielen, zal de naam van deze dichter altijd de naam blijven van iemand die in mijn hoofd inbrak in de vroege jaren zeventig. Van de dichters die mij op weg geholpen hebben, is hij degene die het absurde realisme in me heeft wakker gemaakt.

Ik was een jongen van zeventien. Ik had poëziebundels in de kast staan! Ik las ze! Ik liet me inspireren. Mijn favoriete bundel was Van aldoor groter hoogte plat op het zeil. Uit dit boekje typ ik twee gedichten over die, hoop ik, laten zien wat me voor hem won.


Exit Testudo graeca

Eind mei werd besloten dat Basjes
Winterslaap lang genoeg geduurd had.
We groeven hem uit, veegden de aarde
Van zijn grijze schil, schudden hem wat,

Maar kregen hem niet wakker. Waarna
We hem van aldoor groter hoogte plat
Op het zeil lieten vallen, telkens
Iets luider, waarna in het vuilnisvat.


Het tweede gedicht gaat over olifantenpaden in de Bijlmer. Verdorie, wie kan dat verder nog: gedichten schrijven over olifantenpaden in de Bijlmer?

Hee!

Om de rechte lijnen te breken
Zijn er kronkelpaden aangelegd
Tussen de blokken! Nu wordt een bocht,
Zoals alle voetgangers weten,

Vlak langs de binnenkant genomen!
De buitenkant blijft onbetreden
En, gezien de wens tot afsnijden,
De binnenkant meestal ook, slome!

maandag 25 januari 2016

Leesrapportje 1

Nieuw jaar, nieuwe kansen. Een van mijn voornemens was om vanaf heden bij te houden wat ik zoal gelezen heb. Liefst met een paar zinnen die mijn indrukken zouden samenvatten. Geen literaire kritiek dus, en al helemaal geen recensies, maar slechts losse aantekeningen. Met een niet helemaal weg te wissen gevoel van hovaardij zet ik ze maar op mijn blog (ten minste, zolang ik dít weer volhoud - ik realiseer me dat ik het blog schromelijk aan het verwaarlozen ben). Wel nu, daar gaat ie!




Veza Canetti
7 januari
Veza Canetti - Geduld baart rozen (1932-1934)

Rare, charmante, diepzinnige Veza, de enige vrouw die de jonge Elias Canetti de moeite van het trouwen waard achtte, heeft zelf ook geschreven. Te weinig, vinden velen, maar wat er gepubliceerd is, toont een duidelijke stad (Wenen) in een duidelijke tijd (de crisis) met een duidelijke politieke invalshoek (communisme). Veza is een bikkelharde schrijfster. Nergens wordt ze sentimenteel, nergens heeft ze zelfs maar een schijn van medelijden met haar personages. Bij tijd en wijle lijkt het zelfs alsof ze zich een beetje vrolijk zit te maken over de laag na laag ellende die ze haar hoofdpersonen bezorgt. Ze stapelt als een muurtjesbouwer. Van een onooglijk incident komt door de onvermijdelijke groei der rampspoed uiteindelijk wanhoop, zelfmoord en dood.


Julien Green
8 januari
Julien Green - Journaal (1926-1945)

Niet dat ik zo snel lees, maar ik lees altijd meerdere boeken tegelijk.
Een jongen, onze Julien, hier en daar op het naïeve af. Met bokkige ernst beschrijft hij wat hem bezighoudt, wie hij bewondert, wat hem kwelt. Al vanaf het begin van de dertiger jaren vreest hij een nieuwe wereldoorlog. Als die uitbreekt, vlucht hij naar zijn geboorteland, het zuiden van de Verenigde Staten. Begonnen als Amerikaanse presbyteriaan eindigt hij als Franse katholiek, ondanks dat hij nooit de Amerikaanse voor de Franse nationaliteit heeft ingeruild.
Zijn voornaamste worsteling betreft het feit dat, wat je verder ook bent, je vooral ook een lichaam bent, welks zwakte met rigoureuze middelen bestreden moet worden. Er wordt gesuggereerd dat jonge Julien wel degelijk vleselijke kennis heeft opgedaan, maar dat wordt als een voorbije fase beschreven. Niet als een jeugdzonde, want hij blijft opvallend neutraal over die ervaringen. Zijn latere radicale afwijzing van al het vleselijke contrasteert daar hevig mee.
Vanaf de eerste alinea is er in al zijn doen en laten een zekere Robert (de Saint-Jean) die zijn levensgezel en klankbord zal blijven. De verhouding blijft een kuise, zo moeten we geloven, want nu hij eenmaal een vroom katholiek is geworden, is voor Green seksualiteit volstrekt uit den boze. Deze worsteling met zijn eigen homoseksuele geaardheid en zijn vermeende zwakte wordt, naarmate het journaal vordert, steeds meer het beklemmende hoofdthema van zijn leven. Als niet-gelovige benijd ik deze gekerkerde man zijn godsdienst niet!


Silvio D'Arzo
22 januari
Silvio D’Arzo - Andermans huis (1949)

Bij een in het Italiaans geschreven boek kan ik niet goed meer controleren hoe goed of slecht de vertaling is. In dit boekje van Silvio D’Arzo (pseudoniem van Ezio Comparoni (1920-1952) is dat van kritisch belang, want het boekje zit vol met stijlfiguurtjes van de vorm ‘Ik ben dol op tennis,’ at zij een dropje. Ik vraag me werkelijk af of dat abjecte stijlmiddel in een Italiaanse tekst van net na de Tweede Wereldoorlog al toegepast kan zijn!
De novelle zelf gleed een beetje langs me heen. Een oude vrouw (drie jaar ouder dan ik nu ben: niet echt oud dus!) vraagt na lang dralen aan een oude dorpspastoor of de kerk onder omstandigheden zelfmoord zou kunnen toestaan. Niet natuurlijk, maar uiteindelijk pleegt ze toch zelfmoord. De schrijver heeft volstrekt duidelijk gemaakt dat haar leven van een inhoudsloze monotonie is, en het feit dat hij haar toestaat zichzelf te doden, zal in die tijd wel heel controversieel geweest zijn. Ik hoor er niet zo van op, en een “literaire sensatie” (waar heb ik die kreet eerder gehoord? Oh ja, overal) was het volgens mij niet.

zondag 20 september 2015

Opnieuw Picnic

Een mens blijft zoeken. Mijn fascinatie voor Lee en Ady bracht me weer eens op het internet, en deze keer ontdekte ik maar liefst drie voor mij nieuwe foto's die genomen zijn tijdens wat hier in huis ondertussen al de "Picnic-shoot" genoemd wordt. Zoals de trouwe lezer misschien weet, heb ik een tijd geleden iets geschreven over de foto "Picnic" van Lee Miller. Later voegde ik een PS aan dat stukje toe, en nu dus weer!

De eerste foto is genomen door Roland Penrose, Lee Miller's toenmalige levensgezel.


Hij toont Nusch Éluard, met één der reeds eerder besproken muilen van Paul als hoofdtooi. Een melig kiekje.

De andere twee foto's zijn van een heel ander kaliber. Ze zijn erotischer en overduidelijk heeft Man Ray getekend voor de vervaardiging. We zien Ady Fidelin en Lee Miller in een soort lesbisch spel. 


Ady kijkt brutaal de camera van Man Ray, haar minnaar in. Paul Éluard verleent op wat onduidelijke wijze assistentie. Onhandig betast Ady de blonde Lee: er is overduidelijk sprake van pose. 
De tafel is bijna leeg. Is deze scene vóór, of juist na de beroemde foto van Lee Miller genomen? Ik denk ervoor, want anders zouden de dames hun bovenstukjes eerst uit, toen weer aan hebben moeten trekken hebben om ze vervolgens weer uit te doen.

De tweede, en sterkste foto toont Ady en Lee op haar intiemst. 


Een duistere, broeierige prent. Ady in een dominante rol, Lee totaal onderworpen aan de muze uit Guadeloupe. Haar linkerborst is helemaal blootgespeeld en zelf tast zij nu ook, al even onhandig, naar de rechterborst van Ady. Er wordt niet meer met de camera geflirt en Paul is weg, zodat er een "pose van natuurlijkheid" (Philip Mechanicus) wordt bereikt. Niettemin heeft de rechterhand van Ady zo te zien geen noemenswaardige handelingen verricht. Pose dus, nog steeds. 

zondag 13 september 2015

Ogenlast

Schaten voor de deur                                    (foto Jenet Fenenga)
Terwijl de zon als een dofrode vuurbol achter een droge, geelgroene heuvel verdwijnt, de vele vleermuizen aan hun grillige vlucht beginnen op zoek naar insecten en een enorme kudde schaten of misschien: geipen (schapen met een geitenkop - ik denk dat er nog wel geestiger namen te bedenken zijn) belrinkelend het dorre land afstruint op zoek naar een vers blaadje of een veelbelovend twijgje van een vijgenboom, nip ik van mijn tsipouro met ijs. Het is waarlijk niet slecht toeven in dit rampgebied. Noodtoestand hier? Nu, dat is wel een beetje overdreven.

Mithymna, in de Ottomaanse tijd ook wel Molyvos geheten, ligt in het uiterste noordwesten van het Griekse eiland Lesbos en is daardoor één van de prominentste toegangsportalen vanuit Turkije voor de vele Syrische vluchtelingen. Turkije ligt maar een paar kilometer ver weg. De noordkust van het eiland rond Mithymna/Eftalou ligt bezaaid met de stoffelijke resten van langzaam leeglopende rubberboten, achtergelaten wollen truien en goedkope reddingsvesten van het merk Yamaha. De vluchtelingenproblematiek drukt niet alleen op de gemoedsrust hier, maar ook nog eens heel zwaar op het milieu.

De noordkust                                               (foto: Jenet Fenenga)
In ons vakantieverblijf, in het uiterste noorden van het stadje, hebben we een zeer strategische positie. Net voorbij ons huisje is een parkeerplaats, meteen daarachter vind je al de steile kliffen van de noordkust. Zo zijn wij de eerste mensen die de groepen aan land gekomen, kletsnatte Syriërs in Europa treffen. ‘Hello, thank you!’ is steevast hun eerste begroeting, gevolgd door: ‘Police which way?’ Wij wijzen dan op de twee mogelijkheden: linksom (eerst klimmen, dan dalen), of rechtsom (eerst dalen, dan klimmen). Mithymna is een zeer geaccidenteerd stadje.

Jenet met een groep Syriërs
Over het algemeen gedraagt de bevolking zich voorbeeldig. Men is bezorgd, behulpzaam, vriendelijk, en waarom ook niet? De Syriërs bedelen niet, ze stelen niet en vechten niet. Ze rusten uit in de berm, roken een sigaretje, i-phonen met hun achtergebleven familie: we hebben het gehaald, mama, we zijn in Europa! Veel jonge mannen, veel moeders met kleine kinderen. Ze zijn in geen enkel opzicht ongewoon. Ze zijn juist ongewoon normaal. Ze zijn hoogopgeleid en behoren tot de Syrische middenklasse en komen uit Damascus of Aleppo, grote steden met Wifi, bibliotheken, aspirines, spaaracties van de Achmed Heijn, wandelverenigingen en kleuterscholen, eigenlijk net als Groningen of Utrecht. En Aleppo was daarbij ook nog eens de culinaire hoofdstad van het Midden-Oosten: persoonlijk kan ik niet wachten op het eerste Syrische restaurant in regio Kennemerland.

En ja, natuurlijk zijn er ook Grieken die niets van dit volk moeten hebben. Angstige, kleinzielige en kortzichtige PVV-ers heb je nu eenmaal overal - in dit land heet hun club Gouden Dageraad. Maar ze zijn sterk in de minderheid. Want evenzeer zijn er stokoude inwoners van dit eiland die maar al te graag hun steentje bij willen dragen. Want zij herinneren zich nog heel goed hoe in 1943, tijdens de Tweede Wereldoorlog, het eiland ten prooi viel aan een verschrikkelijke hongersnood. Hoe zij zelf toen hun eiland moesten ontvluchten. En hoe zij liefdevol werden opgenomen door gastgezinnen in hun tijdelijke nieuwe land. Welk land dat was? De lezer heeft het natuurlijk al geraden: Syrië.

Wat overheerst hier is een soort berustende blijmoedigheid. En een zekere gelatenheid omdat de toeristen massaal wegblijven. De vluchtelingencrisis geeft ons als toerist een raar, heel ambivalent gevoel. Wij zijn druk bezig met onze zinledigheid in de slagschaduw van deze crisis, maar tegelijkertijd steunen we de bevolking (en op die manier zelfs indirect de vluchteling) door zo veel mogelijk geld uit te geven. Het klinkt lichtelijk hypocriet, maar is wel een deel van de werkelijkheid. Als we zouden hebben geannuleerd vanwege de perverse omstandigheden, zou dat niets positiefs hebben bijgedragen, zou dat de situatie alleen maar hebben verslechterd. Toerisme zien als parasitisme? Nee, eerder als een soort symbiose.

De enige last die wij toeristen hier op Lesbos zouden kunnen hebben van de stroom vluchtelingen, is de ongewenste confrontatie met een echte wereld, waar de beelden niet gefilterd zijn door een redactie op het kantoor van de krant of de omroep. Die onversneden werkelijkheid die de toeristen (gelukzoekers die ze nu eenmaal zijn) uit alle macht proberen te omzeilen. Degene die last wenst te hebben van de vluchtelingen wordt dan ook op zijn wenken bediend. Wat deze onbehaaglijke mensen zich niet realiseren is dat deze last alleen maar in hun eigen hoofd zit en nergens anders. Zoals reeds verzucht: ’t is niks als angst, kleinzieligheid en kortzichtigheid. Ogenlast, meer niet.