vrijdag 14 oktober 2016

De bizarre familie Mitford

Dat de Britse eilanden rijk zijn aan merkwaardige families en personen, mag algemeen bekend zijn. Het lijkt welhaast alsof excentriciteit er de norm is. Een keur aan scheefgegroeide families passeert de revue als men een weekje naar de Engelse televisie kijkt: Brideshead Revisited, sommige afleveringen van Midsomer Murders of Downton Abbey schetsen een wereld die, hoewel vlak naast ons land gelegen, evengoed enige lichtjaren van ons verwijderd lijkt. Zijn deze series overdreven? Niet in het minst: de werkelijkheid is vaak nog bizarrer. Eén familie waar Dowton Abbey nog maar bleekjes bij afsteekt was die van de Mitfords. En uit deze familie dan met name de zes zussen Mitford.

Nancy Mitford
Deze zes dochters van David Freeman-Mitford, 2nd Baron Redesdale en Sydney Bowles werden bekende en vaak scandaleuze figuren. De oudste was Nancy (1904-1973), de bekende schrijfster. Haar reputatie werd gevestigd door twee autobiografische romans, The Pursuit of Love (1945) en Love in a Cold Climate (1949). Ze begaf zich in de Britse society en was bevriend met bekende Britten als de schrijver Evelyn Waugh, de latere Poet Laureate John Betjeman en de fotograaf Cecil Beaton. Ze was zo excentriek als een Britse schrijfster maar kan zijn, maar niet meer dan dat: naast haar zussen was zij een van de normaalste.

Pamela Mitford
De tweede, Pamela (1907-1994) had van de zes zussen waarschijnlijk het rustigste leven. Zij gaf de voorkeur aan een eenvoudig, landelijk leven. Ze stond bekend als the unobtrusive poultry loverMaar helemaal normaal was haar leven toch ook niet. Eerst was ze getrouwd met een miljonair, later werd ze aanbeden door de dichter John Betjeman, maar uiteindelijk koos ze de Italiaanse amazone Giuditta Tommasi als levensgezellin. In een brief aan een van haar zusters omschreef ze zichzelf als een you-know-what-bian. De term poultry-lover heeft ook een slang betekenis in die richting en is dus heel dubbelzinnig bedoeld!

Diana tijdens de Neurenberg-rally
Nadat haar eerste huwelijk was vastgelopen, trouwde de derde zus, Diana (1910-2003) in het huis van Joseph Goebbels met Sir Oswald Mosley, 6th Baronet of Ancoats en leider van de British Union of Fascists. De belangrijkste gast aanwezig bij het huwelijk was Adolf Hitler. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het echtpaar onder zeer welwillende omstandigheden geïnterneerd in Holloway prison. Zo kregen ze een apart huisje te bewonen op het gevangenisterrein. Na de oorlog werd Diana schrijfster, correspondente en recensente. Hoewel ze nooit haar Nationaal-socialistische idealen officieel had afgezworen, bekende ze veel later dat ze nooit geweten had van de holocaust, die ze omschreef als a dreadfully wicked thing. Menige historicus gelooft daar geen word van. Over Hitler zei ze: "I'm sure he was to blame for the extermination of the Jews. He was to blame for everything, and I say that as someone who approved of him."

Unity met Adolf Hitler
Van jongs af aan was de vierde en meest tragische zuster Unity Valkyrie Mitford (1914- 1948) gefascineerd geweest door het fascisme en met name door de persoon Adolf Hitler zelf. Wat wil je ook met zo’n tweede voornaam? Ze reisde enige tijd door Duitsland, waar ze onder andere de beroemde Reichsparteitage in Neurenberg bijwoonde. Ze stalkte Hitler, totdat hij haar uiteindelijk opnam in zijn binnenste kring. Haar wereldvisie was romantisch en onrealistisch. Ze geloofde niet in een oorlog, maar in een natuurlijke erkenning van de grootheid van Hitler en zijn rijk. Toen die oorlog tussen Engeland en Duitsland toch was uitgebroken, schoot ze zich gedesillusioneerd door het hoofd, maar bleef leven. Ze werd thuis opgevangen en verzorgd tot ze stierf in 1948. Er zijn hardnekkige geruchten dat zij een liefdeskind van Hitler zou hebben gehad, maar er is geen enkele serieuze historicus die dat gelooft.

Decca
Niet alle Mitford zusjes waren fascisten. Jessica (Decca) Mitford (1917-1996) schoot juist de diametraal andere kant uit. Zij was de enige in de familie die hartstochtelijk de privileges weigerde waarmee ze geboren was. Zij verkoos het om met een neef van Winston Churchill naar Spanje te vertrekken om daar aan de kant van de linkse Republikeinen te vechten tegen de Nationalisten van Franco. Toen die strijd verloren was vertrok ze naar Amerika waar ze een notoire communistische activiste werd. Uiteraard moest ze getuigen voor het House of Un-American Activities Committee, de officiële benaming voor de Amerikaanse door de zeer rechtse Republikeinse senator Joe McCarthey aangevoerde heksenjacht op alles wat maar enigszins links was. Als ze niet aan het actievoeren was, zong ze in een kazoo-orkest. Een veelzeggend citaat van haar: “You may not be able to change the world, but at least you can embarrass the guilty”.

Deborah Vivian Cavendish, Duchess of Devonshire
De jongste en langstlevende van de zusters is Deborah Mitford (1920- 2014). Zij was degene die het beheer over de bezittingen op zich nam en in veel opzichten werd zij de archetypische Engelse gentlewoman. Na haar huwelijk met de Duke of Devonshire, beijverde zij zich om het grandioze Chatsworth House te redden. Aartshertogin Deborah was natuurlijk een soliede lid van de Conservative Party en zij ageerde tegen nieuwerwetsigheden als successierechten of het verbod op de vossenjacht.

De zes zussen hadden ook nog een broer, Thomas (1909-1945), die sneuvelde in Birma. Volgens zijn zus Jessica was ook hij een openlijke aanhanger van het fascisme.

Bronnen:

Chatsworth House




zaterdag 8 oktober 2016

In memoriam: Jan-Kees van Langeveld (1950-2016)

Dat moet toch verdorie geen gewoonte worden: vorig jaar konden we via een whatsapp-groep op ons Griekse eiland Lesbos de ongelijke strijd volgen van een lieve vriendin die getroffen was door een aneurysma, dit jaar bereikte mij op een ander Grieks eiland, Ithaka, het bericht dat nog onverwacht snel Jan-Kees was overleden. Hij had al meer dan een jaar Micosis fungoides, een zeldzame vorm van huidkanker. Hij wantrouwde de dokter en pas op het allerlaatst had hij zich laten opnemen, veel te laat natuurlijk. Hij werd 66.

Ik leerde Jan-Kees in het begin van de tachtiger jaren kennen als collega bij een boekenveilingbedrijf en gedurende bijna vijftien jaar was ik heel dik met deze zeer eigengereide in Haarlem geboren Fries. Al gauw werd ik toegelaten tot zijn benedenwoninkje in de Hudsonstraat, een ware tijdcapsule, al was het nog niet eens zo makkelijk om vast te stellen wèlke tijd hier nu eigenlijk vastgelegd was. Was het de hippietijd van Height Ashbury 1967-1970, met gordijntjes, Boeddhabeeldjes en de gecompliceerde menggeur van wierook, patchouli en hasj? Of toch meer het Parijse fin-de-siècle van de decadentie, de Jugendstil, en dezelfde gecompliceerde menggeur van wierook, patchouli en hasj? Platenkasten vol muziek van Mountain, Hawkwind en de Grateful Dead stonden naast antieke eikenhouten boekenkasten met gekleurde glazen ruitjes, die vele eerste drukjes van Louis Couperus, Lodewijk van Deyssel en Ary Prins herbergden.

Maar net zo gemakkelijk knipte deze totaal autonome eclecticus doodgemoedereerd alle afleveringen uit van Dik Bruynesteyns Paroolstrip Appie Happie. Ooit miste hij één aflevering: de wereld was meteen te klein: ‘Dit is volstrekt onaanvaardbaar, Robje!' Ik was anderhalve kop groter dan hij. 'Hier gaan we onmíddellijk werk van maken!’. De zaak van het ontbrekende strookje was automatisch een principekwestie geworden en hij schreef een brandbrief naar de Paroolredactie. Het geval kwam Bruynesteyn zelf ter ore en in plaats van een kopietje van de gepubliceerde strip, stuurde hij een nieuwe, speciaal voor Jan-Kees getekende versie, die hij dolblij en apetrots toevoegde aan het plakboek. Zo breed en op ronduit schaamteloze manier uitsluitend aan zichzelf refererend was zijn smaak.

Jan-Kees was een van de interessantste mensen die ik gekend heb. Gecompliceerd ook. Zijn pretoogjes konden van het ene op het andere moment extreem argwanend worden, de vrolijke grijns op zijn kaken kon zomaar iets verbetens, iets teruggetrokkens en defensiefs krijgen. Hij had een venijnig soort humor (‘Mam, wat tracht je klaar te maken?’ 15 jaar oud) en een onweerstaanbare, terloopse bluf (‘Die blonde van Abba, je weet wel, die heb ik nog ‘s in m’n tent gehad, tijdens een midzomerfeest aan de Noordkaap, 1968.’).
Hoewel hij zes jaar ouder was dan ik waren we even oud en begrepen we elkaar bij tijd en wijle blindelings. Zonder hem zou de verhuizing naar Amsterdam-Oost, die mijn leven totaal veranderen zou, nooit gelukt zijn. Halfnaakt hing hij drie meter boven de diepte, hoog in een tegen de leuning van een trapgat vastgeklemde ladder met een klopboor te werken. Voor de verhuizing huurde hij een vrachtwagen die hij uit eigen portemonnee betaalde. Het kostte me soms maanden om hem zulk soort bedragen terug te mogen betalen (‘Nu niet, Robje. Ik heb een beetje haast. Laten we er volgende week effe naar kijken.’)

Samen reden we in de bedrijfsauto naar overal in Nederland om de bibliotheken van overleden verzamelaars op te halen en in de weekenden reden we in zijn metallic siena gespoten Toyota Celica Hatchback naar weer andere plaatsen in Nederland om onze eigen voorraden te verkopen op amateur-boekenmarktjes. Hij was een ongelofelijk handige prater en wist altijd de beste plekjes te krijgen, of voorspraak en heilige beloftes aan organisatoren te ontfutselen. Iedereen mocht hem ook. Een antiquaar uit het hoge noorden, een mede Diepfries, bracht een keer speciaal voor hem paling mee, die Jan-Kees vervolgens met een vies gezicht onder zijn collega's verdeelde. "Dat vullis vreet ik niet," mopperde de strenge vegetariër dan blijmoedig, ‘onvergeeflijk dat hij dat niet weet.’

Hij was een vegetariër, naaktloper, hasjroker, estheet, psychedelische rocker, filosoof, womanizer, voetbalkenner, cabaretier. Hij nam het begrip vriendschap bloedserieus en was tot in het absurde hulpvaardig. Al die jaren heeft hij mij van alles gegeven, boeken, prenten, LP’s, maar het is mij niet gelukt om hem ook maar één ding terug te geven. “Hou dat maar liever, Robje, jij hebt er meer aan dan ik”. Telefoneren met Jan-Kees was een zware opgave. Om te beginnen liet hij de telefoon rustig twintig, vijfentwintig keer overgaan, alvorens op te nemen. Had je hem dan aan de lijn, wist hij je anderhalf uur bezig te houden met een onstuitbare waterval van opinies, observaties, schijnbewegingen, grappen en dwaalwegen. Aan het eind van het gesprek was alles behandeld, behalve datgene waarover ik hem in eerste instantie gebeld had!

Langzaam maar zeker hield het op. Ik merkte het en het speet me, maar moest me er bij neerleggen. Wat kon ik anders dan mijn schouders ophalen? Mijn eigen leven met vrouw en baby ging immers ook door en als hij echt niet meer wilde, dan wilde hij niet. Ik was niet de enige, hoorde ik later, Jan-Kees weerde steeds meer mensen. Hij wilde niet dat iemand zich aan hem zouden hechten, hij zou toch gauw dood gaan (“Op m’n vijftigste maak ik er een eind aan, Robje. Wie wil er nu oud zijn?”)
Ik heb nadien nog geregeld geprobeerd hem terug te vinden via het internet, maar hij was voor mij in ieder geval totaal onvindbaar geworden. Dat klopt wel, schreef zijn zus Egbertien: ook het internet wantrouwde hij en hij verkoos zonder computer te leven.

Kan iemand Jan-Kees kennen? Bij al zijn schijnbaar vrolijke openhartigheid had hij zoveel verdedigingslinies, dat ik me nu achteraf realiseer dat ik eigenlijk bijna niets van hem afweet. Zijn inhalertjes bijvoorbeeld, zonder welke hij geen stap deed, was dat om iets heel anders te maskeren? Ik heb nooit geweten of hij het bij de hasj hield. Ik heb het hem nooit gevraagd en hij heeft het er nooit over gehad. En was zijn dochtertje nu wel of niet van hem? Mooie, dramatische verhalen vertelde hij er omheen, maar een duidelijk antwoord: nooit. En dan was ik nota bene ruim tien jaar zijn “beste vriend”.

Hoewel ik hem alweer zo lang jaar geleden voor het laatst gezien en gesproken heb, zal ik hem nu pas echt gaan missen.


(met dank aan Egbertien van Langeveld, van wie ook de foto’s afkomstig zijn)

(PS. Egbertien corrigeert me op een paar punten. Het geheugen is constant bezig zelf de witte stukjes op de landkaart in te vullen en soms kiest dat geheugen voor het gemak maar voor een cliché, misschien omdat het in dit geval zo'n voor de hand liggend, lekker kloppend hippie-cliché is: patchouli had Jan-Kees beslist nooit. Bleven over: hasj en wierook. En zeepjes. Hij had altijd allerlei lekkere zeepjes die hij overal in huis bewaarde. Wat ik "inhaler" noemde, was gewoon Vicks Spray. Volgens Egbertien zeker niet om duisterder zaken te maskeren of op te vangen, maar gewoon omdat hij het door een kromgegroeid neustussenschot vaak een beetje benauwd had.. RKE)


dinsdag 4 oktober 2016

Ithaca 2

Het gekantelde eiland (foto: Jenet)
Vrienden schrikken altijd een beetje als we vertellen hoe wij op vakantie gaan. Jenet en ik geven er de voorkeur aan om drie weken lang op één Grieks eiland te verblijven, ieder jaar een ander, en om daarbij af te zien van het huren van gemotoriseerde vervoermiddelen. Fietsen mogen wel, maar ja, die eilanden zijn vaak niet helemaal vlak... Ithaca is zelfs uitgesproken slordig in elkaar gezet en zwaar gekanteld. Zo zijn we afhankelijk van het openbaar vervoer en onze benen. En het weer. Doorgaans loopt dat allemaal wel los: er is altijd wel een bus naar de hoofdstad of naar de andere kant van het eiland, en het weer is normaal gesproken altijd prachtig. Ondertussen stellen we ons voor dat op deze wijze onze microwereld zich meer verdiept dan bij de gemiddelde toerist die rond raast en zich geen tijd gunt voor échte onthaasting.
Tot zover de theorie.

In de praktijk ging het deze keer allemaal wat minder soepel. Van alle Griekse eilanden die we in de afgelopen jaren bezocht hebben, is Ithaca met een zekere voorsprong het moeilijkst te temmen gebleken. Er is op het Ionische eiland geen openbaar vervoer te bekennen, behoudens een (vrij dure) bootdienst naar een strand in het noorden, die we een paar keer genomen hebben. Dus waren we meer dan ooit aangewezen op de gestaag gespierder wordende benen. En het weer was zeer wisselvallig, met een paar verpletterende onweersbuien die uitbundig tegen de omringende heuvels oprolden.

Perachori
Vanuit Vathi kun je de vier windrichtingen uit, vrijwel steeds inclusief een paar heel venijnige klimmetjes. Een zeer nijdige klim was het naar het ruim 350 meter hoog gelegen dorp Perachori dat we vanuit ons huis lui op een bergflank zagen liggen. In de meeste gevallen ligt er aan het einde van wandeling als beloning een strandje op ons te wachten, vaak behoorlijk verlaten en in ieder geval niet overdreven rijk voorzien van uitspanningen. In het algemeen zoek je hier, zodra je het jachthavenachtige gedeelte verlaat, sowieso tevergeefs naar terrasjes. Bovendien waren wij laat in het seizoen en wie aanvankelijk nog in hippieachtige hutconstructies lichte consumpties verschafte hield daar halverwege ook mee op.

Hippieachtige hutconstructie (foto: Jenet)
Dat seizoenseinde, we hebben het al vaker meegemaakt. Op Andros was het de derde week van september zo goed als uitgestorven met, speciaal voor de Ross-mensen, nog één fatsoenlijk restaurant geopend. Hier op Itahaca viel dat nog wel mee, maar de twee beste restaurants gaven het advies ons maar niets meer aan te trekken van de menukaart en binnen te kijken wat ze in de vitrine nog hadden en aan te wijzen wat je beliefde. Ik wees een keer een punt champignontaart aan, maar even later kwam de bediende bedremmeld melden dat na mij een grote, luidruchtige groep Italianen van een jacht de hele taart ingepikt had. Sorry. Zo heb ik noodgedwongen voor het eerst van mijn leven moussaka gegeten. Gezien het feit dat ik niet dol ben op aubergine en zelfs een lichte hekel heb aan bechamel, een opmerkelijke ontwikkeling. 

Eten wat de vitrine schaft in Trehantiri
Wel had diezelfde taveerne altijd gestoofde geit en dat was zeker de moeite waard. Het blijft een wonder hoe diep hartig een gerecht kan worden als je het een aantal uren stooft in niets dan zout, peper, Griekse oregano en wat wijn.

De terugweg was nog interessant vanwege een staking. De veerdienst lag plat en we moesten met de boottaxi terug naar Kefalonia, waar het vliegveld is. We deelden vroeg in de ochtend het bootje met de burgemeester van Vathy, een ietwat smoezelig ogende figuur die in drie verschillende mobieltjes tegelijk tetterde en vergezeld werd van twee grote kerels met zonnebrillen (wat dat toch is? Verblindt het intense sterrenlicht ze?)

Volgend jaar maar weer eens terug naar de Egeïsche zee.



zondag 25 september 2016

Ithaca 1

Er zijn meer plaatsen die Vathi heten. Verspreid over de diverse Griekse eilanden zijn er zes te bezoeken. De naam komt van het Oudgriekse Βαθύς, wat “diep” betekent. Meestal zijn het heel diep en veilig in een baai gelegen havenplaatsen, goed beschermd tegen de onvoorspelbare luimen van de zee. De Georgische havenstad Batumi heeft dezelfde etymologie.

Vathi op Ithaca ligt dubbel beschermd. Van noordoost naar zuidwest ploegt een diepe baai zich door het merkwaardig gevormde eiland heen en halverwege staat haaks erop een al even diepe van noordwest naar zuidoost lopende baai. Aan de basis van die baai ligt de hoofdstad van het eiland, dubbel veilig voor de grillen van de zee. Niet veilig voor de grillen van de aarde, evenwel: op 12 augustus 1953 trof de grote Kefalonische aardbeving met een kracht van 7,2 op de schaal van Richter de Ionische eilanden. Kefalonia zelf steeg 60 cm omhoog. Van de hoofdstad van het naastgelegen eiland Zakynthos stonden nog twee gebouwen overeind en ook heel Vathi werd verwoest. Het is seismisch een van de meest actieve gebieden ter wereld. Tijdens ons verblijf van drie weken is er op Kefalonia een lichte beving geregistreerd waar wij helaas niets van hebben gemerkt. Dat die zogenaamde “luie Grieken” wel van aanpakken weten, blijkt uit foto’s van 1955 die we in het Maritiem- en Volksmuseum zagen, waarop een alweer heel behoorlijk wederopgebouwde stad te zien is.

Ter voorbereiding van de reis had ik het in 1990 verschenen boek van zeiler, amateurclassicus en Leidse oud-burgemeester Cees Goekoop gelezen, getiteld Op zoek naar Ithaka. Hoewel zijn onderzoekingen, en die van vele andere serieuze historici en archeologen, fringe-historians, amateurspeurders en regelrechte malloten met zeer grote waarschijnlijkheid het legendarische koninkrijk van Odysseus nu juist niet situeren op het eiland Ithaca, trekt de plaatselijke bevolking zich daar (volkomen terecht, m.i.) niets van aan. Iedere tweede straat, restaurant, kafeneon of bergtop in Ithaca heet Odysseus, Pinilopi, Telemachos of Nausika.

Wij hebben een appartement geboekt aan de noordoosthelling van de baai van Vathi, met een uitzicht als vanaf de loge in een amfitheater. Dat we voor dat voorrecht dagelijks een ruw trappenpad af en op moeten gaan van tussen de 108 en 114 treden (het hangt ervan af hoe je telt), nemen we maar op de koop toe. Dat het er vergeven is van die kleine, geluidloze en ook bij daglicht toeslaande subtropische muggetjes ook. Tropendeet ruikt niet erg aangenaam maar is wel afdoende. Eén dag vergeten te spuiten en je hebt er tien bulten bij!

We kijken uit over een dagelijks wisselende vlootschouw, variërend van groepen flottieljeszeilers tot de intimiderende, vele miljoenen kostende, op de allerhipste supersportschoenen gelijkende luxe motorjachten van de Russische oligarchen. De hele stad is ingericht op die vloot plezierschepen, maar een taxichauffeur vertelde ons dat hij toch veel liever de echte toeristen heeft, want hoewel de zeilers vaak eenmalig een grootscheeps drinkgelag aan willen richten bij één van de tavernes, mieteren ze vervolgens weer op, zonder hun schier onuitputtelijke voorraden aan boord aan te hebben gevuld, terwijl wij landlubbers geregeld de plaatselijke middenstand bezoeken. En dat, legde de chauffeur uit, zet veel meer zoden aan de dijk.

Rechts in het uitzicht vanaf ons terras ligt een klein en duidelijk kunstmatig eilandje. Lazareto oogt lieflijk nu, maar ooit was het een grimmig quarantaine-eilandje midden in de baai met hoge muren en norse transen. Schepelingen moesten er veertig dagen verblijven voordat ze aan land mochten. Later werd het een gevangenis. Uiteindelijk werd alles op een kapelletje na gesloopt en nu is dit dé trouwlocatie voor Griekse stelletjes, zoiets als Kasteel de Haar in Nederland.

(Wordt vervolgd)

maandag 8 augustus 2016

Leesrapportje 9

29 juli 2016
Guido Golüke - Het vlekkenbeest (1974)
Het zijn niet allemaal winnaars, vrees ik, die dwaze schrijvers uit de zestiger en zeventiger jaren. Hier hebben we een boekje dat geschreven is in een soort pop-art stijl, met veel nogal geconstrueerd aandoend surrealisme, zoals een levende poema van twee centimeter die tevens dienst doet als kauwgum voor een stripachtige wild-westheld in Overijssel.
Of deze: de vader van de Antikrist (die striptekenaar is) blijkt een gediplomeerd loodgieter te zijn die bij terugkeer van een Europacupwedstrijd in München in de veronderstelling verkeert een bankdirecteur te zijn. Hij is helemaal en onverklaarbaar in de war. Alleen zijn geslachtsdelen doen het zo te zien nog prima.
Een gedateerd boek, maar op niet helemaal de juiste manier, vrees ik.
Laat ik eerlijk zijn: als ik een leraar Nederlands op een lyceum zou zijn geweest, zou ik voor het werkstuk een dikke acht hebben gegeven. Nu het evenwel als roman verschenen is in de reeks BBLiterair moet ik het boekje beslist terzijde leggen. Want het niveau van een uit de hand gelopen opstel ontstijgt dit boek niet, helaas.
De schrijver heeft sedertdien een grote hoeveelheid Engelse en Amerikaanse literaire werken vertaald en ik vermoed dat hij in dat vak zijn ware talent gevonden heeft.

4 augustus 2016
Hélène Nolthenius – Geen been om op te staan (1977)
Op een Facebook-vraag wie onze favoriete vrouwelijke Nederlandse schrijver is, kwam ik ooit eens tot mijn eigen verrassing tot de conclusie dat dat Hélène Nolthenius (1920-2000) moest zijn. Een echt chique dame met een stoere schrijfstijl die wist waar zij over schreef: ze was als musicologe al geïnteresseerd geweest in het middeleeuwse en renaissancistische Italië en zou dat haar leven lang blijven.
In haar leven dwarrelde ze over het gehele politieke en geestelijke landschap: via een kortstondig lidmaatschap van de CPN en toetreding tot de Katholieke kerk, tot een rationalistische en humanistische levenshouding die haar boven en buiten het gekrakeel plaatste. Ze werd Hoogleraar Muziekgeschiedenis van de Oudheid en de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Utrecht en als een grand old lady van de humaniora zag ze met lede ogen de verschraling van de menswetenschappen op de universiteit aan.
De avonturen van Lapo Mosca, een vrijgevochten, boerenslimme Franciscaan in het veertiende-eeuwse Florence worden beschreven in korte, verrassend korzelige zinnetjes. Spreektaal. Lapidair.
Eerder verwant aan Brother Cadfael is hij, dan aan Brother William of Baskerville. De moord op een knappe gezelschapsdame blijkt een steeds bredere betekenis te krijgen, terwijl Lapo zich van zijn gardiaan eigenlijk met relictenhandel moet bezighouden. En passant pikt de lezer een hele berg historische informatie op, over de Welfen en Ghibellijnen, over een Duits huurlingenleger dat oncontroleerbaar dreigt te worden, en over het dagelijks leven in een renaissancistische grote stad.
Wegens groot succes verschenen er later nog twee romans met dezelfde morsige monnik in de hoofdrol.

8 augustus 2016
Tomas Lieske - Grand Café Boulevard (2003)
Lieske is hartstochtelijk verliefd, lijkt het wel, op zijn eigen woorden, als een soort literaire Pygmalion. Hij strooit met stijlfiguren, kneedt woorden tot soms oververzadigde zinnen, jongleert met begrippen.
De stijlfiguur die aanvankelijk het meest opval is personificatie, het toekennen van zelfstandigheid aan, in dit geval, lichaamsdelen. Handen bewegen als slakken, met vingers als voelhoorns. Ogen zijn als naaktslakken. Deze en vergelijkbare expressionistische metaforen doen me denken aan schrijvers van voor de oorlog, aan Konstantin Paustovsky bijvoorbeeld die ook zo graag de dingen van een ziel voorzag.
De beschrijvingen van Taco’s broer Fedde en zijn klei, schapenvlees en vleermuizen brengt ons daarentegen weer dicht bij de Nederlandse schrijftraditie van de in het gereformeerde milieu spelende Bildungsroman (dus eigenlijk kortweg: de Nederlandse schrijftraditie). Alle seks is ongemakkelijk en vreemd, alle liefde uit het lood. Niemand is op zijn of haar gemak.
De roman kent verschillende plaatsen van handeling en verschillende schrijfstijlen. Een plechtig soort spannend proza van de weidse Bollenstreek wordt opgevolgd door de mediterraanse pasteltinten van het fascistische Spanje of het onheilspellende rood van naoorlogs Parijs. En tenslotte door het nu heel breed en drassig geworden polderproza van opnieuw de Bollenstreek. In dit laatste stuk gaat Lieske’s metaforenmachine eerst recht helemaal los. Het is zichtbaar hoe groot het schrijfplezier geweest is. Soms naar mijn smaak té groot. Dan neemt de onafzienbare stoet van beeldspraak de zaak over en gaat met het verhaal aan de haal. En zo zwiert Lieske als een schoonschaatser van links naar rechts over het literaire landschap: hij gebruikt de hele baan. Mij stoort het: hij is naar mijn smaak net iets te blij met zijn eigen uitbundige taalgebruik.
Maar er is meer aan de hand dat me stoort. Gran Café Boulevard is een roman die niet gemakkelijk begrepen kan worden. Alles in het boek is schijn, bedrog, spiegelspel. Zelfs Taco’s verdrinkingsdood als climax vertrouw ik niet. Je kunt met evenveel recht vragen: gaat Taco wel dood? als: overleeft hij eigenlijk wel? Ik zou het geen “grote Europese liefdesroman” willen noemen, zoals ik ergens las, maar veeleer een “grote Nederlandse postmoderne roman”, want de roman staat stijf van verwarring. Het is een naar zichzelf verwijzende verwarring, waardoor ik de indruk krijg dat het boek helemaal niet begrepen wíl worden. Deze vreemde roman, geschreven door een dichter, gaat voor een groot deel over de schijn van dingen, het onvermogen om de ander te kennen, de onmogelijkheid om zelfs het boek dat daarover gaat, te begrijpen. Misschien is die intrinsieke onbegrijpelijkheid van het boek zelfs wel het hoofdonderwerp van het hele werk, en is het schimmenspel tussen Taco/Alexander, Pili en Fedde en hun geheime verledens slechts bijzaak. Een postmoderne slang die zijn eigen staart te pakken heeft?


zondag 31 juli 2016

Leesrapportje 8

25 juli 2016
François Rabelais - Gargantua (1534)



Mijn Frans is niet goed, ik zou dit boek nooit in zijn oorspronkelijke taal hebben kunnen lezen. Dat komt goed uit, want ik wil het over vertalingen hebben. Twee verschillende.

Niet de allereerste vertaling: al in 1682 verscheen Alle de geestige werken van mr. François Rabelais, Geneesheer, vervattende in ses boeken de dappere daaden en deftige reedenen van d'overgroote reusen Grandgousier, Gargantua en Pantagruel, 'met groote vlijt uyt het Fransch vertaelt door Claudio Gallitalo', bij Jan ten Hoorn in Amsterdam. Claudio Gallitalo is een pseudoniem van de Fries Nicolaas Jarichides Wieringa (ca. 1644 - ca. 1700).

J. A. Sandfort
In de dertiger jaren verscheen de klassieke vertaling van J. A. Sandfort (1893-1959) van de vijf boeken over Gargantua en Pantagruel. In 1971 verscheen hiervan bij De Arbeiderspers een prachtige, handzame dundrukuitgave. Voor m’n vijfentwintigste had ik me door alle delen heengeworsteld, veel ervan ben ik sedertdien allang weer vergeten.

In 1996 verschenen van Gargantua twee nieuwe vertalingen vrijwel gelijktijdig. De ene van Théo Buckinx verscheen bij Bert Bakker. Ik heb hem niet gelezen maar ik begrijp dat er nogal wat kritiek was. Een gehaaste en niet erg respectvolle onderneming schijnt het te zijn geweest, zonder al te veel begrip van zestiende-eeuws Frans. 
J. M. Vermeer-Pardoen
De andere vertaling verscheen bij Van Gennep. Uiteindelijk zou dit project resulteren in vijf boeken in drie banden. Deze vertaling van Gargantua door J. M. Vermeer-Pardoen, heb ik zojuist gelezen, natuurlijk met die oudere ernaast. In haar inleiding levert de vertaalster nogal wat kritiek op de vertaling van Sandfort: die zou niet precies genoeg zijn, er zouden stukken weggelaten zijn, zijn taal en vertaalmethode zouden allebei gedateerd zijn. Hij zou de vertaalvisie van de dertiger jaren hebben aangehangen waar het resultaat belangrijker geacht werd dan het origineel. Vermeer-Pardoen betoogt dat de vertaler tegenwoordig veel “wetenschappelijker” te werk gaat, het origineel als allesbepalend beschouwt en zich ook voor contextuele studie baseert op de meest authentieke bronnen. Zelfs de keuze van primaire bron, legt ze uit, is nog niet zo eenvoudig. Zijzelf meent die gevonden te hebben in de kritische uitgave van A. Lefranc uit 1913-1922.

Tot zover.

Het ligt een beetje in mijn aard om bij voorbaat de voorkeur te geven aan de oude, “gedateerde” taal van Sandfort, maar hier ligt dat niet zo gemakkelijk. In de praktijk scoren beide vertalers op gezette tijden.

Vooropgesteld dat ik geen mening kan en mag hebben over de taalkundige kwaliteiten van de twee vertalingen, interesseren mij de verschillen in het Nederlands enorm. Vermeer-Pardoen heeft het ergens over een ongesneden ezel, Sandfort over een klootezel. 1-0 voor Sandfort. Vermeer-Pardoen: lulletjes lampekatoen, Sandfort: klootzakken. 1-1, zou ik zeggen. Sandfort: Ik rijm tegen de klippen op en al rijmend krijg ik soms mijn keel van slijm. Vermeer-Pardoen: Ik dicht dat het een lieve lust is, en soms ben ik zo aan het dichten, dat m’n hele kop dichtzit. Rijm/slijm in de eerste, dicht/dichtzit in de tweede. 1½-1½ dan maar?
Sandfort vertaalt de namen van personen soms wel, dan weer niet. Waar Vermeer-Pardoen vertaalt: Windjammer, Zakkendrager en Walewijn, heeft Sandfort het over Hurtebize, Fasquin, Gaulehaul. In datzelfde rijtje wordt Meester Overbodig (Eénteveel bij Vermeer-Pardoen) dan weer wel vertaald. Waarom?

En zo gaat het maar door. Voor het verhaal hoef je Gargantua niet te lezen - de plot is flinterdun - het gaat steeds weer om de taal. En ik denk dat naar mijn gevoel de vertaling van Sandfort nipt gewonnen heeft, juist omdat op bepaalde momenten hij het niet nodig heeft gevonden een woord sec, zonder franje, “wetenschappelijk” te vertalen. Hij doet het bovendien ook nog eens geheel en al zonder notenapparaat. En precies deze - soms zot uitbundige - onduidelijkheid maakt dat ik me in zijn beelden- en ideeënwereld net iets meer op mijn gemak meen te voelen dan in de precisie van Vermeer-Pardoen. Hoewel?

Nee, laat ik het bij nader inzien toch maar een gelijkspel noemen.

En nog vier delen van Vermeer-Pardoen te gaan. Joepie!



woensdag 13 juli 2016

Veiligheden

N. van Gesselt beweegt zich van veiligheid naar veiligheid. Dat begint al ’s morgens vroeg. Als om kwart voor zes de wekker afgaat verlaat hij de veiligheid van zijn bed in de wetenschap dat hij zijn volgende veiligheid pas twintig minuten later zal bereiken. Eerst doucht hij, poetst zijn tanden, kleedt zich aan en verlaat hij zijn huis, de schoudertas rechts naast hem, de zeven belangrijke dingen ingepakt. Dit zijn de zeven belangrijke dingen:

Ten eerste de portemonnee, met daarin de NS-pas, de pinpas en de reserve-aspirines voor als hij onderweg een migraineaanval krijgt. Dat gebeurt niet zo vaak, maar als het gebeurt moet hij voorbereid zijn. Verder heeft hij in zijn portemonnee nog een reservesleutel van zijn voordeur en, het minst belangrijke, wat geld, meestal tussen de vijftig en honderd euro.
Ten tweede het medicijntasje, met daarin nog meer aspirines, een zalfje tegen eczeem, een stripje Naproxen tegen spanningspijnen en nog een reservesleutel van zijn voordeur.
Ten derde zijn sleutelbos, vastgeklikt aan een handig lederen bandje binnen in de tas.
Ten vierde zijn brillenkoker met een computerbril. Zonder die bril kan hij zijn werk niet doen. Na zijn recente bezoek aan het Prado een brillenkoker met Jeroen Bosch motief.
Ten vijfde de magnetische pas waarmee hij in kan klokken op zijn werk. De pas opent niet alleen de poort, maar vertelt het systeem meteen hoe laat hij binnengekomen is, en hoe laat hij het pand weer verlaat.
Ten zesde een USB-stick met muziek om tijdens zijn werk af te draaien (hij geeft de voorkeur aan mp3 en wat het afspeelprogramma betreft is hij al twintig jaar verknocht aan WinAmp). Op die USB-stick bewaart hij ook allerlei andere zaken: vakantiefoto’s, half afgemaakte gedichten, verhalen (zoals dit verhaal).
Ten zevende een iPad waarop hij een e-reader heeft geïnstalleerd en een paar leuke programma’s om de treinreis nog aangenamer te maken. Op het moment is hij verzot op de “killer-sudoko” een obscure zijvariant van het populaire cijferspel.

Zonder deze zeven dingen in zijn tas zal de dag niet gaan lukken.

Zoals iedere werkochtend loopt N. van Gesselt, aldus voorbereid, om vijf over zes door zijn verscholen wijkje: hij steekt het minuscule parkje aan het eind van zijn straat over. Het is koud en de hemel is glashelder. De maan staat halfhoog in de hemel, schuin omhoog, net afnemend. Eronder, al een paar weken zeer helder, flonkert Jupiter. ‘Als de maan vol is en in de buurt van Jupiter staat, moet Jupiter ook vol zijn,’ redeneert N. van Gesselt bibberend maar logisch. Hij loopt langzaam door en staart naar het markante sterrenbeeld Orion. Linksboven Betelgeuze, de schouderster, die sedert de popcultuur bezit van deze rode reus (600 x de zon! Hij heeft het gecontroleerd in zijn sterrenboek) genomen heeft onder de naam Beetle-juice, waarschijnlijk de bekendste en populairste ster is in het firmament. Wat heeft N. van Gesselt uit zijn lang vervaagde jeugdhobby nog meer onthouden? Rigel, één van de voeten. En de befaamde Orionnevel natuurlijk. 
Andere zaken? De satelliet Kepler heeft een planetenstelsel aangetroffen rond de ster met de prachtige naam Fomalhaut. Helaas is die vanaf Haarlem niet zichtbaar. N. van Gesselt vindt dat jammer.
Lager aan de horizon twinkelt de Hondsster Sirius als ijskristal en bijna, ja bijna kan hij de Melkweg zien, een suggestie van kwijnend licht in zijn ooghoeken.
Ergens achter hem moet de rode druppel van Mars zijn. Hij draait zich om, maar twijfelt. Die daar? Ergerlijk dat hij het niet zeker weet.
De Grote Beer (ofwel het Steelpannetje) hangt prominent naar de Poolster te wijzen. Daar, gevonden.

Er klinkt geen enkel geluid. Verderop ziet hij wel lichtbundels passeren, maar vreemd genoeg hoort hij helemaal niets. De stilte van het heelal hangt als een glazen stolp over hem heen. Dan gaat hij het loopbruggetje over en prompt vangt het continue rumoer aan van de andere wereld. Daar bevindt zich een brede ringweg die zo vroeg in de ochtend weliswaar nog niet extreem druk is, maar die hij niettemin zo snel mogelijk achter zich zal moeten laten. Hier wordt namelijk het leven alweer voortgedreven door een constant streven naar een of ander doel. Een enkele kittig optrekkende auto, twee brutaal spottende, knetterende en onwelriekende scootertjes, het serieuze hoesten van de dieselmotor van een Sligro-bestelauto, een groepje kettingrokende Poolse seizoenarbeiders in camouflagebroeken en met een sputterend telefoontje in hun midden. In de straatverlichting en het geruis is de sterrenhemel compleet verdwenen.
Zodra de weg vrij is, steekt N. van Gesselt over. Dan is dat tenminste maar geweest.
Hij realiseert zich dat deze route objectief niet de beste kan zijn, want als hij ’s middags terugkomt, steekt hij juist aan het begin ervan zo snel mogelijk over. Hij loopt dus nooit heen en terug over hetzelfde trottoir. Gek is dat eigenlijk, bedenkt hij zich misschien iets te vaak. N. van Gesselt houdt zich in toenemende mate bezig met nadenken over zijn gedachten.
Eenmaal in de veiligheid van de overkant loopt hij dicht langs het fietspad, dat rechts van hem ligt. Vrijwel altijd loopt hij halverwege een jonge jongen tegemoet met overmoedig, lang, dik en romig haar, die rokend naar zijn werk loopt. N. van Gesselt ziet hem aankomen en bereidt zich voor, want hij wil niet van de wijs gebracht worden door zelfs maar de geur van tabak. Als er iets is dat hij haat, is het de geur van een sigaret die de briske, frisse geur van de vroege morgen besmeurt. Telkens dieper inademen, vasthouden, dan uitademen. Vlak voordat de jongen te zijner hoogte is, ademt N. van Gesselt nogmaals zo diep mogelijk in, en nu houdt hij vast. Gehaast loopt hij door en pas als hij het niet meer volhoudt en een beetje duizelig begint te worden, ademt hij voorzichtig weer uit.
Toen hij zelf nog rookte (N. van Gesselt is zestien jaar geleden gestopt), had hij al een hekel aan de morsige tabakslucht die de frisheid van de dag om zeep hielp. Zelf rookte hij in die jaren pas als hij aangekomen was, bij wijze van beloning, nooit gehaast in een portiek of tussen twee mistige lantarenpalen in. Al dat roken van toen heeft er wel voor gezorgd dat hij nu, in de vochtige vaagheid van de herfst, aamborstig is en langzamer moet lopen dan normaal, waardoor vanzelf de afstand tussen de opeenvolgende veiligheden vergroot wordt. Het kwaad straft zichzelf, beloning levert straf op.
Beloning is ook een lichte vorm van dwangmatigheid, beseft N. van Gesselt, maar hij heeft het niet voor het kiezen. Te lang heeft hij zijn dwangneuroses ontkend, en de laatste maanden heeft hij juist een groot gevoel van bevrijding verworven door langzamerhand het bestaan ervan in zichzelf te accepteren.
Als hij het stationsgebouw betreedt, slaakt iets in hem een zucht van verlichting. Geen regen, gladheid, scooterwalm of bassig gebonk van geluidsinstallaties meer. Iedere ochtend doet hij zijn best om iets aan het sleetse jugendstilgebouw mooi te vinden, maar diep in hem is er iets dat haast heeft, iets dat verlangt naar de volgende veiligheid, de grootste van de dag.

Op het station staat de Chinees te wachten. Natuurlijk staat hij daar, zomer en winter gekleed in hetzelfde wit-zwarte zeiljack en dezelfde zwarte broek, op zijn post, schuin onder de middelste stationsklok. Zeer bijziend spelt hij vanaf niet meer dan vijf centimeter afstand de Metro. Af en toe loert hij scheef omhoog en exact op het moment dat de klok naar elf minuten over zes springt, verlaat hij zijn standplaats en loopt naar de plek waar, drie minuten later de achterste deur van het voorste treinstel zich zal bevinden. Dat doet hij iedere dag, zonder variatie. N. van Gesselt geniet daarvan: een zielsverwant, een lotgenoot. Een medepatiënt? Als je er zelf zo een bent, herken je de subtiele trekjes bij anderen.
Zielsverwant, maar beslist verschillend van elkaar in methode. Want N. van Gesselt pakt het treinprobleem volstrekt anders aan: hij heeft niet een vaste plaats op het perron, maar een vaste plek in de trein. Hij is flexibel genoeg om voor- dan wel achterin de trein te kunnen gaan zitten, zolang hij maar, achteruitrijdend, aan de linkerkant, met een raam naast zich, op een bank kan zitten waar geen mensen tegenover hem plaats kunnen nemen. Niet alleen is dat meer privé, maar bovendien is de kans op door modderschoenen besmeurde bekleding op die manier veel kleiner. Eén van de neuroses waar hij aan lijdt (of moet hij zeggen: van geniet?) heet thigmofilie, weet N. van Gesselt sedert enige tijd. Het verlangen naar geborgenheid.
Vooral in de winter is het heerlijk om tegen het raam te leunen, het hoofd half naar binnen gewend, terwijl de geur van warmer wordende kleding en de duisternis van de kou buiten zijn synesthetische zinnen door hun contrast vervullen met vrede.

Als hij na een te kort ritje in Den Haag de trein verlaat, ziet hij op een naastliggend spoor de sneltram naar Rotterdam klaar staan voor vertrek. Hij is jaloers op de mensen erbinnen. Allemaal veilig, en hij niet langer.
Hij houdt heel erg van de grote klok aan de noordelijke uitgang van het station. De wijzerplaat ervan is leeg, de wijzers ontbreken. Het verschaft hem een zeer kortstondig moment van tijdloosheid, voordat hij het winderige plein en de bitse rechtlijnigheid van de buitenwereld betreedt. Hij haast zich naar de dienstingang, niet meer op zoek naar veiligheid, maar meer om te ontkomen aan de verwarrende onveiligheid van het plein, dat in alle opzichten een onaangename mislukking is.
Om tien voor zeven betreedt hij het gebouw waar hij de dag door zal brengen, onderhevig aan de constante grillen van een falend klimaatsysteem. Daar is geen tijd voor duidelijke veiligheden. Dat heeft hij geaccepteerd, maar het blijft moeilijk.