woensdag 9 mei 2012

Fripp en ik


Ik was in mijn kwetsbare, tastend zoekende jaren voldoende opgevoed door de Beatles. Het moest maar eens helemaal anders. Natuurlijk was het op dat moment geen bewuste beslissing, maar achteraf bekeken is er wel degelijk een dwingende noodzaak te herkennen in mijn neiging om steeds avontuurlijker popmuziek te gaan beluisteren.
King Crimson 1969
Ik stond daar vanzelfsprekend niet alleen in. Met mijn generatiegenoten zaten we, Javaanse Jongens rokend, in kleermakerszit in de fietsenkelder van het lyceum de geluiden van de nieuwe tijd te proeven. Het liep tegen de seventies. Ik zat in de tweede klas. De tijden waren aan het veranderen. Vreemde, bruine, kleiachtige korreltjes verschenen in mijn sjekkies. Uit het zwakke cassetterecordertje klonk onder andere het geluidstapijt van In the Court of the Crimson King, het medio 1969 verschenen debuutalbum van de Londense groep King Crimson. Daar klonk in die fietsenkelder ineens een heel nieuwe wereld. Daar konden we ons onvoorwaardelijk mee identificeren, daar waren we voldoende bijzonder en anders dan de anderen mee, met onze langer wordende haren, onze indianenlaarzen en onze paarse spijkerbroeken. Harde rock, ingewikkelde maatsoorten, vreemde, door hasj getoonzette teksten, mellotrons, fluiten en saxofonen, structuurloze percussiestukken en zwaar aangezette, bombastische klanktapijten, alles was aanwezig.
In the Court of the Crimson King
De diepste waarheid over de zogenaamde progressieve, ofwel symfonische rock, die ambitieuze poging om van rockmuziek een serieuze kunstvorm te maken, is dat met de allereerste poging eigenlijk alle doelen meteen bereikt waren. De hele stroming is in wezen samen te vatten met deze ene, allereerste langspeelplaat, alles wat erna verscheen was recapitulatie, imitatie of variatie.
Dit werd mijn lijfplaat. Niets zou vanaf dat moment eigenlijk meer hebben mogen veranderen, maar natuurlijk gebeurde dat wel. Stilstand is ten slotte achteruitgang, zegt men. Juist King Crimson bleek een van de onvoorspelbaarste bands te worden die men zich maar kon voorstellen. Het was een illusie om te hopen dat de band plaat na plaat in hetzelfde stramien zou produceren, ook al leek het daar na de tweede LP, die een soort imitatie van de eerste was, wel degelijk op. Alle nummers van de eerste plaat kwamen, anders gearrangeerd en met een nieuwe titel, min of meer terug. Wellicht daardoor geschrokken, brak Fripp bij het derde album radicaal met de oorspronkelijke sound. Het bleek de eerste van een hele reeks stijlveranderingen te zijn.
Ik ging ondertussen braaf mee met elke nieuwe koers, ik was ten slotte een fan. De muziek werd jazzier en meer avant-garde, ik holde mee. De volgende plaat was meer poppy, ik keurde ’t goed. Daarna werd alles steeds luider tot er een soort hard rock ontstond met romantische kleuren en trance-achtige herhalingen. Ik was erbij en maakte mezelf wijs dat ik het eens was met iedere nieuwe incarnatie van King Crimson, dat op die manier mijn lijfgroep bleef, met meer gewicht dan Jethro Tull, een heviger nestgeur dan Yes en directere emoties dan Gentle Giant.
Ondertussen gebeurde er in de band onder de oppervlakte van alles waar wij in Amsterdam-West helemaal geen weet van hadden. Onenigheden, ruzies, onverenigbaarheid van karakters, niets werd de band en haar eigenwijze frontman bespaard.
De vierde incarnatie van King Crimson (1973)
Fripp was nooit het zonnetje in huis, zoals me later duidelijk werd toen ik hem, onder andere via YouTube en radio-interviews, beter leerde kennen. Hij bleek een gortdroge, pedante man te zijn, die belerend sprak in licht sarcastische volzinnen zoals u en ik ze nog niet eens kunnen schrijven. Een denker.
“We were very creative, most definitely because pain and frustration lends itself to such a fruitful artistic state,” zei hij naderhand over de eerste lineup en hij vervolgde: “It's a paradox that artists tend to be rewarded with fame and fortune. The prosperity almost always dissolves the squalor that spurred them on to creating in the fashion they became rich and successful for.”
Het is duidelijk, hier is een op introspectie en contemplatie gerichte man aan het woord. Een puritein die het niet prettig vindt als hij het te gemakkelijk heeft. En als zo iemand een artiest is, dan zal dat ongemak onherroepelijk ook doordringen tot de jongenskamers van zijn fans. Als Fripp verder moet gaan en schepen achter zich moet verbranden, dan moet zijn publiek mee. Dat, of afhaken.
J.G. Bennett
Na zeven studioplaten in zes jaar, na allerlei onwaarschijnlijke en spectaculaire personeelswisselingen, na minstens drie radicale stijlveranderingen in zijn muziek, hield Fripp het in 1974 voor gezien. Hij ging in retraite en raakte onder de invloed van J.G. Bennett, een Britse new-age filosoof en leraar die door het theosofische denken van Gurdjieff gevormd was. Wat daar precies het effect op Fripps muziek van geweest is weet ik niet, maar ik begon langzamerhand te ontdekken dat hij richtingen uitging die niet meer in mijn comfortzone lagen: ambient soundscapes, new wave, trance-achtige, metaalharde, zogenaamde post-rock.
Ik verkondigde dat wat mij betrof King Crimson in 1974 was opgehouden te bestaan en dat alles van daarna misschien hier en daar nog wel interessant was, maar veel beter onder een andere groepsnaam zou hebben kunnen zijn uitgebracht, wat ook Fripps aanvankelijke bedoeling was geweest.
Meneer Fripp
Op een dag ontdekte ik dat ik, bezwaard door wat ik op dat moment allemaal moest aanhoren, ook niet meer onbevangen naar het vroegere werk kon luisteren. En zo ben ik op heden volledig losgekoppeld van King Crimson. Ik volg het nieuwe werk al zeker vijftien jaar niet meer, heb nog nooit een solo plaat van Fripp met zijn soundscapes tot het einde toe kunnen uitluisteren, blijf volmaakt koud onder de vele projecten die door, of met medewerking van Robert Fripp opgezet zijn en begin zelfs een lichte antipathie te voelen jegens die platen die, begin zeventiger jaren, mijn smaak en leven zo belangrijk hebben beïnvloed. Soms draai ik nog wel eens Starless and Bible Black of Lizard. Soms voel ik me dan goed, ondergedompeld in de herkenning, maar soms ook voel ik die onbestemde leegte die je voelt wanneer je onverwachts een ex van je tegenkomt.

1 opmerking:

  1. Die laatste zin vat het allemaal perfect samen. Mijn dank, Roberto.

    BeantwoordenVerwijderen