zaterdag 7 april 2012

Een intimiderend boek

Ik heb niet zoveel op met verjaardagen. Als het moment daar is, probeer ik altijd te vluchten en zo kom ik einde maart terecht in steden en stadjes, ver weg van mijn vrienden en familie die me allemaal teisteren met het jaarlijks terugkerende: ‘en, wat wil je hebben?’

De waarheid is dat ik niets wil hebben, ik heb alles al.

Soms zeg ik, ietwat krampachtig melig en ondertussen voorspelbaar geworden: ‘Een beetje warmte en aandacht.’ Ook vraag ik wel eens om ‘een aantrekkelijke afvloeiingsregeling’, of ‘een dood zonder al te veel lijden’. Mijn zure humor wordt niet door iedereen gewaardeerd, laat ik daar heel eerlijk in zijn.

Meestal echter zucht ik, geheel naar waarheid: ‘Lieve vrienden, ik weet het echt niet. Misschien dat je zelf op iets leuks kunt komen, iets waarvan je denkt dat ik niet wist dat ik dat wilde hebben.’

Dit gaat bijna altijd goed, want het cadeau dat je krijgt is natuurlijk niet het ding in het vrolijke feestpapier, maar het denkwerk dat voorafgegaan is aan de aanschaf van dat ding. Dit zijn waardevolle geschenken, ik kan en mag daar niet ironisch over doen.

Soms wordt de spijker op de kop geslagen: veel van mijn lievelingsvoorwerpen hebben vanuit het pakpapier hun plaats in mijn hart weten te verwerven puur door de liefde waarmee ze gekozen zijn. Een heel enkele keer gaat het mis en dan zit je met een paar zelfopgelegde problemen. Daarover gaat het in dit stukje evenwel niet.

Dit jaar was heel interessant in die zin dat vrienden me een prachtig geschenk hebben gegeven, een geschenk dat ik heel mooi vind, en waarvan ik tot mijn dood niet zal scheiden, maar waar ik tegelijkertijd doodsbang voor ben.

Het is een boek.

Een intimiderend boek.

Een boek dat me bijkans hartkloppingen geeft van angst.

Een kookboek.

Men begrijpe me goed: ik ben helemaal niet bang voor kookboeken in het algemeen. Ik bezit er meer dan drie meter van. De meeste gaan over de diverse Afrikaanse en Aziatische keukens: de Thaise, de Marokkaanse, de Singaporaanse, de Turks/Koerdische, de Indiase, de Japanse.

Een power-cook ben ik niet: geen gesis van hete vetten graag. Geef me liever een gietijzeren pan, een pollepel, een laag vuur en twee à drie uur, en ik maak de heerlijkste dingen voor je.

Nu heb ik, sinds een week, een boek dat heet De chefs van België : de smaakmakers van de Belgische keuken. Het boek is 499 pagina’s dik, meet 29 cm en weegt 2 kilo en 692 gram, het is immens.

In dit lijvige toverboek vertellen Belgische sterrenchefs hoe ook ik hun prijswinnende gerechten klaar kan maken. Ik moet gemarineerde rode biet prepareren, tartaar van langoustines maken, wang van Baskisch varken bereiden en ergens gochupoeder zien te bemachtigen, waarvan een kwart theelepel aan een venusschelpengerecht toegevoegd moet worden. Ik mag een sandwich maken met boter, kaas en runderham van Vlaams roodbruin rund van slagerij Dierendonck!!

Ik geef meteen toe dat je wel een beetje moeite mag doen voor je eten, maar ik ben bang dat mijn vrienden mij nu toch te hoog hebben ingeschaald (zoals in die tijd dat ik, de taal nauwelijks machtig, Latijnse versies kreeg van Asterix de Galliër en Winnie the Pooh (Winnie Ille Pu)).

Enfin, ik ga het proberen, natuurlijk. Ik ga net zolang door het boek speuren totdat ik vijf gerechten heb gevonden die ik kan maken en dan ga ik de lieve boosdoeners een vijfgangen sterrenmenu aanbieden. En ik hoop dat mijn levensgezellin dan de gesprekken met onze gasten gaande zal houden, want ik sta drie uur in de keuken, dromend van magnetronmaaltijden.

donderdag 22 maart 2012

Slotermeer

In Slotermeer daar is een kapper die LP's verkoopt,
die illegaal geperste platen in karton
dus alle hippies komen wel eens langs
en hij grijpt zijn kans

De dikke slager op de hoek rijdt in een BMW.
De kleine kinderen lopen joelend met hem mee
En de slager zie je nooit met jas,
Ook al wordt-ie nat, gek is dat.

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
Hier onder de blauwe polderlucht
zit ik, en denk aan toen:

In Slotermeer is een cafébaas met een koekoeksklok
En in zijn zak draagt hij een foto van Den Uyl
En zijn glazen glanzen in de zon
Ze zijn nooit vuil

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
In een friet-met-mayo-lucht
zit ik, en denk aan toen:

En in een kraampje voor de ingang van een noodgebouw
Verkoopt een meisje pakjes kauwgom per dozijn
En hoe weinig dat ook waard mag zijn
ze vindt het fijn.

In Slotermeer knipt onze kapper weer een nieuwe klant,
En de slager zit te wachten met een krant.
Terwijl de kroegbaas er naar binnen sprint,
druipend nat, gek is dat.

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
Hier onder de blauwe polderlucht
zit ik, en denk aan toen:

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
Hier onder de blauwe polderlucht
Slotermeer.
(op de manier van Penny Lane) 
 

dinsdag 6 maart 2012

Rokjesdag


Het is maart en, hoewel de temperaturen weer gestaag aan het dalen zijn, is het toch onvermijdelijk: ons hangt weer het jaarlijkse fenomeen van rokjesdag boven het hoofd. Persoonlijk vervult me dit stuitende verschijnsel met een zekere kriegelige weerzin. Vooral omdat het zo oneigenlijk is. Laat me dat uitleggen.
Wat, als ik het goed begrepen heb, voor Bril en vrienden essentieel was aan rokjesdag, was het onbewuste en spontane, ongeregisseerde karakter ervan. Rokjesdag is de dag dat een heleboel vrouwen, zonder aantoonbaar onderling overleg, plotseling besluiten dat de winter definitief voorbij is en dat heugelijke inzicht gaan vieren door voor het eerst in het jaar de legging uit te laten en gekleed in een rok de straat op te gaan.
Het is als een natuurverschijnsel, zoals het eerste kievitsei of een maansverduistering. Je kunt erop gaan wachten en als het allemaal weer gebeurd is, volgens een soort irrationele, rommelig natuurlijke wetmatigheid, dan zeiden Bril en vrienden, loerend vanaf hun bankje in het Vondelpark: ‘Ha! Het was vandaag rokjesdag.’ ‘Blijkbaar,’ moet je er dan bij denken.
Het allerbelangrijkste aan rokjesdag was dat de acteurs in dit stuk straattheater zich er niet bewust van waren dat zij aan het optreden waren. Nu is de spontaneïteit van rokjesdag helemaal verdwenen.
Na een verfrissende winterslaap, gonst het internet ineens weer van de berichten. Ik las onder andere het volgende:

Jawel, de temperatuur stijgt dus we mogen het over rokjesdag, de 2012 editie hebben. Aanstaand weekend lijkt een mooi moment.”

En ook het volgende bericht (of zou dit nu een zogenaamde tweet zijn?):

“Ik heb rokjesdag 2012 trouwens op de agenda gezet. Wil jij op de gastenlijst? stuur dan een mailtje!”

Er bestaat, zo ontdekte ik, zelfs een website die de situatie scherp in het oog houdt. Of je al rokjes hebt gesignaleerd, wil de website weten. Zo ja, twitter het ons dan.
En dan barst het los: een comité bepaalt de precieze datum van rokjesdag, een geschikte plek wordt gekozen, en daar gaan ze. De rijpe, tamelijk kloeke, linksige vrouwen, achter in de dertig, voor in de veertig, met heel veel paars en lila aan hun lijf, verlaten hun met onbewerkt houten meubelen ingerichte doorzonwoningen in de Pijp om tijdens, godbetert, een rokjesdag-flashmob haar bleke en licht cellulitische benen ten toon te stellen. Ze gedragen zich assertief en triomfantelijk. Ze beseffen niet dat het, wat het ook wel is dat ze denken uit te beelden, in ieder geval juist niet Martin Brils Rokjesdag is. 
Of beseffen ze dat juist wel? Is dit hun ultieme wraak op een seksistisch, vies mannetje?
Ik mag graag een rokje zien en ik juich de komst van de lente hartstochtelijk toe. Toch is wat mij betreft, ondanks dat ik niets heb met Martin Bril, alles aan de moderne rokjesdag verschrikkelijk fout, verkeerd begrepen en van alle glans en poëzie ontdaan.

zaterdag 4 februari 2012

Sneeuw en ijs

Laat ik voorop stellen dat ik niets moet hebben van sneeuw en ijs. Mijns inziens is de ideale temperatuur voor een dier zodanig dat hij zich geheel zonder kleding behaaglijk en veilig kan voelen. In mijn ervaring is dat tussen de 25 en 30 graden Celsius.
Ook ontgaat mij de schoonheid van het winterlandschap, zo helemaal ontdaan van kleur en met een brutaal soort contrast. Ik kan me voorstellen dat een besneeuwd Caspar David Friedrich-achtig berglandschap een zekere vage, “ahnbare”, romantische charme kan overdragen (al ben ik gewoon om in zo’n geval Willem Kloos uit verband te citeren, die zei: ‘Zo’n landschap, ik vind het wel aardig hoor, maar ik moet er wel iets te drinken bij hebben’)
Nee, geef mij het rood van de klaproos, het oker en violet van de irissen, of de duizend tinten paars en roze van de digitalis.
Maar goed, dit allemaal daargelaten, moet me wel van het hart hoezeer de huidige mens geleerd heeft, ver van de natuur af te staan.
We hadden gisteren, las ik in de krant, last van “hevige sneeuwval”, die het hele land platgelegd heeft. Nu ben ik geen deskundige, maar is vijf centimeter sneeuw echt al hevig? Bij hevig denk ik eerder aan dertig tot vijftig centimeter, dit was toch slechts een buitje?
Waarom dan toch dat hevig? Ik denk dat het hierdoor komt: in een nog niet zo ver verleden waren machines robuust. Gemaakt van staal en gietijzer, lopend op kolen en echte olie. Als je harder wilde, drukte of draaide je aan de “harder-knop” en je ging harder.
Een auto deed het en in een noodgeval kon de eigenaar hem repareren zonder eerst een inhaalcursus electronica van een half jaar te hoeven volgen.
Ik hoor u zeggen: Ja hoor, opa. We hadden het wel wat origineler verwacht. Vroeger was alles beter, hè Dwarse? Hmpf. Niet aardig. Maar hoe dan ook...
Tegenwoordig zijn de machines zodanig tot een soort kwetsbare, mannequinachtige elegantie doorontwikkeld, dat een beetje trein hapert bij een enkel sneeuwvlokje, een beetje personenauto met rembekrachtiging ontgoocheld begint te wenen bij zoveel nare koude en een seinhuisje (weet u nog van vroeger: metershoge schakelaars die door pijprokende mannen met stofjassen in positie gesjord moesten worden) is nu een it-centrum dat bij de eerste de beste tegenslag mokkend gaat rebooten.


Niet de sneeuwval is hevig, maar de reactie van al onze fraaie uitvindingen erop is hysterisch en overtrokken.
En omdat al die prachtige technische apparaten niet ontworpen zijn voor normaal winterweer, is normaal winterweer als vanzelf op de schaal afgegleden naar “extreem”. En de mens is vervolgens weer slaafs genoeg om onmiddellijk te geloven in de nieuwe fabels en hem is geleerd om dit doodnormale winterweer, vast en zeker met de oprechtste gevoelens, te ervaren als extreem. Wij maken de machines die ons omvormen. Met de machines mee, veranderen we allemaal in mietjes.

donderdag 2 februari 2012

Zendbrief voor de volgers van De dwarse man


Het zal de lezers niet ontgaan zijn dat ik hier op deze plek een tijdje mijn mond gehouden heb. Om met een oude kennis van me te spreken: ik was verhinderd om redenen van aard.
Geen echte redenen, dus. Of eigenlijk wel.
Laat me het uitleggen.
Ooit heb ik een artikel gelezen waarin gesteld werd dat een blog een soort natuurlijke levensloop kent: geboorte, groei, bestendiging, afname, verpietering. Heel erg zoals een ficus die men mij heeft toevertrouwd.
Aanvankelijk was ik enthousiast aan het werk voor mijn blogje. Ik stond verbaasd over het (in ieder geval vergeleken bij mijn verwachtingen) grote aantal hits en dacht: ‘hier kan ik oud mee worden.’
Als ik reisde, dan kwam er een reisverslag. Als ik las een leesverslag. Als een rockband van vroeger een bekende noot aansloeg op mijn iPod, kwam er een bespiegeling over mijn ontwikkeling als muziekliefhebber. Kortom: een doodnormaal blog, met bedaard enthousiasme volgeschreven.
Een paar experimenten heb ik me ook veroorloofd. Zeer dierbaar is mijn Turfman-cyclus, die ik spontaan, aus einem guss, op woensdagochtenden schreef, als een serie jazz-solo's bijna.
Op een gegeven moment begon ik stukken van mijn roman-in-wording te plaatsen en vanaf dat moment begreep ik dat de koers van mijn blog zich ingrijpend aan het wijzigen was. En wilde ik dat wel?
Toen, in september vorig jaar was er het debacle van web-log, dat een simpele migratie aankondigde waar we nu, al bijna een half jaar later nog steeds de gevolgen van zien. Nog steeds zijn de blogs niet hersteld. Het heeft tot 2012 moeten duren voordat alle illustraties over waren. Nog steeds zien de teksten er verschrikkelijk uit: stuurtekens vervangen diacrieten en je krijgt lappen onleesbare tekst als:

“Mag je op grond van één zin weigeren een boek te lezen? Ik vind van wel. Ik las tijdens het bladeren door een roman het volgende fragment:
‘Wat leuk u eindelijk te ontmoeten, ik heb zoveel over u gehoord, niets dan goeds, en over jullie. Hoi, ik ben Hilly,’ gaf ze mijn zusjes een hand.
Deze stijlfiguur, namelijk om in plaats van het werkwoord “zeggen” een willekeurig ander te kiezen, beschouw ik als één van de grote zondes tegen de taal.”

Ik ben gauw uit het veld geslagen. Dat is een in de loop van mijn leven steeds sterker wordende karaktereigenschap die ik haat, maar waar ik niets aan kan doen. Zoiets als het bovenstaande op mijn blog te moeten lezen, doet me met razende vaart de moed in de schoenen zinken. Zoals zovelen met mij (precieze cijfers heb ik niet, maar het zou me niets verbazen als web-log ondertussen op de rand van een faillissement verkeert) heb ik het allemaal niet afgewacht en ben ik opnieuw begonnen, nu onder de vlerken van het gehate Google. En hoewel het er allemaal prima uitziet: mooie foto op de balk van mezelf poserend voor de Elevador de Santa Justa in Lissabon, een prima vormgeving en veel mogelijkheden om statistieken en andere gegevens te volgen, was het vuur eigenlijk toch een beetje verdwenen. Was het blog in de vierde fase geraakt? Was dit het einde?

NEE!

De dwarse man heeft tijd nodig. Andere bezigheden vullen mijn schrijfagenda. Plus: ik moet nadenken over wat ik nu eigenlijk verder wil met mijn blog. Beslissingentijd. Geef me een paar weekjes. Ik ben nog niet gestopt. Lieve lezer, blijf me volgen!

donderdag 12 januari 2012

Troost


Om te beginnen moesten we drie keer het internet op. De NS-planner en de OV-planner zijn het niet met elkaar eens en de rederij beweert helemaal dingen die niet waar kunnen zijn. Of wel?? Spijtig toch, al die wijzigingen in de diverse dienstregelingen. Vroeger wisten we het op een prikkie, en reisden we als het ware blind.
Het probleem is dat de reder een veer aankondigt dat op het plezierige en makkelijk bereikbare uur van half vier afvaart, maar dat de OV-planner dat veer niet erkent. Er vaart, beweert deze leugenachtige website, alleen maar een veer om half twee, en daarna pas weer een om half zeven. Ook al vertrouw je de reder op zijn blauwe ogen, en leg je de OV-planner uit dat je toch echt om drie uur op de kade wil zijn, dit stuk sofware blijft verongelijkt morren en zaniken. Je voelt de tegenzin.
Uiteindelijk hebben ons vermand: we laten ons toch niet bedotten door zoiets triviaals? We hebben met de hand toch een soort van planning weten te maken en eerst dan begint het feest echt.

- Lopen naar station Haarlem.
- Trein naar station Amsterdam Centraal.
- In Hilversum overstappen richting Zwolle.
- In Zwolle overstappen richting Leeuwarden.
- Een beetje gehaast de bus halen naar Lauwersoog.
- In Lauwersoog wachten of dat veer van half vier echt vaart: zien is pas geloven.
- In drie kwartier over naar de Veerdam op Schiermonnikoog (memo voor onszelf: doorlopen in het veer zodat we aan de uitgangszijde komen te zitten).
- Rennen naar de bus (er staan er altijd te weinig, en dan moet je een half uur wachten tot de eerste lichting weer terug is.)
- Uitstappen in het dorp. De deur staat open, bellen hoeft niet.

We zijn ondertussen ruim zes uur onderweg.
Even een kopje koffie doen bij schoonmoeder! Hopelijk heeft ze kruidkoek gebakken.


woensdag 4 januari 2012

Het Comomeer: niet voor iedereen


In het noorden van Italië liggen, vlak naast elkaar, vier grote en een aantal kleinere meren, die ieder hun geheel eigen karakter hebben. Dat karakter kun je aflezen aan de soort toeristen die de respectievelijke meren bezoeken. Het Lago Maggiore, met zijn vele vervallen en soms half ingestorte hotels, schijnt vooral door Italianen zelf bezocht te worden. Verrukt zijn ze van de Borromeïsche eilanden, met het Isola Bella. Witte pauwen, een paleis met druipsteengrotachtige kamers, grote hoeveelheden zandstenen en marmeren beelden, niets kan de Italiaan van zijn mening doen stappen dat dit groteske eiland het hoogtepunt vormt van het allermooiste Italiaanse meer. Nederlanders doen het af als kitsch en reizen snel door. Iets verder naar het oosten, grotendeels in Zwitserland, ligt het Meer van Lugano, deftig, duur, en waardig. Campione, het meest vermaarde Italiaanse Casino ligt er aan de oevers, op een enclave in Zwitserland. Een kakkineuze  tent met een schandalig hoge entree. Maar als je een beetje uit de buurt van de dure plaatsen blijft, en in een rustig dorpje gaat zitten, kun je er veel landschappelijk plezier hebben. Het is een typisch Zwitsers meer in die zin dat het grillig is en woest, zoals het Vierwoudstedenmeer. Het valt dan ook enigszins moeilijk te plaatsen temidden van de Noord‑Italiaanse meren.
Pal ernaast vindt men het Comomeer, waar je veel Engelsen kunt aantreffen. Dit meer heeft, na tweeduizend jaar toerisme, een sfeer gekregen van bedaagde beschaving. Dit merk je vooral als je in het voorjaar in Bellagio, op de noordelijkste punt van het schiereiland vertoeft. Daar wordt, in beschaafd Engels, menig boude uitspraak getoetst aan dikke kunst‑naslagwerken, die met grote vanzelfsprekendheid uit kaki schoudertassen te voorschijn worden getoverd. 
Belangrijk kleiner, het grootste van de kleine meren, is het Iseomeer, waar je veel Nederlanders en friettenten aantreft, terwijl het meest oostelijke meer, dat van Garda, een geliefde uitwijkplaats is voor sportieve Zuid‑Duitsers, die, hun surfplank op een handig karretje achter hun motorfiets gemonteerd, de korte reis door Oostenrijk maken en een week lang iedere avond dronken voor hun tent liggen. Dat is eigenlijk heel jammer, want verder is het een mooi meer, met in Gardone het landgoedje Il Vittoriale van de romantische dichter, fascist, dandy en schavuit Gabriele D'Annunzio: een attractie van wereldformaat. Van deze meren is mijn favoriet het Comomeer.


THUISKOMST?

Het kan je gebeuren dat je ineens dat licht verwarrende gevoel krijgt ergens "thuis" te zijn. Dat kan na een uur plaatsvinden, of nadat je ergens voor de dertigste keer hebt rond gesjokt, of zelfs nadat je er dertig jaar hebt gewoond, en je blinde ogen zich plotseling openen voor het heldere inzicht: dit hier is "thuis".

Mij overkwam het toen we een paar dagen geleden, na een zeer voorspoedig verlopen dagmars dwars door Nederland, Duitsland en Zwitserland, via de "slimme" route Lugano‑Gandria‑Porlezza het pretentieloze stadje Menaggio aan de oever van het Comomeer binnenreden. Het liep tegen negenen. We lieten de koffers in de auto en begaven ons naar een terras waar we ijlings een maaltijd bestelden. Daar, met de slanke, donkere lichamen van voorns en karpers die pal onder onze voeten majestueus langs gleden, en de krokant gebakken resten van hun aanzienlijk minder fortuinlijke ondersoortgenoten op ons bord; met het olijfgroen van het meer allengs grijzer wordend en de temperatuur dalend van zomers naar perfect; met schuin aan de overkant van het meer Bellagio, dat als een ontgonnen marmergroeve lag te rusten in de laatste stralen van de zon, die bij ons al achter de Monte di Tremezzo verdwenen was; daar wist ik plotseling wat ik in mijn leven wilde bereiken: een pied‑à‑terre bezitten in Noord‑Italië. Om er twee of drie keer per jaar thuis te kunnen komen,
Deze keer was ik omringd door omstandigheden die de perfectie van het moment wel heel sterk benadrukten: precies de ideale temperatuur (24 graden), net de juiste hoeveelheid geroezemoes, precies de goede geur (iets met feromonen en pollen), exact de juiste, voor de gelegenheid gekozen alcoholische drank. In deze licht verdovende staat van perfectie ging het meer in de ondergaande zon lijken op een met grove korrel genomen zwart‑wit foto voor een stijlvolle advertentie in een glossy magazine. En blijkbaar vond het Opperwezen dat ook, want juist op dat moment zoefde een razend mooie Maserati het pleintje op en stond in één vloeiende beweging meteen volmaakt geparkeerd: de voorwielen schuin op het trottoir en het kontje precies al het verkeer op de smalle weg van Como naar het noorden blokkerend. Het gekrakeel was gelukkig al spoedig niet meer van de lucht.


WAAROM HET COMOMEER?

Als de herfst het mooiste jaargetijde in Noord‑Italië is, dan is de lente het prettigste. Dat heeft te maken met de herinnering aan de bittere kou van de voorbije winter. Meer dan in Nederland ben je je hier bewust van de seizoenen: met de Alpen om de hoek is de natuur heftig en primitief en zijn de weersveranderingen spectaculair en prikkelend. Wie daar gevoelig voor is voelt zich aan de oevers van het smalle, diepe en ijskoude Comomeer al heel gauw direct betrokken bij de natuur. Het is niet voor niets dat de Italiaanse meren al in de Romeinse tijd een geliefd vakantiegebied waren, waar de stadsmensen tot rust meenden te komen door hun ingeslapen gevoel voor de aarde nieuw leven in te blazen. Tegelijkertijd, echter, vindt men hier forse stukken namaaknatuur, zoals de tuinen en de boulevards, die verfijnd en zelfs gekunsteld aandoen, als een decadent schilderij van een negentiende-eeuwse academische schilder.
Heel wrang is het, dat het Comomeer slechts op zo'n veertig kilometer ligt van een plaatsje dat symbool staat voor een heel ander aspect van Noord‑Italië: het gifdorp Seveso. Ook dergelijke contrasten vind je er.
Met de azalea's en de rododendrons in bloei, met de grote stroom binnen‑ en buitenlandse toeristen nog niet op gang gekomen, afgezien van dus wat bleke Engelsen met kaki schoudertassen, met de meeste hotels nog verborgen achter verveloze luiken en met het statige en olijfgroene meer nog slechts het domein van de vissers, werd ik zo verblind door alles, dat ik beschutting moest zoeken achter een paar glaasjes grappa.

Teneinde aan mijn drank te komen ben ik al drie keer in een winkeltje geweest, waar een oud, besnord man‑wijfje me afwisselend in onverstaanbaar Frans, Engels en Duits te woord staat. Als ik dan uitleg dat ik het Italiaans weliswaar niet bijster goed spreek, maar wel redelijk begrijp, pakt ze met haar droge, hoornachtige handen de mijne, schudt die en zegt in nasaal Duits dat ik juist goed Italiaans spreek. Ik schud het hoofd ("No, no, no, no, no, non párlo Italiano, solamente capíscolo!"), maar zij babbelt maar door, dolblij dat ze eindelijk eens een Duitser treft die de moeite neemt haar taal te begrijpen. Ze complimenteert me voor de zoveelste keer en stopt me de twee flessen die ik wilde kopen in de hand en zegt: 'Nein, für Sie niex. Niex Bezahlen. Sie gute Mensch.' En zo kom ik dus aan gratis acqua minerale. Helaas deed ze niet hetzelfde met de chianti en de grappa: zo'n gute Mensch was ik nu ook weer niet.


DE BOEKEN ACHTERNA

Voor mij is reizen heel vaak: achterna reizen. Zo zat ik 's avonds op een terrasje met een glaasje plaatselijke Grappa en een mineraalwater voor me, alsmede een keur aan boeken. De Italiaanse Reis van Goethe lag er bij, hoewel de Duitse halfgod niet via Como, maar via Garda was gereisd. Daar lag een zeer te loven boek, dat in ruim vijfhonderd pagina's aantekeningen, gedichten en documenten de neerslag bevatte van de levenslange liefdesverhouding tussen Hermann Hesse en Italië. Voorts kon de kenner daar op het terrastafeltje nog de Venetiaanse Brieven van Joyce & Co (Geerten Meijsing en vrienden) aantreffen. Achterna reizen dus.
Nadat ik vrijwel kritiekloos en trillend van anticipatie de wederwaardigheden tot me genomen heb van de schrijvers vóór mij, ga ik ze domweg achterna om alles bevestigd te zien. De reis als kunstboek (op hoogglanzend fotopapier. Levensecht. Erg duur!). Stendhal controleren, en Byron. Loeren in de steeg waar Wagner, om onverklaarbare redenen verliefd op Cosima Liszt, heeft rondgeslopen. De marmeren oksel van de Psyche van Antonio Canova betasten waar Gustave Flaubert een syfillische kus in gedrukt heeft, en ga zo maar door.
Uiteindelijk blijk je, met de geografie en de literatuur hoogstens als aanleiding, uitsluitend jezelf te bereizen. Vandaar misschien dat ik me hier, na een afwezigheid van twee jaar, meteen thuis voelde. Ik had dit meer, dat wil zeggen: dit gedeelte van mijn innerlijke ziel reeds volledig in kaart gebracht, en herkende de aberraties en allusies, de mijne, die me zo dierbaar zijn.
Ik veegde een paar druppels prikwater van een van de boeken en nipte van de bittere en ietwat laffe grappa, die hier merkwaardigerwijs in een cognacglas geserveerd werd en niet, zoals gebruikelijk, in een klein model limonadeglas. De nacht viel tollend van de slaap om haar as en met een donderende klap wierp ze zich tegen een flank: het onweerde. De echte bui dreef bijna direct over, maar een restant bleef hangen. De regen druppelde zachtjes tegen de markies van het terras. In mijn intense geluksgevoel wist ik: zo hoort het ook! Het regent vrij vaak in het merengebied, maar juist dan is Italië me lief, en wordt het verschil met gewone landen zo fnuikend duidelijk. Waar andere landen triest en zieltogend nat liggen te worden onder onveranderlijk grauwe hemels, daar fleurt en geurt Italië ongelofelijk op tijdens een juni-buitje.


BELLAGIO

De volgende dag bracht het openbaar vervoer ons naar Bellagio. Een overtocht die met de langzame boot een klein kwartiertje duurde. Er vaart ook een snelle draagvleugelboot, maar die is beter geschikt voor wat gehaaster toerisme. Een tocht van noord naar zuid (Colico‑Como) duurt ook dan altijd nog anderhalf uur. De boemel doet dat traject in ruim drieënhalf uur.

De situering van Bellagio is uniek. Stellen we ons een Griekse Y voor, en draaien we die 180 graden om, dan hebben we het Comomeer voor ons. Precies in het centrum, aan beide kanten geflankeerd door meerarmen, vinden we het stadje, dat in de Romeinse tijd dan ook Bilacus, twee‑meren, heette. Aan de westzijde kijkt Bellagio uit op de Tremezzina, de streek rond Tremezzo, die niet voor niets de "Tuin van Lombardije" genoemd wordt. Vele diffuse kleurenmengsels maken van de berghellingen een weldaad voor het stadse oog. Als je vanuit Bellagio pal naar het noorden kijkt, kun je bij goed weer tot aan Gravedona, dus bijna het noordelijkste deel van het meer details onderscheiden. Aan de oostzijde, ten slotte, vinden we de iets ruigere oevers rond Varenna, een klein stadje waar ik ooit het huis mijner dromen heb zien staan: vanaf de meerzijde ontdek je met enige moeite een vier verdiepingen hoog, tegen de steile berg geplakt huis, dat bijna geheel aan het oog onttrokken wordt door een ingewikkeld, door wingerd en klimop overwoekerd trappen- en terrassensysteem. Door de steile helling, waartegen het huis gebouwd is, is iedere verdieping als het ware gelijkvloers. De bordessen gaan naadloos over in wilde tuinen met scheefgegroeide olijfbomen die boven het meer hangen. Onderaan, als een soort van havenhoofd, rust een lustprieel met een 18e eeuwse balustrade en een met klimrozen getooide pergola half in het meer. Op de diverse terrassen vinden we veel witgelakt gietijzer en zandstenen tuinbeelden. En in het kleine privé‑haventje slaapt een formidabele autoboot met de vitale vorm van een orka.
Ik repte me naar de tuin van de Villa Melzi. Veel mensen geven de voorkeur aan die van de Villa Carlotta, precies aan de overkant van het meer, maar mij bevalt juist de ietwat naïeve rommeligheid van deze tuin. Melzi werd niet gehinderd door enige smaak. Hij was een kind van zijn tijd (zo rond 1800), en zijn verzameling voorwerpen was dan ook eerder curieus dan artistiek. Wat dat betreft is zijn tuin zeer exemplarisch voor de optimistische verzamelwoede van toen. Zijn belangrijkste verworvenheid was een grote collectie exotische en decoratieve bomen, die vaak onnatuurlijk en plastic‑achtig aandoen, en die meegenomen zijn uit de Andes, China of de Himalaya. Krijtgrijze stammen met helgele bladeren die pijn doen aan je ogen. Bladerkronen die in de meest gekunstelde vormen gewied zijn. Substanties, waarvan het op het eerste gezicht niet zeker is of we nu te maken hebben met hout, gedroogd rubber of oude spons.
Een zandstenen sfinx begroet de bezoeker, die even verderop een paviljoentje in de vorm van een Afrikaanse rieten hut aantreft. Zonder orde en zonder een andere bedoeling dan blij juichend te laten zien wat voor wondere dingen er al niet op de wereld te vinden zijn, staan overal verspreid de beeldjes van draken en dichters, van griffioenen en staatshoofden, van Catullus en van faunen. Vijvers en fonteinen op vreemde plaatsen blijven de geest verrassen.
Ik doorkruiste het smalle park, dat zich over een kilometer langs de oever van het meer uitstrekte, en uiteindelijk verliet ik het aan de zuidelijke kant, bij het kleine, pittoreske haventje van de voorstad Loppia di Bellagio, waar ik op een bank gezeten mijn reisboekje ging bijwerken.
Ik zou daar de rest van mijn leven kunnen blijven zitten, besefte ik. Zou dat niet mooi zijn? Langzaam te verstenen, in de zon te verbleken, in de sneeuw van januari een beetje te verbrokkelen, en vervolgens voorgoed op te gaan in het stenen schimmenspel van deze lustwarande. "Kijk, kinderen," zouden de ouders tegen hun opgewonden kinderen zeggen terwijl ze mijn beeld naderden: "het meest legendarische van alle fabeldieren: de reiziger."

(foto’s van Roberto)