woensdag 6 april 2016

Mijn Tuin

Er zijn mensen die het allemaal maar onzin vinden, maar mij zegt het wel iets: zestig worden. Juist deze leeftijd. De afsluiting van je middelbare jaren. Dus leek het me een goed idee om dit mijlpaaltje wat bijzondere allure te geven door naar Madrid af te reizen met mijn geliefde, met wie ik, een dag na mijn verjaardag, ook nog eens precies tien jaar samenwoon.

Eén ding met name had me voor Madrid doen kiezen en dat was de Tuin der Lusten van Hieronymus Bosch: een van zijn schilderijen die niet te zien zijn in de grote tentoonstelling in Het Noordbrabants Museum in Den Bosch. Het leverde een goede gelegenheid op om wat te mijmeren over dit aspect van mijn mythologie intérieure, want vanaf mijn jeugd heeft dit schilderij als iets archetypisch op de een of andere wijze deel uitgemaakt van mijn leven. Soms assertief en dominant in liedteksten van Lennaert Nijgh of op de platenhoezen van Deep Purple, Pearls Before Swine, Sun Ra (en tientallen anderen), maar vaak ook wat bescheidener, in de grote platenboeken die ik bij de Slegte gekocht had en via die boeken ook permanent in mijn hoofd.

Mijn belangstelling voor het bizarre is altijd een leidraad geweest in mijn cultuurleven: was het niet de anarchistische koldermuziek van de Bonzo Dog Doo Dah Band, of het esoterische mysticisme van de componist Alexander Skrjabin, dan haalde ik het wel uit boeken van Alfred Jarry of Philip José Farmer. Gewone kunst was saai, vond ik, alleen verknipte kunst kon boeien. Ik heb dat nog steeds wel, die kinderlijke hang naar het buitenissige. Juist mijn zestigste verjaardag is een goed moment om me dat nog maar eens te realiseren: ik zal nooit compleet volwassen worden!

Wie kan het me derhalve euvel duiden dat, toen ik in januari online de kaartjes voor het Prado ging boeken, ik uitgerekend mijn verjaardag als bezoekdatum besloot in te typen? Het moest gewoon zo: het kon niet anders. Ruim vijfenveertig jaar fascinatie zou eindelijk een bekroning vinden. Hier bestaat een vreselijke taalvervuilende uitdrukking voor, die ik thans liever niet zal herhalen. Men kent haar wel: iets met een emmer en een lijst.


Zo stond ik op mijn verjaardag oog in oog met het drieluik, er nog slechts van gescheiden door een roestbruin koord. En door ongeveer vijfenvijftig ongeïnteresseerde middelbare scholieren in voetbalshirts met Fly Emirates erop gestencild. Pas toen die eenmaal alle vijfenvijftig met hun telefoontoestel het obligate en zinloze fotootje gemaakt hadden (op Internet zijn prachtige hoge resolutie foto’s te vinden van vele, vele megapixels groot) en doorgeschoven waren naar een volgend stuk nietsvermoedende schilderkunst, kon ik eindelijk het werk van dichtbij bekijken. Ik had er een wonderlijk, heel dubbelzinnig gevoel bij: was dit het nu? Een mooi schilderij, dat zeker. Ik kende het uiteraard al heel goed van de plaatjes, maar de werkelijkheid is, zoals iedereen altijd weer kan vaststellen, een stuk intenser. Met mijn ogen dronk ik de opvallend fris ogende kleuren in. Ik verbaasde me over de vele welbekende, maar daardoor nog niet minder onverklaarbare figuren en hun potsen. Met name genoot ik van die rare vlees- of orgaanachtige, roze en blauwe gebouwen in de achtergrond. Hoe zou de Middeleeuwse fantasie hebben gewerkt? Ik schoof systematisch langs het drieluik. Zonder totaal extatisch te zijn, ervoer ik het kunstwerk met een zeker welbehagen. En toch, en toch… De Engelsen hebben er een term voor: ik was lichtelijk underwhelmed.

Was het dan allemaal een min of meer betekenisloze oefening geweest? Ik piekerde daar een beetje verstoord over. Pas toen ik weer bij het schilderij was weggelopen en het in de context van de hele zaal zag hangen, vermomd als een gewoon kunstwerk, pas toen werd me de keel verstikt door een golf van diepe ontroering. ‘Zo’, dacht ik solidair, ‘daar hangt-ie toch maar even!’ Je moest er gewoon niet te dicht bij gaan staan. Kijk hem daar toch, mijn Tuin der Lusten! En kijk mij, hier in het Prado. Eén tussen duizenden. Maar stellig niet gewoon. En wel mooi zestig!

vrijdag 25 maart 2016

Leesrapportje 4

14 februari 2016
Michel Houellebecq – Elementaire deeltjes (1998)


Jaren geleden had ik al eens Platform gelezen. Geen vrolijk stemmend boek, maar dat moet je waarschijnlijk ook niet bij deze man verwachten.
Wat bij Elementaire deeltjes direct opvalt, is de zakelijke opsomming van de externe elementen door welke zijn personages hun vorm krijgen en die de plaats gaan innemen van deze personages zelf, die slechts dragers zijn van deze externe elementen, marionetten van hun biochemie.
De verwantschap met Georges Perec en diens roman Les choses dringt zich op. Waar Perec mensenlevens beschrijft louter aan de hand van de spullen die in de loop der jaren aangeschaft worden, beschrijft Houellebecq zijn mensenlevens aan de hand van de biochemische processen die de geslachtsdrift bij de ene, en het ontbreken ervan bij de andere broer, bepalen. Een groot verschil tussen de twee schrijvers echter is dat Perec in het diepst van zijn wezen een humanist is: ondanks zijn klinische beschrijving van de oppervlakkigheid en zinledigheid van het westers materialisme, blijft zijn toon mild. Bij Houellebecq niet: zijn cynisme is zijn drijvende kracht en hij veracht de beschadigde mensen die hij handelend op laat treden met een soms adembenemende hartstocht. Hij laat niets heel van de marionetten die ze zijn, en het lijkt hem niets te kunnen schelen.
Qua compositie is het een boek dat eigenlijk liever niet gelezen wil worden. De spanningsboog, zo die al te onderscheiden valt, sputtert en hapert voortdurend, meestal om ruimte te geven aan lange theoretische beschouwingen. Twee potentiele emotionele hoogtepunten, de respectievelijke dood van de twee vrouwen van de broers, wordt, precies door de emotieloze beschrijving ervan een lakmoestest van de sentimentele instelling van de lezer: ik ging me bijna schamen toen het verhaal me ondanks alle cynische voorzorgsmaatregelen van de schrijver toch aangreep.
Uit alles blijkt: in een literaire wereld van schrijvers als vrienden en schrijvers  als vijanden, neemt Houellebecq een positie in aan een extreme kant van het spectrum: hij is de ultieme vijand. Hij heeft een hekel aan zijn hoofdpersonen en hij heeft een hekel aan de lezer.
Ik zal later nog zijn recentste boek Onderwerping gaan lezen, omdat dat handelt over een Huysmans-kenner, maar verwacht het wel daarbij te zullen laten.

20 maart 2016
Astère Michel Dhondt - Het diepe zuiden (1982)
Wat een tragische persoon! Niet heeft hij het pad van de misdaad gekozen, maar dat pad kruiste het zijne: hij is pedofiel. Door niet te veranderen, is hij in de loop der jaren veranderd in een misdadiger. Ik vind dat tragisch. Voor zover ik weet schrijft hij niet meer, en leeft hij teruggetrokken.
Deze Vlaams/Nederlandse schrijver was vermaard om zijn lyrische stijl, de subtiliteit waarmee hij zijn precaire gevoelens beschreef. Men had hem binnengehaald als een groot talent. Dat was in de zestiger jaren.
Dat beloofde veel voor zijn eerste reisboek, over het midden en zuiden van Italië. Helaas blijkt dat enorm tegen te vallen. Het boek bevat maar heel weinig van dat lyrische. Integendeel, de drie verslagen (verhalen mag je ze eigenlijk niet noemen) zijn vaak gortdroog in hun opsomming van wat de kunsthistoricus op zijn reizen door Apulië, Abruzzen en Sicilië aan kerkarchitectuur tegenkwam. De schrijver komt over als een beleefde, nette, ietwat kleurloze student kunstgeschiedenis. Wel één met goede sociale eigenschappen en een Italiaanse taalbeheersing, waardoor hij vaak wat intiemer wordt met de plaatselijke bevolking dan een gewone toerist (waar hij dan verdorie weer veel te weinig over prijsgeeft!)
Een nuchtere opsomming dit. Een notitieboekje, eigenlijk meer de basis voor een later te schrijven, smeuïg écht reisverslag.

23 maart 2016
Hans Plomp - Huize de Slapeloze Nachten (1971)
Ik heb in mijn kast ook een hele sliert boeken van Hans Plomp staan, de stadsdichter voor het leven van Ruigoord. Beslist een schrijver niet voor iedereen. In bijna fonetisch opgeschreven dialogen wordt melig, slappe lacherig het leven geschetst van een aantal hippies/junkies, toffe vogels in een kraakpand. Larrie, Bertus, Hommeltje, Krijn de Abessijn blowen, neuken, hallucineren en ouwehoeren dat het een lust heeft. Niet lezen als u last heeft van politiek correcte gevoelens.
In een vorige bespreking, van het boek van Martin Koomen, heb ik me een beetje boos gemaakt over die techniek van hyperrealistische dialogen, maar waar het bij Koomen een doorzichtig stijltrucje bleef, is het bij Plomp een wezenlijk onderdeel van de surrealistische sfeer die hij wil oproepen. En ja, dán werkt het wel.
Plomp heeft een rare pen, die soms in al het gemeander een zeer scherpe observatie kan plaatsen. Het zetten van een spuit heroïne wordt met de grootste nauwgezetheid beschreven, compleet met de psychedelische ervaring waarin de twee spuiters allengs één persoon lijken te worden.
Soms slaat het absurdisme toe in een gouden one-liner.

- Heeee... daar hebben we Larrie. Wat loopt i vreemd!
- Tja, ik heb verkering. Ik loop met kleine pasjes.

Prachtig! Schitterend!
Hier en daar werd ik erg vrolijk van de respectloze literaire grapjes die Plomp uithaalt met de taal. Mijn favoriete fragment, hoe melig ook, dat me het meest amuseerde, waar ik zelfs hardop over heb moeten giechelen (alsof ik zelf weer eens aan de joint was, wat toch alweer twintig jaar geleden voor het laatst gebeurde), was het volgende:

Larrie voelde een joviale por in zijn Rug. (Rug bedoel ik. Rug, met een kleine letter. ik bedoel rug.)

Het zijn allemaal dunne boekjes, van Hans Plomp, en ik denk dat ik er de komende tijd nog wel een paar van zal lezen.

zaterdag 12 maart 2016

Leesrapportje 3

28 februari 2016
Martin Koomen – Abramelijnse magie (1984)
De uitgeverij waar mijn vader werkte voerde een paperbackreeks getiteld (uH) Unofficial History. De naam zegt het al: speculatieve, marginale onderwerpen, veelal beschreven met gevoel voor het spectaculaire, het buitenissige. Meer hoopvol dan wetenschappelijk. Eén van de boeken in die reeks was Het ijzige zaad van de duivel, van zekere Martin Koomen. Het omslag, een nogal lompe bewerking van een griezelschilderij van de Zwitserse-Britse schilder Henry Fuseli, beloofde al.

Dit boek was een typisch product van zijn tijd (1973). Mythes, geruchten, verzinsels en speculaties werden met een naïeve gretigheid aangehaald. Op onveranderlijk guitige toon werd gesuggereerd dat er veel meer is op aarde en in de æther dan we denken. Zo boordevol naïveteit is dit boek tegenwoordig voor mij, thans solide met twee stevige benen op de aarde staand, dat ik het niet meer kan lezen, maar in mijn vormingsjaren raakte het een snaar. Ik hield hartstochtelijk van het occulte, las boeken van Erich von Däniken, oefende mijn telepathische en telekinetische vaardigheden, luisterde naar Nacht en Ontij van Boudewijn de Groot, of de langspeelplaten van Black Sabbath, keek zelfs met een half oog naar Catweazle. Ik was bepaald ontvankelijk voor het onverklaarbare. Toen Koomen met Abramelijnse magie een occulte roman publiceerde, moest ik die ook hebben. Dit werkstuk heb ik de afgelopen dagen herlezen en dat viel niet mee.

In een ware middelbare schoolse opstel-stijl (“het was namelijk zo, dat”, “het bleek hoogst interessante lectuur”, kabbelt een kabbalistisch verhaaltje voort rond een schrijver/schelm genaamd Alexander (“zeg maar Lex, mijn waarde vriend”) Asselbron, die schimmig en onbetrouwbaar door het leven glijdt en wiens experimenten met praktische magie uitlopen op een voorspelbare apotheose.

Niet zo goed geschreven dus, dit boek, en mede door de in de zeventiger jaren helaas zo overvloedig gebruikte techniek van het letterlijk weergeven van dialogen, vol haperingen, vergissingen en anakoloeten, eigenlijk alleen maar irritant. Dit boek gaat na lezing de Biblioteca Eksteniana verlaten, vrees ik.


6 maart 2016
Iain Pears - The immaculate deception (2000)
Het zevende deel van de onderkoelde, ironische maar tegelijk gepassioneerde en hoogst intelligente kunst-detectivereeks met Jonathan Argyle, Flavia Di Stefano en generaal Bottando in de hoofdrol.

Het is vakantie, en op mijn vakantieadres lees ik graag deeltjes uit deze reeks. Na beëindiging van deze detectivereeks is Iain Pears heel andere paden ingeslagen en nu is hij bekend als schrijver van ambitieuze, veelgelaagde historische literaire thrillerconstructies (die zelfs een app nodig hebben voor volledig begrip!) waar ik het later nog wel eens over wil hebben.

Dit allerlaatste deel uit de Argyle-reeks is niet het sterkste uit de serie. Het moet het weer hebben van plot, eruditie, ironie en karakters, maar met name de plot is mij iets te rijk, en er is iets te veel uitleg nodig aan het eind betreffende de Brigate Rosse, de corruptie van de Italiaanse politiek en allerlei losse eindjes in de persoonlijke sfeer.

De terloopse ironie, het geestige formele taalgebruik om de meest triviale zaken aan te duiden, het mengsel van diep respect en respectloze familiariteit waarmee de Italiaanse kunst tegemoet wordt getreden, maken daarentegen zoals gewoonlijk wel weer heel veel goed. Een schaterlach van herkenning had ik toen, tijdens de bespreking van een schilderij van Claude Lorrain de kunstkenner Argyll over diens figuren opmerkte: ‘Claude couldn’t do people for toffee. Arms and legs too long. Bums in the wrong place.’ Precies! Dat was mij dus ook al eens opgevallen. Leuk dat mijn ongeschoolde indruk hier door een expert bevestigd wordt. Iain Pears zelf is immers kunsthistoricus van opleiding.
Ondanks de topzware plot dus toch weer een fijn boek. Ik ga ze alle zeven snel herlezen. Liefst op een Grieks eiland.

7 maart 2016
Zoran Živković - Het laatste boek (2008)
Een snelle opeenvolging van uitgelezen boeken. Vakantie doet dat soms met me.

Dit was een heel vreemd, en uiteindelijk uiterst onbevredigend boekje. Het begon als een klassieke complot-thriller. Ook de vormgeving (omslagontwerp etc.) suggereerde dat heel sterk. De bol.com-samenvatting is daar ook  heel duidelijk in: "Vanwege een serie mysterieuze sterfgevallen bezoekt literatuurliefhebber en politie-inspecteur Dejan Lukić de Papyrus Boekhandel. Hij ontmoet de aantrekkelijke eigenaresse, Vera Gavrilović, en ontdekt wat de slachtoffers gemeen hadden: vlak voor hun dood lazen ze allen een ongeïdentificeerd werk, het laatste boek". 

So far so good.

De sfeer is op een prettige wijze proefbaar anders dan in westerse romans met een vergelijkbaar thema. De tinten zijn zachter, de melancholie sijpelt door het regenachtige clair-obsur van de Midden-Europese stad en de karakters zijn op een net even andere manier excentriek dan we gewend zijn.

Maar helaas, in plaats dat het mysterie wordt opgelost, dwaalt de novelle langzaam af naar een wereld van magisch-realisme, dromen en déja-lu, waarin de dader, als je hem zo mag noemen, de inspecteur zelf blijkt te zijn, geloof ik, die het laatste boek bedacht heeft en de onverklaarbare sterfgevallen door ze te dromen ook zelf veroorzaakt heeft. En dan is het verhaaltje ineens afgelopen en leven Dejan en Vera nog lang, verliefd en gelukkig samen. De laatste tien pagina’s lachen mij als lezer eigenlijk gewoon uit.

Kijk! Dan voel ik me, als behoorlijk rationeel mens, behoorlijk bedot. Weliswaar is het allemaal beter geschreven dan het werk van Harry Mulisch, maar uiteindelijk is het boekje toch wel zeer verwant aan dat, voor mij zo onpruimbare, gratuite surrealisme waartoe de Apollo van het Leidseplein ook zo vaak zijn toevlucht nam.




woensdag 9 maart 2016

Zestig

Ik ben van 1956, Dat betekent dat ik dit jaar zestig word.
Veel meer dan de vorige mijlpalen, boezemt deze noodlotszwangere verjaardag mij ontzag en angst in: erna ben ik definitief en officieel oud. Misschien zit niet iedereen daarmee, maar ik dus wel. Het is voor mij een omineus moment en merkbaar harder en harder boldert vanaf nu het karretje de heuvel af, meer en meer van mijn ijsje verlies ik onderweg, leger en leger wordt mijn hoorntje.
Het probleem van de viering heb ik wat mezelf betreft sluw opgelost: ik ben het land uit, net als Frans. Wie me wil feliciteren zal me internationaal moeten bellen en ik heb geen mobieltje bij me!

Maar ook al mijn vrienden worden zestig. En dat levert complicaties op. Natuurlijk denken de meesten hetzelfde als ik: ‘Ik wil niets hebben, laat maar. Ik heb alles al, asjeblieft geen cd’s van nieuwe topartiesten, of boeken van de bestsellerlijsten: ik beluister en lees ze toch niet.’ Bovendien, als je al iets zou moeten geven op iemands zestigste verjaardag, laat het dan iets van gewicht zijn. Iets memorabels. Iets dat opgewassen is tegen de ernst van een initiatie in de ouderdom.
Helaas hebben lang niet alle vrienden de innerlijke beschaving om deze dag aan zich voorbij te laten gaan, en dus moet ik alsnog op zoek. Niet voor mezelf, gelukkig, maar niettemin nog steeds met snel groeiende wanhoop.

Natuurlijk vraag je een sexagenariër in opleiding niet wat hij of zij wil hebben, dat zou veel te frivool zijn. Hier moeten we zelf creatief, empathisch en spitsvondig zijn.
Een opgezette havik? Een vaas? Een geestig etsje aangekocht tijdens de Kunstvijfhoek? Een nespressomachine?? Laat me niet lachen.
Ook geen boeken dus (misschien de verzamelde werken van Bert Schierbeek? ’t Zou me wel een statement zijn!), geen cd’s in vredesnaam (een complete Ring van Wagner? Zit Kees of Fons daarop te wachten?). Dure, glossy kookboeken van Yotam Ottolenghi? Nee nee, Eksteen: allemaal veel te luchthartig. Alsof het leven na die dag gewoon door zou gaan!

Uiteindelijk heb ik, zoals onze Vlaamse vrienden dat zo mooi zeggen, toch maar de duimen gelegd. Ik ben het een paar van de feestvarkens maar gaan vragen.
Frans was makkelijk: ‘Nee man, ik doe er he-le-maal niets aan! Ik ga lekker twee weken naar Hong-Kong.’ Tiny reageerde praktisch: ‘Ik wil van iedereen een geldbedrag voor een elektrische fiets.’ OK. Redelijk. Fons daarentegen werd duidelijk overvallen door mijn impertinente vraag. Stamelend kwam hij niet verder dan “goeie sokken, of een tweepersoonsdekbedhoes”.

Oh ja? Hallo? 1.60 breed? 1.80, twee meter? Zeg het maar. Zijde, linnen, kant, polyester, anti-allergeen?
Wat dacht je van effen? Effen grijs misschien, of liever toch karmozijn? Hemelsblauw of bruin? Misschien beter met een patroontje? Wat voor patroon past het best in je slaapkamer, vind je zelf? Iets abstracts, Vasarely bijvoorbeeld? Iets Biedermeierigs of beter juist strak? Bestaan er Rothko-dekbedhoezen? Of gaan we voor de onbedoeld ironische esthetiek van een hindoestaanse meubelwinkel, met vals glimmend nepgoudbrokaat en kwasten?
Nee ik weet het: tribal, met zebrastrepen! Of nee, toch maar iets koddigs met een tekst erop: Sweet dreams are made of this.

Erger nog dan zestig te zijn is, dunkt me, zestig te worden.

woensdag 24 februari 2016

New-age geldwolf

Goud in gindse new-age heuvels
Goud in gindse new-age heuvels

Zij is een new-age geldwolf.
Ze was ooit een hippie lone wolf.
Toen had ze haar overal,
Maar nu is ze totaal,
zelfs van onder, helemaal kaal.

Hij is verzorgd van wieg tot graf.
De mensen vinden hem wel maf.
Hij gokt zijn hele leven weg
en luistert niet naar wat men zegt.

Ze gaan naar Peru,
beklimmen Machu Picchu.
Zijn naar Stonehenge gegaan,
Ontmoeten daar hun sjamaan

Ze gaan naar Egypte,
mediteren in de crypte.
Zij waant zich Isis
midden in een crisis.

Haar leven is drama,
het ene na het andere.
Dus gaat ze naar de Dalai Lama
op zoek naar beter karma.

Ze zegt: ‘Zoek diepgang in getallen
Dat is de poort naar het walhalla.’
Met haar ogen wijd open
Gaat ze jou van alles verkopen.

Ik wil dat ook,
wil dat ook, wil dat ook
Ik wil dat ook,
wil dat ook

Hier heb je het, kom maar halen.
Kom maar halen, kom maar halen,
kom maar halen.

Goud in gindse new-age heuvels
Goud in gindse new-age heuvels

Ze is een new-age geldwolf.
Ze was ooit een hippie lone wolf.
Toen had ze haren overal,
zelfs van onderen een baal.

Goud in gindse new-age heuvels
Goud in gindse new-age heuvels (etc.)

(Jennifer & Phil Shiva Jones)



donderdag 18 februari 2016

Leesrapportje 2


4 februari
Julien Green - Journaal (1946-1978)
Het tweede deel van de dagboeken zoals die verschenen zijn in de reeks Privédomein. De jongen is er nog steeds, ook als hij zestig is. Nog steeds de wat naïeve directheid van een onzekere puber. Maar daarbij is Green zich langzamerhand aan het ontwikkelen tot een ware kwezel. Zijn persoonlijke leven is katholiek, zijn worsteling met zijn homoseksualiteit is katholiek. Je krijgt het beeld van iemand bij wie de onthouding op geen enkele wijze natuurlijk komt. Hij volgt geen dieet maar hij vast. En dat blijft altijd pijn doen, het is een onthouding die geen geluk brengt, maar vooral twijfel en weerzin. Het is een negatieve toestand, niettegenstaande de vele mooie, vrome woorden die de zoekende ervoor gebruikt.
Ik vind Green het sympathiekst in zijn dromen, die vaak heel frappant zijn. Hij droomde dat hij onthoofd werd en daarna gewoon met de tram naar huis ging...
Vreemd hoe de jongeman van zesentwintig en de oude man van vierenzeventig eigenlijk onveranderd dezelfde gebleven zijn. Het tempo ligt wat lager, de intensiteit vertoont hier en daar wat speling, maar au fond zit daar nog steeds die jongen van achttien, die zoekend/twijfelend gelijk hoopt te hebben.

10 februari
Hendrik van Teylingen - De schildpad en het schot (1985)
De eerste verhalenbundel van de domineeszoon die later zijn heil zou zoeken in de oosterse mystiek.
In Van Teylingens necrologie in Trouw van 28 december 1998 schrijft Tom van Deel: Het opmerkelijke aan Van Teylingens literatuur is dat ze niet bezwijkt onder het getuigende karakter ervan, in tegendeel, en dat is precies mijn eerste gedachte geweest bij het lezen van dit boekje.
Henk, de hoofdpersoon van deze bundel, besluit op een dag zich aan te sluiten bij een godsdienst die officieel Gaudiya Vaishnavisme heet, maar die wij beter kennen als de kleurrijke Hare Krishna beweging. Het mooie is dat dit een volstrekt vanzelfsprekende gebeurtenis is. Van Teylingen doet geen enkele poging om de lezer uit te leggen waarom, noch om die lezer naar zijn geloof over te halen.
In plaats daarvan schetst hij humoristisch, goed geschreven en hier en daar een beetje venijnig het leven in de commune in het oude Amsterdamse grachtenpand. Hijzelf en zijn geloofsgenoten worden bijvoorbeeld, vanwege hun geprefereerde zithouding (kleermakerszit) enkeleeltverzamelaars genoemd.
Toen dit boek verscheen was Van Teylingen overigens alweer uit de beweging gezet, en was hij met zijn eigen Sri Chaitanya-gemeenschap begonnen. Dat zou de volgehouden ironie kunnen verklaren, die overigens nooit een spoortje van kwaadaardigheid krijgt.


17 februari
Hendrik van Teylingen – Zorgvlied (1986)
Nog een verhalenbundel van Van Teylingen, nu niet over zijn vlucht naar een nieuw geloof, maar zijn ontsnapping aan het oude. Met de melodramatische verontwaardiging van een kind geneert de domineeszoon zich kapot en scheldt zijn vader uit voor godsdienstwaanzinnige. Krasse terminologie, die toch in een ander licht komt te staan als je je realiseert hoezeer Van Teylingen zelf later een ongemeen streng, zij het niet langer Christelijk geloofsleven aan zou nemen. Bovendien komt de vader er eigenlijk helemaal niet zo slecht van af. De paar keer dat hij handelend of beslissend optreedt, is hij eigenlijk wel verstandig en begripvol. Ik zie dan ook ondanks alles een mild, en onder alle grappen zelfs wijs boek.
Ook hier hebben we weer te maken met de heldere, ironische schrijfstijl die we van Van Teylingens eerder werk al kennen. Nu en dan doet hij me qua stijl sterk denken aan Lennaert Nijgh, wiens roman Tobia ook handelt over een naar volwassenheid zoekende jongeman, omringd door dominees en andere krankzinnigen.

woensdag 10 februari 2016

Cocooning in zwart wit en full-color


Ik heb nooit zoveel opgehad met de wintermaanden, vooral niet met februari. Hoewel het dit jaar wel gaat, houd ik altijd een groot onbehagen waar het de F-maand betreft.
Door de tijdelijke omstandigheid dat mijn levensgezellin tegenwoordig voor haar werk in de vluchtelingenopvang avonddiensten draait, heb ik deze winter een voor mij geheel nieuwe manier van cocooning kunnen uitproberen. Gewoonlijk duik ik weg in boeken en tijdschriften, soms met een beige fleece dekentje over me heen tegen de echte of vermeende koude van het bikkelig seizoen, maar de afgelopen maanden ben ik weggezonken in tv-series en misdaadkomedies uit de jaren zestig en zeventig, en dat zeer tot mijn bedaagde plezier.

De moderne mens schijnt niet meer zonder de keiharde, supersnelle, kordate tv-series van HBO te kunnen. Ik begrijp daar niets van, want wat voor mij al die series gemeen hebben is een overdaad aan abstracte, computergegenereerde bewegingen en tumultueus geweld, die mij al na twee minuten tot tranen toe verveelt. Nee, dan zoek ik mijn heil liever in de bedaardheid van The Avengers, Mission Impossible, The Rivals of Sherlock Holmes, Cadfael, The Man from U.N.C.L.E., The Persuaders of I Spy.

Desalniettemin ben ik een moderne vent en ben ik behoorlijk handig op het internet, zodat ik via allerlei bronnen ondertussen de meeste van die series wel op de harde schijf heb staan, klaar om via een USB-stick bekeken te worden. Niet in de cloud, natuurlijk, want dat vind ik weer flauwekul en waan van de dag. Modern conservatief zijn: het luistert nauw, heel nauw!

Als Jenet op een zaterdag of zondag om twee uur ‘s middags naar de Bijlmer vertrokken is, om niet vóór middernacht terug te keren, schuif ik de hangstoel voor het schouwvlak, bereid een schaaltje nootjes, schenk me een tonic of een single malt in en ga lekker zitten binge-kijken.

Robert Culp en Bill Cosby
Waar ik me op voorhand het meest van voorgesteld had, was de enige serie uit mijn jeugd waar ik dispensatie voor had gekregen van mijn ouders. Als Dubbelspion (I Spy. Ik meen op dinsdag, ik meen bij de AVRO) op de tv was, mocht ik een half uurtje langer opblijven. Maar juist deze serie viel me in het begin behoorlijk tegen. Aanvankelijk kon ik de sfeer niet terugvinden die ik me herinnerde van vroeger. De chemie tussen de blanke tennisser en zijn zwarte coach, beiden tevens geroutineerde geheim agenten met schouderholsters en harde knuisten, ontbrak een beetje. Robert Culp als Kelly Robinson had bij tijd en wijle nog wel een zwierige tinteling in zijn stem, maar de op dit moment zo in opspraak geraakte Bill Cosby als Alexander Scott was eigenlijk maar een sombere, al te serieuze, enigszins broedende figuur. Later, toen de serie wat meer haar eigen sfeer wist te vinden, veranderde dat weliswaar een beetje, maar niettemin heb ik mijn passie van vroeger niet terug kunnen vinden.

Tony Curtis en Roger Moore
Heel anders ging dat met het werkelijk schitterend geremasterde De Versierders (The Persuaders) met Tony Curtis als Danny Wilde en Roger Moore als Lord Brett Sinclair. De chemie tussen de twee mannen spat eraf. Het is een feit dat Moore niemand anders dan Curtis wilde hebben als co-star en dat is te zien. Deze mannen hielden van elkaar en trokken de kijker onweerstaanbaar mee in hun melige, oubollige, gedateerde en verrukkelijke wereld van repartee, banter en quips.
Vooral Tony Curtis is op het homoseksuele af, met zijn kneden van nekken, masseren van dijen en bij de arm nemen van mannen en vrouwen, onderwijl opgewekt honderduit babbelend en de gevaren nooit serieus nemend. Een beminnelijk oud wijf was hij, deze vleesgeworden verpersoonlijking van de metro-man.
Toen ik mijn verrukking over deze 24-delige serie via Facebook kenbaar gemaakt had, ontving ik bezorgde reacties: was dit niet veel te oubollig en gedateerd geworden? Zonder twijfel. Als Game of Thrones je ijkpunt is, heb je hier vermoedelijk niet veel te zoeken. En wat dat gedateerde betreft: ik snap wel dat het woord meestal in pejoratieve zin gebruikt wordt, maar naar mijn mening staat alles in een traditie, vormt alles een doorlopend koord doorheen de tijd, en dient alles dus ook altijd gedateerd te zijn. Natuurlijk kijk je naar de kleuren van 1973, dat was de bedoeling ook!

Patrick Macnee en Ian Hendry
De Wrekers (The Avengers) begon helemaal niet zo veelbelovend. De in zwartwit opgenomen reeks begon op 7 januari 1961 en was een rommelige, ietwat smoezelige vertoning. Niet veel afleveringen van die eerste jaargang zijn behouden gebleven, maar genoeg om te zien dat Patrick NcNee zijn rol nog helemaal niet had gevonden. Zijn tegenspeler was ook nog geen vrouw, maar een man, Ian Hendry in de rol van Doctor David Keel. De John Steed van de eerste jaren was een luidruchtige, vaak ietwat sarcastische volksjongen, weliswaar soms met een bolhoed op het hoofd, maar beslist geen heer. Meer verwant aan Michael Caine dan aan Roger Moore, zullen we maar zeggen. Pas enige tijd later, na eindeloze reeksen met de niet bijzonder opwindende Honor Blackman wist hij met Miss Emma Peel (Diana Rigg) de zo broodnodige chemie te vinden. Toen werd de persoon Steed ook eindelijk de iconische, ironische gentleman die met artistiek gemak en een welgemikte klap met zijn paraplu de boeven buiten westen stelde. Toen pas verscheen ook de meer dan levensgrote persoon van Mother en werd de serie vol excentrieke boeven en slachtoffers een legendarische. Helaas ging zij, met nieuwe tegenspelers, daarna nog veel te lang door.