Posts tonen met het label Architectuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Architectuur. Alle posts tonen

zondag 3 december 2023

Ai!

In de trein zat een stel, eind zestig, misschien begin zeventig. Gesoigneerd, hij een rood plastic brilletje met ronde glazen, zij een chique shawl (geen sjaal). Allebei zo’n beetje vaag progressief-liberaal Oud-Zuid. Uit hun gesprek maakte ik op dat ze, net als wij, onderweg waren naar de Kunsthal in Rotterdam.
‘Heb jij wel eens werk gezien van Weiwei?’ vroeg de vrouw aan de man. De man mompelde iets ontkennends en ik dacht: ‘Zozo. Deze dame kent de kunstenaar zo goed dat ze hem met zijn voornaam aanduidt.’ Ik vond het niettemin vreemd klinken, zoiets als Picasso aanduiden met het intieme Pablo.
We hebben de twee niet meer teruggezien, want wij zouden de tentoonstelling Humanity pas de volgende dag gaan bezoeken, gecombineerd met een inspectie van het Depot van Boymans van Beuningen, in datzelfde Museumpark gelegen.

Eerst stond er een terugkeer naar de Markthal, dat architectonische wonder, op het programma. Ik ben een fan, al sedert het malle gebouw opgeleverd werd. Een woonflat in de vorm van een kolossale triomfboog, met daarbinnen een enorme verscheidenheid aan kramen en restaurantjes in twee verdiepingen, waar het exotisch voedsel uit alle windstreken je tegemoet geurt. In de kelder is ook nog eens een Albert Heijn en een Gall en Gall gevestigd. Na een paar schrale jaren waarin nogal wat leegstand te bespeuren viel, is de hal thans weer volledig bezet en de verscheidenheid is weer groot. Alleen mis ik de kraam met meer dan honderd soorten sambals die er vroeger was.
Ik denk wel eens: hier te wonen. Alleen maar eruit te hoeven voor de geneesvrouwe en de grote vestiging van de Slegte aan de overkant van het plein en verder alles onder één dak te hebben. Ik zou honderdvijfendertig kilo zijn, dat wel. En Jenet wil niet mee, dus beter maar van niet.

Toen we de volgende dag een kijkje gingen nemen bleek het Museumpark lelijk op de schop te liggen. Het evenementendek in het Museumpark krijgt, zo lees ik op internet, een geheel nieuwe inrichting. Meer groen, banken, fonteintjes. Het wordt een plek voor festivals, recreatie en sport. Ik hoop dat het alleraardigste orthodoxe kerkje met de grandioze naam Kathedraal van de Heilige Nikolaas in de hoek van het park een beetje ongemoeid zal blijven.

Laat ik eerlijk zijn: hoezeer ik ook een fan ben van de Markthal, vooral ook als gebouw, ik kan niet werkelijk warm lopen voor het Depot van Boymans, hoewel dat door dezelfde architect, Winy Maas is ontworpen. Ik vind het een beetje over the top, iets té zelfverzekerd misschien. Wie ernaartoe gaat in de verwachting een museum aan te treffen, komt bedrogen uit: het is een werkomgeving die deels opengesteld is voor publiek. Ik vond het leuk en interessant, maar voel niet de drang om er snel weer naar toe te gaan. Ontroerend vond ik wel om te zien hoezeer ook de meest efemere kunstprullen met de grootste eerbied behandeld werden, als frêle bejaarden in het verzorgingshuis.

Ook de Kunsthal is de schepping van een beroemde architect, Rem Koolhaas in dit geval. Hij is iemand die zich niet bezig houdt met trivialiteiten als gebruiksvriendelijkheid, dus de Ai Weiwei-tentoonstelling was een druk rommelzootje, waar smalle gangen gebruikt moesten worden voor uitgebreide tekst en uitleg, zodat iedereen elkaar in de weg liep. We zijn van hem eigenlijk niets anders gewend. Ik heb er hier en hier al eens over geschreven. 

Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik niet vreselijk gelukkig ben met moderne kunst. Natuurlijk tref je hier en daar best heel goede werkstukken aan, de wet der grote getallen schrijft dat bijna voor. Maar diezelfde wet verordonneert ook dat er grote hoeveelheden rommel geproduceerd wordt die maar het beste vergeten worde. Waar in dat geheel Ai Weiwei zich bevindt, is me niet helemaal duidelijk geworden. Ik zal dat uitleggen.
Laat ik vooropstellen dat ik hem, zoals ik hem op film en in werken bezig heb gezien, niet mag. Hij lijkt me een charlatan met grootheidswaan. Hij treft me ook als weinig subtiel. Zijn vorm van maatschappelijk commentaar leveren uit zich bijvoorbeeld door een video op te nemen waarin hij een antieke vaas kapot gooit, of door een prehistorische vaas te beschilderen met het logo van Coca Cola. De boodschap komt over, jawel, maar de manier is wel erg grof en bovendien sleets: hoe vaak is immers zoiets al niet eerder gedaan?

Veel werk bestaat ofwel uit aan elkaar bevestigde ready-mades (schoenen, fietsen, schooltassen) ofwel uit grote illustraties in legoblokjes uitgevoerd, meestal in gemene pastelkleuren. Vaak zien we zelfportretten in dramatische omstandigheden, ten prooi aan de repressieve cultuur van het communistische China. Het zal allemaal wel heel ellendig zijn, maar het resultaat van al zijn slechte ervaringen levert werk op dat zo geobsedeerd is door Ai Weiwei zelf, dat ik dat hele humanistische verhaal van hem maar nauwelijks geloven kan. Ook gaat Ai Weiwei vaak pontificaal in beeld staan, vooral in een zeer groot werk, ook weer uitgevoerd met vele honderden legoblokjes in valse CGA-kleuren, dat de iconische persfoto van het in Griekenland aangespoelde jongetje kopieert, maar dan met de kunstenaar zelf als tweejarige drenkeling. Wat theatraal, denk ik dan, wat volledig op zichzelf gefixeerd! Ik zag het stuk en de enige vergelijking die bij me opkwam Harry Mulisch, de Ollie B. Bommel van de Nederlandse letterkunde, die ooit smartelijk en pompeus verzuchtte: ‘Ik ben de Tweede Wereldoorlog!’

Al met al was vond ik het een vreemde, ja zelfs vervreemdende ervaring. Ik was er van tevoren vanuit gegaan dat alles wat ik in de Kunsthal van de Chinese kunstenaar te zien zou krijgen, afgedaan zou kunnen worden als postmoderne kitsch, charlatanerie en bombast, maar zelfs dat lukte me niet. Ik zag wat het was (een soort beeldende kunst), maar snapte er zo weinig van dat ik het niet eens kon afwijzen, op dezelfde manier waarop ik de in een betekenisvolle volgorde gelegde letters van een Cambodjaans gedicht niet kan afwijzen, want ik ken geen woord Cambodjaans. Als het Ai om verwarring te doen is, slaagt hij wat mij betreft met vlag en wimpel.
Het enige dat ik in de tentoonstelling helder zag en ook begreep, was vlijt. Er is duidelijk heel veel tijd en energie gestoken in de diverse objecten. Teveel om het allemaal simpel af te kunnen doen als een flauwe, cynische grap of als puur aanstellerij.
Het zou zelfs wel een vorm van opschepperij kunnen zijn: ‘Kijk eens hoe groot mijn bedrijf is, hoeveel medewerkers ik me kan veroorloven om dit allemaal voor mij te doen.’ Maar misschien doe ik hem daar vreselijk te kort mee, ik weet het niet. Misschien werkt Ai Weiwei echt heel hard en drukt hij Legoblokje na Legoblokje in het gelid, als de belangrijke kunstenaar die hij volgens anderen is. 

 

dinsdag 30 april 2019

Eten in een sprookjesboek



Ter afsluiting van een verblijf van een week in het Ourthedal, hadden we onszelf getrakteerd op een diner in het restaurant La Maison de Hary Cot, gelegen aan de Rue de Dolmens in het dorpje Wéris. Die dolmen liggen in een kruispunt van de weg en doen wel een beetje denken aan Drenthe: een paar menhirs, een soort megalithisch huisje en iets dat herinnert aan een hunebed. Verrassend en bijzonder, zeer zeker, maar ik mag in dit soort situaties graag Willem Kloos citeren: 'Ik houd erg van een mooi uitzicht buiten maar ik móet er iets te drinken bij hebben.'


Dolmen van Wéris

Het bovenop een glooiende Ardennenheuvel gesitueerde restaurant is gevestigd in een heel wonderbaarlijk gebouw dat we al een paar keer met de auto waren gepasseerd en waar een malle tovenaar lijkt te wonen met zijn katten en kabouters. Het bleek niet zomaar een eettent te zijn, maar een serieus restaurant: toen we op een doordeweekse dag op de bonnefooi naar binnen wilden, werden we door een spijkerdunne, licht getatoeëerde, zwartharige jonge vrouw met assertieve borsten en een doorrookt hese stem vriendelijk maar zeer beslist weggebonjourd. Thuis op internet bekeken we voor alle zekerheid toch maar eerst even de menukaart alvorens voor een paar dagen later alsnog te reserveren.

Dominique Noël
De eerste indruk die het gebouw van ambachtsman/architect Dominique Noël achterlaat is er een van jugendstil vermengd met Anton Pieck. Rechte hoeken zijn nergens te bekennen. De  muren zijn, net als bij de meeste gebouwen in de streek, opgetrokken uit grijze en roodbruine natuurkeien, afgewerkt met golvende, bakstenen randjes. Veel hout was er gebruikt, grote, zware balken. Het interieur was een doolhof van verschnörkelde trapjes, panelen, glas-in-loodramen. Deuren van onregelmatige platen zwarte lei sloten het toilet af. Er hingen schepen aan het plafond en ook dobberde een boot onder de doorzichtige vloer in een inpandige vijver. De houten eettafel was lang en (iets te) breed, bezaaid met katrollen en ankerkettingen en aqualongen en sextanten. Een zeevaartthema, zoveel was duidelijk.

De toiletten
De diverse gezelschappen zaten aan dezelfde lange tafel, van elkaar gescheiden door barrières van aangespoeld olijvenhout. Wij zaten aan het uiterste stuk en naast ons had een familie postgevat van een deftige, luidruchtige dame, haar muisachtige echtgenoot, wat kinderen met aanhang en een stelletje kleinkinderen die zoet aan het tekenen waren. De grote mensen waren een beetje tegen elkaar aan het opbieden: ‘Dat had ik laatst in Japan. Daar zijn die kamers zo klein…’ ‘Als je een volgende keer in Argentinië bent, moet je…’ ‘Dat doet me denken aan toen ik in Rome woonde…’ Wij keken elkaar een beetje lacherig aan en ik vrees dat we het een en ander niet geheel zonder commentaar hebben kunnen laten passeren, onder dergelijke omstandigheden wordt een mens immers vanzelf melig. Iemand van ons merkte zachtjes (maar mogelijkerwijs voor de buren wel hoorbaar) op: ‘Ik ben vorig jaar weer eens in Narnia geweest. Had ik niet moeten doen: zo’n derde keer valt altijd een beetje tegen.’ Eén vrouw in het gezelschap die niet meedeed aan het opbieden moest moeite doen haar lach in te houden.

Toen het gekwebbel ophield – er moest ten slotte ook nog gegeten worden – viel het mij een beetje tegen dat er middels het geluidssysteem een heel album van Katie Melua ten gehore gebracht werd. Niet te hard, maar wel hard genoeg om gehoord te worden. Ik geef daar niet om, persoonlijk houd ik het meest van muziekloze horeca.
Het eten was Frans en bedelde een beetje om een Michelin-ster. Deconstructie van worteltjes (wortel pureren, mengen met gepureerde vergeten groenten, op laten stijven in worteltjesvorm en serveren als oranje staafjes), geestige granen met wilde kruiden en spek onder een hartige schuim, alsook drie bereidingen van ananas als toetje.
Als ik heel eerlijk ben: voor mij hoeft dat allemaal niet zo. Het was zeker lekker, maar een duiveltje op mijn schouder begint altijd een beetje meewarig te grinniken bij zoveel culinaire poeha en haalt me uit mijn rozige gemoed.

Enfin: het was het enige fatsoenlijke restaurant dat we in die contreien tegen waren gekomen en als aparte ervaring was het zeer zeker de moeite waard geweest.

donderdag 20 april 2017

Honger in Rotterdam

Ik heb het al eerder benadrukt: wie naar Rotterdam reist, wordt onherroepelijk geconfronteerd met architectuur. Het ene ambitieuze project lost het andere af. Torens gaan de hoogte in, scheve en brutale gebouwen wenken je in de straffe zuidwestenwind. Een ontworpen stad is Rotterdam, met dank aan de Duitsers.

Het is leuk om de architectonische nieuwbouw te vergelijken van Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Die van Amsterdam speelt zich uiteraard voornamelijk af aan de rand van de bebouwing. Veel van de nieuwe gebouwen in het centrum, aan de Prins Hendrikkade, rond de ringspoorweg of in stadsdeel Noord blijven, hoewel ze zeker niet kleinschalig te noemen zijn, redelijk behapbaar. Door gebruik van veel baksteen en andere vriendelijk ogende materialen blijft de menselijke maat (daar is-ie-weer!) aanwezig.

In scherp contrast hiermee lijkt de Haagse stijl wel een beetje verdwaald en op zoek naar een identiteit. Ik vind die nieuwe architectuur van Den Haag niet spannend, ook niet troostend of rustgevend. Bestaat er zoiets als verongelijkte architectuur?

De Rotterdamse architectuur is veel spannender, avontuurlijker en brutaler. Niet in het minst doordat hier juist het centrum volgezet wordt. Door het bombardement van 1940 is er een unieke kans ontstaan om een nieuwe stad te ontwerpen en dat wordt nu, na een wat naargeestige periode in 1950-1980, flink ter hand genomen. Het ene fantastische gebouw tuimelt over het volgende. En hoewel ik werkelijk geen liefhebber ben van moderne architectuur moet ik toegeven dat die tomeloze levenskracht van de Rotterdamse nieuwbouw me wel vrolijk maakt.

Eén gebouw dat we per se wilden bekijken tijdens ons Rotterdam-weekend was de Markthal. Veel over gelezen natuurlijk – lovende beschrijvingen in de krant te over – maar tot op heden nog nooit bezocht. En ondertussen was het nieuwe ervan af, sleetse plekken leken zich te tonen. ‘Ga daar maar niet naartoe,’ werd ons geadviseerd, ‘het zal lelijk tegenvallen.’ Het zou er tochten gelijk de neten, er zouden tientallen kale plekken zijn waar kraamhouders de pijp aan Maarten hadden gegeven, je zou er struikelen over de drommen volk uit oost en west en alles zou er veel te duur zijn. Daar bleek allemaal niets van waar te zijn. Het was een vrolijke mengelmoes van exotisch en nuchter Hollands, een enkele lege plek viel niet echt op, er was een samballerie die tientallen, ja, een half honderd verschillende sambals verkocht die je allemaal mocht proeven: van zoet tot ondraaglijk heet. Tientallen restaurantjes, sommige (zoals dat hoort) op verhogingen midden in de hal, lokten ons. We kozen uiteindelijk voor een pintxos-bar.

Alle onheilsboodschappen van goedwillende vrienden ten spijt dus, heb ik intens genoten van dit architectonisch wonder: een woonflat in de vorm van een poort, met een one-stop microkosmos in zijn ingewanden. Ik vond het schitterend.


Aan de andere kant van de stad, in Katendrecht is ook een markthal, de Fenix Food Factory. Deze is ook heel leuk, maar wel totaal anders. Een beetje alternatief, rommelig in een oud havengebouw gepropt, met de industriële resten open en bloot. Veel linkse gezinnetjes, rastakoppen en bluesmensen. Ach, ik hou nu eenmaal van overdekte voedselmarkten. In Madrid en Florence, in Amsterdam of hier, in die rare stad, de geboortestad van mijn vader, hier in Rotterdam.



donderdag 30 maart 2017

Museumbezoek in Rotterdam

Dalí aan de lijn
We waren in Rotterdam met als officiële reden de tentoonstelling Gek van Surrealisme; uit de collecties van Roland Penrose, Edward James, Gabrielle Keiller en Ulla en Heiner Pietzsch in Museum Boijmans van Beuningen. De tentoonstelling was ingericht per collectie en aangezien er nogal wat overlap was, kon je de werken van Dalí, Ernst, Magritte, Miró, Duchamp, Tanguy en anderen telkens opnieuw tegenkomen. Het was kwalitatief een goede tentoonstelling met veel topstukken. Mij beviel Yves Tanguy het meest, met zijn sciencefiction-achtige werken: ideale boekomslagen voor de legendarische Meulenhoff-reeks. Verder werd ik plezierig verrast door twee vrouwen: Leonora Carrington en vooral de bizarre Dorothea Tanning. Paul Delvaux met zijn ietwat zorgelijke, gefrustreerde magisch realisme beviel me, zoals gebruikelijk, het minst.

Dorothea Tanning - Eine Kleine Nachtmusik (1943)
Wat me opviel was hoe klein de pool van kunstenaars van het surrealisme eigenlijk is. Zijn het niet altijd dezelfde tien of vijftien namen? Zelfs nu werden er al kunstenaars met de haren erbij gesleept. Want was Duchamp wel een surrealist? Picasso? De Nederlanders vielen blijkbaar buiten het blikveld van de verzamelaars: er was geen Willink of Melle te bekennen. Er hingen in een achterafzaaltje wel wat Nederlanders maar erg bijzonder was het niet.

Mijn belangstelling ging vooral uit naar het kwadrant over Roland Penrose. Zelf bepaald geen groot kunstenaar, was hij een leidende kracht achter het surrealisme. Bevriend met Paul en Nusch Éluard, Man Ray en Pablo Picasso, en bovendien redelijk gefortuneerd, kon hij een heel complete verzameling opbouwen. Vooral toen hij voor 1500 pond ruim honderdvijftig schilderijen van Éluard kon overnemen. Ik ben helaas weinig nieuwe zaken met betrekking tot Sir Roland te weten gekomen – niet dat het de tentoonstelling erom te doen was om mijn belangstelling voor hem en zijn vrouw Lee Miller te voeden!

De dag erna bezochten we in de Kunsthal de tentoonstelling van hyperrealisten. Ik had me daar van te voren weliswaar niet zo verschrikkelijk veel van voorgesteld, meer het leek een aardig divertissement. Lichte kost in het knisperende vroege-lente-licht van de Maasstad.

Krijg ik trek van Tjalf Sparnaay?
Men weet al wat ik vind van architecten in het algemeen en van Rem Koolhaas in het bijzonder en het zal dan ook geen verbazing wekken wanneer ik zeg dat me de hele filosofie, de hele doelstelling van zijn architectonische kunst ook hier weer heel doorzichtig en onsympathiek voorkwam. Een gebouw moet blijkbaar jeuken, een beetje te strak in de schouders zitten, liefst met een naadje dat kriebelt. De Kunsthal laat zich bijvoorbeeld niet gemakkelijk betreden. Aan de grote weg (de Westersingel) ligt wat lijkt op een pontificale hoofdingang, maar dat blijkt bedotterij te zijn. Via die namaakhoofdingang wordt de bezoeker een vrij steil aflopend, betonnen pad af geleid, waarna hij of zij zich plotseling in de Museumtuin blijkt te bevinden, tussen de Kunsthal en Museum Boijmans. Ook daar is er geen hoofdingang te bekennen. Dan maar zonder resultaat om het gebouw heenlopen. Uiteindelijk blijkt een onooglijke glazen deur die naar een soort restaurant/museumwinkeltje leidt de gezochte entree te zijn. Is men eenmaal doorgedrongen tot de buik van het gebouw, is het ook nog weer een route vol onduidelijkheid en irritatie en trappen die treden van net het verkeerde formaat hebben. Uiteindelijk vind je dan bijna per ongeluk de tentoonstellingsruimte. Zucht. Het gebouw is weer lekker in discussie gegaan met de omgeving. Al vind ik de manier van discussiëren van Koolhaas’ bouwwerken wel verdacht veel op sarren en zuigen lijken.

Maar goed, we kwamen niet voor het gebouw, maar voor de hyperrealisten. Of zoals Emily Ansenk, de directeur van de Kunsthal in het voorwoord van de begeleidende catalogus, getiteld Hyperrealisme, zegt: fotorealisten. Ze voegt eraan toe: ‘In deze publicatie is ervoor gekozen om de term fotorealisme aan te houden en deze niet af te wisselen met hyperrealisme.’ Prima, maar hoe zit het dan met de titel van het boek? 

Ben Johnson, The Rookery (1995)
Fotorealisme dus. Wat ervan te vinden? De meeste kunstwerken zien eruit alsof ze met engelengeduld, indrukwekkende materiaalbeheersing, onvoorwaardelijke toewijding en koppig uithoudingsvermogen vervaardigd zijn, en zeker: vreselijk knap werk is het geworden, neurotisch, soms op het psychotische af. De obsessief gedetailleerde doeken van Ben Johnson vallen wat mij betreft bijna in de categorie outsider-art. Want is dit niet een soort artistiek autisme?

Wat me vooral opviel is de volstrekte liefdeloosheid van de schilderijen. Het is de bedoeling om niets te bedoelen. In deze is er denk ik verwantschap met minimal music en met de nouvelle roman, waar engagement en esthetiek ook rigoureus worden opgeofferd aan objectiviteit en neutraliteit.

Bij mij heeft dit alles het befaamde Chinese-restaurant-effect tot gevolg: de honger wordt niet gestild. Hoe kunstig en vol toewijding het ook gemaakt is, hoeveel lange dagen de schilder ook gewerkt heeft aan zijn doek, het bleef wat mij betreft fast food voor het oog. Ik dacht: “Wat ontzettend knap." Ik dacht: "Wat ontzettend zinloos.”

In het Grieks-Orthodoxe kerkje naast het museum werd door een diepe bas hartverscheurend mooi gezongen. We zijn even blijven luisteren.



maandag 27 maart 2017

De Rotterdam


Het door Rem Koolhaas ontworpen gebouw De Rotterdam is, hoe je het ook wendt of keert, een indrukwekkende verschijning in de toch al zeer assertieve nieuwste architectuur van Rotterdam. We hadden al eens in een hotelletje gelogeerd aan de overkant van de Maas en beschouwden toen het in aanbouw zijnde monster met een mengeling van fascinatie en afgrijzen. Gewoontegetrouw maakte ik me vreselijk zorgen over de menselijke maat maar uiteindelijk haalde ik de schouders op: de stad zou er vast wel heel blij mee zijn.

Een paar maanden geleden ontdekte ik dat er in het gebouw een hotel gevestigd was: NHow, een soort subafdeling van de grote, Spaanse keten NH. Omdat er twee tentoonstellingen in Rotterdam aan zaten te komen, moesten we daar maar gaan boeken, al was het maar om de Koolhaas-visie eens aan der lijve te ondergaan.

Wat had ik gehoopt daar op de 23e verdieping aan te treffen en wat had ik verwacht? Gehoopt had ik dat de Grote Kunstenaar bij het ontwerpen van het interieur een beetje rekening zou houden met de functie van de kamers. Dat er dus naast een zeer aanwezige artistieke visie, ook de gewone burgerlijke zaken aan te treffen waren die je nu eenmaal nodig hebt in een hotelkamer. Wat had ik verwacht? Laat ik zeggen: mijn verwachtingen kwamen uit. Er waren geen haakjes voor jassen noch een stoel om je goed over te hangen, stel je voor! De wandkast had de stang niet in de breedte maar in de diepte, zodat je geen enkel overzicht had van wat er allemaal hing. In de badkamer ontbraken haken of stangen om je handdoeken op te hangen of plankjes om je zeepjes neer te leggen. Dat was zelfs het hotel te ver gegaan en er was iets geïmproviseerd met klevende dingen van plastic, die niet bleven zitten (en de harmonie van het ontwerp naar de vaantjes hielpen). Er stonden geen nachtkastjes, maar een paar grote, loze perspex kubussen met dus alleen maar een bovenkant. Alles aan burgertruttencomfort was opgeofferd voor die dekselse visie van Koolhaas. De televisie – niet het eerste waar ik naar zoek in een hotelkamer trouwens – was kunstig in een spiegel weggewerkt en ook de afscheiding tussen slaap- en badkamer was een visueel feest. Maar na een kwartier genieten van hoe het eruitziet, wil je toch wel ter zake komen. En wegens het geraffineerde spiegelspel was televisiekijken trouwens nog helemaal niet eenvoudig!

Het uitzicht was natuurlijk indrukwekkend. Vanaf onze verdieping, de hoogste die het hotel te bieden had, maar nochtans slechts op de helft van het 150 meter hoge gebouw gelegen, kon je in het noordoosten Gouda zien liggen. Het Noordereiland lag aan onze voeten en het verkeer op de Erasmusbrug voerde een stil ballet op, geregisseerd door de verkeerslichten.
De positionering van het hotel is heel gunstig te noemen. In twintig minuten wandel je over de Erasmusbrug naar de Blaak, met zijn Koopgoot en zijn Markthal. Via een loopbruggetje bereik je aan de andere kant het eiland Katendrecht, voorheen de hoerenbuurt, maar tegenwoordig een hip industrieel yuppenproject met alternatieve restaurant/galerietjes en een uitbundige voedselhal.

Het ontbijtbuffet was chaotisch ingericht maar rijk, met onbeperkte voorraden gerookte zalm, helaas iets belegen mozarella, licht amber tintelende glazen cava of bloedrode bloody Mary’s voor de stoere levensgenieter, alsmede een meester eierbakker die perfecte omeletten fabriceerde met alle ingrediënten die je maar begeerde. Het gezelschap in de zaal was gemêleerd. Wielrenners in vale zweetpakjes en met geschoren benen, sportschoolaziaten met draken-sleeves getatoeëerd, lelijke bejaarden met een bult, alsmede poenerige pooiers met hun rondborstige trofee-dames. Naast ons zaten twee kolossaal grote leden van de bluesband Mississippi Heat die er, afgeschminkt na een late gig gisteren en nu met hun verweerde koffers gereed voor de terugtocht naar Chicago, vooral moe, oud en verloren uitzagen. Een stuk dikker ook dan op de persfoto. Ik denk dat ze met hun tweeën een kilo of 325 wogen. Schoenmaat 51, dat werk.



Ik vond het een interessante ervaring en zal met plezier terugdenken aan het NHow, maar ondertussen popel ik niet om er heel spoedig weer terug te keren.

donderdag 3 april 2014

Een hotel met een waardeloze naam



Het begon al heel vreemd: nadat we onze hotelkamer vluchtig gekeurd hadden, en ons terstond weer naar buiten begaven voor een voorlopige inspectie van de stad, kwam uit een belendende kamer een Française tevoorschijn, gekleed in een Teigetje-pak, compleet met kop en staart. En door associatie realiseerde ik me ineens: ik was vergeten de brief van Gerard Reve over zijn verblijf alhier te lezen uit Op weg naar het einde. Dat had ik me nog wel zo voorgenomen. Niettemin: alles kwam meteen al wel weer goed samen, Edinburgh was in stijl begonnen.

Ons hotel ging schuil achter een volstrekt nietszeggende naam, die vermoedelijk een zekere aantrekkingskracht zou kunnen hebben voor onze Amerikaanse medemens, die alles het liefst zo simpel en generiek mogelijk heeft. Ook de fysieke buitenkant van het hotel diende uitsluitend om te verhullen. Zo kon het gebeuren dat we, na geboekt te hebben puur op grond van een betoverende en zeer veelbelovende internetfoto op de boekingssite, tot onze schrik een saai en serieus, enigszins grauw uit zandsteenblokken opgebouwd banken- en kantorenplein opdraaiden en ten eerste dachten: ‘Oh.’
En vervolgens: ‘Hm.’

Maar schijn bedroog. Oorspronkelijk gebouwd als het familiehuis van John Ritchie Finlay, eigenaar van de krant The Scotsman, werd het pand in 1883 door de jonge architect Sydney Mitchell grondig herbouwd en voorzien van de vele architectonische ornamenten die het zo karakteriseren. Findlay gaf Mitchell de opdracht om het interieur geheel aan zijn maatschappelijke positie en smaak aan te passen. De familie boerde goed en dat wilde de Findlays maar al te gaarne aan iedereen laten zien. Zo ontstond de royaal met eikenhout gelambriseerde hal en zijn glorieuze marmeren trap met handgesneden draken en rozetten. 
Op de eerste verdieping werd een bibliotheek ontworpen die geënt was op die van Walter Scott in Abbotsford House. Overal kon men de initialen van John Ritchie Findlay en zijn vrouw Susan Leslie aantreffen. Glas in lood en pluche deden de rest: dit was een rijke en indrukwekkende woning.

Na de dood van Findlay in 1898 erfde zijn oudste zoon, John Ritchie jr., later Sir John, het huis en hij bleef er met vrouw en kinderen wonen tot zijn dood in 1930. Zijn weduwe, Lady Harriet, schonk het pand aan het Edinburgh College of Domestic Science, dat het in gebruik nam als een studenteninternaat. Dit was het moment dat op de tweede en derde verdieping de vijfentwintig slaapkamers werden ingericht die thans als hotelkamers gebruikt worden. Vele andere verbouwingen vonden plaats om het gebouw aan zijn nieuwe functie aan te passen. Voor de indrukwekkende matrone werd vlakbij de voordeur, in de grote ontvangsthal een slaapkamer gebouwd, zodat ze het doen en laten van de meisjes in de gaten kon houden. Naar haar, de indrukwekkende Alice Melvin, werd het gebouw voortaan Melvin House genoemd.

In 1970 werd de campus van het college verplaatst en kreeg het gebouw opnieuw een nieuwe functie, nu als trainingscentrum voor de NHS, de National Health Service. Vele gespecialiseerde boeken in de bibliotheek over ziekenhuismanagement en –architectuur herinneren daar nog aan. In 1996 kocht hotelier John Milton het pand van de NHS en hij voerde een aantal ingrijpende restauraties door zodat het gebouw weer in zijn oorspronkelijke glorie hersteld werd. Nog weer later, in 2011, werd het Melvin House Hotel deel van een keten, en vandaar dat het thans de waardeloze naam B & B Club Edinburgh heeft.

vrijdag 3 januari 2014

De Amsterdamse Poort in Haarlem



Kun je een stad samenvatten in, bijvoorbeeld, één gebouw? Nee, natuurlijk niet.
Of, om het anders te stellen: ja, natuurlijk wel. Althans: soms wel.

Wanneer wij, de jeugd uit het Amsterdam Geuzenveld/Slotermeer van de jaren zeventig, de fiets pakten om erop uit te gaan, om de grote stad te verlaten en de weilanden te doorkruisen, kwamen we steevast in Haarlem terecht. Er was vanuit Plein 40-45 eigenlijk geen andere mogelijkheid. Onze wijk grensde aan de Haarlemmerweg, die begon als een klinkerstraat, maar even verderop een echte, geasfalteerde snelweg werd! Het fietspad liep erlangs en na drie kwartier schoven we de kleine, ons door de liedjes van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh welbekende zusterstad van Amsterdam in. De hele rit hadden we ons dan al zitten verheugen op de beloning aan het eind van de tocht: de aanblik van het oudste gebouw dat we binnen fietsafstand kenden: de Amsterdamse Poort, aan het eind van de Amsterdamse Vaart.
Stadsplattegrond van Haarlem door Blaeu, 1652. De Amsterdamse
Poort is de bovenste, vlak onder het blazoen.
De Spaarnwouderpoort, later omgedoopt tot Amsterdamse Poort is de allereerste Haarlemse poort die in de bronnen wordt vermeld. Hij is gebouwd bij de eerste vergroting van de stad, toen een groot terrein over het Spaarne binnen de wallen werd getrokken. Volgens de overlevering zou Kenau Simonsdochter Hasselaer op de walmuren bij de Amsterdamse Poort hebben gestaan om de Spaanse aanval tijdens de Tachtigjarige Oorlog af te slaan. Het is de enige poort die het beleg zonder noemenswaardige schade heeft doorstaan, een roodgoud gekleurd bakbeest uit 1355, opgetrokken uit baksteen met bergsteen voor de banden en hoekblokken. Het hoofdgebouw heeft een lage voorpoort die door twee achthoekige torentjes geflankeerd wordt. Deze torens zijn door middel van vleugels verbonden met een lagere, in de gracht gelegen voorpoort die dateert uit de vijftiende eeuw.
De Bourgondische vuurslag (foto: Roberto)
Deze tweede poort heeft twee ronde torens, waar we in het metselwerk de Bourgondische vuurslag, een eenvoudig gehard ijzeren werktuigje om vonken uit een vuursteen te slaan, en de wapens van Oostenrijk en Haarlem kunnen herkennen. Aan de voet van de poort zijn overblijfselen van de oude stadsmuren te vinden.

De poorten van Haarlem. Dit is overigens niet de Amsterdamse Poort, maar de St. Janspoort, die nu allang gesloopt is. Rechts de Kruispoort, waarvan de contouren in de vorm van een lichtkunstwerk terug te vinden zijn in het plaveisel van de Kruisstraat, pal voor het voormalige Fünckler-Hotel.
Het is van de twaalf oorspronkelijke stadspoorten van Haarlem de enige die overgebleven is. Tot de 17e eeuw was de poort vooral in gebruik voor het vervoer over land naar Spaarnwoude (vandaar de oorspronkelijke naam). In 1631 werd de Haarlemmertrekvaart aangelegd, die de reistijd tussen Haarlem en Amsterdam aanzienlijk bekortte. Het was nu mogelijk om binnen één dag vice versa te gaan tussen de twee steden. Vanaf toen droeg de poort zijn huidige naam.
 
Helaas dreigde de vooruitgang ter kimme: ten behoeve van de Nijverheidstentoonstelling van 1825 moest de toegang tot het centrum van Haarlem worden verbreed. Alleen onze Amsterdamse Poort is aan deze sloopgolf ontkomen. Jan David Zocher jr., mede-eigenaar van de boom- en plantenkwekerij Rozenhagen ten noorden van de Kloppersingel, ontwierp een nieuwe opzet in 1827. Hij zou het afbreken van de stadsmuren en bolwerken leiden en samen met zijn zoon Louis Paul de vrijkomende ruimte herscheppen tot aangename plaatsen waar ook ik, op heden wonende in de Rozenhagenstraat, genoeglijk mag flaneren.
 
Verval. Midden 19e eeuw
Ondanks dat de Poort blijkbaar om één of andere reden  aan de vernielzuchtige aandacht van Zocher was ontsnapt, was het gevaar voor het arme gebouw nog lang niet geweken. In 1865 wilde de stad de in ernstig verval geraakte poort slopen. Ze hinderde de constructie van een nieuwe brug vlak ervoor. Toen voor die brug evenwel niet genoeg fondsen gevonden werden, ging de gemeenteraad akkoord met een provisorische renovatie om er zeker van te zijn dat het gebouw niet in de eerstvolgende twee à drie jaren in zou storten. In 1867 werd de Papentoren gesloopt en de munitie die daar opgeslagen was, werd naar de poort overgebracht. In 1869 werd eindelijk de brug voor de poort gebouwd. In 1874 werd het grootste deel van de munitie naar buiten de stad verplaatst. In 1889 volgde er een kleine renovatie door de stadsarchitect, J. Leijh. Zijn budget was 1,490 gulden, een bedrag dat hij overschreed met 775 gulden.

Jarenlang reed de tram tussen Haarlem en Amsterdam langs de poort. Eerst reed de vanwege zijn groene kleur "De Kikker" genoemde tram langs de ene zijde:
 
 
daarna reed de blauwe tram over een speciaal aangelegde brug langs de andere zijde:
 
 
In de zestiger jaren van de twintigste eeuw werd de poort uitgeroepen tot nationaal monument. In 1985 werd zij volledig gerenoveerd.
 
Ca. 1900
 














Dit was in het kort de geschiedenis van wat voor mij als Amsterdammer en als Haarlemmer een icoon van deze stad is: De Amsterdamse Poort.
 
Ca. 2000