Posts tonen met het label Taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Taal. Alle posts tonen

donderdag 28 september 2017

De taal van het strand - de keuken van het strand

Wie de dwarse man een beetje kent, zal er verbaasd over staan hem aan te treffen op één der Spaanse Costa’s. En eerlijk gezegd: hijzelf had dat ook niet kunnen vermoeden. Ik ben verknocht aan de Griekse stranden, die meestal klein zijn, intiem, een tikkeltje rommelig, maar overweldigend puur, met duizend kleuren blauw in een rustige, glasheldere lauwe zee, waar je naakt en lui in ronddobbert, genietend van wat er op de bodem, drie meter onder je, allemaal te zien is. De Costa del Sol van Málaga is dat alles niet. De Costaganger heeft altijd minstens één tatoeage en behalve die ene bebaarde zonderling van El Palo houdt iedereen de kleren aan. De vrouwelijke leden van de soort bedekken te allen tijde kuis de borsten. Wij hadden gehoopt in de directe omgeving van de stad een net niet typische, net even leukere Costa aan te treffen en, hoewel ik geen vergelijkingsmateriaal heb, vermoed ik dat we, weliswaar onvergelijkbaar met onze geliefde Griekse stranden, wel degelijk in dat streven geslaagd zijn. Er was in ieder geval geen lawaai, er waren geen Russen, geen disco’s of zelfs maar transistorradio’s. En zeer tot mijn genoegen was er wel heel veel te genieten van strandgrammatica.

Een jonge Afrikaan prees zijn koele drankjes aan met een door veelvuldig gebruik afgesleten mantra: “Sefies, Akwa, Kaka Kakwaka” (Cervezo, Agua, Coca Cola). Een andere, diepzwarte Afrikaanse tenor zong in lachende guirlandes met lichtgevend blinkende tanden de vragende aanprijzing: ‘Coca. Colalaia?’ (Coca-Cola light). Het klonk als een eeuwenoude animistische bezweringsformule uit de binnenlanden van Senegal. Een wat mismoedige Algerijn hield er een geheel eigenzinnige grammatica op na. Blijkbaar waren woorden in het begin en midden van een zin vrouwelijk, het laatste woord echter mannelijk. Hij varieerde de volgorde van zijn producten om deze voor mij volstrekt unieke grammaticale opvatting te illustreren:
‘Fanta, Coca-Cola, Cervezo’
‘Cerveza, Coca-Cola, Fantó’
Ettelijke Thaise dames vroegen of ik een Massaccio wilde kopen. Nu, wat graag natuurlijk! Maar, ook niet helemaal achterlijk, vreesde ik dat je voor dertig euro slechts een inferieure vervalsing zou kunnen krijgen. Of een massage.

Tot zover de taal. Ik wil nog iets vertellen over het meest curieuze restaurant dat we in Spanje bezocht hebben, El Tintero.

El Tintero een strandtent noemen, is zoiets als Lincoln Cathedral een kapel noemen. Het is gevestigd in het dorpje El Palo, zo’n acht kilometer ten oosten van de haven van Málaga. Stel u een immens terras voor met honderden zitplaatsen, in de schaduw gehouden door misschien wel vijftig kingsize parasols. Heel veel Spanjaarden zitten er, een enkele toerist durft het ook aan. Als je herkend wordt als toerist, krijg je een menukaart. De eerste keer dat we er aten werd Jenet (gezien haar uiterlijk volkomen terecht) als volbloed Spaanse ingeschat, dus moesten we onze keus baseren op het uiterlijk van het voedsel en een benauwend rudimentaire kennis van het Spaans. We waren van het bestaan van een menukaart niet eens op de hoogte!

Wat is het concept? Tientallen obers lopen rond met drie, vier, vijf schalen voedsel dat vers uit één van de keukens komt. Als ze iets dragen dat je interesseert, laat je ze naderbij komen. Je keurt het aangebodene en knikt of schudt het hoofd. Het doet wat denken aan een groot uitgevallen sushibar.

Met door muren heen dringende stentorstemmen roepen de obers wat ze op dat moment balanceren: Angulas (glasaaltjes), Bacalao (liefst met een vette Aioli), Rosada (zeer populair in Spanje, wat eigenlijk vreemd is, want het is geen Spaanse vis. De volledige naam is Rosada del Cabo. Er zijn vreselijk veel verschillende vertalingen en interpretaties in omloop, maar in feite is het een Zuid-Afrikaanse vis, de Kaapse koningsklip), Calamares natuurlijk, en zure salades van gegrilde paprika’s, Tortitas de camarones (garnalenkoekjes: stel u een ouderwetse kletskop voor maar dan met hardgebakken kikkererwtenmeel als beslag en gevuld met minuscule garnaaltjes), maar ook een complete octopus, een bord scheermesjes, venusschelpen of jakobsschelpen.

Alles komt op onregelmatige tijden langs. Plotseling passeert er een complete kreeft, of een dorado van dertig centimeter, het houdt niet op. Je menu plannen is niet mogelijk. Je wordt vanzelf in een opportunistische rol gedrongen: je past je plannen aan aan wat er langskomt. Wachten op een specifiek gerecht heeft geen zin: het kan drie kwartier duren.

Aan het eind van het maal komt een rekenober die aan de vorm van de borden (die dus nooit afgeruimd mogen worden!) berekent wat het allemaal gekost heeft. Er zijn drie standaard formaten borden en dito prijzen. De wijnflessen worden meegeteld en voilà: de rekening, haastig op het papieren tafelkleed geschreven.

Als men één extra reden nodig heeft om naar Málaga te gaan, is het El Tintero in El Palo.

vrijdag 2 juni 2017

Kwansuis

(Mijn eerste blog is reeds lang afgesloten. Niet vrijwillig, maar door incompetentie van de host. Met frisse moed begon ik een paar jaar geleden aan De dwarse man versie 2. Zo nu en dan zie ik een aanleiding om een stukje uit de eerste reeks blogberichten opnieuw te plaatsen. In dit geval het voorkomen van het woord "kwansuis" in een stukje in het blog Raarlems Dagklad. Daar had ik in juli 2011 ook ooit een blogje aan gewijd...)

Toen ik laatst mijn moeder bezocht in het verzorgingshuis, zei ze over een verpleegster: ‘Die is een soort fotomodel. Ja, kwansuis hoor.’
Dat woord had ik haar wel vaker horen gebruiken en verder eigenlijk nooit iemand. Dus zocht ik het eens op. Eerst met Google: Kwansuis – Let op: Spelling van 1858 kwanswijs, geveinsdelijk, naar den schijn. Vooral “geveinsdelijk” vind ik prachtig. Dat ga ik zelf gebruiken. De van Dale geeft, naast de betekenis (in dit geval schijnbaar, of quasi) ook een soort etymologie: het oud-franse queinsi, of quanses. Zou het woord dus met de Hugenoten het Nederlands binnengedrongen zijn? Het klinkt mij als een nogal volkse uitdrukking in de oren. Dat kan kloppen, want mijn moeder is van de allerarmste Amsterdamse afkomst.

Ik besloot eens wat beter te luisteren naar haar uitdrukkingen. De meest opvallende die ze gebruikt is ‘Wat dat amputeert...’ Met als betekenis: “wat dat impliceert”, tenminste, dat nam ik oorspronkelijk aan. Googelen leverde echter tot mijn verbazing een vindplaats in de literatuur op die anders uitwees. In de novelle Stille Menschen uit 1890 van Justus van Maurik, geheel in Amsterdams dialect geschreven, komt het citaat voor “Berbertje zal wat dat amputeert, gerust op me neer kunnen zien, ik heb mijn woord gehouwen: Geen druppel, nooit!” De uitdrukking betekent dus veeleer “wat dat betreft”. Mijn moeder beheerst haar plat-Amsterdams niet meer! Ha!!

Ze refereert ook graag aan twee familieleden van “malle Eppie”, namelijk “gevluchte Lucie”, een vreemd vrouwwezen met een sterk verwilderd uiterlijk, en “achterlijke Sjennie”, wat zo ongeveer hetzelfde betekent als “malle Eppie”. Er zit, zeker in Sjennie, een zekere affectie verscholen in deze uitdrukkingen, en ook ik ben meermalen “achterlijke Sjen” geheten. De persoon van “gevluchte Lucie” komt uit de roman Der Gefängnisarzt oder Die Vaterlosen van Ernst Weiss, Mährisch-Ostrau 1934. Hiermee is het wat mij betreft zonder meer duidelijk dat de uitdrukking geïntroduceerd is door Oom Theo, die in die periode hoofdzakelijk Duits las. Over “achterlijke Sjennie” heb ik helemaal niets kunnen vinden. Ik weet dat Sjennie een bestaande voornaam is, maar naar wie het verwijst? Of is het een verbastering van “achterlijke Chinees”? De afstand van de Conradstraat, waar mijn moeder woonde, en de Binnen-Bantammerstraat, waar de Chinezen woonden is niet zo groot...

woensdag 5 maart 2014

Nou en?



EEN TOT MISLUKKEN GEDOEMD BOEK


Al een tijdje had op mijn leesstapel het boek Ascona : Bezield paradijs gelegen van Enno van der Eerden. Toen ik een paar weken geleden mijn stukje over de Hippies van Himmelhof en Monte Verità aan het voorbereiden was, ben ik het vanzelfsprekend gaan lezen.
Het is een beetje een vreemd boek geworden, om twee fundamenteel verschillende redenen.

Het grootste gevaar dat je loopt als je de honderdjarige geschiedenis gaat beschrijven van een plaats die toevluchtsoord is geweest voor vogels van zeer divers pluimage, van kunstenaars, filosofen, vluchtelingen, schrijvers, van anarchisten en politici, een duiventil kortom, is dat het boek allengs kan veranderen in een lange lijst van namen, een soort Who is who van de Ascoonse heuvelen. Iedereen die wel eens geprobeerd heeft om het jubileumboek van zijn of haar korfbalvereniging te schrijven, kent het probleem.

Het is in dit Oog in’t Zeil-deel dan ook 350 bladzijden lang een komen en gaan van een hele stoet Duitse, Russische en Nederlandse namen. Geregeld kwam het voor dat ik tijdens het lezen bij een bepaald personage dacht: ‘Kijk, daar heb je nu iemand over wie ik wel wat meer zou willen weten’. En dat kon dan niet, want we moesten voort, er waren nog zoveel namen ongenoemd gebleven.

Otto Gross 1877-1920
Deze onvermijdelijke overdaad aan petites histoires heeft het boek iets vluchtigs gegeven, waardoor de hoofdpersonen in hun wezen ongrijpbaar zijn gebleven. Neem bijvoorbeeld de zeer interessante, aan cocaïne verslaafde, anarchistische, vrouwenverslindende en aan lager wal geraakte psychiater Otto Gross. Een heel boeiende man, zoveel wist ik al eerder, maar door de aard van het boek kreeg ik bijna het gevoel dat het uiteindelijk allemaal wel meeviel met hem. Doordat er geen gelegenheid was geweest om hem werkelijk in te vullen, is hij met zijn gehele, dramatische leven een contour gebleven. Door de terloopsheid waarmee hij (en nog een paar andere protagonisten) beschreven is, heeft er ongewild een soort vervlakking van zijn zeer complexe tragiek plaatsgevonden: er was eenvoudig geen tijd voor wanhoop.

Ik moet direct toegegeven, dit kun je de auteur moeilijk aanrekenen: het onderwerp is simpelweg te uitgebreid voor één boekband, waardoor de vlootschouw totaal uit de hand gelopen is. Hoogstens kun je wensen dat hij zichzelf een beperking zou hebben opgelegd, bijvoorbeeld tot de periode vóór de Eerste Wereldoorlog. Dan zou er wat meer ruimte geweest zijn om de diverse filosofische en maatschappelijke kanten van deze idealistenkolonie wat meer te belichten.


NOU EN?

Wat ik de auteur wel wil verwijten, is een fors aantal stijlfouten in de tekst. Twee soorten met name sprongen eruit.

Een paar keer trof ik in het boek een constructie aan als de hier volgende:

‘Hij was in Zwitserland en van plan af te reizen naar Ascona’.

Dit is een vorm van contaminatie die we kennen als zeugma. Het werkwoord “was” in het eerste deel heeft een andere grammaticale functie dan in het tweede deel. Het standaardvoorbeeld in de syllabus die ik als student kreeg uitgereikt, betrof een denkbeeldig pontveer, waar op een bord geschreven stond: ‘Hier zet men koffie en over’. De cabaretgroep Neerlands Hoop maakte ooit humoristisch gebruik van dezelfde taalfout: ‘Daar kwam moeder met de tram en de lunchpakketten.’
We kunnen het er niet op gooien dat de auteur de dupe is geworden van het moderne taalonderwijs, want hij is van mijn geboortejaar en heeft op school dus nog wel Nederlands geleerd.

De tweede terugkerende fout was van Eerdens neiging om van zwakke werkwoorden sterke te maken:

‘Hij schiep genoegen uit.’
‘Het schrok hem af.’

Dat vind ik nu zo jammer. Als zoiets me overkomt word ik heel verdrietig. Ik krijg dan een bijna onweerstaanbare neiging om het boek dicht te klappen en verder ongelezen te laten. In dit geval heb ik me vermand. Vroeger zou ik dat niet hebben kunnen opbrengen.

Dit is het moment dat ik de lezer over dit alles hoor verzuchten: ‘Nou en? Wat kan het je schelen?’

En de lezer zou misschien wel een beetje gelijk hebben. Maar u moet weten, ik zit met een hardnekkige, en in de loop der jaren alleen maar erger geworden overgevoeligheid opgescheept die, kort samengevat, neerkomt op het principe: ‘Wie warrig schrijft, denkt ook warrig’. Dit is voor mij altijd een algemeen leidend principe gebleven, waarvan ik pas de laatste jaren met het groeien van mijn mildheid een zekere afstand aan het nemen ben. Nog steeds vind ik het jammer en onbegrijpelijk dat schrijvers, journalisten of copywriters, de professionals van de taal kortom, hun eigen werk niet een beetje kritischer bezien. Maar omdat ik me ben gaan realiseren dat mijn eigen proza ook zelden foutloos is, zijn de uitbarstingen van woedend onbegrip minder fel geworden.

Één taalmoordenaar heb ik wel als favoriet aangehouden, juist omdat hij zo pedant is en zo hoog van de toren blaast: Ome Harry, de Apollo van het Leidseplein. Ik hoef slechts te bladeren in Mulisch’ door talloze tante Betjes overwoekerde roman De ontdekking van de Hemel, of het schuim staat me alweer op de kaken. Overigens blijkt deze roman zelfs in een Engelse vertaling, dus ontdaan van de vele misdrijven tegen de Nederlandse taal, nog steeds verbluffend slecht te zijn: hij is minstens vierhonderd pagina’s te lang en voorzien van vele volstrekt irrelevante plotuitweidingen die een kundig en zelfverzekerd redacteur rigoureus verwijderd zou hebben. Maar dit allemaal terzijde. Waar waren we gebleven?

Oh ja: Ascona : Bezield paradijs van Enno van der Eerden. Een boeiend boek over een boeiend onderwerp, lezenswaardig, maar met een aantal tekortkomingen, sommige vermijdbaar. Niettemin ben ik blij dat ik het uitgelezen heb.

zaterdag 11 mei 2013

Dit stukje is geen werkwoord

Het begon volgens mij met liefde. Liefde is een werkwoord. Ik heb het gevoel dat ik deze uitdrukking al heel lang ken. Een leuke, kleine absurditeit die tot nadenken stemt en bij haar debuut op een milde instemming kon rekenen. Maar u weet wat er met dergelijke leuke vondstjes gebeurt: ze worden veel te snel publiek domein en in recordtijd worden ze door veelvuldig denklui en ongeïnspireerd overgebruik volstrekt sleets, melig en weerzinwekkend.
Moet ik dat nog aantonen? Nu, vooruit dan maar.
Na een korte zoekactie op Google weet ik dat er een liedje uit 2008 bestaat van Guus Meeuwis met als titel Liefde is een werkwoord, terwijl van Alfons Vansteenwegen in 2009 een boek verscheen met ook weer dezelfde titel. Onder andere John Mayer deed het in het Engels.
Ikzoek.Godshart.nl introduceert een gewiekste uitbreiding van de vondst en beweert, onder de titel: Gods liefde is een werkwoord, het volgende: Je hoort wel eens de uitspraak “liefde is een werkwoord”. En dat klopt ook, liefde is een werkwoord en toch ben ik van mening dat de meeste mensen het niet als een werkwoord zien.
Neen hoor, meneer of mevrouw Godshart, dat klopt niet. Liefde is geen werkwoord, het is een zelfstandig naamwoord. Ik vraag me trouwens nog wel af: is “Gods liefde” nu de liefde ván God, of juist vóór God?).
Bij Bol.com kun je een boek van rabbijn David Cooper bekomen dat getiteld is God is een werkwoord, niet Gods liefde dus. Bij de onlinedienst MWB (Mijn Woordenboek) vind ik tot mijn intense onbehagen de complete vervoeging van het Engelse werkwoord “to god” (I will god, I will have goded).
Maar het gaat allemaal nog veel verder.
Geluk is een werkwoord, weet de Amerikaanse psychologe Sonja Lyubomirsky te melden. Zekere Jan Bransen beweert glashard dat mensen een werkwoord is. (Ik mens, jij menst, wij mensen?) Bij M&I Partners lees ik dat EPD een werkwoord is. U weet wel: het Elektronisch Patiënten Dossier. Voltooid tegenwoordige tijd: “ik heb geEPD’d”. Patti Digh beweert: Life is a verb. Ik zeg: 'nietes, Patti, “to live” is the verb.' Designbureau KIMMIC biedt een eindpresentatie aan onder de titel: Boschveld is een Werkwoord.
Is dit nu ongeveer alles? Neen, helaas niet. Bij lange na niet.
Want wat vinden we verder met onze snelle zoekactie? Ga even zitten en houd u zich goed vast.
Gezondheid is een werkwoord, ontdekken we, honden is een werkwoord, aandacht is een werkwoord, vrede is een werkwoord, spiritualiteit is een werkwoord, talent is een werkwoord, vrijheid is een werkwoord. Ook de woorden: zelfvertrouwen, hoop, verdriet, vriendschap, zoekmachineoptimalisatie (vanzelfsprekend!), samenwerking, innovatie en organisatie zijn allemaal werkwoorden. Art is a verb, science (een populaire facebookpagina), summer, music (Ornette Coleman), creative, beauty, queer, failure, hope... Aaaaaaaarrrrrggggghhhhhh!!!
Vanochtend nog, in de Volkskrant-bijlage Het Magazine las ik: Intuïtie is een werkwoord. (Even verder trouwens, in datzelfde blad: Buiten is het nieuwe binnen, en dat is weer een heel ander verhaal vol ergernissen dat ik de lieve lezer voorlopig zal besparen: Zwart is het nieuwe blank, arm is het nieuwe rijk, etc. etc. etc.)
Ik vraag me af: zou er nu nooit eens niemand zijn die bedenkt: ‘Hé, laat ik voor alle zekerheid een keer controleren of mijn “is een werkwoord”-gag niet misschien al eens eerder gemaakt is’. Blijkbaar niet. Jammer hoor.

woensdag 24 oktober 2012

Stukje over taal, macht en maatschappij – en niet over schaken



Wie de Dwarse Man al reeds wat langer volgt, weet dat ik in het verleden heb geschaakt. Of om het preciezer te zeggen: heb geprobeerd te schaken. Ik was niet erg sterk en er zat geen progressie in en uiteindelijk ben ik er maar mee gestopt.
Wat de meeste mensen niet weten is dat ik ook gediplomeerd schaakscheidsrechter was. Vermoedelijk nog steeds ben, al zal een grondige inhaalcursus wel noodzakelijk zijn. Iemand die wel bekend was met dit merkwaardige feitje, heeft me een aardig boekje cadeau gedaan dat verscheen naar aanleiding van het Nederlandse Kampioenschap Bedrijvenschaak 2012, deze keer georganiseerd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie ten Haag. Het boekje draagt de ernstige titel Een introductie in het schaakrecht. Het is uitgegeven in de onverbiddelijk gestrenge stijl die alle publicaties van dat instituut kenmerkt, maar natuurlijk is het een beetje tongue-in-cheek. Niettemin: een boekje over spelregels, daar kun je me altijd mee plezieren.
Ik wil het naar aanleiding van dit boekje niet over schaken hebben, maar over taal, macht en maatschappij, en dat zal ik doen aan de hand van het voorwoord door de staatssecretaris van veiligheid en justitie, een zekere Fred Teeven. Na een beleefde inleidende alinea barst de staatssecretaris los met:

‘Ik vind schaken belangrijk. Er bestaan harde bewijzen dat schaken goed is voor de jeugd. Schaken helpt leerlingen beter na te denken, te analyseren, te concentreren en hen te helpen aan grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen. Er is minder studieuitval, minder strafrechtelijk gedrag en minder druggebruik. Schaken is goed voor de bevordering van emancipatie.
En voor ouderen geldt dat schaken een goed middel is tegen Alzheimer.’

Zozo! Daar staat nogal wat. Laten we het maar eens zin voor zin doornemen.
‘Er bestaan harde bewijzen dat schaken goed is voor de jeugd’, schrijft de staatssecretaris. Ik weet bijna zeker dat die harde bewijzen niet bestaan. Misschien zijn er goede aanwijzingen, maar een goede aanwijzing is geen bewijs, laat staan een hard bewijs.
‘Schaken helpt leerlingen beter na te denken, te analyseren, te concentreren en hen te helpen aan grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen.’ Schaken helpt leerlingen hen te helpen?? Beetje haastwerk, dit voorwoord, vrees ik. Of de staatssecretaris is zelf geen schaker, en heeft dus concentratieproblemen. Wat de staatssecretaris eigenlijk nodig heeft is iemand die zijn gedachtegang kan vertalen naar eenvoudig en correct Nederlands. ‘Grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen’. De zelfvertrouwen?
‘Er is minder studieuitval, minder strafrechtelijk gedrag en minder druggebruik.’ Teeven bedoelt: ‘De verwachting is, dat er … zal zijn, indien....’ De veronderstelling wordt, net als in de tweede zin, voor het gemak maar vast als feit gepresenteerd. Dat scheelt tijd. ‘Studieuitval’ staat trouwens niet in de van Dale. ‘Strafrechtelijk gedrag’?? ’t Zal wel jargon zijn, maar ik vind het een versluierende manier van formuleren. In eerste instantie doet het koddig aan, maar er zit iets kwaadaardigs, want onbepaalbaars, in dergelijke mistige bewoordingen.
‘Schaken is goed voor de bevordering van emancipatie.’ Let wel: goed voor de bevordering ervan, niet voor de emancipatie zelf. En dan: welke emancipatie? En waar in het Grote boek van onweerlegbaar bewezen zaken staat dit allemaal? Wat heeft een dergelijke betekenisloze kreet voor waarde?
Oh, kijk! ‘Voor ouderen geldt dat het een goed middel tegen Alzheimer is’. Zelfs dat is tegenwoordig niet algemeen meer aanvaard. Neurologen wijzen er de laatste tijd op dat de waarde van hersentraining de afgelopen jaren waarschijnlijk behoorlijk overschat is geweest.
Trouwens: schaken is dus hartstikke goed voor leerlingen en bejaarden? Verder niet? Iedereen tussen de 16 en 75 ondervindt geen gunstige effecten van de beoefening van het spel?
Natuurlijk, dit is maar een klein stukje uit een voorwoord voor een onbenullig boekje, maar deze zelfde Fred Teeven gaat morgen in zijn kantoortje wel de Nederlandse wet veranderen op grond van als feiten gepresenteerde veronderstellingen, onbewezen kreten en slecht geformuleerde verwachtingen. En hij niet alleen natuurlijk. Iedere bewindvoerder, iedere manager, iedere beslissingennemer doet dat en vandaar de titel van dit stukje. De filosofen hebben ons sedert Plato ervan doordrongen dat goede taal, gecombineerd met goede redeneringen een enorme macht kan hebben. Maar de huidige generatie machthebbers overtuigt ons ervan dat slechte taal, gecombineerd met ondeugdelijke redeneringen, een nog veel grotere macht heeft.
Dat doet huiveren.

donderdag 21 juni 2012

in Om voor

Dat was schrikken, vanochtend!
Mijn inbox was volgestouwd met maar liefst twee kopieën van een omineuze email, die me wel even aan het denken zette. Hij kwam van mijn provider, of althans, die indruk werd gewekt.
Maar bij lezing van het geheel bleek me al snel dat ik niet bang hoefde te zijn: ik bleek de gelukkige ontvanger te zijn van een ambitieus gedicht, geschreven onder het pseudoniem Webmail Unit / HCC (hccnet.nl). De eerste strofe begint als volgt:

Geachte account eigenaar,

Dit bericht wordt verzonden naar u
door de SquirrelMail afdeling
voor onderhoud / verbetering van de beveiliging systemen.


Dat zie je steeds vaker: een zekere angst voor lange woorden. Liever in tweeën hakken, dat leest prettiger, moet de woordsmid gedacht hebben. Door zijn opzettelijke onbeholpenheid doet deze eerste zin bijna prozaïsch aan. Het lijkt wel gewoon Nederlands! Maar dat is schijn, in werkelijkheid is het een geraffineerde truc om de lezer op het verkeerde been te zetten, zoals al meteen in de volgende zin blijkt:

We zijn met congesties te wijten
aan de anonieme registratie van hccnet.nl rekeningen.
Dus we zijn het afsluiten van een aantal accounts,
zodat hccnet.nl uw account moet opnieuw
worden aangepast als gevolg van deze aandoening.


Dat klinkt bijna Mulisch-achtig: We zijn met congesties te wijten / we zijn het afsluiten van accounts. Zwaar, definitief, Oud-Testamentisch. Oersterk. Het tweede deel van deze strofe moet bedoeld zijn als eerbetoon aan de stamelpoëzie van de zestiger jaren.

Wij sturen u deze e-mail, zodat u kunt
uw rekeningen te verifiëren in Om voor
veiligheid en onderhoud van uw account.
Als u nog steeds geïnteresseerd in een hccnet.nl
accountgebruiker bevestig uw account vult de ruimte eronder. .
U moet bevestigen van uw accountgegevens.


in Om voor. Prachtig!
De dichter heeft (zoals zoveel andere moderne poëten) grote moeite met hoofdwerkwoorden. Ik begrijp de filosofie daarachter wel, ook al onderschrijf ik die zelf niet: een hoofdwerkwoord houdt de hele zaak maar op en schaadt het intense, directe gevoel, het intuïtieve ahnen van de poëtische bedoeling. En als er dan, misschien bij wijze van commentaar op mijn burgerlijk vooroordelen, toch een dergelijk werkwoord gebruikt wordt, gebeurt dat op een zo onverwacht mogelijke plek. Poëzie dient te verrassen, nietwaar?
Na een schertsachtig namaakinvulformulier gaat het gedicht verder. We naderen het hoogtepunt:

LET OP: Als uw account te doen Login, U bent
om ons de details van uw account, nodig voor de onderhoud
van uw rekeningen, indien anders betekent
dat het al is beëindigd
met ingang van onze server.


Sorry voor het ongemak dat dit kan hebben veroorzaakt
u zijn we alleen maar proberen om ervoor te zorgen
u surfen op het net perfectely goed met onze diensten.


Smullen, dit! U bent om ons de details van uw account. Schitterend! Poëzie in haar puurste vorm. Met ingang van onze server. Een meesterlijke surrealistische draai! Na een paar weifelende beginzinnen is het gedicht beslist aanzienlijk gegroeid. De slotzin van het vers luidt:

Account Gebruikers die weigert zijn / haar account bij te werken
na 7 dagen ontvangst van deze waarschuwing
verliest zijn of haar account is permanent.


Ik heb het altijd al geweten: echte, rauwe poëzie, ze ligt op straat, voor iedereen die bukken wil of door de knieën.