Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen

zondag 6 april 2014

Rosslyn Chapel

Een boek dat nogal wat
op zijn geweten heeft
Ik denk dat ik, toen de paperback-editie van The Holy Blood and the Holy Grail verscheen, één van de allereersten in Nederland was die dat boek kochten. Ik had bij de American Book Center de hardback al eens doorgebladerd en wist dat ik een boek, dat zo rijk gevuld was met glorieuze, creatieve en waarschijnlijk op totale nonsens gebaseerde speculaties, beslist eens in mijn kast zou moeten zetten.

Ruim dertig jaar later, is het boek allang volledig met de grond gelijk gemaakt, en is alle onzin, onwaarheid en hoopvolle hineininterpretatie ragfijn gefileerd door de mensen die er verstand van hebben. De geheime organisatie genaamd Prieuré de Sion bestaat niet en is, net als de indrukwekkende lijst van haar vroegere Grand-Maitres, van Leonardo Da Vinci (hé, daar is-ie-al!), via Claude Debussy tot aan Jean Cocteau, een verzinsel van de schelm en oplichter Pierre Plantard de Saint-Clair, een mysterieuze en ongrijpbare meneer die innige banden onderhield met allerlei extreemrechts geboefte.
Pierre Plantard
Niettemin moet ik bekennen dat ik nog steeds een zwak heb voor dit stukje “alternative history” van Michael Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln, zelfs in aanmerking nemend de ietwat noodlottige invloed die het boek op latere ontspanningsliteratuur heeft gehad. Dan Brown was niet de eerste en niet de laatste die de thematiek verwerkt heeft. Integendeel, hun naam is Legioen. Sommige schrijvers hebben hun inzichten in nog ellendiger bewoordingen neergekrabbeld dan Brown, maar vele anderen zijn aanzienlijk beter uit hun woorden gekomen. Hoe triest dat niemand van hen in het succes van de hausse heeft kunnen delen. 

De centrale premisse van The Holy Blood and the Holy Grail is dat Christus niet stierf aan het kruis, maar gered werd, met zijn vrouw Maria Magdalena naar Europa vluchtte (via het Zuid-Franse Rennes le Chateau) en een bloedlijn in gang zette die, bijvoorbeeld via de Merovingische koningen in Frankrijk, tot op de dag van vandaag in stand gehouden is.
De heilige Graal
Verscheidene familienamen behoren tot die lijn, zoals de reeds genoemde Plantard en Sinclair (St. Clair). Volgens het boek waren deze families de krachten achter de schermen die van de Tempeliers een financieel imperium maakten, en die door hun bevoorrechte positie in met name Palestina een fabelachtige schat wisten te verwerven. De voornaamste bestaansreden van de organisatie was niet het beschermen van het geheim van de heilige graal (“san greal”), maar van de bloedlijn (“sang real”). Het ultieme doel: de nakomelingen van Christus terug te brengen op de Franse troon. Het moment voor actie: als de tijd rijp is. Het streven, als de troon eenmaal teruggewonnen is: het vestigen van de Nieuwe Wereldorde. De toegestane middelen: ieder denkbaar middel. Ja ja, lezer, nu gniffelt u nog!

Vrijwel alle moderne populaire complottheorieën komen dus eigenlijk voort uit één en dezelfde veronderstelling: dat Christus’ bloedlijn zich in Europa heeft voortgezet. De Illuminati, de Vrijmetselaars, de Ahnenerbe, Opus Dei, alles is verschijningsvorm van hetzelfde. Ik geef toe: gevaarlijk terrein. Vele krankzinnigen wentelen zich in deze wilde theorieën en ik wil als erkend niet-krankzinnige daar niet graag mee geassocieerd worden.

Wat het voor mij allemaal toch pikant maakt, is dat de grondaanname in het boek, namelijk dat Jezus getrouwd was en kinderen had, best aannemelijk gemaakt kan worden: hij was een rabbi en in de Joodse maatschappij moesten rabbi’s getrouwd zijn om hun functie uit te kunnen oefenen. Dit nauwelijks heterodoxe inzicht is overigens al veel ouder dan het boek en kent vele aanhangers van buiten het complottheoriewereldje.

Jacques de Molay,
laatste grootmeester der Tempeliers
Hoe dan ook: voor een halfingevoerde leek is het totaal onmogelijk om verdichtsels, leugens en feiten, speculaties en redelijke conclusies uit elkaar te houden. Dat de Tempeliers bestaan hebben, zoveel is zeker. Dat Philips de Schone tussen 1307 en 1314 de organisatie in een bloederig offensief vernietigd heeft, is zeker, en ook dat de weinige overlevenden vervolgens naar allerlei uithoeken van Europa gevlucht zijn. Met name Schotland ontving de laatsten der Tempeliers met open armen. In dat land treft men verscheidene kerken aan, voorzien van de veelzeggende symbolen der Tempeliers. Of er werkelijk een schat bestaan heeft, en of de laatste ontsnapte Tempeliers die mee hebben weten te smokkelen, Frankrijk uit, daar is officieel niets van bekend. Officieus zijn er honderden theorieën.

De bekendste van de Schotse Tempelierskerken is wel Rosslyn Chapel, gebouwd door William Sinclair, 1st Earl of Caithness. Een bescheiden kerkje, dat na het enorme succes van Dan Browns boek en de gelijknamige film haar jaarlijkse bezoekersaantal zag verveelvoudigen. Zo groot was plotseling de toestroom van toeristen, dat de uitbaters van de kapel uitermate poenerig hebben kunnen uitpakken met een kosten-noch-moeite sparend bezoekerscentrum, compleet met het toilet der toiletten. Het is duidelijk: Dan Brown heeft Rosslyn Chapel geen windeieren gelegd.

Ondanks al dit onverkwikkelijks is de kerk beslist de moeite waard. Toen wij haar gingen bezoeken, vorige week zondag, hing er een zware, sliertige nevel over het altijd glooiende Zuidschotse landschap. Heel Midlothian was onzichtbaar geworden en kil. We hadden eerder op die dag al het heilige eiland Lindisfarne bezocht en het leek een goed idee om de stemming van gedragen mystiek voort te zetten in een iets andere setting.

Door het slechte weer was het relatief rustig in de buurt: er stonden geen touringcars geparkeerd en het ontbrak volledig aan Japanners. De mensen die er wel waren (goed volk: zware wandelschoenen, North Face rugzakken, macrobiotisch haar) leken oprecht geïnteresseerd. Misschien wel bijna de helft bekeek de kerk met eigen ogen en niet door de zoeker van hun telefoontje. Zou het hun opgevallen zijn dat de gargouilles boven de ingang bij nader inzien geen leeuwen, maar bavianen zijn?

Wat meteen opvalt aan het interieur, is dat de laatgotische ornamentiek met een grote kwast overgekalkt is, zodat alle vormen zacht geworden zijn en vloeibaar, een beetje als bij de Portugese gotische estilo manuelino, die eruit ziet alsof hij twee eeuwen lang onder de zeespiegel bewaard is.

Wie de symbolen zoekt, zal ze vinden. Vermaard is de zogenaamde Apprentice pillar, waarvan gespeculeerd wordt dat een deel van de schat er in een holle ruimte opgeborgen is. Één symbool zoekt de bezoeker tevergeefs. Boven de doorgang naar de crypte, is in de film een veelbetekenend hexagram te zien. Wie het symbool terugzoekt, zal een lichte cirkel in het steen ontdekken, maar geen zespuntige ster: de filmcrew had het symbool daar vastgeplakt en naderhand weer mee naar huis genomen.

We hebben nog in de crypte rondgekeken, maar geen spoor was er te bekennen van enig onbekend werk van Leonardo Da Vinci. Dat was een beetje teleurstellend.

Wel weer leuk dan is om te vermelden is dat wij, in tegenstelling tot alle andere bezoekers, wel degelijk fabelachtige schatten gevonden hebben in de omgeving van de kerk. Ik ga de lezer niet precies vertellen waar, want omdat we in een vrij kleine Peugeot 307 reisden konden we alleen maar het allerbelangrijkste meenemen. We hebben in ieder geval nog een ossuarium van Jezus Christus, de schedel van Jozef van Arimathea (twee zelfs: één uit zijn jeugd en één van vlak na zijn dood), de Graal zelve, en de ontbrekende Dode-Zee-rollen achter moeten laten. Wat we wel hebben overgebracht is de Arke des Verbonds (de enige echte), die we tijdelijk in Haarlem in ons tuinschuurtje hebben ondergebracht, waar hij in een schemerig hoekje staat. Gelukkig hadden we een Flying Blue kaart van de KLM, zodat we niet hebben hoeven bijbetalen voor deze extra bagage. Dat komt toch al gauw op twee tientjes extra. De Arke straalt een beetje zonderling, onaards licht uit en de huisgenoten durven niet meer het schuurtje in.
De Arke des Verbonds, zoals hij nu in ons schuurtje opgesteld staat


vrijdag 3 januari 2014

De Amsterdamse Poort in Haarlem



Kun je een stad samenvatten in, bijvoorbeeld, één gebouw? Nee, natuurlijk niet.
Of, om het anders te stellen: ja, natuurlijk wel. Althans: soms wel.

Wanneer wij, de jeugd uit het Amsterdam Geuzenveld/Slotermeer van de jaren zeventig, de fiets pakten om erop uit te gaan, om de grote stad te verlaten en de weilanden te doorkruisen, kwamen we steevast in Haarlem terecht. Er was vanuit Plein 40-45 eigenlijk geen andere mogelijkheid. Onze wijk grensde aan de Haarlemmerweg, die begon als een klinkerstraat, maar even verderop een echte, geasfalteerde snelweg werd! Het fietspad liep erlangs en na drie kwartier schoven we de kleine, ons door de liedjes van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh welbekende zusterstad van Amsterdam in. De hele rit hadden we ons dan al zitten verheugen op de beloning aan het eind van de tocht: de aanblik van het oudste gebouw dat we binnen fietsafstand kenden: de Amsterdamse Poort, aan het eind van de Amsterdamse Vaart.
Stadsplattegrond van Haarlem door Blaeu, 1652. De Amsterdamse
Poort is de bovenste, vlak onder het blazoen.
De Spaarnwouderpoort, later omgedoopt tot Amsterdamse Poort is de allereerste Haarlemse poort die in de bronnen wordt vermeld. Hij is gebouwd bij de eerste vergroting van de stad, toen een groot terrein over het Spaarne binnen de wallen werd getrokken. Volgens de overlevering zou Kenau Simonsdochter Hasselaer op de walmuren bij de Amsterdamse Poort hebben gestaan om de Spaanse aanval tijdens de Tachtigjarige Oorlog af te slaan. Het is de enige poort die het beleg zonder noemenswaardige schade heeft doorstaan, een roodgoud gekleurd bakbeest uit 1355, opgetrokken uit baksteen met bergsteen voor de banden en hoekblokken. Het hoofdgebouw heeft een lage voorpoort die door twee achthoekige torentjes geflankeerd wordt. Deze torens zijn door middel van vleugels verbonden met een lagere, in de gracht gelegen voorpoort die dateert uit de vijftiende eeuw.
De Bourgondische vuurslag (foto: Roberto)
Deze tweede poort heeft twee ronde torens, waar we in het metselwerk de Bourgondische vuurslag, een eenvoudig gehard ijzeren werktuigje om vonken uit een vuursteen te slaan, en de wapens van Oostenrijk en Haarlem kunnen herkennen. Aan de voet van de poort zijn overblijfselen van de oude stadsmuren te vinden.

De poorten van Haarlem. Dit is overigens niet de Amsterdamse Poort, maar de St. Janspoort, die nu allang gesloopt is. Rechts de Kruispoort, waarvan de contouren in de vorm van een lichtkunstwerk terug te vinden zijn in het plaveisel van de Kruisstraat, pal voor het voormalige Fünckler-Hotel.
Het is van de twaalf oorspronkelijke stadspoorten van Haarlem de enige die overgebleven is. Tot de 17e eeuw was de poort vooral in gebruik voor het vervoer over land naar Spaarnwoude (vandaar de oorspronkelijke naam). In 1631 werd de Haarlemmertrekvaart aangelegd, die de reistijd tussen Haarlem en Amsterdam aanzienlijk bekortte. Het was nu mogelijk om binnen één dag vice versa te gaan tussen de twee steden. Vanaf toen droeg de poort zijn huidige naam.
 
Helaas dreigde de vooruitgang ter kimme: ten behoeve van de Nijverheidstentoonstelling van 1825 moest de toegang tot het centrum van Haarlem worden verbreed. Alleen onze Amsterdamse Poort is aan deze sloopgolf ontkomen. Jan David Zocher jr., mede-eigenaar van de boom- en plantenkwekerij Rozenhagen ten noorden van de Kloppersingel, ontwierp een nieuwe opzet in 1827. Hij zou het afbreken van de stadsmuren en bolwerken leiden en samen met zijn zoon Louis Paul de vrijkomende ruimte herscheppen tot aangename plaatsen waar ook ik, op heden wonende in de Rozenhagenstraat, genoeglijk mag flaneren.
 
Verval. Midden 19e eeuw
Ondanks dat de Poort blijkbaar om één of andere reden  aan de vernielzuchtige aandacht van Zocher was ontsnapt, was het gevaar voor het arme gebouw nog lang niet geweken. In 1865 wilde de stad de in ernstig verval geraakte poort slopen. Ze hinderde de constructie van een nieuwe brug vlak ervoor. Toen voor die brug evenwel niet genoeg fondsen gevonden werden, ging de gemeenteraad akkoord met een provisorische renovatie om er zeker van te zijn dat het gebouw niet in de eerstvolgende twee à drie jaren in zou storten. In 1867 werd de Papentoren gesloopt en de munitie die daar opgeslagen was, werd naar de poort overgebracht. In 1869 werd eindelijk de brug voor de poort gebouwd. In 1874 werd het grootste deel van de munitie naar buiten de stad verplaatst. In 1889 volgde er een kleine renovatie door de stadsarchitect, J. Leijh. Zijn budget was 1,490 gulden, een bedrag dat hij overschreed met 775 gulden.

Jarenlang reed de tram tussen Haarlem en Amsterdam langs de poort. Eerst reed de vanwege zijn groene kleur "De Kikker" genoemde tram langs de ene zijde:
 
 
daarna reed de blauwe tram over een speciaal aangelegde brug langs de andere zijde:
 
 
In de zestiger jaren van de twintigste eeuw werd de poort uitgeroepen tot nationaal monument. In 1985 werd zij volledig gerenoveerd.
 
Ca. 1900
 














Dit was in het kort de geschiedenis van wat voor mij als Amsterdammer en als Haarlemmer een icoon van deze stad is: De Amsterdamse Poort.
 
Ca. 2000