donderdag 26 augustus 2021

"Wij" en het geluk

Ik heb altijd al wat moeite gehad met “wij”. Wij zijn wereldkampioen, wij hebben de oorlog doorstaan, wij hebben ons verrijkt over de rug van slaven, wij hebben ons ingehouden met Oud en Nieuw, wij zijn de Lockdown zo zat…
‘Ik niet,’ zeg ik dan altijd, ‘Ik was er niet bij en ik heb niet meegevoetbald.’
In tegenstelling tot die “wij” heb ik achttien topmaanden achter de rug. Achttien onvergetelijke topmaanden.

2020/21 is voor mij een van de beste periodes geweest uit mijn hele werkzame leven. Thuiswerken vind ik geweldig, de tuin was en is een verrukkelijke plek om in de zon vele boeken te lezen, met of zonder een glas Nieuw-Zeelandse Sauvignon. Het vakantieverbod was een geschenk uit de hemel, een verhoord stil gebed. Geheel de wereld spande samen om mijn anderhalve jaar fantastisch te maken. Voor mijn type kon het niet beter. Ik ben een introverte huismus en voel me het meest op mijn gemak in mijn eigen kasteel. Wat men buiten de kantelen allemaal uitvoert, ik neem er kennis van en ga over tot de orde van de dag. Men zoeke het gevoeglijk maar uit. Er is veel teveel om je over op te winden, van grote dingen tot de allerkleinste (zoals bijvoorbeeld dit: mijn spellingschecker merkt het zojuist getypte “zoeke” aan als fout, want de randdebiel die dit stuk sofware heeft geprogrammeerd kent de aanvoegende wijs niet, zulke dingen).

Ik kijk dus met een zeker onbehagen naar de toekomst, waar de straten weer overvol zullen zijn, waar ik weer met die vervelende trein naar Den Haag op en neer zal moeten voor mijn werk (een tijdverlies van ongeveer twee├źneenhalf uur per dag!), waar we weer de godganse dag vol kippendrift op weg zullen zijn naar dit of naar dat, altijd in de drukte, altijd in het lawaai. Nu steekt de dreiging van dat alles ontwrichtend Formule-1 gedoe de kop op en straks zal het gebeuk van popfestivals in de Haarlemmer Hout en dancefeesten bij de Veerplas weer tot onze achtertuin doordringen.

Dagelijks hoor ik als een mantra dat “wij” er naar snakken, naar het opheffen van alle beperkingen. Nou, ik dus niet. Ik zie alleen maar echte beperkingen in het verschiet.
Natuurlijk realiseer ik me dat ik vanuit een bevoorrechte positie schrijf. Lang niet iedereen kan op de fortuinlijke omstandigheden bogen onder welke ik leef: een ruim huis, een redelijk grote tuin, een kolossale bibliotheek, een voorraad muziek die reiken zal tot aan de jongste dag, speelfilms en televisieseries meer dan voldoende voor de komende vijftien jaar en verder geen enkele materiele behoefte buiten een enkel natje en droogje.

Maar zeg nu zelf: om de unieke kans te krijgen anderhalf jaar alleen nog maar met jezelf, je naasten en je beste vrienden te maken te hebben, daar zou toch eigenlijk iedereen blij van moeten worden?

maandag 9 augustus 2021

Fiets

Ik heb een fiets. Dat is me toch iets.
Hij heeft een mandje, een bel die klingelt,
spul om te versieren.
Ik gaf hem aan jou als ik kon, maar hij is geleend.

Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik heb een jas. Ik ben niet in mijn sas.
De voorkant is gescheurd. Hij ’s rood en zwart.
Ik heb hem allang.
Als je vindt dat hij me staat dan zeg ik inderdaad.
 
Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik ken een muis en hij heeft helaas geen huis.
Ik snap het niet. Ik noem hem Gerald.
Hij is al aardig oud, maar is een top-muis.
 
Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik heb een bende peperkoekvolk.
Hier een pop, daar een pop, heel veel peperkoekvolk.
Neem ze lekker allemaal. Zo uit de schaal.
 
Jij bent wel een meid die past in mijn wereld
Ik geef je wat dan ook, echt alles als je spul wilt.

Ik ken een hok gevuld met muziek.
Rijmend of ka-tsjingend. Vele als een uurwerk.
Kom mee naar binnen en dan gaan we aan het werk.


Bike
Pink Floyd, van het album
The Piper at the Gates of Dawn (1967)
Auteur: Syd Barrett