maandag 12 januari 2026

Leesrapportje 19


Marisha Pessl - Night Film

Dit is een van de lievelingsboeken van mijn zus. Het is een beetje een vreemd boek. Een wirwar van stijlen, en toegevoegd een hele serie quasi documentaire illustraties die zogenaamd gescreenshot zijn van het internet, maakt dat ik het meteen kon rangschikken als postmodern (een merkwaardige term voor een merkwaardig genre waarvan je intuïtief doorgaans precies weet wat het inhoudt, zonder dat je er ooit een duidelijke definitie bij hebt. Ik moet daar later toch eens dieper op in gaan).
De 600 pagina’s dikke roman begint als een best geslaagde pastiche van het hard-boiled genre à la Ross Macdonald of Raymond Chandler, maar allengs wordt de verhaallijn overgenomen door iets heel anders: het occultisme. Een cultregisseur, een soort mengsel van Stanley Kubrick en Dario Argento is wel of niet een beoefenaar van de zwarte kunsten, ten koste van vele levens, waaronder dat van zijn dochter Ashley. Een onderzoeksjournalist bijt zich vast in de zaak.
Ondanks dat Pessl best kan schrijven, is het bepaald geen meesterwerk geworden. Het ergerlijkst vind ik haar gewoonte om te pas en te onpas en zonder enige inhoudelijke reden zinnen en woorden te cursiveren, blijkbaar om ons, domme lezertjes, met al te grote nadruk te wijzen op datgene wat ons anders misschien zou ontgaan. Het doet me een beetje denken aan die malle filmpjes die op de sociale media rondgaan van auto-ongelukken of van de dakgoot vallende katten, waarbij de auto of de kat voorzien is van een volstrekt overbodige grote, rode pijl. Ja hallo, dat zien we toch zelf wel?
Aan het eind blijkt dat alles anders was, en dat er eigenlijk helemaal niets aan de hand was. Weer zo’n typische, bloedarmoedige wending, die een zwaar postmodern boek als Nachtzug nach Lissabon ook zo teleurstellend maakt.
Wie van een breed uitgemeten werkstuk houdt, dat voorzichtig op zijn tenen allerlei literaire grenzen overschrijdt zonder daarbij ooit echt opwindend of experimenteel te worden, kan ik het wel aanraden. Grote literatuur, of zelfs maar grote postmoderne literatuur is het echter niet.
 


André Gide - De immoralist

Dit dunne boekje heb ik na zo’n 45 jaar 
herlezen. Opnieuw in de goede vertaling van H. Marsman. Het is typisch zo’n boekje dat wij als jong volwassenen allemaal gelezen moesten hebben, zoals Narziss en Goldmund van Hesse, The Picture of Dorian Gray van Wilde, de twee boekjes van Raymond Radiguet of Het grote avontuur van Alain-Fournier.
Er is een reden waarom ik de afgelopen jaren al deze boeken aan het herlezen ben geweest: mijn geheugen is zodanig vervallen geraakt dat ik me hun inhoud nauwelijks nog kon herinneren. In de hoogste mate gold dat voor dit boekje van Gide, dat nu totaal anders “aanvoelt” dan ik me nog vaag meende te herinneren.
De Immoralist beschrijft de ontwikkeling van Martin die zich steeds meer loszingt van de heersende moraal en gangbare normen. Hij is een rusteloos mens, die min of meer doelloos rondreist door Algerije met zijn vier jaar jongere vrouw Marceline. Het is hun huwelijksreis. In het eerste deel van het boekje is Martin ernstig ziek, hij heeft TBC. Zijn vrouw verzorgt hem en helpt hem er bovenop. Aanvankelijk hield Martin niet echt van Marceline, maar allengs ontwikkelt hij gevoelens voor haar.
Maar Martin heeft er andere passie bij. Hij vertoeft het liefst bij allerlei Algerijnse jongens van rond de tien jaar. Het hele boek zit vol met homo-erotische en pedoseksuele toespelingen. Het wordt nooit expliciet, maar toch…
Het zijn ook niet die gevoelens die zo immoreel zouden zijn. Het immorele zit hem meer in Martins toenemende afkeer van alle gangbare normen en waarden.
In het tweede deel draaien de rollen zich om. Het paar verblijft een tijd op het landgoed van Martin, daarna reizen ze naar Italië waar Marceline op haar beurt TBC oploopt. Martin is overbezorgd, maar in tegenstelling tot Marceline is hij niet in staat voor haar te zorgen en laat hij het afweten. Het paar keert terug naar Noord-Afrika, waar Marcelline na enige tijd sterft.
Martin is immoreel, maar een monster wordt hij niet. Hij is zwak en narcistisch, misschien niet bijzonder sympathiek, maar daar blijft het wel bij. Zijn slappe machteloosheid is zijn meest in het oog lopende eigenschap.
Iemand merkt ergens op het internet terecht op dat de titel beter De amoralist zou hebben kunnen zijn. Doorheen het werk treft men de filosofie van Nietzsche aan, die altijd een grote inspiratiebron voor Gide geweest was. Ik moet ondertussen langzamerhand mijn mening omtrent de Franse romanciers van de periode 1890-1920 eens gaan herzien.


Ilja Leonard Pfeijffer - Grand Hotel Europa

“Wie zich niet alles herinnert wat hij wil vergeten, loopt het risico dat hij bepaalde zaken vergeet te vergeten.”

Ger H. had het boek al na een paar bladzijden terzijde gelegd. En inderdaad, vanaf het begin wil de schrijver niet verbloemen dat hij pompeus is en kwasterig. Maar Pfeijffer kan goed schrijven, dat wel. Ik vergelijk hem graag met A.F.Th: ook zo’n grote, zware, ietwat pompeuze, gevestigde schrijver van populaire, maar niettemin betere boeken, dikke werken met een soepele pen geschreven, maar telkens gevaar lopend in pedanterie terecht te komen.
Met Grand Hotel Europa heeft Pfeijffer een ideeënroman willen schrijven die de geest van het Europa van nu vangt en die Thomas Manns De toverberg naar de kroon wil steken. Daarin is hij geenszins geslaagd. Wat bij Mann op subtiele wijze langzaam bij de lezer doordringt, wordt er bij Pfeiffer met de voorhamer ingeslagen.
Is dit ambitieuze werk gelukt: maakt Pfeijffer zijn ambities waar?
De overeenkomsten met de Toverberg zijn overduidelijk. Het sanatorium van Thomas Mann is hier een vaag gebleven “Grand Hotel Europa”, een hotel waar ooit de beau monde van Europa vertoefde. De tijd is er stil blijven staan totdat de nieuwe eigenaar de moderne tijd door wijd geopende voordeur naar binnen noodt. In dat hotel kijkt een romanpersonage genaamd Ilja Leonard Pfeijffer terug op zijn stukgelopen verhouding met de Italiaanse kunsthistorica Clio. Hij raakt meermalen in gesprek met Patelski die ook heel veel heeft nagedacht. Hij meent dat er een duidelijke parallel aan te wijzen valt tussen het massatoerisme en het vluchtelingenvraagstuk. Hun dialogen zijn als uit elkaar gevlochten essays. Het zijn dialogen waarin de twee sprekers het volledig met elkaar eens zijn. Het Avondland heeft zijn jeugd verloren en is op. Net als de eigenaresse van het hotel leeft Europa alleen nog maar in het verleden. Het dreigt, net als Venetië, een dode schijn te worden, nog slechts voortbestaand in dienst van het massatoerisme.
Alle sprekende karakters, of ze nu Patelski zijn, minderjarige snolletjes of Macedonische gangsters, klinken allemaal als bezadigde hoogleraren van achter in de vijftig. Ze dreunen hun zware en compacte volzinnen op alsof ze voorlezen uit een geleerd boek, compleet met exordium, narratio, propositio, argumentatio en peroratio. Het doet denken aan de manier van oreren in de klassieke literatuur en aangezien Pfeijffer een classicus is, begrijp ik waar het vandaan komt. Wat de bedoeling van deze ernstige precisie is, ontgaat me evenwel. De jonge Geerten Meijsing leed ook wat aan dit euvel, maar hij heeft het grotendeels overwonnen.
Wat Pfeijffer bepaald niet kan, is lichtvoetig en geestig schrijven, al probeert hij dat wel geregeld, en terecht ook, want het boek heeft zoiets nodig. Maar het is als een klassiek pianist die jazz probeert te spelen: alle nootjes zijn er, en hij beheerst zijn instrument als weinig anderen, maar dit ene, specifieke trucje, dat een zekere losheid vereist, dat trucje lukt hem niet.
Wat bedoeld is als satire, komt log en zwaarmoedig uit de pen. Domheid en oppervlakkigheid worden veel te dik aangezet en overtuigen geen moment. Een beetje lichtvoetigheid, een subtielere penseelvoering zou veel goeds gedaan hebben. Vooral de satirische beschrijving van de avonturen van twee stellen ramptoeristen, compleet met een op eerwraak gebaseerd verkrachtingsverhaal, komt vies en contraproductief over. Geen enkele reiziger, hoe bot ook, zal ooit verlekkerd vol kunnen houden dat het meemaken van een dergelijke gruwelijke traditie, waarbij ze ook nog eens driedubbel overduidelijk onwelkom waren, een voorrecht en een "verrijking" was.
Al met al was het een boek dat, weliswaar in goed en verzorgd Nederlands geschreven, bij mij niet beklijven kan.