Jeroen Brouwers - De laatste deur
Zonder aantoonbare reden heeft de rapportage heeft weer een tijdje stilgestaan. Zo raak ik steeds verder achter, niet dat dat uitmaakt: mijn leeslijst is allesbehalve actueel. Veelal lees ik de veteranen van mijn boekenkast, zoals ook nu weer.
De belangrijkste dag in mijn jonge ontwikkeling als kritische cultuurmens was die dag dat Uitgeverij E.M. Querido, waar mijn vader werkte, fuseerde met Uitgeverij de Arbeiderspers, waar alle geweldige boeken vandaan kwamen, die dientengevolge nu langzamerhand allemaal in het ouderlijk huis begonnen op te doemen. Het werd een vast ritueel: drie à vier keer per jaar kwam pa thuis met een aantal dozen boeken die hij mocht houden. Aanvankelijk kreeg hij zonder meer alles van beide uitgeverijen (en de gelieerde wetenschappelijke uitgeverij Boom), en later, tijdens rigoureuze bezuinigingen mocht hij een pakket samenstellen hetgeen hij, met enthousiaste mijn input, ijverig deed.
Deze in 1983 verschenen bundel opstellen en artikelen over zelfmoord in de Nederlandse literatuur heeft een jaar of veertig in mijn boekenkast staan wachten op lezing. Hoewel Brouwer altijd een verzorgd Nederlands schrijft, zijn sommige stukken beter dan andere. Achteraf gezien is het eerste langere segment, over Jan Emiel Daele het mooist geschreven.
Iedereen komt aan bod: Jan Arends, Jan Emmens, Menno ter Braak, Jotie ’t Hooft en Dirk de Witte als bekendere schrijvers, maar Brouwers archieven bevatten gegevens over zelfs de meest onbekende schrijvers uit Nederland en België.
Aan bod komen de verschillende motieven die de plegers gehad hebben, alsook de methodes, en of die zich van tevoren in het oeuvre reeds aangekondigd hadden (heel vaak wel). Zo wordt het boek een uitputtend werk, ook niet zonder polemieken, hoewel nooit zo fel als bijvoorbeeld bij Hermans te bespeuren valt. Een zekere romantische mildheid in zijn felheid is Brouwers niet vreemd.
Wat vreemd is de redenering achter de gekozen terminologie. Brouwers betoogt dat zelfmoord niet op te vatten is als een misdrijf, en dat dus het werkwoord plegen niet van toepassing kan zijn. Om die reden kiest hij voor begaan. Voorts betoogt hij dat het onnodig en onwenselijk is om verbloemende termen te gebruiken, dus zelfdoding of suïcide, laat staan euthanasie moeten worden afgewezen ten gunste van het harde zelfmoord. Dat in die term dezelfde criminaliserende connotatie aangetroffen wordt als in het begrip plegen, wordt niet uitgewerkt. Een heel bizar voorbeeld van meten met twee maten, vind ik, Ikzelf vind alles best, al gebruik ik altijd gewoon het traditionele begrip zelfmoord plegen, als het opkomt in de conversatie.
Zelfmoord blijft een boeiend onderwerp voor Brouwers, getuige ook latere boeken van hem, als De versierde dood (1989) en De zwarte zon (1999).
![]() |
| Menno Ter Braak, Simon Vestdijk, Edgar Du Perron |
Een half jaar geleden besloot een stokoude Haarlemmer uit de Kleverparkbuurt te verkassen naar een verzorgingshuis. De twee verdiepingen van zijn bovenwoning, met zijn veel te steile trappen werd hem teveel. Zijn bibliotheek kon hij niet meenemen en dus zette een van zijn kinderen een advertentie op Facebook: gratis op te halen, zoveel boeken als je maar wilt.
Ik was op de fiets en beperkte me dus tot twee tassen, waar ik onder andere in wist te proppen: acht delen correspondentie van Edgar Du Perron, en de vierdelige briefwisseling van hem met Menno Ter Braak. Die vier dundrukdelen heb ik nu uit. Het las als een trein.
Het is heel makkelijk om je te identificeren met deze twee dertigers van een eeuw geleden, omdat ze zich bezig hielden met die zaken waar literaire dertigers in een politiek woelige tijd zich altijd mee bezighouden: ontdekken, bekritiseren, definiëren, vormen. Zo fel en radicaal mogelijk.
Hoewel Ter Braak een jaar of vier jonger was dan Du Perron, was hij van de twee het bedaarde, oudere mannetje, ook al was ook zijn mening fel en vaak ongenuanceerd. Du Perron was echter een eeuwige jongen, met het hart op de tong en een gloeiende geest die brandde en vlamde. De twee mannen vertegenwoordigen in feite de ideale synthese van… mij, laat ik het maar zo stellen. In mijn 68-jarige hoofd wonen op hetzelfde moment twee personen: de woedende, compromisloze, negentienjarige jongen die alles tot een absolute waarheid wil uitredeneren en de bedaarde, tot bedachtzame rust gekomen half-bejaarde, die in zijn pantoffels van stoel naar bank loopt, dan weer terug van bank naar stoel, tevreden genietend van de stilte.
Uitgesproken in zijn meningen, lang niet altijd fair, veel te kritisch en beslist te ongeduldig met domme, leugenachtige of gemakzuchtige medemensen. Tegelijk wijs en laconiek mild, bijna op een arrogante manier als iets dat anderen druk bezig houdt hem niet raakt. Zo las ik mezelf, vertegenwoordigd in de twee vrienden totdat hun beider levens, dagen na elkaar, tot een einde kwamen in de meimaanden van 1940.
Hoewel deze vier boeken dus vooral over mezelf gingen, leverden ze ook een mooi beeld op van het literaire leven in Nederland in het interbellum. Een enorme reeks aan namen passeerde de revue, onder wie tamelijk prominent ook Fredje Batten, van wie ik op het lyceum nog Nederlands heb gehad. Ze nemen hem niet helemaal serieus, die twee, maar ze houden wel een beetje van hem.
Pierre Drieu la Rochelle - Aan elke vinger een vrouw
Pierre Drieu la Rochelle, 3 januari 1893 - 15 maart 1945, heeft de geschiedenis helemaal verkeerd gelezen, waardoor hij zichzelf min of meer buitenspel gezet heeft. Hij koos ervoor een nazi te zijn. Niet vanaf het begin echter. In 1917 trouwde hij met Colette Jéramec, de zuster van een joodse vriend. In 1921 scheidden ze alweer. Hij stond sympathiek tegenover de dada-beweging, het surrealisme en het communisme. In de jaren twintig was hij een goede vriend van Louis Aragon en Jacques Rigaut. Allengs helde hij meer over naar royalisme aanvankelijk, later ronduit fascisme en antisemitisme. Tegen het einde van de oorlog bleek hij ineens weer geswitcht te zijn naar het stalinisme. Ondanks de bescherming die hij genoot van onder andere zijn invloedrijke vriend André Malraux, wist Drieu niet meer te ontsnappen aan de infame reuk die om hem heen hing en hij pleegde uiteindelijk zelfmoord.
Uit de tijd dat hij nog niet zover gezonken was, 1925, dateert dit boek, L’homme couvert de femmes, in de Nederlandse uitgave vertaald door Arnold de Niet.
Dit is weer zo’n boek dat al vijfenveertig jaar in mijn kast op lezing heeft staan wachten. Ik bespeur stilistische verwantschap met Raymond Radiguet en Guillaume Apollinaire, beide nadrukkelijk anti-romantische schrijvers die met hun zakelijke stijl het liefdeleven wensen te fileren. De immoralist van André Gide is ook vergelijkbaar, maar wel gepassioneerder, romantischer dus.
Gille, de jonge hoofdpersoon van deze korte roman bezit een onvermogen om zich volledig te geven in zijn relaties. Dit deprimeert hem en doet hem walgen. Hij minacht zichzelf en het object van zijn lusten in gelijke mate. Een nieuwe verovering erbij verveelt hem na één nacht alweer en hij gaat op zoek naar nieuwe impulsen. Oudere vrouwen, jongere, dames en boerenmeiden, prostituées.
De hoofdpersoon wordt in zijn zakelijke zelfbeschrijving allengs onbegrijpelijk. Hij spreekt zichzelf constant tegen, oorzaak wordt gevolg en vice versa, hij doet algemene uitspraken over de liefde die volledig tegen hun eigen context ingaan. Allengs ontpopt Gille zich aldus als een soort psychopaat en een extreme narcist. Als er al lessen te ler en waren, waren die diep verborgen en ongevraagd. Ik vond het uiteindelijk geen plezierig boekje, zomin als ik Le Diable au corps van Radiguet een plezierig boek vond, en vrijwel om dezelfde reden.


