zaterdag 29 september 2012

Eindexamenbegeleider

Als je het hebben wilt over “politiek incorrecte jeugdliteratuur” (en wie wil dat nu niet?), dan ontkom je niet aan de Bob Evers serie. Alles aan deze reeks was wat de huidige mens met opgetrokken neus aanschouwt. Het wereldbeeld in deze serie tentoongespreid, de levensinstelling zoals door de jonge helden verwoord, de politieke incorrectheid druipt ervan af. Boven alles geldt dit voor de zeer omstreden levensloop van de schrijver van de reeks zelf, Willy van der Heide.

Willy van der Heide is een van de vele pseudoniemen van de schrijvende schelm Willem van den Hout, die tijdens de oorlog een bedenkelijke rol speelde onder het pseudoniem Willem W. Waterman, die meisjesboeken schreef als Sylvia Sillevis, maar net zo gemakkelijk pornoverhalen onder pseudoniemen die de lezer zelf ook wel kan verzinnen. Een overtuigde broodschrijver dus, een hacker. Maar wel degelijk een goede schrijver. Vooral een zeer behendig stylist.

Hoewel ik ook heden, op min of meer gevorderde leeftijd, nog steeds zo nu en dan met veel plezier een deeltje lees, doe ik dat niet meer zo fanatiek als bijna 40 jaar geleden tijdens wat nu in de annalen gedagboekt is als de „Eerste Integrale Evers-lezing”. Het waren de eindexamenweken en de stamp-procedure was als volgt: twee uur blokken, dan een deeltje Bob Evers lezen, dan weer twee uur blokken, daarna weer een deeltje. Drie deeltjes per dag, twee weken lang. Na een paar dagen werden vanzelfsprekend de bloktijden korter en korter, eerst anderhalf uur, later nog maar nauwelijks een uur. Zo verslavend waren de deeltjes. Achteraf is het een groot wonder dat ik dat examen gehaald heb (wel met een herexamen, overigens). Ik kan uit eigen praktijk het oordeel van de “betere jeugdboekhandel” bevestigen: Bob Evers corrumpeert echt de jeugd!

Wat me vanaf het moment dat ik de boeken voor het eerst ben gaan lezen het meest fascineerde, was het feit dat de middelbare scholieren Bob Evers, Arie Roos en Jan Prins er allerlei eigenaardigheden op na hielden die je veel eerder bij een gepokte en gemazelde avonturier van 55 (zoals van den Hout zelf) zou verwachten, dan bij een stel jongens van 16.
Om een voorbeeld te noemen: wanneer Arie Roos in Den Haag moet zijn (goed beschouwd is dat op zich al een vreemde voorstelling van zaken: een Amsterdamse middelbare scholier die „toch even in Den Haag moet zijn”), ging hij altijd bij Het Gouden Hoofd langs, waar ze hem wel kenden. Als de jongens ergens in de provincie terechtkwamen, Ootmarsum, Oldenzaal of Oisterwijk, dan wisten ze er altijd wel een vaag vertegenwoordigers-hotelletje of een wegrestaurant waar ze bekend waren en waar ze zes broodjes halfom en zes broodjes ei konden bunkeren. De jongens hadden voor het gemak maar de volledige luidruchtige sociale en culturele context van hun besnorde en wereldwijze schrijver aangemeten gekregen. Ze hielden niet van popmuziek, maar van jazz, ze lazen geen romannetjes, maar alleen maar boeken over veldslagen, vliegtuigen en mijnbouw in de Andes.
Alleen de rook- en drinkgewoonten van hun bulderende schepper bleven de jongens bespaard: ze rookten wel eens en dronken als het niet anders kon nu en dan een glaasje bier, maar (en dat vind ik een geniale vondst) „ze hielden er eigenlijk niet zo van”. Ze hielden het liever bij Droste-flikken, London Tonic en blikken ananasschijven.

De avonturen varieerden van grote, panoramische epen, die tegen de zeshonderd pagina’s nodig hadden om tot volledige ontplooiing te komen, tot kolderieke niemendalletjes, die het maar ternauwernood de 192 pagina’s van een pocket-deeltje uithielden. Er werd in samenwerking met de FBI gerausd door vier continenten, maar ook werd er een eenvoudig toeristenhotel op stelten gezet, of kregen Peter Schilperoort en zijn Dutch Swing College Band te maken met uitermate domme diamantsmokkelaars...
Negers en Chinezen deugden in het algemeen niet en al het goede op de wereld kwam uit de Verenigde Staten, ook al liet de auteur zijn twee Hollandse helden geregeld hun Amerikaanse vriend in de zeik nemen.

Heel veel avonturen vonden plaats op het water: op stoomvrachtvaarders en plezierjachten in de Stille Zuidzee, in een twaalfvoets jolletje op de Kagerplassen, in een roeivlet op de Loosdrechtse plassen, of op een raderboot in de Rijn. Maar ook trein, vliegtuig en natuurlijk de automobiel waren prominente requisieten in de avonturen. Op een leeftijd dat u en ik overwogen om een brommertje aan te schaffen, hadden de jongens vliegbrevetten, rijbewijzen en zeevaardigheidspapieren. Geld speelde ook al geen rol, want niet alleen waren de jongens alle drie van gegoede families, maar bovendien hebben ze in de loop der jaren met hun avonturen tonnen verdiend.

Dit alles maakt het niet eens zo gemakkelijk om je met de jongens te identificeren: ze zijn daarvoor te zeer larger than life. En naarmate de serie vorderde, werden hun eigenschappen steeds zwaarder aangezet: de dikke en slimme Arie Roos werd monsterlijk dik en onmenselijk slim; zuinige Jan Prins veranderde langzaam in een ware vrek, en Bob Evers werd allengs doorzichtiger, totdat zijn karakterloosheid zijn enig overgebleven karaktereigenschap bleef. Het is om die reden waarschijnlijk niet zo’n slechte ontwikkeling geweest dat Van der Heide op een gegeven moment vanwege een meningsverschil over contracten gestopt is met de reeks. Dat het concept, schoongepoetst en gemoderniseerd, wel van unieke waarde was, blijkt uit het feit dat na de dood van van der Heide alweer een hele berg deeltjes verschenen is, nu geschreven door Peter de Zwaan.


Of deze Bob Evers versie 2.0 dezelfde magische uitstraling bezit als de 35 canonieke deeltjes van de oorspronkelijke schepper, weet ik niet. Als een ware van der Heide-adept heb ik me er tot op heden nog niet toe kunnen brengen om ze te lezen. Om over de groeiende stapel stripalbums nog maar te zwijgen...

vrijdag 14 september 2012

Verhaal dat uiteindelijk over katten blijkt te gaan

(Nog steeds is het oude blog volledig in het ongerede. Dat komt nooit meer goed. Liever dan het hele oude blog integraal te verhuizen, wat ik andere slachtoffers van het blog-débacle heb zien doen, vind ik het prettig om zo nu en dan (en soms om geen andere reden dan dat ik gepord ben om er weer eens aandacht aan te besteden) iets uit dat blog op te pakken, er een beetje aan te schaven, en het vervolgens in het nieuwe blog te plaatsen. Ik noem en tag dit: "Blogherstel".)


Vanaf de straat zag ik al direct wat het grote bezwaar zou zijn: de woning was veel te klein. Desondanks belde ik aan, ik stond hier nu toch. Geen reactie.
Ik klopte tegen het raam. Een oudere dame, die blijkbaar ook het huis kwam bezichtigen keek op, schrok toen ze mij door het raam zag, en liep verder, een achterkamer in. Ik belde nogmaals en tikte voor de tweede keer tegen het raam. De deur werd, naar het scheen met de grootste tegenzin, door een vlezige man van achter in de veertig opengeschoven.
‘D'r zit een bel op de deur, hoor ouwe.’ Ik was zevenendertig, hij in de veertig. Ik voelde direct een sterke antipathie tegen hem.
‘Het is me opgevallen,’ fluisterde ik, onthutst zoals ik dat altijd meteen ben bij misplaatste brutale onbeschoftheid. ‘Ik neem aan dat de bel wel weer stuk zal zijn, zoals bijna alles bij deze woningbouwvereniging meestal niet werkt.’ De man drukte op de bel. Vanuit het huis was zachtjes gerinkel te horen.
‘Niet als je op de goede bel drukt.’ Ik was hem naar binnen gevolgd. Hij had dikke billen.
‘Voor mensen die ik niet mag ben ik gewoon u en meneer.’

Na aldus de stemming van het onderhoud op plezierige wijze geregeld te hebben, negeerde ik de man verder en begon ik de woning te inspecteren.
Twee lelijke vrouwen, kennelijk een moeder met haar dochter, waren zich met de discussie gaan bemoeien door de kant van de bewaarder te kiezen. Ze smoesden onder elkaar. Ik kon niet dan met verbazing naar ze staren. Wat genen al niet doen om zich voort te planten. Achteraf denk ik dat het feit dat ze zich van een soort mensentaal bedienden, in plaats van het woedende gegrom dat ik verwacht had, me zozeer getroffen had dat ik er een verbijsterd zwijgen toe deed. Ik zag dat ze volgnummer 1 hadden. Zij zagen dat ik volgnummer 2 had. Het angstige, oude vrouwtje droeg nummer 5.
Het bekijken van de woning was snel gedaan. Zoals ik buiten al gedacht had, was alles veel te klein. Ik had thuis tussen de stenen van mijn veranda grotere groenstroken dan het droevige, miezerige driehoekje tuin achter deze woning. Ik zou hier dagelijks op Graham of Joni trappen. En dat alles voor het twijfelachtige voorrecht, in een "betere" buurt te komen te wonen? 
Ik groette het oude vrouwtje vriendelijk en smeerde hem.
‘Mag ik uw nummer?’ vroeg de man. Ik staarde naar zijn schoenen, inspecteerde zijn zonder smaak gekozen broek en zei zacht tegen zijn bollende buik: ‘Nee.’
Buitengekomen genoot ik van de gedachte hoe de vrouwen het huis zouden accepteren enkel om mij een loer te draaien. Dan zou die lelijke dochter jaren vast zitten aan de stuitende woning. Tenzij ze natuurlijk een bemiddelde partij zou huwelijken, wat ik uitgesloten achtte. (Een boosaardig sprookje zou nu eindigen met: "En als er niets gebeurd is, dan zit ze daar nu nog.”)

maandag 6 augustus 2012

Man is zoon van de droom


na wat onverwachte, onverwerkbare, onoverzichtelijke
onzingedachten (koetsen schommelend door een al te zachte
veenbodem, overgooiers van lang geleden, weggegooid allang

en slechts in droom hervonden), precies op het moment dat
ik met groot geweld gewekt werd door die weemakende,
welbekende val vooruit het onbekende in, en trillend rechtop

in mijn vreemde bed zat, met bonkend hart en droge bek,
wist ik wel zeker dat de rest van deze dag gevuld zou zijn
met vage vrees, gespeend van hoop op troost of leven.

woensdag 18 juli 2012

Treinschrijver

Ik schrijf bijna alles in de trein. De kleine
drie kwartier heen en terug naar mijn werk is een ideale tijd, qua spanningsboog, om een paar alinea’s van zekere kwaliteit te produceren. In de spitsdrukte verberg ik me knus achter mijn MacBook en tik er lustig op los. Mijn roman in wording is in zijn geheel in de trein geschreven, maar evenzo dit simpele stukje.
Ik ga zitten (het liefst met mijn rug naar de rijrichting – dwarse mannen zijn dwars tot in iedere vezel), maak het slanke, witte apparaat wakker, duw de USB-stick met teksten en begeleidingsmuziek in één van de daartoe bestemde sleuven, schroef de oordopjes in, kies een album uit alsmede een te bewerken tekst, en ga tikken, soms in mijn creatieve roes gestoord door de kaartjesknipper, zoals nu bijvoorbeeld.
De USB-stick dient als tekst- en muziekcentrum. Meestal staan er zo’n honderd langspeelplaten op waaruit ik later, op de werkplek aangekomen, ook mijn arbeidsvitaminen kies. En daarin zit hem het risico.
Want vandaag moest ik ineens gehaast weg van mijn werk, omdat mijn horloge stuk is en ik de tijd niet goed in de smiezen had en ik nog twee treinkaartjes moest kopen, u snapt hoe zoiets gaat: de kosmos. Wel verheugde ik me op een extra lange treinreis, want ik moest naar mijn moedertje in een buitenwijk van Amsterdam. Veel schrijftijd dus, en een lekkere live-dubbelaar van Fairport Convention in het vooruitzicht.
Ondanks boosaardig Karma haalde ik de trein met een minuut speling. Opgelucht graaide ik in het zijvakje van mijn tas naar de USB-stick en greep dramatisch mis. Oh! Cunt! Stick nog in computer op werkplek. In mijn innerlijkste gedachten vloek ik meestal met een zwaar Engels arbeidersaccent, dus mijn hoofd galmde van het spuugrijk gearticuleerde “Oi fffuck!” dat mijn cockney-innerlijk zich liet ontvallen.
Nu zult u denken: ‘Hindert toch niet, Dwarse, je hebt je computer nog, daar kun je ook zonder stick net zoveel op tikken als je maar wilt.’ Ja, u hebt nog gelijk ook. Ik heb zelfs voor alle zekerheid ook op de MacBook een muziekcollectie staan, dus wat weerhoudt me er dan van om jubelend…?
Ik zal het u vertellen. Dat ik stickloos ben, betekent dat ik nu en hier iets nieuws moet beginnen, zomaar vanuit het niets. Wat mijn vriend de Rookzanger op tweewekelijkse basis met groot élan doet: gaan zitten en beginnen, op afroep, ik vind dat tegenwoordig ongelofelijk. Vroeger kon ik dat ook. Ik ging er prat op dat ik binnen een uur over ieder denkbaar onderwerp een redelijk leesbare en niet al te snel door de mand vallende tekst kon schrijven. Iets kunstigs dat voor een echt gedicht door zou kunnen gaan in zelfs een half uur. Dit schaamteloos opscheppen dient ter illustratie van mijn tegenwoordige problemen.
Want ik kan dat niet meer. Ik moet me tegenwoordig, ritueel bijna, ergens toe zetten. Ik heb niets waar ik zomaar over kan schrijven. Er ligt al een tijdje een groot verhaal in de steigers over endocrinologie, Tsjechische kunstfilms, Torpedo’s, Hitler en woeste, mechanische muziek, maar daar kan ik pas goed aan beginnen als ik mijn documentatie op orde heb en ervan overtuigd ben dat mijn geest fris is en open staat voor het nieuwe. Het één, noch het ander is op het moment het geval. Bovendien bevindt zich die docufuckingmentatie, voor zover die wel al geoogst is, op diezelfde vervloekte achtergelaten stick!  Bleedin’ ‘Ell!
Daar zit ik dan in de sprinter van 13:11. Wat nu te schrijven?
Na in 2011 een aantal maanden maar wat ongedisciplineerd te hebben aangerommeld in mijn blogje, ben ik meer en meer de noodzaak gaan voelen van een zekere consistentie, niet slechts in stemming en stijl, maar ook en vooral in thematiek. Het moet tegenwoordig bij mij vooral erg cultureel zijn, maar tegelijkertijd liever niet al te verheven, graag een beetje aards. Op die manier heb ik de laatste tijd geprobeerd te benadrukken dat ik een voormalige hippie ben die, kaal nu, bars en oud, niets wezenlijks van dat hippieachtige is kwijtgeraakt.
Nogmaals: daar zit ik dan. Een treinrit van een uur in het verschiet, een leeg vel en geen onderwerp. Klassieke situatie. Waarover moet ik dan nu gaan schrijven?
‘Hou op met dat gezanik, Dwarse, ga lekker uit het raam zitten kijken.’ Ik hoor het u zeggen. Maar nee, dat kan ik echt niet. Dan zou de treinreis meteen geen uur, maar anderhalve dag gaan duren.
Een stukje over iets dat me bezighoudt, cultureel of anderszins, dat wil er niet uitkomen.
Toch moet ik! Ik moet! Ik moet schrijven!
‘Hou op met mekkeren en begin dan gewoon,’ zult u nu, langzamerhand een beetje geïrriteerd, opmerken, ‘druk gewoon op een paar toetsen, formuleer een paar woorden en kijk waar het schip strandt.’
En dat heb ik dan nu maar gedaan. Waarover schrijf je, als je niets hebt om over te schrijven? Precies: over jezelf.

vrijdag 6 juli 2012

Picnic, of de kunst der fotografie


Omdat de schilderkunst van de moderne tijd (1650-heden) mij maar heel matig kan boeien, heb ik mijn belangstelling voor de beeldende kunst langzamerhand verplaatst naar de fotografie. Op heden durf ik te beweren dat de fotografie de enig overgebleven serieus te nemen beeldende kunst is die we hebben.
Op het moment ben ik bezig met een soort micro-projectje: ik plaats nu en dan één van mijn favoriete foto’s op mijn Facebook-muur. Tot nu toe waren dat Lunchtime on a Skyscraper (1932) van Charles C. Ebbet en Dresie & Casie, twins, Western Transvaal (1993) van Roger Ballen. Dit zijn twee foto’s die me, om totaal verschillende redenen, altijd vreselijk verontrusten, iedere keer weer. De volgende foto die ik gepland had, zou er één hebben moeten worden waar ik juist altijd heel zacht melancholiek blij van word, Picnic (1937) van de Amerikaanse fotografe Lee Miller.
Niks aan de hand, totdat ik op internet iets ontdekte dat me ertoe bracht om over deze foto een  stukje te schrijven op dit blog.


Laten we eerst maar eens naar de foto kijken. Het is 1937, we zijn in Cannes.
Het gaat in deze foto wat mij betreft om de details die tezamen een geheel vormen, en aldus een allesoverheersend gevoel overbrengen. De kleine, wellustige satyr-oogjes van Man Ray, die het schaamteloze liefdesspel van Paul en Nusch Éluard met welgevallen begluurt, staan in scherp contrast met de haast engelachtig naar de hemel gerichte ogen van de ontstegen Roland Penrose (surrealistisch schilder, oom van de befaamde geleerde sir Roger Penrose en de voormalige topschaker Jonathan Penrose). We laten ons volledig inpalmen door de warme, gezichtsbrede lach van Ady Fidelin met haar vrolijke tropentietjes. Deze danseres uit Guadeloupe was een tijd lang de muze van Man Ray.

Hier is een moment in de tijd gevangen, het is een geïdealiseerde herinnering geworden. Een luwte van bedrieglijke vrede in het jaar dat heel Europa langzaam zal beginnen te ontbranden. Allengs is deze idylle voor mij tot een soort ersatz-herinnering geworden. Alsof ik hier eigenlijk bij geweest ben. Nu en dan haal ik het plaatje weer eens tevoorschijn en telkens zie ik nieuwe details. De harde, zonder twijfel ongemakkelijk zittende pumps van Ady, die verder zo losjes en ontspannen topless zit te wezen. De enorme muilen naast Nusch (veel te groot voor haar, waren die van Paul?) De betreurde afwezigheid op de afbeelding van Lee Miller zelf. Die zou natuurlijk oorspronkelijk links van Paul hebben gezeten, tegenover Roland, met wie ze later zou trouwen. Overigens, niet dan nadat ze allebei een hele sliert aan affaires achter de rug hadden, Roland onder andere ook met Ady. Vanzelfsprekend zou Lee ook topless geweest zijn, daar wilde ik wel wat geld op inzetten.
De foto is een vreemd, geraffineerd mengsel van onschuld en verrukkelijke, dubbelzinnige erotiek geworden en daardoor wat mij betreft een hoogstaand en volwaardig kunstwerk.
Maar hoeveel schijn zit er niet in het plaatje, als je je realiseert dat iedereen die hier afgebeeld is, zijn of haar partner met grote regelmaat ontrouw was en van affaire naar affaire dartelde, aan de vooravond van de grote oorlog?

Toen ik op Internet voor mijn Facebook-muur de beste versie van deze foto zocht, had ik een kleine schok. Nooit had ik geweten dat er een tweede versie van dezelfde scène bestond, maar nu genomen door Roland en met Lee in zijn plaats. En wat een rare foto is dit!


Want wat zie ik een boel verschillen, kleine en grote! Ady heeft haar knellende schoenen uitgeschopt. Nusch heeft, na de gepassioneerde omhelzing, een heel moderne pose aangenomen: haast alsof ze haar inbox checkt. De argwanende loeroogjes van Man Ray kijken een beetje verstoord naar de lens. En daar heb je Lee Miller, ja hoor, inderdaad ook topless, zie je wel.
Je ziet nagenoeg dezelfde mensen, dezelfde (ont)kleding, dezelfde hoek en toch, en toch… Wat ontbreekt er veel op deze foto vergeleken bij die andere, die beroemde van Lee. Weg is de anekdote, weg is het Moment. Er is niets over. Het is alsof de complete mise-en-scène opgeruimd en afgeschminkt is.
Waar Picnic 1 een fotografisch kunstwerk is, blijft Picnic 2 slechts een haastig en ondoordacht geschoten kiekje. Waarmee voor mij zonneklaar wordt bewezen dat ten eerste fotografie een grote kunst is, en ten tweede dat Lee Miller een veel grotere fotokunstenaar was dan Roland Penrose.

PS 26 mei 2014: Nog weer later ontdekte ik een tweede foto van Roland Penrose. Zie hier.
PS2 20 september 2015. Tweede aanvulling.

donderdag 21 juni 2012

in Om voor

Dat was schrikken, vanochtend!
Mijn inbox was volgestouwd met maar liefst twee kopieën van een omineuze email, die me wel even aan het denken zette. Hij kwam van mijn provider, of althans, die indruk werd gewekt.
Maar bij lezing van het geheel bleek me al snel dat ik niet bang hoefde te zijn: ik bleek de gelukkige ontvanger te zijn van een ambitieus gedicht, geschreven onder het pseudoniem Webmail Unit / HCC (hccnet.nl). De eerste strofe begint als volgt:

Geachte account eigenaar,

Dit bericht wordt verzonden naar u
door de SquirrelMail afdeling
voor onderhoud / verbetering van de beveiliging systemen.


Dat zie je steeds vaker: een zekere angst voor lange woorden. Liever in tweeën hakken, dat leest prettiger, moet de woordsmid gedacht hebben. Door zijn opzettelijke onbeholpenheid doet deze eerste zin bijna prozaïsch aan. Het lijkt wel gewoon Nederlands! Maar dat is schijn, in werkelijkheid is het een geraffineerde truc om de lezer op het verkeerde been te zetten, zoals al meteen in de volgende zin blijkt:

We zijn met congesties te wijten
aan de anonieme registratie van hccnet.nl rekeningen.
Dus we zijn het afsluiten van een aantal accounts,
zodat hccnet.nl uw account moet opnieuw
worden aangepast als gevolg van deze aandoening.


Dat klinkt bijna Mulisch-achtig: We zijn met congesties te wijten / we zijn het afsluiten van accounts. Zwaar, definitief, Oud-Testamentisch. Oersterk. Het tweede deel van deze strofe moet bedoeld zijn als eerbetoon aan de stamelpoëzie van de zestiger jaren.

Wij sturen u deze e-mail, zodat u kunt
uw rekeningen te verifiëren in Om voor
veiligheid en onderhoud van uw account.
Als u nog steeds geïnteresseerd in een hccnet.nl
accountgebruiker bevestig uw account vult de ruimte eronder. .
U moet bevestigen van uw accountgegevens.


in Om voor. Prachtig!
De dichter heeft (zoals zoveel andere moderne poëten) grote moeite met hoofdwerkwoorden. Ik begrijp de filosofie daarachter wel, ook al onderschrijf ik die zelf niet: een hoofdwerkwoord houdt de hele zaak maar op en schaadt het intense, directe gevoel, het intuïtieve ahnen van de poëtische bedoeling. En als er dan, misschien bij wijze van commentaar op mijn burgerlijk vooroordelen, toch een dergelijk werkwoord gebruikt wordt, gebeurt dat op een zo onverwacht mogelijke plek. Poëzie dient te verrassen, nietwaar?
Na een schertsachtig namaakinvulformulier gaat het gedicht verder. We naderen het hoogtepunt:

LET OP: Als uw account te doen Login, U bent
om ons de details van uw account, nodig voor de onderhoud
van uw rekeningen, indien anders betekent
dat het al is beëindigd
met ingang van onze server.


Sorry voor het ongemak dat dit kan hebben veroorzaakt
u zijn we alleen maar proberen om ervoor te zorgen
u surfen op het net perfectely goed met onze diensten.


Smullen, dit! U bent om ons de details van uw account. Schitterend! Poëzie in haar puurste vorm. Met ingang van onze server. Een meesterlijke surrealistische draai! Na een paar weifelende beginzinnen is het gedicht beslist aanzienlijk gegroeid. De slotzin van het vers luidt:

Account Gebruikers die weigert zijn / haar account bij te werken
na 7 dagen ontvangst van deze waarschuwing
verliest zijn of haar account is permanent.


Ik heb het altijd al geweten: echte, rauwe poëzie, ze ligt op straat, voor iedereen die bukken wil of door de knieën.

vrijdag 15 juni 2012

De wraak van de reuzenberenklauw



Rechtsomkeerd!
Niets houdt ze tegen,
rond kanalen en rivieren groeit hun invloed.
Roei ze uit!
Ze moeten vernietigd.
Ze infiltreren steden met hun zwarte stank van onheil.

Onoverwinnelijk,
zij zijn immuun voor ons laagje herbicide

Lang geleden in Siberië
vond een Victoriaanse reiziger de berenklauw bij ‘n moeras,
hij ving de plant en nam hem mee.
Botanisch schepsel zeer ontstemd, zoekend naar wraak.
Koningskruid vergat het niet.
Hij kwam terug naar Londen,
en schonk de reuzenberenklauw daar aan de tuinen van Kew

Grijp nu in!
Ze zijn al in aantocht!
Haast je, we moeten onszelf beschermen en dekking vinden.
Val ’s nachts aan!
Dan zijn ze weerloos.
Ze hebben zonlicht nodig om hun gif op te bouwen.

Onoverwinnelijk,
steeds weer immuun voor ons laagje herbicide

Modieuze landjonkers hadden gecultiveerde wilde tuinen
waar ze argeloos de reuzenberenklauw plantten door het hele land.
Botanisch schepsel zeer ontstemd, zoekend naar wraak.
Koningskruid vergat het niet.
Ze braken uit, verspreidden hun zaad,
werkten stil aan een slachting, bedreigden ‘t menselijk ras.

Grootse berenklauw neemt wraak
mensenlijken kennen onze woede.
Dood ze met je giftig haar,
heracleum mantegazzianum.

(Peter Gabriel)