woensdag 18 juli 2012

Treinschrijver

Ik schrijf bijna alles in de trein. De kleine
drie kwartier heen en terug naar mijn werk is een ideale tijd, qua spanningsboog, om een paar alinea’s van zekere kwaliteit te produceren. In de spitsdrukte verberg ik me knus achter mijn MacBook en tik er lustig op los. Mijn roman in wording is in zijn geheel in de trein geschreven, maar evenzo dit simpele stukje.
Ik ga zitten (het liefst met mijn rug naar de rijrichting – dwarse mannen zijn dwars tot in iedere vezel), maak het slanke, witte apparaat wakker, duw de USB-stick met teksten en begeleidingsmuziek in één van de daartoe bestemde sleuven, schroef de oordopjes in, kies een album uit alsmede een te bewerken tekst, en ga tikken, soms in mijn creatieve roes gestoord door de kaartjesknipper, zoals nu bijvoorbeeld.
De USB-stick dient als tekst- en muziekcentrum. Meestal staan er zo’n honderd langspeelplaten op waaruit ik later, op de werkplek aangekomen, ook mijn arbeidsvitaminen kies. En daarin zit hem het risico.
Want vandaag moest ik ineens gehaast weg van mijn werk, omdat mijn horloge stuk is en ik de tijd niet goed in de smiezen had en ik nog twee treinkaartjes moest kopen, u snapt hoe zoiets gaat: de kosmos. Wel verheugde ik me op een extra lange treinreis, want ik moest naar mijn moedertje in een buitenwijk van Amsterdam. Veel schrijftijd dus, en een lekkere live-dubbelaar van Fairport Convention in het vooruitzicht.
Ondanks boosaardig Karma haalde ik de trein met een minuut speling. Opgelucht graaide ik in het zijvakje van mijn tas naar de USB-stick en greep dramatisch mis. Oh! Cunt! Stick nog in computer op werkplek. In mijn innerlijkste gedachten vloek ik meestal met een zwaar Engels arbeidersaccent, dus mijn hoofd galmde van het spuugrijk gearticuleerde “Oi fffuck!” dat mijn cockney-innerlijk zich liet ontvallen.
Nu zult u denken: ‘Hindert toch niet, Dwarse, je hebt je computer nog, daar kun je ook zonder stick net zoveel op tikken als je maar wilt.’ Ja, u hebt nog gelijk ook. Ik heb zelfs voor alle zekerheid ook op de MacBook een muziekcollectie staan, dus wat weerhoudt me er dan van om jubelend…?
Ik zal het u vertellen. Dat ik stickloos ben, betekent dat ik nu en hier iets nieuws moet beginnen, zomaar vanuit het niets. Wat mijn vriend de Rookzanger op tweewekelijkse basis met groot élan doet: gaan zitten en beginnen, op afroep, ik vind dat tegenwoordig ongelofelijk. Vroeger kon ik dat ook. Ik ging er prat op dat ik binnen een uur over ieder denkbaar onderwerp een redelijk leesbare en niet al te snel door de mand vallende tekst kon schrijven. Iets kunstigs dat voor een echt gedicht door zou kunnen gaan in zelfs een half uur. Dit schaamteloos opscheppen dient ter illustratie van mijn tegenwoordige problemen.
Want ik kan dat niet meer. Ik moet me tegenwoordig, ritueel bijna, ergens toe zetten. Ik heb niets waar ik zomaar over kan schrijven. Er ligt al een tijdje een groot verhaal in de steigers over endocrinologie, Tsjechische kunstfilms, Torpedo’s, Hitler en woeste, mechanische muziek, maar daar kan ik pas goed aan beginnen als ik mijn documentatie op orde heb en ervan overtuigd ben dat mijn geest fris is en open staat voor het nieuwe. Het één, noch het ander is op het moment het geval. Bovendien bevindt zich die docufuckingmentatie, voor zover die wel al geoogst is, op diezelfde vervloekte achtergelaten stick!  Bleedin’ ‘Ell!
Daar zit ik dan in de sprinter van 13:11. Wat nu te schrijven?
Na in 2011 een aantal maanden maar wat ongedisciplineerd te hebben aangerommeld in mijn blogje, ben ik meer en meer de noodzaak gaan voelen van een zekere consistentie, niet slechts in stemming en stijl, maar ook en vooral in thematiek. Het moet tegenwoordig bij mij vooral erg cultureel zijn, maar tegelijkertijd liever niet al te verheven, graag een beetje aards. Op die manier heb ik de laatste tijd geprobeerd te benadrukken dat ik een voormalige hippie ben die, kaal nu, bars en oud, niets wezenlijks van dat hippieachtige is kwijtgeraakt.
Nogmaals: daar zit ik dan. Een treinrit van een uur in het verschiet, een leeg vel en geen onderwerp. Klassieke situatie. Waarover moet ik dan nu gaan schrijven?
‘Hou op met dat gezanik, Dwarse, ga lekker uit het raam zitten kijken.’ Ik hoor het u zeggen. Maar nee, dat kan ik echt niet. Dan zou de treinreis meteen geen uur, maar anderhalve dag gaan duren.
Een stukje over iets dat me bezighoudt, cultureel of anderszins, dat wil er niet uitkomen.
Toch moet ik! Ik moet! Ik moet schrijven!
‘Hou op met mekkeren en begin dan gewoon,’ zult u nu, langzamerhand een beetje geïrriteerd, opmerken, ‘druk gewoon op een paar toetsen, formuleer een paar woorden en kijk waar het schip strandt.’
En dat heb ik dan nu maar gedaan. Waarover schrijf je, als je niets hebt om over te schrijven? Precies: over jezelf.

vrijdag 6 juli 2012

Picnic, of de kunst der fotografie


Omdat de schilderkunst van de moderne tijd (1650-heden) mij maar heel matig kan boeien, heb ik mijn belangstelling voor de beeldende kunst langzamerhand verplaatst naar de fotografie. Op heden durf ik te beweren dat de fotografie de enig overgebleven serieus te nemen beeldende kunst is die we hebben.
Op het moment ben ik bezig met een soort micro-projectje: ik plaats nu en dan één van mijn favoriete foto’s op mijn Facebook-muur. Tot nu toe waren dat Lunchtime on a Skyscraper (1932) van Charles C. Ebbet en Dresie & Casie, twins, Western Transvaal (1993) van Roger Ballen. Dit zijn twee foto’s die me, om totaal verschillende redenen, altijd vreselijk verontrusten, iedere keer weer. De volgende foto die ik gepland had, zou er één hebben moeten worden waar ik juist altijd heel zacht melancholiek blij van word, Picnic (1937) van de Amerikaanse fotografe Lee Miller.
Niks aan de hand, totdat ik op internet iets ontdekte dat me ertoe bracht om over deze foto een  stukje te schrijven op dit blog.


Laten we eerst maar eens naar de foto kijken. Het is 1937, we zijn in Cannes.
Het gaat in deze foto wat mij betreft om de details die tezamen een geheel vormen, en aldus een allesoverheersend gevoel overbrengen. De kleine, wellustige satyr-oogjes van Man Ray, die het schaamteloze liefdesspel van Paul en Nusch Éluard met welgevallen begluurt, staan in scherp contrast met de haast engelachtig naar de hemel gerichte ogen van de ontstegen Roland Penrose (surrealistisch schilder, oom van de befaamde geleerde sir Roger Penrose en de voormalige topschaker Jonathan Penrose). We laten ons volledig inpalmen door de warme, gezichtsbrede lach van Ady Fidelin met haar vrolijke tropentietjes. Deze danseres uit Guadeloupe was een tijd lang de muze van Man Ray.

Hier is een moment in de tijd gevangen, het is een geïdealiseerde herinnering geworden. Een luwte van bedrieglijke vrede in het jaar dat heel Europa langzaam zal beginnen te ontbranden. Allengs is deze idylle voor mij tot een soort ersatz-herinnering geworden. Alsof ik hier eigenlijk bij geweest ben. Nu en dan haal ik het plaatje weer eens tevoorschijn en telkens zie ik nieuwe details. De harde, zonder twijfel ongemakkelijk zittende pumps van Ady, die verder zo losjes en ontspannen topless zit te wezen. De enorme muilen naast Nusch (veel te groot voor haar, waren die van Paul?) De betreurde afwezigheid op de afbeelding van Lee Miller zelf. Die zou natuurlijk oorspronkelijk links van Paul hebben gezeten, tegenover Roland, met wie ze later zou trouwen. Overigens, niet dan nadat ze allebei een hele sliert aan affaires achter de rug hadden, Roland onder andere ook met Ady. Vanzelfsprekend zou Lee ook topless geweest zijn, daar wilde ik wel wat geld op inzetten.
De foto is een vreemd, geraffineerd mengsel van onschuld en verrukkelijke, dubbelzinnige erotiek geworden en daardoor wat mij betreft een hoogstaand en volwaardig kunstwerk.
Maar hoeveel schijn zit er niet in het plaatje, als je je realiseert dat iedereen die hier afgebeeld is, zijn of haar partner met grote regelmaat ontrouw was en van affaire naar affaire dartelde, aan de vooravond van de grote oorlog?

Toen ik op Internet voor mijn Facebook-muur de beste versie van deze foto zocht, had ik een kleine schok. Nooit had ik geweten dat er een tweede versie van dezelfde scène bestond, maar nu genomen door Roland en met Lee in zijn plaats. En wat een rare foto is dit!


Want wat zie ik een boel verschillen, kleine en grote! Ady heeft haar knellende schoenen uitgeschopt. Nusch heeft, na de gepassioneerde omhelzing, een heel moderne pose aangenomen: haast alsof ze haar inbox checkt. De argwanende loeroogjes van Man Ray kijken een beetje verstoord naar de lens. En daar heb je Lee Miller, ja hoor, inderdaad ook topless, zie je wel.
Je ziet nagenoeg dezelfde mensen, dezelfde (ont)kleding, dezelfde hoek en toch, en toch… Wat ontbreekt er veel op deze foto vergeleken bij die andere, die beroemde van Lee. Weg is de anekdote, weg is het Moment. Er is niets over. Het is alsof de complete mise-en-scène opgeruimd en afgeschminkt is.
Waar Picnic 1 een fotografisch kunstwerk is, blijft Picnic 2 slechts een haastig en ondoordacht geschoten kiekje. Waarmee voor mij zonneklaar wordt bewezen dat ten eerste fotografie een grote kunst is, en ten tweede dat Lee Miller een veel grotere fotokunstenaar was dan Roland Penrose.

PS 26 mei 2014: Nog weer later ontdekte ik een tweede foto van Roland Penrose. Zie hier.
PS2 20 september 2015. Tweede aanvulling.

donderdag 21 juni 2012

in Om voor

Dat was schrikken, vanochtend!
Mijn inbox was volgestouwd met maar liefst twee kopieën van een omineuze email, die me wel even aan het denken zette. Hij kwam van mijn provider, of althans, die indruk werd gewekt.
Maar bij lezing van het geheel bleek me al snel dat ik niet bang hoefde te zijn: ik bleek de gelukkige ontvanger te zijn van een ambitieus gedicht, geschreven onder het pseudoniem Webmail Unit / HCC (hccnet.nl). De eerste strofe begint als volgt:

Geachte account eigenaar,

Dit bericht wordt verzonden naar u
door de SquirrelMail afdeling
voor onderhoud / verbetering van de beveiliging systemen.


Dat zie je steeds vaker: een zekere angst voor lange woorden. Liever in tweeën hakken, dat leest prettiger, moet de woordsmid gedacht hebben. Door zijn opzettelijke onbeholpenheid doet deze eerste zin bijna prozaïsch aan. Het lijkt wel gewoon Nederlands! Maar dat is schijn, in werkelijkheid is het een geraffineerde truc om de lezer op het verkeerde been te zetten, zoals al meteen in de volgende zin blijkt:

We zijn met congesties te wijten
aan de anonieme registratie van hccnet.nl rekeningen.
Dus we zijn het afsluiten van een aantal accounts,
zodat hccnet.nl uw account moet opnieuw
worden aangepast als gevolg van deze aandoening.


Dat klinkt bijna Mulisch-achtig: We zijn met congesties te wijten / we zijn het afsluiten van accounts. Zwaar, definitief, Oud-Testamentisch. Oersterk. Het tweede deel van deze strofe moet bedoeld zijn als eerbetoon aan de stamelpoëzie van de zestiger jaren.

Wij sturen u deze e-mail, zodat u kunt
uw rekeningen te verifiëren in Om voor
veiligheid en onderhoud van uw account.
Als u nog steeds geïnteresseerd in een hccnet.nl
accountgebruiker bevestig uw account vult de ruimte eronder. .
U moet bevestigen van uw accountgegevens.


in Om voor. Prachtig!
De dichter heeft (zoals zoveel andere moderne poëten) grote moeite met hoofdwerkwoorden. Ik begrijp de filosofie daarachter wel, ook al onderschrijf ik die zelf niet: een hoofdwerkwoord houdt de hele zaak maar op en schaadt het intense, directe gevoel, het intuïtieve ahnen van de poëtische bedoeling. En als er dan, misschien bij wijze van commentaar op mijn burgerlijk vooroordelen, toch een dergelijk werkwoord gebruikt wordt, gebeurt dat op een zo onverwacht mogelijke plek. Poëzie dient te verrassen, nietwaar?
Na een schertsachtig namaakinvulformulier gaat het gedicht verder. We naderen het hoogtepunt:

LET OP: Als uw account te doen Login, U bent
om ons de details van uw account, nodig voor de onderhoud
van uw rekeningen, indien anders betekent
dat het al is beëindigd
met ingang van onze server.


Sorry voor het ongemak dat dit kan hebben veroorzaakt
u zijn we alleen maar proberen om ervoor te zorgen
u surfen op het net perfectely goed met onze diensten.


Smullen, dit! U bent om ons de details van uw account. Schitterend! Poëzie in haar puurste vorm. Met ingang van onze server. Een meesterlijke surrealistische draai! Na een paar weifelende beginzinnen is het gedicht beslist aanzienlijk gegroeid. De slotzin van het vers luidt:

Account Gebruikers die weigert zijn / haar account bij te werken
na 7 dagen ontvangst van deze waarschuwing
verliest zijn of haar account is permanent.


Ik heb het altijd al geweten: echte, rauwe poëzie, ze ligt op straat, voor iedereen die bukken wil of door de knieën.

vrijdag 15 juni 2012

De wraak van de reuzenberenklauw



Rechtsomkeerd!
Niets houdt ze tegen,
rond kanalen en rivieren groeit hun invloed.
Roei ze uit!
Ze moeten vernietigd.
Ze infiltreren steden met hun zwarte stank van onheil.

Onoverwinnelijk,
zij zijn immuun voor ons laagje herbicide

Lang geleden in Siberië
vond een Victoriaanse reiziger de berenklauw bij ‘n moeras,
hij ving de plant en nam hem mee.
Botanisch schepsel zeer ontstemd, zoekend naar wraak.
Koningskruid vergat het niet.
Hij kwam terug naar Londen,
en schonk de reuzenberenklauw daar aan de tuinen van Kew

Grijp nu in!
Ze zijn al in aantocht!
Haast je, we moeten onszelf beschermen en dekking vinden.
Val ’s nachts aan!
Dan zijn ze weerloos.
Ze hebben zonlicht nodig om hun gif op te bouwen.

Onoverwinnelijk,
steeds weer immuun voor ons laagje herbicide

Modieuze landjonkers hadden gecultiveerde wilde tuinen
waar ze argeloos de reuzenberenklauw plantten door het hele land.
Botanisch schepsel zeer ontstemd, zoekend naar wraak.
Koningskruid vergat het niet.
Ze braken uit, verspreidden hun zaad,
werkten stil aan een slachting, bedreigden ‘t menselijk ras.

Grootse berenklauw neemt wraak
mensenlijken kennen onze woede.
Dood ze met je giftig haar,
heracleum mantegazzianum.

(Peter Gabriel) 

zondag 20 mei 2012

Nohaj

Dat krijg je als je buiten de stad bent gaan wonen: je raakt het contact kwijt. Pas nu hoorde ik, via een kennis van een vriend, dat Johan Schaaphok zich bij de angstaanjagend snel groeiende lijst van overleden schoolvrienden heeft gevoegd. Vorig jaar heeft hij, zo hoorde ik gisteren, vrijwillig de vluchtweg uit dit leven gevonden.
Foto uit het archief van Agnes Linhard
Als mijn vrienden en ik wellicht een beetje vreemd waren op de middelbare school, dan was Johan onze keizer. Een boomlange, draadmagere slungel met lang, vet haar en een reuaschtige bril op zijn neus. Hij droeg altijd zo’n te kort spijkerjackje, zwart, en een vaal overhemd eronder. Hij was veertien of vijftien, net als wij, maar hij citeerde uit het hoofd, compleet met Johnnie de Selfkicker-achtige gebaren en theatrale mimiek hele lappen Lucebert (of was het van hemzelf: “De heksen zongen wel, de wormen wrongen zich hemelwaarts op! naar de tepels van de zon”). Hij sprak met een demonische zwaarte in stem en gebaar, een beetje zoals de Engelse journalist en schrijver Will Self.
Hij droeg een grote stempel aan een lederen koord om zijn nek. Zijn voornaam had hij officieel veranderd in Nohaj. Hij verzamelde vreemde, dwarse singeltjes. Hij was een Doctor Demento in het klein. Zijn Tiny Tim-collectie was compleet, maar net zo makkelijk had hij alles van de underground-scene. Bij hem hoorde ik voor het eerst Groep 1850. Als ik me goed herinner, was hij van ons ook de allereerste met Gentle Giant.
Hij was een hyper-intelligente, altijd stonede freak in een overigens schijnbaar doodnormaal gezin, in de Jepthastraat in Amsterdam Oud-West, en dat contrast tekende hem wel. Ik denk dat hij nooit helemaal on speaking terms is geraakt met de normale wereld.
Later is hij een soort journalist geworden, uitgever van het cult-sportblad Hijg! Hij was geen vrolijke man. Hij heeft zich nu gevoegd bij Steef, Wilfred, Peter, Thijs, Sander, Didier, Frits, Marcel en wie ik verder nog uit het oog ben verloren. De kinderen van de seventies, ze worden kennelijk niet oud.

woensdag 9 mei 2012

Fripp en ik


Ik was in mijn kwetsbare, tastend zoekende jaren voldoende opgevoed door de Beatles. Het moest maar eens helemaal anders. Natuurlijk was het op dat moment geen bewuste beslissing, maar achteraf bekeken is er wel degelijk een dwingende noodzaak te herkennen in mijn neiging om steeds avontuurlijker popmuziek te gaan beluisteren.
King Crimson 1969
Ik stond daar vanzelfsprekend niet alleen in. Met mijn generatiegenoten zaten we, Javaanse Jongens rokend, in kleermakerszit in de fietsenkelder van het lyceum de geluiden van de nieuwe tijd te proeven. Het liep tegen de seventies. Ik zat in de tweede klas. De tijden waren aan het veranderen. Vreemde, bruine, kleiachtige korreltjes verschenen in mijn sjekkies. Uit het zwakke cassetterecordertje klonk onder andere het geluidstapijt van In the Court of the Crimson King, het medio 1969 verschenen debuutalbum van de Londense groep King Crimson. Daar klonk in die fietsenkelder ineens een heel nieuwe wereld. Daar konden we ons onvoorwaardelijk mee identificeren, daar waren we voldoende bijzonder en anders dan de anderen mee, met onze langer wordende haren, onze indianenlaarzen en onze paarse spijkerbroeken. Harde rock, ingewikkelde maatsoorten, vreemde, door hasj getoonzette teksten, mellotrons, fluiten en saxofonen, structuurloze percussiestukken en zwaar aangezette, bombastische klanktapijten, alles was aanwezig.
In the Court of the Crimson King
De diepste waarheid over de zogenaamde progressieve, ofwel symfonische rock, die ambitieuze poging om van rockmuziek een serieuze kunstvorm te maken, is dat met de allereerste poging eigenlijk alle doelen meteen bereikt waren. De hele stroming is in wezen samen te vatten met deze ene, allereerste langspeelplaat, alles wat erna verscheen was recapitulatie, imitatie of variatie.
Dit werd mijn lijfplaat. Niets zou vanaf dat moment eigenlijk meer hebben mogen veranderen, maar natuurlijk gebeurde dat wel. Stilstand is ten slotte achteruitgang, zegt men. Juist King Crimson bleek een van de onvoorspelbaarste bands te worden die men zich maar kon voorstellen. Het was een illusie om te hopen dat de band plaat na plaat in hetzelfde stramien zou produceren, ook al leek het daar na de tweede LP, die een soort imitatie van de eerste was, wel degelijk op. Alle nummers van de eerste plaat kwamen, anders gearrangeerd en met een nieuwe titel, min of meer terug. Wellicht daardoor geschrokken, brak Fripp bij het derde album radicaal met de oorspronkelijke sound. Het bleek de eerste van een hele reeks stijlveranderingen te zijn.
Ik ging ondertussen braaf mee met elke nieuwe koers, ik was ten slotte een fan. De muziek werd jazzier en meer avant-garde, ik holde mee. De volgende plaat was meer poppy, ik keurde ’t goed. Daarna werd alles steeds luider tot er een soort hard rock ontstond met romantische kleuren en trance-achtige herhalingen. Ik was erbij en maakte mezelf wijs dat ik het eens was met iedere nieuwe incarnatie van King Crimson, dat op die manier mijn lijfgroep bleef, met meer gewicht dan Jethro Tull, een heviger nestgeur dan Yes en directere emoties dan Gentle Giant.
Ondertussen gebeurde er in de band onder de oppervlakte van alles waar wij in Amsterdam-West helemaal geen weet van hadden. Onenigheden, ruzies, onverenigbaarheid van karakters, niets werd de band en haar eigenwijze frontman bespaard.
De vierde incarnatie van King Crimson (1973)
Fripp was nooit het zonnetje in huis, zoals me later duidelijk werd toen ik hem, onder andere via YouTube en radio-interviews, beter leerde kennen. Hij bleek een gortdroge, pedante man te zijn, die belerend sprak in licht sarcastische volzinnen zoals u en ik ze nog niet eens kunnen schrijven. Een denker.
“We were very creative, most definitely because pain and frustration lends itself to such a fruitful artistic state,” zei hij naderhand over de eerste lineup en hij vervolgde: “It's a paradox that artists tend to be rewarded with fame and fortune. The prosperity almost always dissolves the squalor that spurred them on to creating in the fashion they became rich and successful for.”
Het is duidelijk, hier is een op introspectie en contemplatie gerichte man aan het woord. Een puritein die het niet prettig vindt als hij het te gemakkelijk heeft. En als zo iemand een artiest is, dan zal dat ongemak onherroepelijk ook doordringen tot de jongenskamers van zijn fans. Als Fripp verder moet gaan en schepen achter zich moet verbranden, dan moet zijn publiek mee. Dat, of afhaken.
J.G. Bennett
Na zeven studioplaten in zes jaar, na allerlei onwaarschijnlijke en spectaculaire personeelswisselingen, na minstens drie radicale stijlveranderingen in zijn muziek, hield Fripp het in 1974 voor gezien. Hij ging in retraite en raakte onder de invloed van J.G. Bennett, een Britse new-age filosoof en leraar die door het theosofische denken van Gurdjieff gevormd was. Wat daar precies het effect op Fripps muziek van geweest is weet ik niet, maar ik begon langzamerhand te ontdekken dat hij richtingen uitging die niet meer in mijn comfortzone lagen: ambient soundscapes, new wave, trance-achtige, metaalharde, zogenaamde post-rock.
Ik verkondigde dat wat mij betrof King Crimson in 1974 was opgehouden te bestaan en dat alles van daarna misschien hier en daar nog wel interessant was, maar veel beter onder een andere groepsnaam zou hebben kunnen zijn uitgebracht, wat ook Fripps aanvankelijke bedoeling was geweest.
Meneer Fripp
Op een dag ontdekte ik dat ik, bezwaard door wat ik op dat moment allemaal moest aanhoren, ook niet meer onbevangen naar het vroegere werk kon luisteren. En zo ben ik op heden volledig losgekoppeld van King Crimson. Ik volg het nieuwe werk al zeker vijftien jaar niet meer, heb nog nooit een solo plaat van Fripp met zijn soundscapes tot het einde toe kunnen uitluisteren, blijf volmaakt koud onder de vele projecten die door, of met medewerking van Robert Fripp opgezet zijn en begin zelfs een lichte antipathie te voelen jegens die platen die, begin zeventiger jaren, mijn smaak en leven zo belangrijk hebben beïnvloed. Soms draai ik nog wel eens Starless and Bible Black of Lizard. Soms voel ik me dan goed, ondergedompeld in de herkenning, maar soms ook voel ik die onbestemde leegte die je voelt wanneer je onverwachts een ex van je tegenkomt.

dinsdag 1 mei 2012

Erotica


Onlangs ontving ik van mijn beste vriend Jan-Paul van Spaendonck een prachtcadeau: een bibliofiele uitgave op folioformaat van Naar buiten met die tong!, een reeks pornografische sonnetten van de Renaissancistische schrijver Pietro Aretino, die hij samen met zijn vriend Geerten Meijsing vertaald en bezorgd had. De rolverdeling was opvallend: Meijsing herdichtte vrij en in wilde variaties om het oorspronkelijke werk heen en Jan-Paul leverde per sonnet een zo precies mogelijke rijmende en metrische, filologisch verantwoorde vertaling. Het boek is op deze manier als het ware drietalig geworden: oorspronkelijk sonnet, Meijsings persoonlijke beleving en Jan-Pauls mooie precisie. Mijns inziens zou de volgorde van de vertalingen omgekeerd logischer zijn geweest, maar goed.
De gedichten zelf hebben weinig om het lijf en ik heb de indruk dat Jan-Paul zich een beetje schaamt, niet voor zijn vertaalprestatie maar voor de kwaliteit van het oorspronkelijke werk. Al te veel subtiliteit kan men bij de, enigszins anaal gefixeerde Italiaan niet verwachten en de meeste verzen draaien monomaan om de Daad en de daartoe benodigde lichaamsdelen en -openingen.
Dat pornografie zoveel meer kan zijn, weet ik al jaren. Nu heb ik het natuurlijk niet over die eindeloze serie plaatjes die je op het internet kunt vinden van telkens dezelfde juffrouwen met haar platinablonde haar, gladgeschoren, chirurgisch “gecorrigeerde” schaamlippen en snoeiharde blik in hun zakelijke ogen. Voor mij als letterkundig ingesteld mens is pornografie, of erotica, zoals ik het prefereer te noemen, hoofdzakelijk een literair verschijnsel. Naast al die treurigstemmende plaatjes en filmpjes, kun je op het internet ook vele sites vinden met erotische verhaaltjes. In Nederland heb je bijvoorbeeld iets dat Eropodium heet. Veel groter is het internationaal ingestelde Literotica waar, naast tienduizenden Engelse, ook een groeiend aantal Nederlandstalige verhalen te vinden is. De kwaliteit van het aangebodene op dergelijke sites is, het laat zich raden, van zeer wisselend niveau. Het is lief hoe sommige schrijvers, nog niet in staat om drie woorden in een grammaticaal correcte volgorde te zetten, en al evenmin gezegend met de neiging het geschrevene voor alle zekerheid in ieder geval nog één keer terug te lezen, niettemin hun erotische fantasieën aan de cyberether toevertrouwen.
Maar tussen alle kaf vind je wel degelijk het gouden graan van echte schrijvers, met een volwassen fantasie en een goed ontwikkeld psychologisch inzicht.
Het is me, na bestudering van bovengenoemde websites, wel duidelijk geworden dat, net als in ieder andere letterkundige bezigheid, in erotica dramatische gradaties van kwaliteit aan te brengen zijn. De verhalen kunnen bijzonder goed geschreven zijn, of afgrondelijk slecht. De karakters kunnen geloofwaardig zijn, of volkomen uit de lucht gegrepen. Het plotten kan goed gedaan zijn, of de schrijver kan zich er met een Jantje van Leiden vanaf gemaakt hebben.
Het belangrijkste in een erotisch verhaal is, naar mijn stellige overtuiging, niet de beschrijving van de geslachtsdaad, maar van de situaties en omstandigheden die tot erotische momenten leiden, de interactie tussen de gebeurtenis en de psychologie van de betrokkenen. Om die reden ben ik met name in chantage-erotica geïnteresseerd: een genre waarbij aanvankelijke dwang bij het slachtoffer (vrouw of man, dat maakt in wezen niet uit) langzaam overgaat in enthousiasme en de opwinding van het loslaten. Dit thema interesseert me vooral omdat het bij de schrijver een zekere psychologische diepte en empathie vereist.
Uit de boekenkast van Oom Theo heb ik veertig jaar geleden het anonieme A Man With a Maid gejat. Deze Victoriaanse roman kun je opvatten als een soort prototype van het hierboven geschetste plotmateriaal, hoe uitermate onderontwikkeld de thematiek nog blijft, met het rudimentaire psychisch perspectief uitsluitend bij de, uiteraard dominante, man.

Veel interessanter lijkt het mij het om het psychisch perspectief in dit soort verhalen bij het slachtoffer te plaatsen, zoals in de Franse klassieker L’histoire d’O van Pauline Réage. Deze intelligente vrouw, zonder twijfel belezen in de werken van De Sade, deed met haar verslag van de bondage- en SM-praktijken die haar aangedaan waren een golf van controverses ontstaan. Veel van die controverse was natuurlijk primitief en vooral gericht op het simpele feit dat het boek over “kinky” seks ging, maar een wat intelligentere controverse ontspon zich over de vraag of de hoofdpersoon, vastgebonden en vernederd, de haar aangedane wreedheden wel prettig mocht vinden. En wat droeg een boek als dit bij tot de vrouwenemancipatie? Dat de hoofdpersoon in werkelijkheid de leiding heeft in dit SM-spel, ontging en ontgaat menigeen. Want dat is waar het om gaat: dat het slachtoffer uiteindelijk de absolute leiding heeft over de seksuele ritus en dat het uitsluitend met haar of zijn toestemming is dat de “vernederingen” plaats vinden. Het slachtoffer heeft de macht. Een zeer interessante, psychologische thematiek die, mits goed uitgewerkt, van simpele erotica een volwaardig literair genre kan maken.
Ik kan het in ieder geval niet: al enige tijd loop ik te broeden over een variant op het hoofdthema, waarbij een knap meisje zich onvoorwaardelijk cadeau doet aan een middelbare man en hem via haar absolute gehoorzaamheid tot haar willoze slaaf maakt. Het psychologisch spel van de macht: veel te moeilijk en ambitieus voor mij. Ik denk dat Literotica het de komende jaren nog even zonder mijn fantasieën zal moeten doen.