Ik was laatst op een feestje en vond mij op een gegeven
moment terug in de keuken, een voor mij niet geheel vreemde ontwikkeling omdat ik op
partijtjes altijd enorme peuzelhonger heb en me met mijn lage bromstem toch niet
verstaanbaar kan maken als er ergens muziek hard staat. Op een grote
keukentafel waren de versnaperingen uitgestald. Naast manden met stokbrood, een
fraaie pastasalade en enkele schalen met aardnoten, trof ik er ook een
uitgebreide en fantasierijke selectie kazen aan. Het stonk in die keuken dat
het een aard had. Een platte Munsterkaas walmde gezellig alle windrichtingen uit en allerlei andere
kazen voor gevorderden deden enthousiast mee. Een medefeestganger selecteerde een paar
stukjes en begaf zich met zijn kartonnen bordje weer naar zijn vrouw. Angstvallig, zo zag ik, had hij één
schotel links laten liggen. Ik glipte wat dichter naar die schotel toe. Erop lag
iets dat nog het meeste leek op bedorven paté, of het inwendige van een
weggerotte boom. Ik durfde met geen mogelijkheid te
zeggen wat dit grauwe, schimmelige hoopje afval moest voorstellen. Was het eigenlijk wel
kaas?
Met twee kiese, tentatieve vingers plukte ik een minimaal stukje uit de angstaanjagende massa en dapper legde ik die op mijn tong.
Met twee kiese, tentatieve vingers plukte ik een minimaal stukje uit de angstaanjagende massa en dapper legde ik die op mijn tong.
In eerste instantie weigerden mijn hersenen te registreren
dat ze iets proefden: ze waren in shock. Toen het rationele zenuwstelsel hen
ervan overtuigd had dat ze weer aan de slag moesten, begonnen ze allerlei
alarmsignalen te verspreiden. Zilt, scherp en mateloos intimiderend was de
smaak van dit spul dat uit een nachtmerrie gekomen leek te zijn. Maar wat was
die smaak zuiver! Geen spoor was er te bekennen van die typische, bittere ammoniaklucht
als van gedragen ondergoed, die zo al te veel belegen kaas oneetbaar maakt. Ik
nam een tweede stukje, weer zo klein mogelijk. Ik liet het smelten op mijn tong
en zocht naar de gastheer. ‘Wat, in naam van de goden, is dit?’
Gerard glimlachte en zei eenvoudig: ‘Cabrales.’
‘O,’ zei ik.
Ik heb de monsterkaas op internet opgezocht. Cabrales is een
Spaanse blauwschimmelkaas van ongepasteuriseerde melk. De beste wordt gemaakt
in het voorjaar, wanneer de koemelk aangevuld kan worden met geiten- en
schapenmelk. Door de zilte zeelucht van dat deel van Asturië, de alom aanwezige
esdoornbladeren, waar de kaas in verpakt wordt, en door de werkelijk
indrukwekkend actieve blauwschimmel die ervoor zorgt dat een goed rijpe
Cabrales voor 65% uit schimmel, en nog maar voor 35% uit kaassubstantie
bestaat, maakt dat deze grijsgele kaas een volstrekt unieke smaak heeft
gekregen. Een smaak die je nooit meer vergeet en waar je de rest van je leven
naar blijft verlangen.
‘Ik heb hem meegenomen uit de streek zelf,’ vertelde Gerard trots. ‘Deze kaas kun je in
Nederland niet krijgen.’
Sterker: vermoedelijk mag hij hier niet eens verkocht worden
van de warenwet. Ik moest denken aan het bekende Engelse kookduo The Two Fat Ladies, van wie de dikste in
een kaaswinkel de kijkers adviseerde om heel scherp de uiterste houdbaarheidsdatum in de
gaten te houden. Alleen kaas die daar ver overheen was, kon wat haar betreft
door de beugel.
Ik nam nog een derde stukje en rende toen de feestzaal in om
iedereen ongevraagd te adviseren zo snel mogelijk hun insipide en obligate
borrelgesprekken te staken, zich de keuken in te haasten en die rare toverkaas
te proeven.
Nog niet zo lang geleden heb ik eens beweerd dat ik me een
beetje begon te vervelen met kaas. Hoe dom kan een mens zijn!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten