woensdag 5 maart 2014

Nou en?



EEN TOT MISLUKKEN GEDOEMD BOEK


Al een tijdje had op mijn leesstapel het boek Ascona : Bezield paradijs gelegen van Enno van der Eerden. Toen ik een paar weken geleden mijn stukje over de Hippies van Himmelhof en Monte Verità aan het voorbereiden was, ben ik het vanzelfsprekend gaan lezen.
Het is een beetje een vreemd boek geworden, om twee fundamenteel verschillende redenen.

Het grootste gevaar dat je loopt als je de honderdjarige geschiedenis gaat beschrijven van een plaats die toevluchtsoord is geweest voor vogels van zeer divers pluimage, van kunstenaars, filosofen, vluchtelingen, schrijvers, van anarchisten en politici, een duiventil kortom, is dat het boek allengs kan veranderen in een lange lijst van namen, een soort Who is who van de Ascoonse heuvelen. Iedereen die wel eens geprobeerd heeft om het jubileumboek van zijn of haar korfbalvereniging te schrijven, kent het probleem.

Het is in dit Oog in’t Zeil-deel dan ook 350 bladzijden lang een komen en gaan van een hele stoet Duitse, Russische en Nederlandse namen. Geregeld kwam het voor dat ik tijdens het lezen bij een bepaald personage dacht: ‘Kijk, daar heb je nu iemand over wie ik wel wat meer zou willen weten’. En dat kon dan niet, want we moesten voort, er waren nog zoveel namen ongenoemd gebleven.

Otto Gross 1877-1920
Deze onvermijdelijke overdaad aan petites histoires heeft het boek iets vluchtigs gegeven, waardoor de hoofdpersonen in hun wezen ongrijpbaar zijn gebleven. Neem bijvoorbeeld de zeer interessante, aan cocaïne verslaafde, anarchistische, vrouwenverslindende en aan lager wal geraakte psychiater Otto Gross. Een heel boeiende man, zoveel wist ik al eerder, maar door de aard van het boek kreeg ik bijna het gevoel dat het uiteindelijk allemaal wel meeviel met hem. Doordat er geen gelegenheid was geweest om hem werkelijk in te vullen, is hij met zijn gehele, dramatische leven een contour gebleven. Door de terloopsheid waarmee hij (en nog een paar andere protagonisten) beschreven is, heeft er ongewild een soort vervlakking van zijn zeer complexe tragiek plaatsgevonden: er was eenvoudig geen tijd voor wanhoop.

Ik moet direct toegegeven, dit kun je de auteur moeilijk aanrekenen: het onderwerp is simpelweg te uitgebreid voor één boekband, waardoor de vlootschouw totaal uit de hand gelopen is. Hoogstens kun je wensen dat hij zichzelf een beperking zou hebben opgelegd, bijvoorbeeld tot de periode vóór de Eerste Wereldoorlog. Dan zou er wat meer ruimte geweest zijn om de diverse filosofische en maatschappelijke kanten van deze idealistenkolonie wat meer te belichten.


NOU EN?

Wat ik de auteur wel wil verwijten, is een fors aantal stijlfouten in de tekst. Twee soorten met name sprongen eruit.

Een paar keer trof ik in het boek een constructie aan als de hier volgende:

‘Hij was in Zwitserland en van plan af te reizen naar Ascona’.

Dit is een vorm van contaminatie die we kennen als zeugma. Het werkwoord “was” in het eerste deel heeft een andere grammaticale functie dan in het tweede deel. Het standaardvoorbeeld in de syllabus die ik als student kreeg uitgereikt, betrof een denkbeeldig pontveer, waar op een bord geschreven stond: ‘Hier zet men koffie en over’. De cabaretgroep Neerlands Hoop maakte ooit humoristisch gebruik van dezelfde taalfout: ‘Daar kwam moeder met de tram en de lunchpakketten.’
We kunnen het er niet op gooien dat de auteur de dupe is geworden van het moderne taalonderwijs, want hij is van mijn geboortejaar en heeft op school dus nog wel Nederlands geleerd.

De tweede terugkerende fout was van Eerdens neiging om van zwakke werkwoorden sterke te maken:

‘Hij schiep genoegen uit.’
‘Het schrok hem af.’

Dat vind ik nu zo jammer. Als zoiets me overkomt word ik heel verdrietig. Ik krijg dan een bijna onweerstaanbare neiging om het boek dicht te klappen en verder ongelezen te laten. In dit geval heb ik me vermand. Vroeger zou ik dat niet hebben kunnen opbrengen.

Dit is het moment dat ik de lezer over dit alles hoor verzuchten: ‘Nou en? Wat kan het je schelen?’

En de lezer zou misschien wel een beetje gelijk hebben. Maar u moet weten, ik zit met een hardnekkige, en in de loop der jaren alleen maar erger geworden overgevoeligheid opgescheept die, kort samengevat, neerkomt op het principe: ‘Wie warrig schrijft, denkt ook warrig’. Dit is voor mij altijd een algemeen leidend principe gebleven, waarvan ik pas de laatste jaren met het groeien van mijn mildheid een zekere afstand aan het nemen ben. Nog steeds vind ik het jammer en onbegrijpelijk dat schrijvers, journalisten of copywriters, de professionals van de taal kortom, hun eigen werk niet een beetje kritischer bezien. Maar omdat ik me ben gaan realiseren dat mijn eigen proza ook zelden foutloos is, zijn de uitbarstingen van woedend onbegrip minder fel geworden.

Één taalmoordenaar heb ik wel als favoriet aangehouden, juist omdat hij zo pedant is en zo hoog van de toren blaast: Ome Harry, de Apollo van het Leidseplein. Ik hoef slechts te bladeren in Mulisch’ door talloze tante Betjes overwoekerde roman De ontdekking van de Hemel, of het schuim staat me alweer op de kaken. Overigens blijkt deze roman zelfs in een Engelse vertaling, dus ontdaan van de vele misdrijven tegen de Nederlandse taal, nog steeds verbluffend slecht te zijn: hij is minstens vierhonderd pagina’s te lang en voorzien van vele volstrekt irrelevante plotuitweidingen die een kundig en zelfverzekerd redacteur rigoureus verwijderd zou hebben. Maar dit allemaal terzijde. Waar waren we gebleven?

Oh ja: Ascona : Bezield paradijs van Enno van der Eerden. Een boeiend boek over een boeiend onderwerp, lezenswaardig, maar met een aantal tekortkomingen, sommige vermijdbaar. Niettemin ben ik blij dat ik het uitgelezen heb.

dinsdag 25 februari 2014

Titia

Ze was iets wonderlijks aan het beweren,
en iedereen was het met haar oneens.
Ze stond, gespeeld ontspannen en wijdbeens
steeds feller en beslister te oreren.

Ik zweeg en staarde en werd eveneens
steeds opgewondener: het debatteren
verhitte zo dat door haar dunne kleren
twee puntjes kwamen groeien. Toen, opeens,
 
boog zij naar voren, zogenaamd gegriefd,
waarbij haar blouse door de zwaartekracht
gracieus, behaloos open gleed opdat
 
ik zag, verrast en plotseling verliefd,
dat zij geen donkere, zoals verwacht,
maar lichte, mooie lichte tepels had.

woensdag 12 februari 2014

Ik ben het slijm


Ik ben grof en verdorven
Obsessief en gestoord
Ik heb al tijden bestaan
Maar ik ga altijd voort
Ik ben de knecht van regering
En grootindustrie
Mijn doel is om jullie te vangen
Met mijn tirannie

Ik ben doortrapt en kwaadaardig
Maar je kijkt echt niet weg
Want je vindt me zo aardig
En je doet wat ik zeg
Hier doe je ‘t maar mee
Snap je nu het idee?
‘k Ben het slijm dat zich uitspreidt
Vanuit jouw tv

Je zult mijn leiding accepteren
En al mijn rotzooi consumeren
Totdat we je gaan afserveren
Er komt geen hulp… je zult creperen
Jouw denken is in onze macht
En is gevormd door onze kracht
Je doet wat van je wordt verwacht
Totdat je zacht wordt omgebracht.

Blijven kijken, mensen
Zap niet weg!

Ik ben het slijm uit je video
Dat zich verspreidt op je huiskamermat

Ik ben het slijm uit je video
Niets kan me stoppen lui, ‘t is me toch wat

(Frank Zappa: I'm the Slime)


woensdag 5 februari 2014

Oude hippies: Himmelhof en Monte Verità


Commune Der Himmelhof.
Diefenbach omringd door volgelingen

Een paar foto’s: een groep jonge mensen in een kring, hand in hand, gekleed in witlinnen kleren. Mannen en vrouwen, naakt, dansend op een weide. De mannen hebben woeste bossen schouderlang, golvend haar en volle baarden. De vrouwen dragen lelietjes van dalen in hun goudblonde lokken. Aan hun voeten teenslippers of sandalen met enkelbanden. Is dit Woodstock 1969? Kralingen 1970 misschien? Een commune op Formentera of in Zuid-Kreta? Vreemd trouwens dat de zwart-wit foto’s op zo’n rafelige, grofkorrelige manier oud lijken te zijn. Is daar iemand met photoshop overheen gegaan?



Nee, het ligt heel anders: we kijken hier naar plaatjes uit eind negentiende, begin twintigste eeuw. We zijn niet in Californië, maar Oostenrijk en Zwitserland. En misschien zijn het wel hippies, maar dan hippies van ruim honderd jaar geleden, hippies van de Belle-époque, het Fin de Siècle. Tijdgenoten van de gebroeders Wright en Marcel Proust. En we realiseren ons: alles is al eens geweest.
 

Duits is de taal van deze negentiende-eeuwse alternatieve beweging. Lebensreform is waar ze mee bezig is. Aan de vooravond van de 20e eeuw wijzen haar aanhangers radicaal de hectiek van het modern leven af. Vogels van allerlei pluimage vindt men ertussen, maar allen zoeken ze naar alternatieven voor het burgerlijk bestaan dat ze ontvlucht zijn. Er zitten vegetariërs tussen, en naturisten, anarchisten en theosofen. Maar ook loopt er een aan cocaïne verslaafde psychoanalyticus rond en een jugendstil-illustrator wiens werk niet zou misstaan op de psychedelische platenhoezen van de jaren 1965-‘70.


In het algemeen: rare snuiters dus. Idealisten. Naturmenschen werden ze genoemd, of Wandervogel, deze bohemiens, zwervers, macrobioten en communisten, allemaal met een diep verlangen om weg te vluchten uit die beklemmende, veel te ingewikkelde, materialistische en agressieve maatschappij. Sommigen hadden hun keuze op milde wijze gemaakt, bijna en passant, anderen juist zwaar, theatraal en ostentatief. Ze hebben elkaar gevonden in communeachtige herstellingsoorden als de Himmelhof bij Wenen of het veel bekendere Monte Verità bij het Zwitserse stadje Ancona, en zijn in essentie Duits.
  
Henri van Oedenkoven (links) dansend met volgelingen op de Monte Verità
Vanwaar Duitsland?

In wezen was dit een land dat het oeroude paganisme nooit geheel had losgelaten. Meer dan andere volkeren bleven de Duitsers hangen aan hun heidense afkomst, een gevoelen dat door niemand zo systematisch en succesvol uitgebuit was als door Richard Wagner.
Maar al ruim vijf eeuwen eerder had Meister Eckhart (ca. 1260 - ca. 1328) de Teutoonse mystiek tegenover die der Christenen gesteld. 



In de Middeleeuwen waren er groepen Adamieten geweest, ook in de Lage Landen trouwens: broeders en zusters van de vrije geest, die naakt bijeenkwamen in grotten om de wedergeboorte van de paradijselijke onschuld op te roepen.
In 1796 gebruikte Christoph Wilhelm Hufeland uit Weimar als eerste het woord macrobiotiek. Zijn theorieën over frisse lucht, zonnebaden, reinheid, een uitgekiend dieet en meditatie doen verbluffend modern aan. Goethe wees op de klimaatveranderingen die de mens met zijn onnatuurlijke ontbossing veroorzaakt zou hebben en pleitte voor een terugkeer naar het eenvoudige natuurleven. Kortom: nog steeds niets nieuws onder de zon.
In de zestiger jaren van de 19e eeuw publiceerde Eduard Baltzer een vierdelig werk over natürliche Lebensweise. Hij wist wat vegetariërs om zich heen te organiseren en stichtte een vrije religieuze gemeenschap. Hij was van grote invloed op een jonge schilder genaamd Karl Wilhelm Diefenbach, waarover later meer.
In 1883 publiceerde de Leipziger Louis Kuhne een boek over alternatieve geneeswijzen. Met dit werk legde hij de basis voor wat later bekend zou worden als naturopathie.
In 1896 opende Adolf Just zijn Kuranstalt Jungborn in de Harz. In zijn bestseller Kehrt zur Natur zurück! (1895) sprak hij zich uit tegen lucht- en waterverontreiniging, vleeseten, vivisectie, vaccinatie, koffie, alcohol, roken en de gangbare middelbare schoolopleiding. Net als Kuhne was hij van grote invloed op de ontwikkeling van Mahatma Gandhi’s denken.
In 1904 schreef Richard Ungewitter een boek getiteld Die Nacktheit waarin, naast nudisme uiteraard, ook weer gepleit werd voor abstinentie van vlees, drank en tabak.

De symbolistische schilder Karl Wilhelm Diefenbach (1851-1913) werd een apostel van de alternatieve levensstijl, naturisme en vredesactivisme nadat hij, volgens eigen zeggen met uitsluitend natuurmethoden was genezen van de tyfus. Met vrouw en kinderen trok hij in de commune Humanitas, waar zijn vrouw in 1890 stierf. Omdat zijn leerstellingen in München niet op bijzonder veel sympathie konden rekenen, trok hij weg uit de grote stad. Hij ontmoette de jonge schilder Hugo Höppener, die door hem Fidus gedoopt werd. Getweeën maakten ze het grote schaduwfries Per aspera ad astra. Een schilderijententoonstelling in Wenen maakte hem in 1892 in één slag beroemd, maar door malversaties van de leiding van de Oostenrijkse Kunstvereniging raakte hij vervolgens al zijn doeken kwijt.

Fidus met zijn moeder.
Interessant haar...
Hij nam de benen naar Egypte, waar hij enorme tempelcomplexen ontwierp, op papier slechts. Om zijn gestolen schilderijen terug te krijgen keerde hij enige tijd later terug naar Wenen, waar hij in 1897 op een idyllisch in de heuvels net buiten de stad gelegen terrein zijn eigen gemeenschap voor godsdienst, wetenschap en kunst stichtte: De Himmelhof. Op een heldere dag had men vanaf de bergweide een fraai uitzicht niet alleen over Wenen, maar ook over het verder gelegen Bratislava.
Diefenbach verzamelde een kring van vrienden, geestverwanten en jonge leerlingen om zich heen met wie hij in de Himmelhof een commune begon.

Onder hen bevonden zich de later beroemd geworden schilder Franticek Kupka, de dierenactivist Magnus Schwantje, de reeds eerder genoemde illustrator Fidus en de imposante Gusto Gräser, die zich allengs zou ontwikkelen tot een allround natuurfilosoof. Over de laatste twee later meer.
In zijn commune maakte Diefenbach grif gebruik van zijn “voorrecht als goeroe”: hij hanteerde heel verschillende leefregels voor zichzelf en voor de anderen: terwijl hij deed wat hij wilde en met minstens twee vrouwen gelijktijdig een vaste, zogenaamd “open” relatie had, eiste hij van zijn volgelingen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en kuisheid. De lezer begrijpt wederom: alles is al eens geweest.
Al na twee jaar ging de kunstenaarskolonie bankroet en Diefenbach vertrok naar Capri, waar hij locale artistieke faam verwierf terwijl hij in Duitsland in de vergetelheid raakte. Hij behield een zwakke gezondheid en stierf er in 1913 aan een darmverkleving.

De illustrator Fidus (1868-1949) ontwikkelde zich tot een belangrijke en baanbrekende psychedelische kunstenaar, vijftig jaar voordat de hippiebeweging in de rockmuziek met dergelijke iconografie op de proppen kwam voor haar platenhoesontwerpen.

Een vignet van Fidus
De zwervende ziener Gusto Gräser trok na het bankroet van de Himmelhof verder naar Ascona, waar hij met de Belgische zakenman Hendrik van Oedenkoven en diens vriendin Ida Hoffmann de veel succesvollere ”cooperatieve vegetarische kolonie Monte Verità” stichtte.

gustaf nagel (hij haatte hoofdletters), één der passanten op Monte Verità

De kolonie was aanvankelijk gegrondvest op eenvoudige, socialistische principes, maar ontwikkelde zich allengs tot een open kuuroord met zonne- en waterbaden, vegetarisme en onthouding. De kolonisten waren wars van privé-bezit, waren strikt vegetarisch (meestal zelfs veganistisch van de “raw-food”-variant) en waren overtuigde naturisten. Ze waren strenge moralisten en wezen ieder vorm van conventie, zij het in huwelijk, kleding, politiek of godsdienst radicaal af.

Gusto Gräser in Berlijn

Gusto Gräser was een grote, krachtige man met een sterke, charismatische uitstraling. Op een foto genomen in Berlijn steekt hij minstens een kop uit boven alle andere mannen. Hij werd een goede vriend en leraar van de Zwitserse schrijver Hermann Hesse, wiens verslag “In den Felsen” (1908) het leven beschreef dat Gräser nastreefde: slapend in grotten in de Zwitserse Alpen, mediterend, soms dagenlang vastend. In “Siddhartha” (1922) herkent men duidelijk de verhouding tussen de leerling Hesse en de goeroe Gräser.
Tot na de Tweede Wereldoorlog zou hij, zijn principes getrouw, de vrede blijven prediken, bijna zo lang dat hij de eerste moderne hippies had kunnen aanschouwen: toen hij stierf, reed Jack Kerouac met Neal Cassady naar de Westcoast van de Verenigde Staten, op zoek naar de in Big Sur bivakkerende, Amerikaanse Naturmenschen.

vrijdag 3 januari 2014

De Amsterdamse Poort in Haarlem



Kun je een stad samenvatten in, bijvoorbeeld, één gebouw? Nee, natuurlijk niet.
Of, om het anders te stellen: ja, natuurlijk wel. Althans: soms wel.

Wanneer wij, de jeugd uit het Amsterdam Geuzenveld/Slotermeer van de jaren zeventig, de fiets pakten om erop uit te gaan, om de grote stad te verlaten en de weilanden te doorkruisen, kwamen we steevast in Haarlem terecht. Er was vanuit Plein 40-45 eigenlijk geen andere mogelijkheid. Onze wijk grensde aan de Haarlemmerweg, die begon als een klinkerstraat, maar even verderop een echte, geasfalteerde snelweg werd! Het fietspad liep erlangs en na drie kwartier schoven we de kleine, ons door de liedjes van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh welbekende zusterstad van Amsterdam in. De hele rit hadden we ons dan al zitten verheugen op de beloning aan het eind van de tocht: de aanblik van het oudste gebouw dat we binnen fietsafstand kenden: de Amsterdamse Poort, aan het eind van de Amsterdamse Vaart.
Stadsplattegrond van Haarlem door Blaeu, 1652. De Amsterdamse
Poort is de bovenste, vlak onder het blazoen.
De Spaarnwouderpoort, later omgedoopt tot Amsterdamse Poort is de allereerste Haarlemse poort die in de bronnen wordt vermeld. Hij is gebouwd bij de eerste vergroting van de stad, toen een groot terrein over het Spaarne binnen de wallen werd getrokken. Volgens de overlevering zou Kenau Simonsdochter Hasselaer op de walmuren bij de Amsterdamse Poort hebben gestaan om de Spaanse aanval tijdens de Tachtigjarige Oorlog af te slaan. Het is de enige poort die het beleg zonder noemenswaardige schade heeft doorstaan, een roodgoud gekleurd bakbeest uit 1355, opgetrokken uit baksteen met bergsteen voor de banden en hoekblokken. Het hoofdgebouw heeft een lage voorpoort die door twee achthoekige torentjes geflankeerd wordt. Deze torens zijn door middel van vleugels verbonden met een lagere, in de gracht gelegen voorpoort die dateert uit de vijftiende eeuw.
De Bourgondische vuurslag (foto: Roberto)
Deze tweede poort heeft twee ronde torens, waar we in het metselwerk de Bourgondische vuurslag, een eenvoudig gehard ijzeren werktuigje om vonken uit een vuursteen te slaan, en de wapens van Oostenrijk en Haarlem kunnen herkennen. Aan de voet van de poort zijn overblijfselen van de oude stadsmuren te vinden.

De poorten van Haarlem. Dit is overigens niet de Amsterdamse Poort, maar de St. Janspoort, die nu allang gesloopt is. Rechts de Kruispoort, waarvan de contouren in de vorm van een lichtkunstwerk terug te vinden zijn in het plaveisel van de Kruisstraat, pal voor het voormalige Fünckler-Hotel.
Het is van de twaalf oorspronkelijke stadspoorten van Haarlem de enige die overgebleven is. Tot de 17e eeuw was de poort vooral in gebruik voor het vervoer over land naar Spaarnwoude (vandaar de oorspronkelijke naam). In 1631 werd de Haarlemmertrekvaart aangelegd, die de reistijd tussen Haarlem en Amsterdam aanzienlijk bekortte. Het was nu mogelijk om binnen één dag vice versa te gaan tussen de twee steden. Vanaf toen droeg de poort zijn huidige naam.
 
Helaas dreigde de vooruitgang ter kimme: ten behoeve van de Nijverheidstentoonstelling van 1825 moest de toegang tot het centrum van Haarlem worden verbreed. Alleen onze Amsterdamse Poort is aan deze sloopgolf ontkomen. Jan David Zocher jr., mede-eigenaar van de boom- en plantenkwekerij Rozenhagen ten noorden van de Kloppersingel, ontwierp een nieuwe opzet in 1827. Hij zou het afbreken van de stadsmuren en bolwerken leiden en samen met zijn zoon Louis Paul de vrijkomende ruimte herscheppen tot aangename plaatsen waar ook ik, op heden wonende in de Rozenhagenstraat, genoeglijk mag flaneren.
 
Verval. Midden 19e eeuw
Ondanks dat de Poort blijkbaar om één of andere reden  aan de vernielzuchtige aandacht van Zocher was ontsnapt, was het gevaar voor het arme gebouw nog lang niet geweken. In 1865 wilde de stad de in ernstig verval geraakte poort slopen. Ze hinderde de constructie van een nieuwe brug vlak ervoor. Toen voor die brug evenwel niet genoeg fondsen gevonden werden, ging de gemeenteraad akkoord met een provisorische renovatie om er zeker van te zijn dat het gebouw niet in de eerstvolgende twee à drie jaren in zou storten. In 1867 werd de Papentoren gesloopt en de munitie die daar opgeslagen was, werd naar de poort overgebracht. In 1869 werd eindelijk de brug voor de poort gebouwd. In 1874 werd het grootste deel van de munitie naar buiten de stad verplaatst. In 1889 volgde er een kleine renovatie door de stadsarchitect, J. Leijh. Zijn budget was 1,490 gulden, een bedrag dat hij overschreed met 775 gulden.

Jarenlang reed de tram tussen Haarlem en Amsterdam langs de poort. Eerst reed de vanwege zijn groene kleur "De Kikker" genoemde tram langs de ene zijde:
 
 
daarna reed de blauwe tram over een speciaal aangelegde brug langs de andere zijde:
 
 
In de zestiger jaren van de twintigste eeuw werd de poort uitgeroepen tot nationaal monument. In 1985 werd zij volledig gerenoveerd.
 
Ca. 1900
 














Dit was in het kort de geschiedenis van wat voor mij als Amsterdammer en als Haarlemmer een icoon van deze stad is: De Amsterdamse Poort.
 
Ca. 2000
 
 

vrijdag 22 november 2013

Clubavond

(Montage van wat er zoal tijdens een informeel schaakpartijtje ter sprake kan komen.)

‘Volgende patiënt! Komkom, ’t beest heeft honger. En wie is u?’
‘Maak je borst maar nat. Bij nader inzien, maak je borsten maar nat!’
‘Brutaaltje? U bent net zo lelijk als ik dik ben. Gaat vooral zitten, meneer, want ik ga u aan stukken scheuren.’
‘Heb ik zwart?’
‘Neen, u hebt geel, u moogt openen.’
‘Puf-drie dan maar.’
‘Peerd ef drie, zegt de tragische dwaler. De rossinant naar effekes drie. Hum hum.’
‘Een weerlegging, zou ik zeggen, van de zwarte opzet.’
‘Zou zomaar kunnen, zou heel goed kunnen. Laat me vredig in gedachten verzinken.’
‘Snif.’
‘Gelieve niet te sniffen in mijn bedenktijd.’
‘Snif snif.’
‘Ik ben eruit, waarde tegenstander. Ha ha. Ik heb je tuk, denk ik. Tukkerdetuk. Ziedaar: zeewijf.’
‘c5. Het spel is thans in zijn beslissende fase.’
‘Het wordt onrustig op de tribunes. Wat zullen de gelen doen? Houden de bruinen het of moeten ze inbinden?’
‘Meneer, ik geef u: c4!’
‘Hoera, een frisse westenwind in dit tot op heden zo windstille schaakpartijtje. De zefier, toe maar, tjonge jonge.’
‘Het getuigt van beschaving als je nu zou opgeven, enigszins gedesillusioneerd.’
‘Geenszins, we gaan ervoor zitten.’
‘Soit. Gei noch ‘n bakske?’
‘God miljaar, da’s genen zever, menneke. Amaai. Graag, geachte opponens, maar maak het bakske een straffe.’

‘Hier, Pécézes.’
‘De zet van een waanzinnige.’
‘Nou...’
‘Bent u wel geestelijk helemaal goed bij het hoofd? Is u van binnen wel adequaat geschakeld? Paard c6? Paard c6 in deze stelling?’
‘Ahum…’
‘Wablief? U gaat toch niet zingen, hoop ik?’
‘Mag ik nog rocheren?’
‘Mag ik nog rochelen? Mag ik nog rochelen? De vraag stellen is haar beantwoorden.’
‘Nou?’
‘Schaak den koning, en na Kadé-acht, moogt ge niet langer rochelen, Grosmejster!’
‘Ik pleurt simpelweg de bisschop ertussen.’
‘Maal en maal. Wat nu? Quid nunc?’
‘Opgeven?’
‘Bitte bleiben sie seriös!’
‘Let je een beetje op je klok?’
‘Hoezo, heeft die snode plannen dan? Af, klok! Af!’
‘Meneer, ik neem uw peerd.’
‘Getverdemme, vuilik!’
‘Ik ga u verbluffen met de navolgende, ragfijne manoeuvre. Zie en huiver.’
‘Ziedaar, de ridder met een witte schimmel tussen zijn benen.’
‘Kataklop kataklop kataklop.’
‘Jemig, wat een ravage!’
‘Rawa-zje!’
‘U staat nu drie spionnen achter en een knol. Meneertje, een beter mens dan u zou nu opgeven.’
‘Ik vraag mijn eigen in enen af: zou dit zo’n bord zijn met aan de onderkant een dambord? Eens kijken… Oeps.’
‘Bruut, akelige beestmens! Ik neem aan dat u hiermee de partij opgeeft?’
‘Mag ik je een kjakkie aanbieden? Fijn potje, trouwens.’
‘Leerzaam voor de leergierige student. Doe mij maar een oude klare.’