zondag 20 mei 2012

Nohaj

Dat krijg je als je buiten de stad bent gaan wonen: je raakt het contact kwijt. Pas nu hoorde ik, via een kennis van een vriend, dat Johan Schaaphok zich bij de angstaanjagend snel groeiende lijst van overleden schoolvrienden heeft gevoegd. Vorig jaar heeft hij, zo hoorde ik gisteren, vrijwillig de vluchtweg uit dit leven gevonden.
Foto uit het archief van Agnes Linhard
Als mijn vrienden en ik wellicht een beetje vreemd waren op de middelbare school, dan was Johan onze keizer. Een boomlange, draadmagere slungel met lang, vet haar en een reuaschtige bril op zijn neus. Hij droeg altijd zo’n te kort spijkerjackje, zwart, en een vaal overhemd eronder. Hij was veertien of vijftien, net als wij, maar hij citeerde uit het hoofd, compleet met Johnnie de Selfkicker-achtige gebaren en theatrale mimiek hele lappen Lucebert (of was het van hemzelf: “De heksen zongen wel, de wormen wrongen zich hemelwaarts op! naar de tepels van de zon”). Hij sprak met een demonische zwaarte in stem en gebaar, een beetje zoals de Engelse journalist en schrijver Will Self.
Hij droeg een grote stempel aan een lederen koord om zijn nek. Zijn voornaam had hij officieel veranderd in Nohaj. Hij verzamelde vreemde, dwarse singeltjes. Hij was een Doctor Demento in het klein. Zijn Tiny Tim-collectie was compleet, maar net zo makkelijk had hij alles van de underground-scene. Bij hem hoorde ik voor het eerst Groep 1850. Als ik me goed herinner, was hij van ons ook de allereerste met Gentle Giant.
Hij was een hyper-intelligente, altijd stonede freak in een overigens schijnbaar doodnormaal gezin, in de Jepthastraat in Amsterdam Oud-West, en dat contrast tekende hem wel. Ik denk dat hij nooit helemaal on speaking terms is geraakt met de normale wereld.
Later is hij een soort journalist geworden, uitgever van het cult-sportblad Hijg! Hij was geen vrolijke man. Hij heeft zich nu gevoegd bij Steef, Wilfred, Peter, Thijs, Sander, Didier, Frits, Marcel en wie ik verder nog uit het oog ben verloren. De kinderen van de seventies, ze worden kennelijk niet oud.

woensdag 9 mei 2012

Fripp en ik


Ik was in mijn kwetsbare, tastend zoekende jaren voldoende opgevoed door de Beatles. Het moest maar eens helemaal anders. Natuurlijk was het op dat moment geen bewuste beslissing, maar achteraf bekeken is er wel degelijk een dwingende noodzaak te herkennen in mijn neiging om steeds avontuurlijker popmuziek te gaan beluisteren.
King Crimson 1969
Ik stond daar vanzelfsprekend niet alleen in. Met mijn generatiegenoten zaten we, Javaanse Jongens rokend, in kleermakerszit in de fietsenkelder van het lyceum de geluiden van de nieuwe tijd te proeven. Het liep tegen de seventies. Ik zat in de tweede klas. De tijden waren aan het veranderen. Vreemde, bruine, kleiachtige korreltjes verschenen in mijn sjekkies. Uit het zwakke cassetterecordertje klonk onder andere het geluidstapijt van In the Court of the Crimson King, het medio 1969 verschenen debuutalbum van de Londense groep King Crimson. Daar klonk in die fietsenkelder ineens een heel nieuwe wereld. Daar konden we ons onvoorwaardelijk mee identificeren, daar waren we voldoende bijzonder en anders dan de anderen mee, met onze langer wordende haren, onze indianenlaarzen en onze paarse spijkerbroeken. Harde rock, ingewikkelde maatsoorten, vreemde, door hasj getoonzette teksten, mellotrons, fluiten en saxofonen, structuurloze percussiestukken en zwaar aangezette, bombastische klanktapijten, alles was aanwezig.
In the Court of the Crimson King
De diepste waarheid over de zogenaamde progressieve, ofwel symfonische rock, die ambitieuze poging om van rockmuziek een serieuze kunstvorm te maken, is dat met de allereerste poging eigenlijk alle doelen meteen bereikt waren. De hele stroming is in wezen samen te vatten met deze ene, allereerste langspeelplaat, alles wat erna verscheen was recapitulatie, imitatie of variatie.
Dit werd mijn lijfplaat. Niets zou vanaf dat moment eigenlijk meer hebben mogen veranderen, maar natuurlijk gebeurde dat wel. Stilstand is ten slotte achteruitgang, zegt men. Juist King Crimson bleek een van de onvoorspelbaarste bands te worden die men zich maar kon voorstellen. Het was een illusie om te hopen dat de band plaat na plaat in hetzelfde stramien zou produceren, ook al leek het daar na de tweede LP, die een soort imitatie van de eerste was, wel degelijk op. Alle nummers van de eerste plaat kwamen, anders gearrangeerd en met een nieuwe titel, min of meer terug. Wellicht daardoor geschrokken, brak Fripp bij het derde album radicaal met de oorspronkelijke sound. Het bleek de eerste van een hele reeks stijlveranderingen te zijn.
Ik ging ondertussen braaf mee met elke nieuwe koers, ik was ten slotte een fan. De muziek werd jazzier en meer avant-garde, ik holde mee. De volgende plaat was meer poppy, ik keurde ’t goed. Daarna werd alles steeds luider tot er een soort hard rock ontstond met romantische kleuren en trance-achtige herhalingen. Ik was erbij en maakte mezelf wijs dat ik het eens was met iedere nieuwe incarnatie van King Crimson, dat op die manier mijn lijfgroep bleef, met meer gewicht dan Jethro Tull, een heviger nestgeur dan Yes en directere emoties dan Gentle Giant.
Ondertussen gebeurde er in de band onder de oppervlakte van alles waar wij in Amsterdam-West helemaal geen weet van hadden. Onenigheden, ruzies, onverenigbaarheid van karakters, niets werd de band en haar eigenwijze frontman bespaard.
De vierde incarnatie van King Crimson (1973)
Fripp was nooit het zonnetje in huis, zoals me later duidelijk werd toen ik hem, onder andere via YouTube en radio-interviews, beter leerde kennen. Hij bleek een gortdroge, pedante man te zijn, die belerend sprak in licht sarcastische volzinnen zoals u en ik ze nog niet eens kunnen schrijven. Een denker.
“We were very creative, most definitely because pain and frustration lends itself to such a fruitful artistic state,” zei hij naderhand over de eerste lineup en hij vervolgde: “It's a paradox that artists tend to be rewarded with fame and fortune. The prosperity almost always dissolves the squalor that spurred them on to creating in the fashion they became rich and successful for.”
Het is duidelijk, hier is een op introspectie en contemplatie gerichte man aan het woord. Een puritein die het niet prettig vindt als hij het te gemakkelijk heeft. En als zo iemand een artiest is, dan zal dat ongemak onherroepelijk ook doordringen tot de jongenskamers van zijn fans. Als Fripp verder moet gaan en schepen achter zich moet verbranden, dan moet zijn publiek mee. Dat, of afhaken.
J.G. Bennett
Na zeven studioplaten in zes jaar, na allerlei onwaarschijnlijke en spectaculaire personeelswisselingen, na minstens drie radicale stijlveranderingen in zijn muziek, hield Fripp het in 1974 voor gezien. Hij ging in retraite en raakte onder de invloed van J.G. Bennett, een Britse new-age filosoof en leraar die door het theosofische denken van Gurdjieff gevormd was. Wat daar precies het effect op Fripps muziek van geweest is weet ik niet, maar ik begon langzamerhand te ontdekken dat hij richtingen uitging die niet meer in mijn comfortzone lagen: ambient soundscapes, new wave, trance-achtige, metaalharde, zogenaamde post-rock.
Ik verkondigde dat wat mij betrof King Crimson in 1974 was opgehouden te bestaan en dat alles van daarna misschien hier en daar nog wel interessant was, maar veel beter onder een andere groepsnaam zou hebben kunnen zijn uitgebracht, wat ook Fripps aanvankelijke bedoeling was geweest.
Meneer Fripp
Op een dag ontdekte ik dat ik, bezwaard door wat ik op dat moment allemaal moest aanhoren, ook niet meer onbevangen naar het vroegere werk kon luisteren. En zo ben ik op heden volledig losgekoppeld van King Crimson. Ik volg het nieuwe werk al zeker vijftien jaar niet meer, heb nog nooit een solo plaat van Fripp met zijn soundscapes tot het einde toe kunnen uitluisteren, blijf volmaakt koud onder de vele projecten die door, of met medewerking van Robert Fripp opgezet zijn en begin zelfs een lichte antipathie te voelen jegens die platen die, begin zeventiger jaren, mijn smaak en leven zo belangrijk hebben beïnvloed. Soms draai ik nog wel eens Starless and Bible Black of Lizard. Soms voel ik me dan goed, ondergedompeld in de herkenning, maar soms ook voel ik die onbestemde leegte die je voelt wanneer je onverwachts een ex van je tegenkomt.

dinsdag 1 mei 2012

Erotica


Onlangs ontving ik van mijn beste vriend Jan-Paul van Spaendonck een prachtcadeau: een bibliofiele uitgave op folioformaat van Naar buiten met die tong!, een reeks pornografische sonnetten van de Renaissancistische schrijver Pietro Aretino, die hij samen met zijn vriend Geerten Meijsing vertaald en bezorgd had. De rolverdeling was opvallend: Meijsing herdichtte vrij en in wilde variaties om het oorspronkelijke werk heen en Jan-Paul leverde per sonnet een zo precies mogelijke rijmende en metrische, filologisch verantwoorde vertaling. Het boek is op deze manier als het ware drietalig geworden: oorspronkelijk sonnet, Meijsings persoonlijke beleving en Jan-Pauls mooie precisie. Mijns inziens zou de volgorde van de vertalingen omgekeerd logischer zijn geweest, maar goed.
De gedichten zelf hebben weinig om het lijf en ik heb de indruk dat Jan-Paul zich een beetje schaamt, niet voor zijn vertaalprestatie maar voor de kwaliteit van het oorspronkelijke werk. Al te veel subtiliteit kan men bij de, enigszins anaal gefixeerde Italiaan niet verwachten en de meeste verzen draaien monomaan om de Daad en de daartoe benodigde lichaamsdelen en -openingen.
Dat pornografie zoveel meer kan zijn, weet ik al jaren. Nu heb ik het natuurlijk niet over die eindeloze serie plaatjes die je op het internet kunt vinden van telkens dezelfde juffrouwen met haar platinablonde haar, gladgeschoren, chirurgisch “gecorrigeerde” schaamlippen en snoeiharde blik in hun zakelijke ogen. Voor mij als letterkundig ingesteld mens is pornografie, of erotica, zoals ik het prefereer te noemen, hoofdzakelijk een literair verschijnsel. Naast al die treurigstemmende plaatjes en filmpjes, kun je op het internet ook vele sites vinden met erotische verhaaltjes. In Nederland heb je bijvoorbeeld iets dat Eropodium heet. Veel groter is het internationaal ingestelde Literotica waar, naast tienduizenden Engelse, ook een groeiend aantal Nederlandstalige verhalen te vinden is. De kwaliteit van het aangebodene op dergelijke sites is, het laat zich raden, van zeer wisselend niveau. Het is lief hoe sommige schrijvers, nog niet in staat om drie woorden in een grammaticaal correcte volgorde te zetten, en al evenmin gezegend met de neiging het geschrevene voor alle zekerheid in ieder geval nog één keer terug te lezen, niettemin hun erotische fantasieën aan de cyberether toevertrouwen.
Maar tussen alle kaf vind je wel degelijk het gouden graan van echte schrijvers, met een volwassen fantasie en een goed ontwikkeld psychologisch inzicht.
Het is me, na bestudering van bovengenoemde websites, wel duidelijk geworden dat, net als in ieder andere letterkundige bezigheid, in erotica dramatische gradaties van kwaliteit aan te brengen zijn. De verhalen kunnen bijzonder goed geschreven zijn, of afgrondelijk slecht. De karakters kunnen geloofwaardig zijn, of volkomen uit de lucht gegrepen. Het plotten kan goed gedaan zijn, of de schrijver kan zich er met een Jantje van Leiden vanaf gemaakt hebben.
Het belangrijkste in een erotisch verhaal is, naar mijn stellige overtuiging, niet de beschrijving van de geslachtsdaad, maar van de situaties en omstandigheden die tot erotische momenten leiden, de interactie tussen de gebeurtenis en de psychologie van de betrokkenen. Om die reden ben ik met name in chantage-erotica geïnteresseerd: een genre waarbij aanvankelijke dwang bij het slachtoffer (vrouw of man, dat maakt in wezen niet uit) langzaam overgaat in enthousiasme en de opwinding van het loslaten. Dit thema interesseert me vooral omdat het bij de schrijver een zekere psychologische diepte en empathie vereist.
Uit de boekenkast van Oom Theo heb ik veertig jaar geleden het anonieme A Man With a Maid gejat. Deze Victoriaanse roman kun je opvatten als een soort prototype van het hierboven geschetste plotmateriaal, hoe uitermate onderontwikkeld de thematiek nog blijft, met het rudimentaire psychisch perspectief uitsluitend bij de, uiteraard dominante, man.

Veel interessanter lijkt het mij het om het psychisch perspectief in dit soort verhalen bij het slachtoffer te plaatsen, zoals in de Franse klassieker L’histoire d’O van Pauline Réage. Deze intelligente vrouw, zonder twijfel belezen in de werken van De Sade, deed met haar verslag van de bondage- en SM-praktijken die haar aangedaan waren een golf van controverses ontstaan. Veel van die controverse was natuurlijk primitief en vooral gericht op het simpele feit dat het boek over “kinky” seks ging, maar een wat intelligentere controverse ontspon zich over de vraag of de hoofdpersoon, vastgebonden en vernederd, de haar aangedane wreedheden wel prettig mocht vinden. En wat droeg een boek als dit bij tot de vrouwenemancipatie? Dat de hoofdpersoon in werkelijkheid de leiding heeft in dit SM-spel, ontging en ontgaat menigeen. Want dat is waar het om gaat: dat het slachtoffer uiteindelijk de absolute leiding heeft over de seksuele ritus en dat het uitsluitend met haar of zijn toestemming is dat de “vernederingen” plaats vinden. Het slachtoffer heeft de macht. Een zeer interessante, psychologische thematiek die, mits goed uitgewerkt, van simpele erotica een volwaardig literair genre kan maken.
Ik kan het in ieder geval niet: al enige tijd loop ik te broeden over een variant op het hoofdthema, waarbij een knap meisje zich onvoorwaardelijk cadeau doet aan een middelbare man en hem via haar absolute gehoorzaamheid tot haar willoze slaaf maakt. Het psychologisch spel van de macht: veel te moeilijk en ambitieus voor mij. Ik denk dat Literotica het de komende jaren nog even zonder mijn fantasieën zal moeten doen.

vrijdag 27 april 2012

Spel is 't leven


Ik ben een beetje een spelletjesgek. Helaas niet tot constant genoegen van mijn huisgenote, die zich weliswaar bij vlagen enthousiast weet te laten maken, maar na een week of wat alweer helemaal uitgekeken raakt op de nieuwe doos, de kaartjes, de rode en gele pionnetjes, de houten koetjes en goudstaafjes. De buitenlucht roept! De duinen en bossen!
Mijn zoon is juist weer wel dol op dit ouderwetse, huiselijk gezellige divertissement en het is dan ook met hem als smoes, dat ik me geregeld naar het Spellenhuis te Haarlem begeef om de nieuwste dozen te bekijken.
Aanvankelijk was er voor mij maar één spel, het schaakspel. Na een aantal valse starts begon ik me rond mijn vijftiende serieus toe te leggen op de strategie en tactiek van het vechtend hout, maar allengs is me duidelijk geworden dat ik nauwelijks talent voor het spel heb en het kostte al heel veel moeite en zielenpijn om zelfs maar mijn toenmalig, zeer bescheiden niveau te handhaven. Een paar jaar geleden heb ik de knoop doorgehakt en ben ik definitief gestopt.
Daarvoor in de plaats kwam, vooral op instigatie van mijn zoon, en nadat we de grenzeloze saaiheid van Monopoly achter ons gelaten hadden, het spel Kolonisten van Catan.
Een simpel spel, waar je vrij snel op uitgekeken raakt. De strategische elementen (het verkrijgen van de juiste grondstoffen om wegen, schepen en steden aan te leggen) waren niet al te subtiel en het spel vertrouwt al te zeer op het rollen van de dobbelstenen. Als je pech heb, kom je altijd in problemen, hoe goed je ook speelt. Dat is onbevredigend als je, ook in een eenvoudig gezelschapsspel, een zekere eer stelt in goed denkwerk.
Al snel gingen we over naar Agricola, één van de erkende topspellen van het moment. We hadden ons goed laten voorlichten en waren overtuigd dat dit het ultieme worker placement-spel was. Dat is de term voor het soort spellen waar pionnen, afgezanten als het ware, bepaalde velden bezetten om daar “werk” te verrichten: hout hakken, huis bouwen, kinderen (meer pionnen) krijgen, vee kopen, plannen van tegenstanders doorkruisen.
Spoedig kwam een groot nadeel van Agricola aan het licht, eigenlijk bedoeld als voordeel: doordat de geluksfactor zoveel mogelijk was uitgeschakeld, was het spel een beetje te moeilijk geworden. Dat wil zeggen: de scenario’s die ten grondslag liggen aan het zogenaamde gameplay van het spel zijn zo meedogenloos strak geschreven, dat spelers zich iedere keer de pleuris moeten haasten om aan althans een paar van de puntenscorende eisen te voldoen. Aan het eind van de race was het altijd de verstandige strateeg en niet de gelukkigste werper van dobbelstenen die won, in ons geval dus een van de volwassenen. De dertienjarige kon het spel niet bijbenen, won maar steeds niet en vond het spel daarom (terecht) niet zo leuk.
Dus ik weer naar het spellenhuis, nu met een zeer specifieke vraag: ‘Ik wil iets hebben dat qua moeilijkheid en geluksfactor ergens tussen Catan en Agricola in ligt.’ Terwijl ik deze orakeltaal bezigde, glimlachte ik heimelijk, ik had me het dieventaaltje van het spelletjesgilde redelijk goed eigen gemaakt, vond ik zelf.
Nu spelen we alweer een jaar, als het buiten stormt en regent, het spel Stenen Tijdperk. En dit spel heeft precies het gewenste evenwicht tussen geluk, inzicht, tactiek en strategie. Vader wint het wel eens, half-onwillige vriendin wint het wat vaker en veertienjarige zoon wint het ook wel eens. Onlangs kocht ik de uitbreidingsdoos, die het spel weer geheel nieuwe mogelijkheden van gameplay verschafte, dus, verzuchtte ik in het Spellenhuis: ‘Laat de winter maar beginnen.’
Helaas wordt het nu mooi weer tot oktober, dus dat wordt verbeten afzien en hopen op een plaatselijke stortbui. Maar we hebben de tijd en op een gegeven moment is veertienjarige zestien en kan hij wel het veel interessantere Agricola aan. Zo wacht je in het leven op van alles, terwijl het leven zelf gewoon doorgaat.

zaterdag 7 april 2012

Een intimiderend boek

Ik heb niet zoveel op met verjaardagen. Als het moment daar is, probeer ik altijd te vluchten en zo kom ik einde maart terecht in steden en stadjes, ver weg van mijn vrienden en familie die me allemaal teisteren met het jaarlijks terugkerende: ‘en, wat wil je hebben?’

De waarheid is dat ik niets wil hebben, ik heb alles al.

Soms zeg ik, ietwat krampachtig melig en ondertussen voorspelbaar geworden: ‘Een beetje warmte en aandacht.’ Ook vraag ik wel eens om ‘een aantrekkelijke afvloeiingsregeling’, of ‘een dood zonder al te veel lijden’. Mijn zure humor wordt niet door iedereen gewaardeerd, laat ik daar heel eerlijk in zijn.

Meestal echter zucht ik, geheel naar waarheid: ‘Lieve vrienden, ik weet het echt niet. Misschien dat je zelf op iets leuks kunt komen, iets waarvan je denkt dat ik niet wist dat ik dat wilde hebben.’

Dit gaat bijna altijd goed, want het cadeau dat je krijgt is natuurlijk niet het ding in het vrolijke feestpapier, maar het denkwerk dat voorafgegaan is aan de aanschaf van dat ding. Dit zijn waardevolle geschenken, ik kan en mag daar niet ironisch over doen.

Soms wordt de spijker op de kop geslagen: veel van mijn lievelingsvoorwerpen hebben vanuit het pakpapier hun plaats in mijn hart weten te verwerven puur door de liefde waarmee ze gekozen zijn. Een heel enkele keer gaat het mis en dan zit je met een paar zelfopgelegde problemen. Daarover gaat het in dit stukje evenwel niet.

Dit jaar was heel interessant in die zin dat vrienden me een prachtig geschenk hebben gegeven, een geschenk dat ik heel mooi vind, en waarvan ik tot mijn dood niet zal scheiden, maar waar ik tegelijkertijd doodsbang voor ben.

Het is een boek.

Een intimiderend boek.

Een boek dat me bijkans hartkloppingen geeft van angst.

Een kookboek.

Men begrijpe me goed: ik ben helemaal niet bang voor kookboeken in het algemeen. Ik bezit er meer dan drie meter van. De meeste gaan over de diverse Afrikaanse en Aziatische keukens: de Thaise, de Marokkaanse, de Singaporaanse, de Turks/Koerdische, de Indiase, de Japanse.

Een power-cook ben ik niet: geen gesis van hete vetten graag. Geef me liever een gietijzeren pan, een pollepel, een laag vuur en twee à drie uur, en ik maak de heerlijkste dingen voor je.

Nu heb ik, sinds een week, een boek dat heet De chefs van België : de smaakmakers van de Belgische keuken. Het boek is 499 pagina’s dik, meet 29 cm en weegt 2 kilo en 692 gram, het is immens.

In dit lijvige toverboek vertellen Belgische sterrenchefs hoe ook ik hun prijswinnende gerechten klaar kan maken. Ik moet gemarineerde rode biet prepareren, tartaar van langoustines maken, wang van Baskisch varken bereiden en ergens gochupoeder zien te bemachtigen, waarvan een kwart theelepel aan een venusschelpengerecht toegevoegd moet worden. Ik mag een sandwich maken met boter, kaas en runderham van Vlaams roodbruin rund van slagerij Dierendonck!!

Ik geef meteen toe dat je wel een beetje moeite mag doen voor je eten, maar ik ben bang dat mijn vrienden mij nu toch te hoog hebben ingeschaald (zoals in die tijd dat ik, de taal nauwelijks machtig, Latijnse versies kreeg van Asterix de Galliër en Winnie the Pooh (Winnie Ille Pu)).

Enfin, ik ga het proberen, natuurlijk. Ik ga net zolang door het boek speuren totdat ik vijf gerechten heb gevonden die ik kan maken en dan ga ik de lieve boosdoeners een vijfgangen sterrenmenu aanbieden. En ik hoop dat mijn levensgezellin dan de gesprekken met onze gasten gaande zal houden, want ik sta drie uur in de keuken, dromend van magnetronmaaltijden.

donderdag 22 maart 2012

Slotermeer

In Slotermeer daar is een kapper die LP's verkoopt,
die illegaal geperste platen in karton
dus alle hippies komen wel eens langs
en hij grijpt zijn kans

De dikke slager op de hoek rijdt in een BMW.
De kleine kinderen lopen joelend met hem mee
En de slager zie je nooit met jas,
Ook al wordt-ie nat, gek is dat.

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
Hier onder de blauwe polderlucht
zit ik, en denk aan toen:

In Slotermeer is een cafébaas met een koekoeksklok
En in zijn zak draagt hij een foto van Den Uyl
En zijn glazen glanzen in de zon
Ze zijn nooit vuil

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
In een friet-met-mayo-lucht
zit ik, en denk aan toen:

En in een kraampje voor de ingang van een noodgebouw
Verkoopt een meisje pakjes kauwgom per dozijn
En hoe weinig dat ook waard mag zijn
ze vindt het fijn.

In Slotermeer knipt onze kapper weer een nieuwe klant,
En de slager zit te wachten met een krant.
Terwijl de kroegbaas er naar binnen sprint,
druipend nat, gek is dat.

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
Hier onder de blauwe polderlucht
zit ik, en denk aan toen:

Slotermeer, ik zie je weer in vogelvlucht.
Hier onder de blauwe polderlucht
Slotermeer.
(op de manier van Penny Lane) 
 

dinsdag 6 maart 2012

Rokjesdag


Het is maart en, hoewel de temperaturen weer gestaag aan het dalen zijn, is het toch onvermijdelijk: ons hangt weer het jaarlijkse fenomeen van rokjesdag boven het hoofd. Persoonlijk vervult me dit stuitende verschijnsel met een zekere kriegelige weerzin. Vooral omdat het zo oneigenlijk is. Laat me dat uitleggen.
Wat, als ik het goed begrepen heb, voor Bril en vrienden essentieel was aan rokjesdag, was het onbewuste en spontane, ongeregisseerde karakter ervan. Rokjesdag is de dag dat een heleboel vrouwen, zonder aantoonbaar onderling overleg, plotseling besluiten dat de winter definitief voorbij is en dat heugelijke inzicht gaan vieren door voor het eerst in het jaar de legging uit te laten en gekleed in een rok de straat op te gaan.
Het is als een natuurverschijnsel, zoals het eerste kievitsei of een maansverduistering. Je kunt erop gaan wachten en als het allemaal weer gebeurd is, volgens een soort irrationele, rommelig natuurlijke wetmatigheid, dan zeiden Bril en vrienden, loerend vanaf hun bankje in het Vondelpark: ‘Ha! Het was vandaag rokjesdag.’ ‘Blijkbaar,’ moet je er dan bij denken.
Het allerbelangrijkste aan rokjesdag was dat de acteurs in dit stuk straattheater zich er niet bewust van waren dat zij aan het optreden waren. Nu is de spontaneïteit van rokjesdag helemaal verdwenen.
Na een verfrissende winterslaap, gonst het internet ineens weer van de berichten. Ik las onder andere het volgende:

Jawel, de temperatuur stijgt dus we mogen het over rokjesdag, de 2012 editie hebben. Aanstaand weekend lijkt een mooi moment.”

En ook het volgende bericht (of zou dit nu een zogenaamde tweet zijn?):

“Ik heb rokjesdag 2012 trouwens op de agenda gezet. Wil jij op de gastenlijst? stuur dan een mailtje!”

Er bestaat, zo ontdekte ik, zelfs een website die de situatie scherp in het oog houdt. Of je al rokjes hebt gesignaleerd, wil de website weten. Zo ja, twitter het ons dan.
En dan barst het los: een comité bepaalt de precieze datum van rokjesdag, een geschikte plek wordt gekozen, en daar gaan ze. De rijpe, tamelijk kloeke, linksige vrouwen, achter in de dertig, voor in de veertig, met heel veel paars en lila aan hun lijf, verlaten hun met onbewerkt houten meubelen ingerichte doorzonwoningen in de Pijp om tijdens, godbetert, een rokjesdag-flashmob haar bleke en licht cellulitische benen ten toon te stellen. Ze gedragen zich assertief en triomfantelijk. Ze beseffen niet dat het, wat het ook wel is dat ze denken uit te beelden, in ieder geval juist niet Martin Brils Rokjesdag is. 
Of beseffen ze dat juist wel? Is dit hun ultieme wraak op een seksistisch, vies mannetje?
Ik mag graag een rokje zien en ik juich de komst van de lente hartstochtelijk toe. Toch is wat mij betreft, ondanks dat ik niets heb met Martin Bril, alles aan de moderne rokjesdag verschrikkelijk fout, verkeerd begrepen en van alle glans en poëzie ontdaan.