donderdag 12 januari 2012

Troost


Om te beginnen moesten we drie keer het internet op. De NS-planner en de OV-planner zijn het niet met elkaar eens en de rederij beweert helemaal dingen die niet waar kunnen zijn. Of wel?? Spijtig toch, al die wijzigingen in de diverse dienstregelingen. Vroeger wisten we het op een prikkie, en reisden we als het ware blind.
Het probleem is dat de reder een veer aankondigt dat op het plezierige en makkelijk bereikbare uur van half vier afvaart, maar dat de OV-planner dat veer niet erkent. Er vaart, beweert deze leugenachtige website, alleen maar een veer om half twee, en daarna pas weer een om half zeven. Ook al vertrouw je de reder op zijn blauwe ogen, en leg je de OV-planner uit dat je toch echt om drie uur op de kade wil zijn, dit stuk sofware blijft verongelijkt morren en zaniken. Je voelt de tegenzin.
Uiteindelijk hebben ons vermand: we laten ons toch niet bedotten door zoiets triviaals? We hebben met de hand toch een soort van planning weten te maken en eerst dan begint het feest echt.

- Lopen naar station Haarlem.
- Trein naar station Amsterdam Centraal.
- In Hilversum overstappen richting Zwolle.
- In Zwolle overstappen richting Leeuwarden.
- Een beetje gehaast de bus halen naar Lauwersoog.
- In Lauwersoog wachten of dat veer van half vier echt vaart: zien is pas geloven.
- In drie kwartier over naar de Veerdam op Schiermonnikoog (memo voor onszelf: doorlopen in het veer zodat we aan de uitgangszijde komen te zitten).
- Rennen naar de bus (er staan er altijd te weinig, en dan moet je een half uur wachten tot de eerste lichting weer terug is.)
- Uitstappen in het dorp. De deur staat open, bellen hoeft niet.

We zijn ondertussen ruim zes uur onderweg.
Even een kopje koffie doen bij schoonmoeder! Hopelijk heeft ze kruidkoek gebakken.


woensdag 4 januari 2012

Het Comomeer: niet voor iedereen


In het noorden van Italië liggen, vlak naast elkaar, vier grote en een aantal kleinere meren, die ieder hun geheel eigen karakter hebben. Dat karakter kun je aflezen aan de soort toeristen die de respectievelijke meren bezoeken. Het Lago Maggiore, met zijn vele vervallen en soms half ingestorte hotels, schijnt vooral door Italianen zelf bezocht te worden. Verrukt zijn ze van de Borromeïsche eilanden, met het Isola Bella. Witte pauwen, een paleis met druipsteengrotachtige kamers, grote hoeveelheden zandstenen en marmeren beelden, niets kan de Italiaan van zijn mening doen stappen dat dit groteske eiland het hoogtepunt vormt van het allermooiste Italiaanse meer. Nederlanders doen het af als kitsch en reizen snel door. Iets verder naar het oosten, grotendeels in Zwitserland, ligt het Meer van Lugano, deftig, duur, en waardig. Campione, het meest vermaarde Italiaanse Casino ligt er aan de oevers, op een enclave in Zwitserland. Een kakkineuze  tent met een schandalig hoge entree. Maar als je een beetje uit de buurt van de dure plaatsen blijft, en in een rustig dorpje gaat zitten, kun je er veel landschappelijk plezier hebben. Het is een typisch Zwitsers meer in die zin dat het grillig is en woest, zoals het Vierwoudstedenmeer. Het valt dan ook enigszins moeilijk te plaatsen temidden van de Noord‑Italiaanse meren.
Pal ernaast vindt men het Comomeer, waar je veel Engelsen kunt aantreffen. Dit meer heeft, na tweeduizend jaar toerisme, een sfeer gekregen van bedaagde beschaving. Dit merk je vooral als je in het voorjaar in Bellagio, op de noordelijkste punt van het schiereiland vertoeft. Daar wordt, in beschaafd Engels, menig boude uitspraak getoetst aan dikke kunst‑naslagwerken, die met grote vanzelfsprekendheid uit kaki schoudertassen te voorschijn worden getoverd. 
Belangrijk kleiner, het grootste van de kleine meren, is het Iseomeer, waar je veel Nederlanders en friettenten aantreft, terwijl het meest oostelijke meer, dat van Garda, een geliefde uitwijkplaats is voor sportieve Zuid‑Duitsers, die, hun surfplank op een handig karretje achter hun motorfiets gemonteerd, de korte reis door Oostenrijk maken en een week lang iedere avond dronken voor hun tent liggen. Dat is eigenlijk heel jammer, want verder is het een mooi meer, met in Gardone het landgoedje Il Vittoriale van de romantische dichter, fascist, dandy en schavuit Gabriele D'Annunzio: een attractie van wereldformaat. Van deze meren is mijn favoriet het Comomeer.


THUISKOMST?

Het kan je gebeuren dat je ineens dat licht verwarrende gevoel krijgt ergens "thuis" te zijn. Dat kan na een uur plaatsvinden, of nadat je ergens voor de dertigste keer hebt rond gesjokt, of zelfs nadat je er dertig jaar hebt gewoond, en je blinde ogen zich plotseling openen voor het heldere inzicht: dit hier is "thuis".

Mij overkwam het toen we een paar dagen geleden, na een zeer voorspoedig verlopen dagmars dwars door Nederland, Duitsland en Zwitserland, via de "slimme" route Lugano‑Gandria‑Porlezza het pretentieloze stadje Menaggio aan de oever van het Comomeer binnenreden. Het liep tegen negenen. We lieten de koffers in de auto en begaven ons naar een terras waar we ijlings een maaltijd bestelden. Daar, met de slanke, donkere lichamen van voorns en karpers die pal onder onze voeten majestueus langs gleden, en de krokant gebakken resten van hun aanzienlijk minder fortuinlijke ondersoortgenoten op ons bord; met het olijfgroen van het meer allengs grijzer wordend en de temperatuur dalend van zomers naar perfect; met schuin aan de overkant van het meer Bellagio, dat als een ontgonnen marmergroeve lag te rusten in de laatste stralen van de zon, die bij ons al achter de Monte di Tremezzo verdwenen was; daar wist ik plotseling wat ik in mijn leven wilde bereiken: een pied‑à‑terre bezitten in Noord‑Italië. Om er twee of drie keer per jaar thuis te kunnen komen,
Deze keer was ik omringd door omstandigheden die de perfectie van het moment wel heel sterk benadrukten: precies de ideale temperatuur (24 graden), net de juiste hoeveelheid geroezemoes, precies de goede geur (iets met feromonen en pollen), exact de juiste, voor de gelegenheid gekozen alcoholische drank. In deze licht verdovende staat van perfectie ging het meer in de ondergaande zon lijken op een met grove korrel genomen zwart‑wit foto voor een stijlvolle advertentie in een glossy magazine. En blijkbaar vond het Opperwezen dat ook, want juist op dat moment zoefde een razend mooie Maserati het pleintje op en stond in één vloeiende beweging meteen volmaakt geparkeerd: de voorwielen schuin op het trottoir en het kontje precies al het verkeer op de smalle weg van Como naar het noorden blokkerend. Het gekrakeel was gelukkig al spoedig niet meer van de lucht.


WAAROM HET COMOMEER?

Als de herfst het mooiste jaargetijde in Noord‑Italië is, dan is de lente het prettigste. Dat heeft te maken met de herinnering aan de bittere kou van de voorbije winter. Meer dan in Nederland ben je je hier bewust van de seizoenen: met de Alpen om de hoek is de natuur heftig en primitief en zijn de weersveranderingen spectaculair en prikkelend. Wie daar gevoelig voor is voelt zich aan de oevers van het smalle, diepe en ijskoude Comomeer al heel gauw direct betrokken bij de natuur. Het is niet voor niets dat de Italiaanse meren al in de Romeinse tijd een geliefd vakantiegebied waren, waar de stadsmensen tot rust meenden te komen door hun ingeslapen gevoel voor de aarde nieuw leven in te blazen. Tegelijkertijd, echter, vindt men hier forse stukken namaaknatuur, zoals de tuinen en de boulevards, die verfijnd en zelfs gekunsteld aandoen, als een decadent schilderij van een negentiende-eeuwse academische schilder.
Heel wrang is het, dat het Comomeer slechts op zo'n veertig kilometer ligt van een plaatsje dat symbool staat voor een heel ander aspect van Noord‑Italië: het gifdorp Seveso. Ook dergelijke contrasten vind je er.
Met de azalea's en de rododendrons in bloei, met de grote stroom binnen‑ en buitenlandse toeristen nog niet op gang gekomen, afgezien van dus wat bleke Engelsen met kaki schoudertassen, met de meeste hotels nog verborgen achter verveloze luiken en met het statige en olijfgroene meer nog slechts het domein van de vissers, werd ik zo verblind door alles, dat ik beschutting moest zoeken achter een paar glaasjes grappa.

Teneinde aan mijn drank te komen ben ik al drie keer in een winkeltje geweest, waar een oud, besnord man‑wijfje me afwisselend in onverstaanbaar Frans, Engels en Duits te woord staat. Als ik dan uitleg dat ik het Italiaans weliswaar niet bijster goed spreek, maar wel redelijk begrijp, pakt ze met haar droge, hoornachtige handen de mijne, schudt die en zegt in nasaal Duits dat ik juist goed Italiaans spreek. Ik schud het hoofd ("No, no, no, no, no, non párlo Italiano, solamente capíscolo!"), maar zij babbelt maar door, dolblij dat ze eindelijk eens een Duitser treft die de moeite neemt haar taal te begrijpen. Ze complimenteert me voor de zoveelste keer en stopt me de twee flessen die ik wilde kopen in de hand en zegt: 'Nein, für Sie niex. Niex Bezahlen. Sie gute Mensch.' En zo kom ik dus aan gratis acqua minerale. Helaas deed ze niet hetzelfde met de chianti en de grappa: zo'n gute Mensch was ik nu ook weer niet.


DE BOEKEN ACHTERNA

Voor mij is reizen heel vaak: achterna reizen. Zo zat ik 's avonds op een terrasje met een glaasje plaatselijke Grappa en een mineraalwater voor me, alsmede een keur aan boeken. De Italiaanse Reis van Goethe lag er bij, hoewel de Duitse halfgod niet via Como, maar via Garda was gereisd. Daar lag een zeer te loven boek, dat in ruim vijfhonderd pagina's aantekeningen, gedichten en documenten de neerslag bevatte van de levenslange liefdesverhouding tussen Hermann Hesse en Italië. Voorts kon de kenner daar op het terrastafeltje nog de Venetiaanse Brieven van Joyce & Co (Geerten Meijsing en vrienden) aantreffen. Achterna reizen dus.
Nadat ik vrijwel kritiekloos en trillend van anticipatie de wederwaardigheden tot me genomen heb van de schrijvers vóór mij, ga ik ze domweg achterna om alles bevestigd te zien. De reis als kunstboek (op hoogglanzend fotopapier. Levensecht. Erg duur!). Stendhal controleren, en Byron. Loeren in de steeg waar Wagner, om onverklaarbare redenen verliefd op Cosima Liszt, heeft rondgeslopen. De marmeren oksel van de Psyche van Antonio Canova betasten waar Gustave Flaubert een syfillische kus in gedrukt heeft, en ga zo maar door.
Uiteindelijk blijk je, met de geografie en de literatuur hoogstens als aanleiding, uitsluitend jezelf te bereizen. Vandaar misschien dat ik me hier, na een afwezigheid van twee jaar, meteen thuis voelde. Ik had dit meer, dat wil zeggen: dit gedeelte van mijn innerlijke ziel reeds volledig in kaart gebracht, en herkende de aberraties en allusies, de mijne, die me zo dierbaar zijn.
Ik veegde een paar druppels prikwater van een van de boeken en nipte van de bittere en ietwat laffe grappa, die hier merkwaardigerwijs in een cognacglas geserveerd werd en niet, zoals gebruikelijk, in een klein model limonadeglas. De nacht viel tollend van de slaap om haar as en met een donderende klap wierp ze zich tegen een flank: het onweerde. De echte bui dreef bijna direct over, maar een restant bleef hangen. De regen druppelde zachtjes tegen de markies van het terras. In mijn intense geluksgevoel wist ik: zo hoort het ook! Het regent vrij vaak in het merengebied, maar juist dan is Italië me lief, en wordt het verschil met gewone landen zo fnuikend duidelijk. Waar andere landen triest en zieltogend nat liggen te worden onder onveranderlijk grauwe hemels, daar fleurt en geurt Italië ongelofelijk op tijdens een juni-buitje.


BELLAGIO

De volgende dag bracht het openbaar vervoer ons naar Bellagio. Een overtocht die met de langzame boot een klein kwartiertje duurde. Er vaart ook een snelle draagvleugelboot, maar die is beter geschikt voor wat gehaaster toerisme. Een tocht van noord naar zuid (Colico‑Como) duurt ook dan altijd nog anderhalf uur. De boemel doet dat traject in ruim drieënhalf uur.

De situering van Bellagio is uniek. Stellen we ons een Griekse Y voor, en draaien we die 180 graden om, dan hebben we het Comomeer voor ons. Precies in het centrum, aan beide kanten geflankeerd door meerarmen, vinden we het stadje, dat in de Romeinse tijd dan ook Bilacus, twee‑meren, heette. Aan de westzijde kijkt Bellagio uit op de Tremezzina, de streek rond Tremezzo, die niet voor niets de "Tuin van Lombardije" genoemd wordt. Vele diffuse kleurenmengsels maken van de berghellingen een weldaad voor het stadse oog. Als je vanuit Bellagio pal naar het noorden kijkt, kun je bij goed weer tot aan Gravedona, dus bijna het noordelijkste deel van het meer details onderscheiden. Aan de oostzijde, ten slotte, vinden we de iets ruigere oevers rond Varenna, een klein stadje waar ik ooit het huis mijner dromen heb zien staan: vanaf de meerzijde ontdek je met enige moeite een vier verdiepingen hoog, tegen de steile berg geplakt huis, dat bijna geheel aan het oog onttrokken wordt door een ingewikkeld, door wingerd en klimop overwoekerd trappen- en terrassensysteem. Door de steile helling, waartegen het huis gebouwd is, is iedere verdieping als het ware gelijkvloers. De bordessen gaan naadloos over in wilde tuinen met scheefgegroeide olijfbomen die boven het meer hangen. Onderaan, als een soort van havenhoofd, rust een lustprieel met een 18e eeuwse balustrade en een met klimrozen getooide pergola half in het meer. Op de diverse terrassen vinden we veel witgelakt gietijzer en zandstenen tuinbeelden. En in het kleine privé‑haventje slaapt een formidabele autoboot met de vitale vorm van een orka.
Ik repte me naar de tuin van de Villa Melzi. Veel mensen geven de voorkeur aan die van de Villa Carlotta, precies aan de overkant van het meer, maar mij bevalt juist de ietwat naïeve rommeligheid van deze tuin. Melzi werd niet gehinderd door enige smaak. Hij was een kind van zijn tijd (zo rond 1800), en zijn verzameling voorwerpen was dan ook eerder curieus dan artistiek. Wat dat betreft is zijn tuin zeer exemplarisch voor de optimistische verzamelwoede van toen. Zijn belangrijkste verworvenheid was een grote collectie exotische en decoratieve bomen, die vaak onnatuurlijk en plastic‑achtig aandoen, en die meegenomen zijn uit de Andes, China of de Himalaya. Krijtgrijze stammen met helgele bladeren die pijn doen aan je ogen. Bladerkronen die in de meest gekunstelde vormen gewied zijn. Substanties, waarvan het op het eerste gezicht niet zeker is of we nu te maken hebben met hout, gedroogd rubber of oude spons.
Een zandstenen sfinx begroet de bezoeker, die even verderop een paviljoentje in de vorm van een Afrikaanse rieten hut aantreft. Zonder orde en zonder een andere bedoeling dan blij juichend te laten zien wat voor wondere dingen er al niet op de wereld te vinden zijn, staan overal verspreid de beeldjes van draken en dichters, van griffioenen en staatshoofden, van Catullus en van faunen. Vijvers en fonteinen op vreemde plaatsen blijven de geest verrassen.
Ik doorkruiste het smalle park, dat zich over een kilometer langs de oever van het meer uitstrekte, en uiteindelijk verliet ik het aan de zuidelijke kant, bij het kleine, pittoreske haventje van de voorstad Loppia di Bellagio, waar ik op een bank gezeten mijn reisboekje ging bijwerken.
Ik zou daar de rest van mijn leven kunnen blijven zitten, besefte ik. Zou dat niet mooi zijn? Langzaam te verstenen, in de zon te verbleken, in de sneeuw van januari een beetje te verbrokkelen, en vervolgens voorgoed op te gaan in het stenen schimmenspel van deze lustwarande. "Kijk, kinderen," zouden de ouders tegen hun opgewonden kinderen zeggen terwijl ze mijn beeld naderden: "het meest legendarische van alle fabeldieren: de reiziger."

(foto’s van Roberto)

donderdag 22 december 2011

Nachtzug nach Lissabon


Als een soort uitvloeisel van de reis naar Portugal die we eerder dit jaar gemaakt hadden, heb ik nu ook Nachtzug nach Lissabon van Pascal Mercier gelezen. In de reisbagage had de Nederlandse vertaling gezeten, maar daar kwam ik na enige tientallen pagina’s niet meer doorheen. Duits is een taal waarin het verschijnsel van de Tante Betje, naar ik begrepen heb, grammaticaal is, en dus (zo’n formele zeikerd ben ik!) niet af te keuren, maar een één op één vertaling van deze pekelzondes tegen de grammaticale logica doet het Nederlands beslist geen goed. De zin die me uiteindelijk deed afhaken ging zoiets als: “In de lift drukte hij op de knop, liep de gang in en opende zijn kamerdeur.”

Daarna heeft het nog een tijdje geduurd voordat ik de Duitse versie gevonden had – vreemd toch: buiten Zandvoort en Schiermonnikoog zijn de Nederlandse boekwinkels, zelfs de “betere”, wel heel schaars voorzien van literatuur in de taal van ons buurland.
Enfin, uiteindelijk had ik het boek te pakken, en na een dergelijke voorgeschiedenis probeer je er alles aan te doen om een optimale verbinding met het werk te verkrijgen. Maar dat viel niet mee.
De roman is geschreven door een Zwitserse filosoof, Peter Bieri. Het is me niet helemaal duidelijk waarom hij, een Duitstalige Zwitser, een Franstalig pseudoniem gekozen heeft. Tijdens lezing bleef ik steeds maar denken dat de roman ook min of meer door twee personen geschreven is: de romancier Pascal Mercier was verantwoordelijk voor het verhaal, de filosoof Bieri voor de inhoud en de hier en daar wat duistere fragmenten zogenaamd uit het Portugees vertaald.
Na een tomeloos begin, dat hongerig maakte naar meer, geraakte het verhaal in telkens rustiger achterwater, totdat er geen zichtbare beweging meer vast te stellen viel.
Het verhaal zal de meeste mensen wel bekend zijn: de Berner leraar klassieke talen Raimund Gregorius (“Mundus”) loopt toevallig een vrouw tegen het lijf die misschien zelfmoord wil plegen. Mundus redt haar (of niet? Wil ze wel zelfmoord plegen?) en neemt haar mee naar de school waar hij les geeft. Zij schrijft met viltstift een telefoonnummer op zijn voorhoofd, dat hij gedurende de les tot verbijstering van zijn leerlingen niet weghaalt. De vrouw verdwijnt, en gegrepen door de klank van haar taal, português, koopt Mundus bij een antiquariaat een boekje van een zekere Amadeu Inácio de Almeida Prado met duistere teksten in die taal. Hij laat zijn klas in de steek, koopt een enkeltje Lissabon, stapt in de nachttrein en gaat de dertig jaar eerder gestorven auteur van het boekje zoeken. We zijn veertig bladzijden ver, de sfeer is mooi neergezet, het aantal gepresenteerde mysteries ter ontrafeling is fijn groot, en we gaan er eens lekker voor zitten. Maar op dat moment schakelt Mercier twee versnellingen terug, en vangt er een schier eindeloos kabbelend getuf aan. De taal van het boek is mooi genoeg, verzorgd, misschien wel een beetje erg bedaard en plechtig, en hier en daar bewust anachronistisch gehouden, maar al spoedig begint het volstrekte ontbreken van een plotachtige ontwikkeling mij te hinderen. Achtereenvolgens ontmoet Mundus de personen die in het leven van Prado een rol gespeeld hebben en wint hun vertrouwen: de zusters, de schoolvriend Jorge O’Kelly, een kameraad uit het verzet genaamd João Eça, diverse vrouwen uit Prado’s leven en zelfs een stokoude leraar krijgt hij te spreken. Op deze manier verkrijgt Mundus op den duur weliswaar een tamelijk volledig beeld van de schrijver (en indirect wij dus van Mundus), maar het spel wordt steeds meer een schimmenspel en de stad waar dit alles plaatsvindt wordt ook nooit meer dan een schim: een bijna generiek decor voor innerlijke handelingen dat nooit werkelijk tot kleur komt. Lissabon is geen kleurrijke stad, dat is waar, maar wordt in deze roman in zulke mate niet beschreven, dat het verhaal net zo goed in een andere grote stad met een geschiedenis van totalitaire dictatuur had kunnen spelen: München, Athene, Rome, Leningrad.
Uiteindelijk, wanneer hij zoveel mogelijk over Prado te weten is gekomen, en bij hemzelf een ziektebeeld de kop opsteekt van duizeligheden (Prado is aan een aneurysma gestorven), gaat Mundus weer terug naar Bern. En daarmee is de roman na vijfhonderd pagina’s plotseling afgelopen. Zal hij naar Lissabon terugkeren? Zal hij überhaupt blijven leven? Het is aan ons om dat in te vullen.
De vrouw uit het begin komt in het geheel niet meer ter sprake, het telefoonnummer waar, als een soort teaser, in de roman nog wel een paar keer aan wordt gerefereerd, wordt nooit gebeld. Misschien is dit een vorm van post-modernisme, maar ik vind het simpelweg een plotfout en stoor me er mateloos aan.  
Waar gaat het boek nu uiteindelijk over? Goede vraag. Het korte antwoord, denk ik, is: De belofte van het leven, het maakbare leven, bij uitzondering wel, meestal echter niet waargemaakt. Prado’s door Bieri bedachte boekje, dat gedurende het hele verhaal als een soort leidraad voor Mundus’ handelen dient, bevat een aantal filosofisch-essayistische prozagedichten, die niet alleen doen denken aan een andere eenzame Portugees: Fernando Pessoa, maar ook wel een beetje aan het precieuze, wollige schrijven van Bieri’s land- en taalgenoot Hermann Hesse. De thematiek ervan is evenzeer terug te voeren op het filosofische werk dat de hoogleraar Bieri zelf verricht heeft: onderzoekingen naar de vrije wil, en de filosofie van de psychologie. De hoofdpersoon van de roman is dus uiteindelijk niet Mundus Gregorius, niet Amadeu de Prado, zeker niet Pascal Mercier, maar Peter Bieri, de filosoof, de subtiele, esthetische, postmoderne denker in tinten wit.

Bij het lezen had ik steeds het gevoel dat we hier nog wel eens een literaire stripversie van te zien zullen krijgen, met veel gewandel door fauvistisch pastelgetinte, norse en nevelige straten, en met een overvloed aan monologue intérieur.
Of toch een verfilming, misschien? Welnu, een bezoekje aan de Internet Movie Database onthulde dat de verfilming blijkbaar aanstaande is. Met Jeremy Irons in de rol van Mundus en, als ik het tenminste goed begrepen heb, Venessa Redgrave in de rol van Prado’s oudere zuster. Christpher Lee en Bruno Ganz worden ook aangekondigd, vast en zeker als Jorge O’Kelly en João Eça. Ga ik naar die film? Tja, ’t is onvermijdelijk bijna, met zo’n mooie, door Joost Swarte ontworpen Filmschuur in de stad.

maandag 19 december 2011

Over “Tegen de keer” van Joris-Karl Huysmans

(Geen verandering in de situatie van het oude blog. Nog steeds is die catastrofale migratie niet afgerond, dus hierbij herplaats ik maar weer eens een artikel dat ik niet onder wil laten sneeuwen.)

Joris-Karl Huysmans
Na een vol jaar uitgeleend te zijn geweest, keerde een paar weken geleden mijn exemplaar van Tegen de Keer van Joris-Karl Huysmans terug. Ik ben het gaan herlezen. Wat een zonderling boek is dat toch! Wat ben ik blij dat ik het weer in huis heb! Wel hield een Frans exemplaar de wacht, maar helaas is mijn Frans niet van dien aard dat ik een dergelijk, gecondenseerd werk makkelijk kan lezen. Ik beschouw mijn onwennigheid met de Franse taal als een van mijn grootste literaire frustraties, aangezien ik de Franstalige literatuur zeer bemin. De lezer zal trouwens aanstonds merken dat ik, hoewel ik het dus in de Nederlandse vertaling van Jan Siebeling  gelezen heb, een paar keer uit het Frans zal citeren.

Een culturele stroming is de decadente romantiek nooit geweest, wel een levenshouding. Zoals in onze tijd de hippies al datgene vergaarden, wat in hun vage “Ahnen” paste als “gaaf” en “te gek”, of het nu de  trommelvliesverscheurende psychedelica van Hawkwind was, of de geciseleerde, overwaaiende raga's van Ravi Shankar, zo deden de Romantisch-Decadenten van de negentiende eeuw dat ook. Men verzamelde beeldjes uit India, Turkse tapijten, grafiek van Rops en Redon, fraaie, handgebonden dichtbundels van tijdgenoten. Men dronk de wijnen en likeuren van exquise origine uit rijk versierde, kristallen glazen. Over alles heen hing een geur van parfum en bloemextracten. Ramen werden zelden geopend. Men zat in zijn eigen burchtjes in groeiende wanhoop geborgen te wezen. Verliet men ooit de vertrouwde vesting, dan was dat om gezien te worden in de society, om gevat en sarcastisch te zijn, om mee te doen aan de grote rage van de Wagneropera's.
Ongemakkelijk gekleed in rok en korset, met stijfsel in de nek en strak gespannen sjerpen rond de buik deed men waar men het beste in was: verfijnd zijn. Marcel Proust kon je zo tegenkomen, Oscar Wilde, Gabriele D'Annunzio, Louis Couperus, Robert de Montesquiou. Geld was geen probleem: men was bemiddeld. Men bezat een bescheiden landgoed net buiten Parijs, waar men soirees organiseerde en maîtresses onderhield. De verfijning was tegelijk vorm en inhoud. Het eigen leven diende kunst te zijn.

À Rebours, in het Nederlands door Jan Siebelink vertaald als Tegen de Keer, beschrijft de ontwikkeling van Duc Jean Floressas Des Esseintes, een “estheet” die op dertigjarige leeftijd het Parijse societyleven vaarwel zegt en zich terugtrekt in een woning buiten de stad waar hij zich, bijgestaan door twee trouwe bedienden, omringt met de voorwerpen die hem lief zijn. Deze personage is gebaseerd deels op Huysmans zelf, deels op de eerder genoemde Montesquiou, die trouwens ook de inspiratie opleverde voor Baron de Charlus in Proust’s À la recherche du temps perdu.

Het boek begint met de, in die tijd bij de naturalisten zeer geliefde psychologische en fysionomische analyse van het voorgeslacht van Des Esseintes door middel van de familieportrettengalerij. Het blijkt dat Jean als laatste van de familie het resultaat is van twee eeuwen van verfijning en inteelt en alle eigenschappen van verval en decadentie bevat: “... un grèle jeune homme de trente ans, anémique et nerveux, aux joues caves, aux yeux d'un bleu froid d'acier, au nez éventé et pourtant droit, aux mains sèches et fluettes.” Voorwaar, bijna een tekstboek-personage voor de naturalist. De onontkoombaarheid van Jeans lot is door de portrettengalerij in feite reeds ondubbelzinnig aangeduid.
Hij richt zijn nieuwe woning in en besteedt daarbij veel aandacht aan de kleur en het materiaal van de wandbekleding. Uiteindelijk kiest hij voor oranje marokijn, want “les yeux des gens surexcités et étiques chérissent, presque tous, cette couleur irritante et maladive, aux splendeurs fictives, aux fièvres acides: l'orange.”

Na zijn huis volledig gemeubileerd en ingericht te hebben volgens deze en soortgelijke filosofieën, houdt Des Esseintes een bespiegeling over de boeken die hij in zijn nieuwe leven wenst te handhaven. Een heel hoofdstuk lang worden de Latijnse schrijvers gekeurd en beoordeeld. Vergilius is maar zozo, Petronius geweldig, maar de echte voorkeur van Des Esseintes gaat, hoe kan het ook anders, uit naar de periode van het decadente Latijn, de derde, vierde en vijfde eeuw, als de taal al enige tijd aan het rotten en vergaan is. Tot in de tiende eeuw vindt Des Esseintes nog schrijvers die hem, met een geestige zinswending, een gekunsteld woord of een gevatte gedachte kunnen bekoren.
Het volgende hoofdstuk houdt zich bezig met juwelen. Om een bepaald, ongewenst effect van het donkere tapijt te neutraliseren, laat Des Esseintes het schild van een schildpad met goud en edelstenen bekleden, zodat het beest, als het over dat tapijt rondloopt, vreemde, en verrassende prikkels aan zijn zintuigen kan geven. Na een proeverij van diverse dranken, die hij in zijn mond als muziekinstrumenten laat samenspelen treft hij de schildpad dood aan: gewend als het was aan een rustig leventje, had het de plotselinge weelde niet kunnen dragen.
Gustave Moreau: Triomphe d'Alexandre le Grand (1875-1890)
In het volgende hoofdstuk worden de goede van de slechte kunstenaars onderscheiden. Gustave Moreau, Jan Luyken, Odilon Redon en Greco kunnen Des Esseintes’ goedkeuring wegdragen. Hoofdstuk zes is een heel eigenaardig traktaat, dat probeert aan te tonen dat het naturalisme dood is. Des Esseintes’ poging om van een straatschoffie een moordenaar te maken door een onontkoombaar proces in gang te brengen mislukt. Weinig als het te maken heeft met het verhaal, is het van grote betekenis voor het begrip van Huysmans, die zich in dit boek definitief aan de overheersende invloed van Zola en diens voorbestemdheidsleer probeert te onttrekken. Of dat gelukt is, is een tweede. De terugkeer naar het banale, aan het eind van de roman geeft aan dat, in weerwil van alle pogingen, voor Joris-Karl Huysmans de naturalistische wetten van Zola in hoge mate nog steeds gelden.

Na bespiegelingen over de godsdienst en het onderwijs, waarin het karakter van Des Esseintes iets meer reliëf begint te krijgen, wordt er een hoofdstuk gewijd aan bloemen en planten. Uiteraard verkiest te held te werk te gaan volgens het principe Ars naturae magistra, en schaft hij zich alleen die planten aan, die door hun onnatuurlijk uiterlijk de natuur in zich lijken te ontkennen. (Des Esseintes heeft ook een mechanisch aquarium, waarin kunstvissen door een motortje aangedreven hun automatische rondjes zwemmen.)
Een felle, zeer perverse serie herinneringen aan de vrouwen die hij heeft bezeten, waaronder een slangenmens en een buikspreekster die, op het hoogtepunt van de liefdesdaad met barse mannenstem ‘Doe open, ik heb je in de gaten!’ en dergelijke moet roepen, wordt opgevolgd door een studie over geuren en parfums. De eerste verschijnselen van Des Esseintes’ neurotische onttakeling laat zich merken als hij een waanvoorstelling van geuren beleeft.
Hij kan zijn eten niet meer binnenhouden en besluit dat een reis naar Engeland hem goed zal doen. Hij laat zijn koffers pakken en maakt zich op voor de boottocht. In de haven, nog in Frankrijk, betreedt hij een Engels café, waar hij zich te goed doet aan stout en Engels eten. De neurose lijkt voorbij... Willens en wetens laat hij de boot vertrekken en hij keert bevredigd terug. Hij wilde immers in Engeland niets anders dan de zinnen verzetten. Welnu, hij heeft Engels om zich heen gehoord, heeft Engels voedsel en Engelse drank tot zich genomen, er is werkelijk niets dat hij nog feitelijk in dat land kan vinden, dat hij niet daar in het café heeft geproefd. De illusie van een reis is de reis zelve.
Terug in zijn huis begint hij zijn moderne literatuur te ordenen: Baudelaire, Verlaine, Poe, Barbey D'Aureyvilly, stuk voor stuk door drukkers volgens zijn speciale wensen gedrukt in een oplage van één, staan in zijn kasten. Naast de Latijnse schrijvers en de moderne Fransen, interesseert verder geen enkele literatuur Des Esseintes.
De ziekteverschijnselen van de held keren in verhevigde mate terug. Een arts geeft hem purgeermiddelen en roert in zijn ontlasting. Nadat de muziek van Schubert en het Gregoriaans nog zijn behandeld, laat Huysmans zijn hoofdpersoon de grote nederlaag ondergaan. De arts beveelt hem, om zijn leven te redden, zich weer onder de mensen te begeven. Hij is gedwongen zijn vesting op te geven: “comme un raz de marée, les vagues de la médiocrité humaine montent jusqu'au ciel et elles vont engloutir le refuge dont j'ouvre, malgré moi, les digues.”

Hoewel bedoeld als een “postnaturalistische” inventarisatie van wat de romantisch-decadent bezighield, en geenszins een positief rapport over de levenswijze, werd À Rebours al spoedig tot een Bijbel van de decadentie. Het boek werd bestudeerd als ware het een vroege versie van Amy Grosskamp-ten Have’s Hoe hoort het eigenlijk? Tijdens het geruchtmakende proces werd Oscar Wilde gedwongen toe te geven dat het “gevaarlijke boek uit de gele bibliotheek”, dat als richtsnoer diende voor Dorian Gray, ditzelfde À Rebours was. Het cultboek, dat uitleg gaf over de meest uiteenlopende onderwerpen van "goede smaak": welke bloemen juist, welke ordinair waren, met welke juwelen men wel en met welke men niet gezien kon worden, wie van de Katholieke Franse schrijvers aanvaardbaar waren, hoe men geurensymfonieën kon componeren en welke uitgave van Petronius’ Satyricon de beste was (de zeer zeldzame octavo-uitgave van Janus Douza, Leiden 1585). Bij dit alles verloren de adepten de zeer belangrijke notie uit het oog, dat Huysmans nog steeds in zijn ziel een Naturalist was, die erop uit was de verstikkende beklemming van predestinatie en noodlot, de onontkoombare lelijkheid van het bestaan te beschrijven. Klinisch als een medisch of psychiatrisch rapport beschrijft À Rebours in wezen niets anders dan een gevangenencel. Weliswaar kunstig van guirlandes en marokijn voorzien, maar toch een cel. De ramen van de vesting blijven gesloten - ontsnappen is onmogelijk. De bedrieglijk aantrekkelijke sfeer van gesoigneerdheid en stijl keert zich tegen de hoofdpersoon en drijft hem tot de rand van de afgrond: de waanzin en de dood.
En zo beschouwd is het boek mislukt: wat een poging moest zijn een definitief einde van het naturalisme in te luiden, is een naturalistisch werk van de eerste orde geworden, de verregaande plotloosheid ten spijt. Maar als inventaris van een belangrijke en nogal schimmige toestand van artistiek en esthetisch bewustzijn, die we “decadente romantiek” noemen, is het boek van onvervangbare waarde.

donderdag 15 december 2011

Luie Grieken


 Waar ik me steeds kwader over maak, is de enorme hoeveelheid redeneerfouten die er sluipen in de discussie betreffende die luie Grieken en Spanjaarden. Zelfs een “intellectueel” als Holman raaskalt in Het Parool als een aartsreactionaire oom die nooit verder is gekomen dan LTS lassen, en nu als ultieme vervulling van zijn ambities de C-pupillen mag coachen. Het moge misschien als postmoderne ironie gepresenteerd worden, maar het is doodgewoon racisme. En dat meehuilen met de reactionaire wolven vindt altijd weer plaats met die harde, door teveel bier en zware shag hees geworden, smalende voetbalkantinestem.
 Ten eerste is niet het Griekse volk schuldig aan hun economische puinhoop. Dat zijn de boven hen gestelden, de mensen met macht: politici, topambtenaren en bankiers, drie beroepsgroepen die bij definitie zijn: corrupt, kortzichtig en misdadig. Het enige dat je in dit geval de Griekse bevolking kunt verwijten is dat ze niets tegen deze hun opgelegde incompetentie ondernomen heeft, maar dergelijk verwijt hoor je nu weer niet uit de mond van de aartscynische VVD die, als een kleine groep hier in Nederland nu eens wel in opstand komt tegen die incompetentie en misdadigheid en demonstratief gaat kamperen op het Beursplein, met een smeercampagne terugslaat en het liefste de protesterenden hun uitkering wil afnemen. Begrijpelijk natuurlijk, want de VVD staat pal aan de zijde van de georganiseerde economische misdaad. De ultieme taak van de VVD als regeringspartij zou moeten zijn om hun misdadige vriendjes in Griekenland af te vallen, maar dat doet ze natuurlijk niet. Daarom is het ook zo bizar dat uitgerekend de VVD de puinhopen op moet ruimen. Dat daar dus een aanzienlijke hoeveelheid gedraai, gelieg en gekonkel plaats gaat vinden, spreekt vanzelf.
 Een tweede redeneerfout is dat die luie Grieken hun gejammer moeten staken en gewoon, net als wij, tot hun vijfenzestigste door moeten blijven werken. Een driedubbel domme en ook weer nogal misdadige redeneerfout. Ten eerste is het een volledig uit de lucht gegrepen fabeltje dat de Grieken, na een arbeidsleven waarin ze zogenaamd toch al weinig of niets hebben uitgevoerd, van hun staat al op hun vijftigste met pensioen mogen. De pensioenleeftijd ligt daar net zo hoog als in de rest van Europa. Daar staat tegenover dat de gemiddelde levensverwachting van de Grieken aanzienlijk lager is dan de onze. Het gaat er dus om hoe je rekent: vanaf het einde of vanaf het begin. Bismarck, de uitvinder van het pensioen, rekende vanaf het einde toen hij de Duitse arbeiders met een levensverwachting van gemiddeld 67 jaar, twee jaren gemeenschappelijk betaalde rust gunde, en wie zijn wij om het dan andersom te willen? En ten derde, en dit is het belangrijkste, is het duidelijk dat in welk sociaal stelsel de Grieken ook mogen leven, het er een is dat hun aangeleerd is, zoals wij het onze hebben aangeleerd. Uiteraard is er geen objectieve maat. ’s Lands wijs ‘s lands eer. Dat roepen de politieke gangsters van onze regering ten slotte ook als een buitenlander het waagt zich in ons land te vestigen. Aanpassen of opdonderen. Nu is daar op zich iets voor te zeggen, al zou ik het eerder als een verzoek dan als een plicht willen formuleren, maar dat zou meteen ook moeten betekenen dat, zomin als buitenlanders in ons land ons hun levenswijze kunnen opdringen, wij dat niet in het buitenland kunnen en mogen. Dat noemen ze: meten met twee maten. Dat noem ik: verkapt racisme. Wie er aangesproken moet worden op het veronderstelde feit dat de Grieken al met hun vijftigste met pensioen mogen? De Grieken? Of toch eigenlijk hun overheid? Zeg het maar. Ik word ondertussen onpasselijk van het hermetische cynisme der machthebbers.

vrijdag 9 december 2011

Ik geef zo om dode objecten


Ik geef zo om dode objecten
Omdat zij bewegingloos zijn
Van stofjes tot presse-papiers
Een biljet van vijf Euro in kunsthars
Plastic Kerstmannen in eeuwig verdronken sneeuwstormen
Beelden die lijken te lopen
Maar dat niet doen
Ik heb medelijden met hen allemaal
Wat denken ze
Als ze ergens aangekomen zijn
Zuchten ze dan ontgoocheld
En als ze vertrekken
Hebben ze spijt?
Is een sofa gelukkiger in de ene hoek
Dan in een andere
En wat vindt de kamer ervan?
Ik geef zo om dode objecten
Ik geef zo om dode objecten
Ik geef zo om dode objecten
Ik geef om hen allemaal
Natuurkunde is niet fair
Is een boom die een hobbelpaard werd
Een vervulde ambitie
En is het zaagsel jaloers?
Die dingen baren me zorgen
Peperkorrels bewegen niet
Totdat ze drie weken later
Een ijsje bederven
Is het goud in Fort Knox gelukkig?
Ik geef om die dingen
Sommige dingen blijven liever op zichzelf
Zandkorrels geven de voorkeur aan elkaar
Maar magneten hebben twee kanten
Geen keuze voor suiker
Maar waar kon hij anders uit kiezen
Dan te verdrinken in koffie of verdrinken in thee
De frustraties van levenloosheid
Misschien is het beter zo
Hoe minder beweegbare delen
Hoe minder er fout kan gaan
Ik hou me met zulke dingen bezig
Ik geef zo om dode objecten
Ik geef zo om dode objecten
Ik geef zo om dode objecten
Ik geef om hen allemaal

(Kevin Godley & Lol Creme) 


woensdag 7 december 2011

De Witte


Ik werk bij een grote bibliotheek in Den Haag. Zoals overal waar de dienst uitgemaakt wordt door jonge managers, verandert ook daar de terminologie per week, dus ik kan u nu niet vertellen wat mijn functie momenteel is. In het manageriale dieventaaltjes van een jaar geleden was ik nog een “informatie-specialist”, en die term is een beetje bij me blijven hangen.
In die bibliotheek staat een boekenkast waar het brede publiek niet bij kan, en waar medewerkers hun ongewenste boeken kunnen achterlaten. Zoiets als de Ruilwinkel in Leiden dus, die geldloze winkel, opgezet door de anarchisten van Eurodusnie (die zullen zich, nu ze in de PVV een onwaarschijnlijke bondgenoot in de strijd tegen de Euro hebben gevonden nog wel eens op het gedreadlockte hoofd krabben, denk ik zo). Ikzelf heb in de loop der jaren al zeker drie meter boeken uit die kast gehaald. Daar staat dan tegenover dat ik er minstens vijftien meter in gedumpt heb. Iedere keer dat ik verhuisde werd mijn materiële bezit minder, al vindt de huisgenote dat het nog veel radicaler had gekund.
Rijp en groen vind je ertussen. Heel veel kinderboeken, wanneer de kleuters van de bibliotheekmedewerkers doorgegroeid waren naar Jip en Janneke, en daarna naar Carrie Slee. Heel veel smoezelige pockets met whodunnits van Dorothy Sayer en John Dickson Carr, zonder twijfel uit erfenissen overgenomen en door het NRC-Next-volkje onleesbaar geacht want geen literaire thrillers. Persoonlijk heb ik liever één romannetje van Edmund Crispin dan het gehele œuvre der Nederlandse vrouwelijke literaire thrillerschrijvers, maar dat terzijde.
Vorige week trok ik uit die kast gelijktijdig Luisteraars! van Karel van het Reve, een bundeling radiopraatjes die de “geleerde broer” in de jaren 1980-1990 insprak voor de Wereldomroep, en De val van August Willemsen, een bundel cursiefjes in dagboekvorm over zijn herstel in een revalidatiecentrum na een dronken val met heupbreuk. Beide boeken, rond 1990 uitgegeven, lezen vlotjes weg en doen mij nu, in 2011 het meest denken aan… een blog! Hier zijn twee bloggers avant la lettre aan het woord. Bondig, mild maar stekelig, dwars en persoonlijk – ze zijn te vroeg geboren (of gestorven, zo je wil).
Vaak gebeuren er rare dingen in die ruilkast, die oorspronkelijk De Witte Bibliotheek  gedoopt was, maar nu alom bekend staat als De Witte. Zo had mijn huisgenote het zondag over De zwarte met het blanke hart van Arthur Japin, en dat ze die toch ook nog eens wilde lezen. Ik vroeg me meteen af of ik dat boek ooit in De Witte gezien had, kon het me niet herinneren. De volgende dag keek ik ’s ochtends even: niets, natuurlijk. Maar toen ik, vlak voordat ik die middag weer naar huis wilde gaan, nog even ging peilen, bleek hij er plotseling te staan! Samen met een Nederlandse vertaling van Nachtzug nach Lissabon, dat ik juist op die dag zou uitlezen, en een bundel liedteksten van onze grote tekstdichter Friso Wiegersma. De nachttrein liet ik staan, die had ik immers al, maar de andere twee heb ik meegenomen. 
Het boekje over Wiegersma heeft een prachtige titel: Telkens weer Het dorp. Oh wat kan ik intens genieten van woordconstructies die, van links naar rechts, van boven naar beneden, een compacte, gecondenseerde prachttruc bevatten. Bijna als een gecomponeerd schaakprobleem. De titel is natuurlijk een samenvoeging van de twee beroemdste liedteksten van de meester, maar het is hier pure poëzie geworden. Want wrang en zelfs een beetje cynisch. Alsof de beroemdheid van dat ene lied het leven van Wiegersma volledig, tot vervelens toe bepaald heeft. Ik word vrolijk van dergelijk knappe vondsten.
In de trein op weg naar Den Haag zocht ik vandaag naar andere voorbeelden van deze woordtoverij, en ik heb er nog twee gevonden. De wilde Engelse pop-panelshow Never Mind the Buzzcocks werd plotseling ook in Nederland uitgezonden, met een Nederlands panel. Zo’n één-op-één vertaling naar Nederlandse context mislukt natuurlijk altijd (zie Dit was het nieuws), maar de vertaling van de titel vind ik ronduit briljant, beter zelfs dan de oorspronkelijke Engels vondst: Doe maar Normaal! Juist omdat deze titel niet, zoals het Engelse origineel, schettert en heel veel ruimte in beslag neemt, is hij superieur.
Een derde geval dat me te binnen schoot, waar ik ook zeer veel bewondering voor heb, is het vermaarde programma Spuiten en Slikken, dat een dubbele dubbelzinnigheid bevat die ik pas na een tijdje doorhad: beide termen slaan gelijkelijk op de beide hoofdonderwerpen van het programma: seks en drugs. Ik heb het programma nooit gezien, maar de titel alleen al geeft het bestaansrecht.
Mijn eigen beste poging op dit gebied steekt daar wat bleekjes bij af. In de late jaren tachtig meenden we met ons drieën dat de wereld op nog weer een reclamebureau zat te wachten. Tijdens de oprichtingsvergadering/brainstorm moest het natuurlijk over de naam gaan. Wij drieën, Groothoff voor de zakelijke kant, Wijkstra voor de visuele zijde, en Eksteen als tekstuele zuil, waren niet zo goed in het oeverloos koffie slurpend breinwaaien, en al snel werd ik ongeduldig. Toen kwam mijn vondst: Groot Steenwijk. Een ironische samenvoeging van onze drie achternamen. Ironisch, omdat we in Amsterdam zaten, en niet in het uiterste noorden van Overijssel. De discussie was wat mij betreft meteen afgelopen, dit moest de naam worden. De andere twee waren tegen. Uiteindelijk werd het SOTA, wat staat voor State of the Art. Ik kon wel janken. Een maand later was het prille bedrijf alweer opgeheven.