woensdag 15 februari 2017

Waarom ver? Laten we naar huis gaan

In Fatehpur Sikri verdwaalt een mogul razend
draaiend om zijn gouden staf van torenflat naar
torenflat, het reiken naar de zon doet pijn
in zijn verheven schouders, oh die zon! Die hoogte!

Op Hashima ontvlucht een solitaire vogel
met driftig klapperende wieken lege straten,
op zoek naar mensen. God, waar zijn die mensen nu?
Omhoog dan maar en richting zon dan maar. Weg hier!

Om Dakshin Gangotri Station dwaalt een rare,
dik verpakte man rond, steeds op zoek naar mensen.
De zon is weg. Een macaronipinguïn gniffelt
om zijn kippendrift. Want wat een koude drukte!

In Haarlem: de illustere liguster recht gemaaid.
Hij brengt de rust terug in huizen en in tuinen.
We leggen ons te rusten, denken dan: ‘Verdraaid,
wat is de thuisgebleven wereld toch bijzonder!’


Berlijn, Panzerkazerne Bernau

maandag 6 februari 2017

Upupa epops

Verwaten hop dekt alle buitengrenzen,
beheerst het bollend veld, pedant zijn kuif
omhooggestoken als een woeste held.
Een houtduif grinnikt zachtjes met ons mee.

Nadat met hese stem hij heeft geroepen
(een klaagzang als een sonar) is hij weg
(hij leidt zijn troepen grillig heen en weer).
Duikt achter ons weer op, onder een heg.

Hij draagt met trots zijn wildgestreepte wambuis
en knikt zijn militaire vederbos:
nerveus maar op zijn hoede. Veldheer, deze?

Welnee, gemeen soldaat slechts, drukke wachter
die rond ons huis hopt en zijn vederlichte,
kwansuis Praetoriaanse, garde zoekt.

woensdag 21 december 2016

Een stripje levenskunst

De laatste tijd is er een hernieuwde discussie losgebarsten rond het al te gemakkelijk verstrekken aan patiënten van antidepressiva door huisartsen en zielkundigen. Niemand verwoordt zijn bezwaren zo fel als de Deense internist Peter Gøtzsche. Hij noemt antidepressiva (en vele andere medicijnen) zelfs dodelijk en schrijft boeken over de mafia-achtige onderwereld van Big Pharma. Hij betoogt dat psychiaters door de industrie onder druk worden gezet om dodelijke pillen voor te schrijven die niet werken, omdat de gediagnosticeerde ‘geestesziektes’ volgens hem niet bestaan.

Vanzelfsprekend krijgt hij ook weer veel kritiek op zijn stevige uitspraken. Hem wordt angst zaaien verweten om de verkoop van zijn sensationele boeken te bevorderen. Ook lijkt hij met zijn nogal paranoïde klinkende antipsychiatrie (People that fuck with your brain) ruimschoots binnen het spectrum te vallen van complotdenkers en anti-science lobbyisten, zoals bijvoorbeeld de anti-vaccers, een groep die, niet gesteund door degelijk wetenschappelijk onderzoek, betoogt dat kinderen autistisch zouden worden van vaccinatie. Hun invloed is schadelijk en heeft al uitbraken van rode hond en mazelen veroorzaakt, ziektes die helemaal niet onschuldig zijn. Gøtzsche’s achtergrond is veel wetenschappelijker dan die van de anti-vaccers, maar niettemin heeft zijn kruistocht de schijn van fanatisme en verdwazing op zich geladen.

Het is mij als leek niet duidelijk hoe wetenschappelijk of anti-wetenschappelijk Gøtzsche’s uitspraken zijn. Hij is echter wel bezig met een botte bijl en moet rekening houden met bijschade, want net als kinderen vormen depressieve jongeren en volwassenen een zeer kwetsbare patiëntengroep. Het aanwakkeren van een massahysterie betreffende hun medicatie kan heel gevaarlijk zijn.

Er zal heus wel een kern van waarheid steken in zijn beoordeling van de farmaceutische industrie, maar tegelijk kan ik, zonder er al te dramatisch over te willen doen, met stelligheid zeggen dat in de periode 1999-2000 een jaar lang Seroxat slikken mij enorm heeft geholpen en misschien zelfs mijn leven gered heeft.

Ik wees op dat moment het leven af, ik was bang om mijn bed te verlaten, ik ontwierp strategieën om me te vervreemden van mijn omgeving, mijn vrienden en mijn kind. Ik huilde de hele dag. Overwoog drie keer per etmaal me van de trap te laten vallen. Van een gezonde honderdvijf kilo viel ik af naar ongeveer tachtig, wat voor een twee meter lange man van veertig ziekelijk mager is. De huisarts dacht niet lang na, en schreef meteen een recept voor Seroxat uit. ‘Pas wel op, dit kan de rijvaardigheid beïnvloeden en je kunt er impotent van worden.’ ‘Geen bezwaar,’ antwoordde ik, ‘ik doe niet aan autorijden. Noch voorlopig aan seks, als het aan mij ligt.’ Ik merkte helemaal niets van de wonderpilletjes, maar dat schijnt nu juist de bedoeling te zijn. De serotonineregeling in mijn hersenen normaliseerde. Na verloop van tijd werd de wanhoop merkbaar minder en kon ik genoeg energie vinden om naar nieuwe woonruimte te gaan zoeken. Want weg moest ik. Weg!

Ik verliet Leiden en kwam in mijn eentje te wonen in Den Haag, in de befaamde Zwarte Madonna van Carel Weeber. Ik stopte met roken, ontdekte een goedkope slijter in de Spuihof alsook de voedselafdeling van Marks & Spencer en binnen een jaar woog ik honderdtwintig kilo en was ik weer redelijk tevreden. Nu weeg ik terug honderdvijf kilo en ben ik nog iets tevredener. Zo zie je maar.

vrijdag 2 december 2016

Michel Faber - The Crimson Petal and the White (2002)

Tot mijn favoriete Nederlandse schrijvers hoort sedert enige tijd Michel Faber. U heeft maar vaag van hem gehoord en dacht eigenlijk dat hij een Engelsman was. Ja hoor, dat heb ik weer! En ik doe het er echt niet om, het overkomt me!
Ik was 100 pagina’s ver in het ruim twee kilo wegende boek en besloot eens te kijken wat dat voor een man was, die Michel Faber. Het eerste dat ik las was een stukje omtrent de reden dat dit boek nooit voorgedragen is voor de Booker-prize. In die tijd, zo vertelde het artikel, moest je nog van de (groot)-Britse nationaliteit zijn om te kunnen meedingen en de Nederlander Faber weigerde zich te laten naturaliseren. Nederlander? Ik was net zo verbaasd als u. Een liefhebber, net als ik, van allerlei obscure avant-garde rock, ook dat nog. Zoiets schept een extra band.

Faber was achttien toen hij begon te schrijven aan The Crimson Petal and the White. Is dat niet toevallig? Net zo oud als Raymond Radiguet was toen zijn ongewoon volwassen debuut verscheen.

We leven al zo’n honderd jaar met een steeds kunstmatiger wordend verschil tussen genre fictie zoals de historische roman of de literaire thriller, en pure literaire fictie. Pas de laatste jaren begint er een soort egalitarisme te ontstaan, waarin de onderscheiden vervagen en alles nog slechts “boek” is. Murakami of Gijp, het moet allemaal kunnen.
In zekere zin is dit een terugkeer naar het literaire klimaat van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Want vraag u eens af: welke soort fictie schreef Dickens eigenlijk? Gissing? Cowper Powys? Evelyn Waugh zelfs?

Faber stoeit dan ook naar hartenlust met al die noties en produceert een mengsel van stijlen, een toonzaal van literaturen. Of men het maar uit wil zoeken… De alwetende verteller speelt met zijn karakters. Hij neemt de lezer bij de hand en leidt hem van scène naar scène. Wanneer hij direct tot de lezer spreekt (de alwetende verteller pretendeert zelfs de gedachten van zijn lezer te kennen), valt de zogenoemde fourth wall weg. In de literatuur is dat een aloude techniek, maar tegenwoordig gaat het weer voor heel modern door, vanwege televisieseries als House of Cards. Ik heb altijd een beetje moeite gehad om de term postmodernisme volledig te begrijpen, maar is dit daar nu een voorbeeld van?

Romola Garai en Chris O'Dowd
Die vergelijking met film en televisie komt overigens niet uit het niets tevoorschijn. Ondanks de jonge leeftijd van de schrijver, wekt het boek overal de indruk geschreven te zijn voor een latere verfilming. Sommige bewegingen, gelaatsuitdrukkingen of perspectieven zijn volstrekt filmisch beschreven en suggereren zelfs al bijna een bepaalde stijl van acteren. De verfilming is er dan ook gekomen. In april 2011 zond de BBC een vierdelige miniserie uit met Romola Garai en Chris O'Dowd in de hoofdrollen van respectievelijk de prostituee Sugar en de zeepfabrikant William Rackham.

In de loop van de roman, wanneer de fabel ons, maar misschien ook de schrijver zelf steeds meer begint te interesseren, verdwijnt het postmodernistische karakter langzamerhand uit de bladzijden en krijgen we steeds meer te maken met iets als een moderne negentiende-eeuwse roman: modern eigenlijk alleen nog maar door de onverbloemde beschrijving van lichamelijkheden, en dan met name die lichaamsdelen en handelingen die nu eenmaal corebusiness zijn in de prostitutie.

Toch is er met het einde van het boek wel weer iets heel merkwaardigs aan de hand. Al honderd bladzijden voor het einde begint de lezer te vermoeden wat voor soort ontknoping Faber in petto heeft. Tegelijk realiseert diezelfde lezer zich dat die ontknoping normaal gesproken nog een bepaalde plotwending zou moeten krijgen.
Naarmate het aantal nog te lezen pagina’s kleiner werd, begon ik steeds meer te twijfelen: hij zal toch niet…? Hij zal toch niet helemaal niets doen met het einde? Hij zal ons toch niet welbewust een Onvoltooide aan durven bieden? Maar dat gebeurde dus wel degelijk. Geen einde, daardoor eigenlijk ook geen begin, maar slechts een snede uit de tijd. ‘Tja,’ lijkt het boek te zeggen, ‘dat was het dan. Verrast? Ja ikzelf eigenlijk ook wel een beetje.’
Twee jaren uit de negentiende eeuw zijn hier minutieus, maar volstrekt zonder hogere bedoeling beschreven, met mensen die niet heilig zijn maar ook niet doortrapt.  Beschadigde mensen wier beweegredenen weliswaar uitgebreid geanalyseerd worden, maar wier handelen verder geen enkele morele conclusie suggereert. Het boek heeft geen begin, geen eind, geen goede en geen slechte personen en geen bedoeling. Dat mag je, geloof ik, toch wel heel postmodern noemen.

Ondanks dit in mijn ogen nogal teleurstellende einde, vond ik het een goedgeschreven en slim boek, dat me nieuwsgierig gemaakt heeft naar Fabers overige werk.


woensdag 30 november 2016

Ik ben trots en melancholiek

Kom mij maar niet te na,
blijf ietwat van me af,
ik weet dat u mij ziet en ja,
daar heb ik voor gezeten.

Ik zie u ook, wacht af,
wantrouw u zoals u mij.
Let u maar niet op deze brief,
gemorste blaadjes, hagedis.

Die brief is van mijn lief?
’t Kan, maar is het waar?
Ik lijk te lezen, u lijkt te kijken:
het blijft bij vaag gegis.

Wantrouw mij nu, maar
tracht niet mijn aard te weten.
Ik ben er ook niet continu:
met mij valt niets te bereiken.

En toch, ik vind het fijn
Om zo geverfd te zijn.


Lorenzo Lotto - Ritratto di gentiluomo (1527)

woensdag 9 november 2016

Leesrapportje 10

25 augustus 2016
Diederik Stevens - Hoogtij langs de Seine (2012)
Ik ben het me bewust: ik ben een van die mensen die, door aanleg of door ontwikkeling, eerder geneigd zijn tot negatieve, dan tot positieve kritiek. Als iets in orde is, heb ik niet zo erg de behoefte om daar opmerkingen over te maken: anderen hebben dat al gedaan en ik ben het met hen eens. Maar al te vaak overkomt het me dat men unaniem iets prijst, waarvan ik dan denk: ‘Ben ik nu gek? Mis ik iets?’ Dan reageer ik mijn frustraties af met een zeker verbitterd sarcasme en weiger ik om het ingeslagen pad nog verder af te lopen: ik vertik het.
Misschien komt het doordat ik uitga van deze vanzelfsprekendheid, namelijk dat een uitgegeven boek of een verwezenlijkt gebouw, maar net zo goed een aangenomen wetsvoorstel of een beleidsplan, in de grond een zekere kwaliteit moet bezitten, al was het maar vanwege de hoeveelheid tijd, geld en moeite die in de verwezenlijking ervan gestoken is. Ik ben daar waarschijnlijk vreselijk naïef in.

Zo ging het ook met dit boek, dat bij verschijnen overwegend welwillend besproken is. Mijn bittere vonnis was al na slechts enkele pagina’s geveld, en wel op grond van één blunder.

Isidore Ducasse, bekend als Comte de Lautréamont
“[Vinkenoog] neemt van alles tot zich: van Comte de Lautréamont, Antonin Artaud, Arthur Rimbaud en André Breton tot Isidore Ducasse en Maurice Nadeau”.

Dat belooft alleen maar ergernis voor de rest van het boek, want als de auteur niet eens weet dat Comte de Lautréamont het pseudoniem was van Isidore Ducasse waardoor deze opsomming wat mij betreft meteen een schijn van pocherige, onnadenkende namedropping op zich laadt, hoe betrouwbaar is Stevens’ verdere kennis dan wel betreffende de Franse cultuurgeschiedenis?
En hoe komt het toch dat dit soort dingen ook op de redactie van de uitgeverij simpelweg niet meer worden geweten?
Hoe dan ook, misschien mis ik er een heleboel aan, maar ik bespaar me gaarne eventuele volgende woede-uitbarstingen en leg het boek terug in de Witte Bibliotheek.

15 september 2016

Raymond Radiguet - Van de liefde bezeten (1923)
Raymond Radiguet
Dit is met me meegereisd als vakantieboek, net als zijn tweede en laatste werk. Raymond Radiguet heeft in zijn korte leven niet stilgezeten: hij is slechts twintig geworden en stierf in 1923 aan buiktyfus.
Een wonderkind dus en je kunt je afvragen of we de jeugd kunnen aflezen aan zijn boeken. Vreemd genoeg helemaal niet. Volstrekt integendeel zelfs: dit lijkt het werk van een bedaagde, klassiek ingestelde, precies en koel filosoferende, middelbare man.
De streng analytische stijl van de korte roman heeft niets romantisch en evenmin iets surrealistisch, al bevond hij zich via Cocteau en anderen midden in de avant-gardistische beweging.

Zijn twee romans, die beide in naam over de liefde gaan, gaan in feite uitsluitend over het egoïsme. In het (semi)-autobiografische Van de liefde bezeten (Le diable au corps) krijgen we een bedachtzame, koele analyse van een zich ontwikkelende verhouding tussen François, een jongen van zestien en Marthe, de achttienjarige echtgenote van een frontsoldaat. Het boek staat de lezer geen moment toe zich empathisch in te leven. Met opzet houdt Radiguet zijn twee hoofdpersonen als vastgeprikte vlinders tegen het licht en meedogenloos worden de kleinzielige (want jaloerse en egoïstische) daden en beweegredenen van de jongen tentoongespreid. Ze krijgen een kind vernoemd naar François, maar direct daarna sterft de moeder met de naam van haar zoon op de lippen. François concludeert: ‘[Ik] begreep [...] dat op de lange duur de orde zich vanzelf weer herstelt. Had ik niet zojuist gehoord dat Marthe gestorven was met mijn naam op haar lippen en dat mijn zoon een redelijk bestaan zou hebben?’

8 november 2016
Lennaert Nijgh – Tobia, of de ontdekking van het masturbariaat (1971)
Lennaert Nijgh
Natuurlijk kent iedereen Lennaert Nijgh. Of althans, meent iedereen hem te kennen. Dat zijn werk veel meer omvatte dan zijn liedteksten voor Boudewijn de Groot, weten minder mensen. Zijn oeuvre als columnist van het Haarlems Dagblad is omvangrijker dan zijn corpus liederen. Er zijn mensen die ook dit nog wel weten. Maar pas echt onbekend is het feit dat Nijgh op redelijk jonge leeftijd een dikke roman heeft doen verschijnen, met bovenstaande curieuze titel.
Deze roman-in-een-roman-in-een-roman, zogenaamd geschreven door een vage kennis van Nijgh, geredigeerd door een andere vage kennis van Nijgh, is een onverbloemde, autobiografische sleutelroman over de volwassenwording van een kleine, schuchtere, onhandige jongen uit Haarlem die “het” nog nooit gedaan heeft en er al zijn energie in steekt om daar verandering in aan te brengen, met rampzalige gevolgen. In tien hoofdstukken (brieven) komen de kluchtige, chaotische en anarchistische avonturen aan bod van domineeszoon Tobia, bevriend met Boudewijn, met Ramses en met Jeroen van de acteerschool. 
Tobia, eerste druk (1971)
Fictieve en niet-fictieve personen geven, al dan niet voorzien van een dichtgemetseld pseudoniem, acte de présence: de Illustere Habermehl, de altijd in Stijlgroep Groningen rondlopende Sacco Hartog, de flegmatieke dandy Ludovic Praetorius of de geadresseerde van de brieven, JWS (terug te vinden in het acrostichon van het eerste couplet van het Boudewijn de Groot-lied Zonder vrienden kan ik niet).
Vroeger kende ik stukken van dit boek uit het hoofd. Met vrienden plozen we uit wie er zich achter de aliassen verborgen en ik heb zelfs, toen ik in Haarlem kwam wonen, getracht iets te vinden dat leek op de monsterlijke villa “Het Kapitaal” van Praetorius.

Dat was toen.

Tobia, tweede druk (1991)
Nu ik wat volwassener ben, en wat veeleisender geworden ben waar het betreft mijn leesvoer (met een paar in het oog lopende uitzonderingen!) ontgaat me niet langer hoe melig, kinderachtig dit boek is, en hoe middelmatig geschreven ook. Misschien komt het doordat ik het in de geheel herziene herdruk van 1991 lees (ik heb de oorspronkelijke uitgave ook, maar die was zo rampzalig uitgegeven dat zij al na het lezen van veertig bladzijden uit elkaar begon te vallen). In die herdruk zijn nogal wat “verbeteringen” aangebracht die soms zelfs een beetje pijn doen. Spijtig, spijtig. Een boek dat ik vermoedelijk niet snel meer ter hand zal nemen. Ik zal wel ter vergelijking de eerste druk nog eens uit zijn doos halen.

vrijdag 14 oktober 2016

De bizarre familie Mitford

Dat de Britse eilanden rijk zijn aan merkwaardige families en personen, mag algemeen bekend zijn. Het lijkt welhaast alsof excentriciteit er de norm is. Een keur aan scheefgegroeide families passeert de revue als men een weekje naar de Engelse televisie kijkt: Brideshead Revisited, sommige afleveringen van Midsomer Murders of Downton Abbey schetsen een wereld die, hoewel vlak naast ons land gelegen, evengoed enige lichtjaren van ons verwijderd lijkt. Zijn deze series overdreven? Niet in het minst: de werkelijkheid is vaak nog bizarrer. Eén familie waar Dowton Abbey nog maar bleekjes bij afsteekt was die van de Mitfords. En uit deze familie dan met name de zes zussen Mitford.

Nancy Mitford
Deze zes dochters van David Freeman-Mitford, 2nd Baron Redesdale en Sydney Bowles werden bekende en vaak scandaleuze figuren. De oudste was Nancy (1904-1973), de bekende schrijfster. Haar reputatie werd gevestigd door twee autobiografische romans, The Pursuit of Love (1945) en Love in a Cold Climate (1949). Ze begaf zich in de Britse society en was bevriend met bekende Britten als de schrijver Evelyn Waugh, de latere Poet Laureate John Betjeman en de fotograaf Cecil Beaton. Ze was zo excentriek als een Britse schrijfster maar kan zijn, maar niet meer dan dat: naast haar zussen was zij een van de normaalste.

Pamela Mitford
De tweede, Pamela (1907-1994) had van de zes zussen waarschijnlijk het rustigste leven. Zij gaf de voorkeur aan een eenvoudig, landelijk leven. Ze stond bekend als the unobtrusive poultry lover. Maar helemaal normaal was haar leven toch ook niet. Eerst was ze getrouwd met een miljonair, later werd ze aanbeden door de dichter John Betjeman, maar uiteindelijk koos ze de Italiaanse amazone Giuditta Tommasi als levensgezellin. In een brief aan een van haar zusters omschreef ze zichzelf als een you-know-what-bian. De term poultry-lover heeft ook een slang betekenis in die richting en is dus heel dubbelzinnig bedoeld!

Diana tijdens de Neurenberg-rally
Nadat haar eerste huwelijk was vastgelopen, trouwde de derde zus, Diana (1910-2003) in het huis van Joseph Goebbels met Sir Oswald Mosley, 6th Baronet of Ancoats en leider van de British Union of Fascists. De belangrijkste gast aanwezig bij het huwelijk was Adolf Hitler. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het echtpaar onder zeer welwillende omstandigheden geïnterneerd in Holloway prison. Zo kregen ze een apart huisje te bewonen op het gevangenisterrein. Na de oorlog werd Diana schrijfster, correspondente en recensente. Hoewel ze nooit haar Nationaal-socialistische idealen officieel had afgezworen, bekende ze veel later dat ze nooit geweten had van de holocaust, die ze omschreef als a dreadfully wicked thing. Menige historicus gelooft daar geen word van. Over Hitler zei ze: "I'm sure he was to blame for the extermination of the Jews. He was to blame for everything, and I say that as someone who approved of him."

Unity met Adolf Hitler
Van jongs af aan was de vierde en meest tragische zuster Unity Valkyrie Mitford (1914- 1948) gefascineerd geweest door het fascisme en met name door de persoon Adolf Hitler zelf. Wat wil je ook met zo’n tweede voornaam? Ze reisde enige tijd door Duitsland, waar ze onder andere de beroemde Reichsparteitage in Neurenberg bijwoonde. Ze stalkte Hitler, totdat hij haar uiteindelijk opnam in zijn binnenste kring. Haar wereldvisie was romantisch en onrealistisch. Ze geloofde niet in een oorlog, maar in een natuurlijke erkenning van de grootheid van Hitler en zijn rijk. Toen die oorlog tussen Engeland en Duitsland toch was uitgebroken, schoot ze zich gedesillusioneerd door het hoofd, maar bleef leven. Ze werd thuis opgevangen en verzorgd tot ze stierf in 1948. Er zijn hardnekkige geruchten dat zij een liefdeskind van Hitler zou hebben gehad, maar er is geen enkele serieuze historicus die dat gelooft.

Decca
Niet alle Mitford zusjes waren fascisten. Jessica (Decca) Mitford (1917-1996) schoot juist de diametraal andere kant uit. Zij was de enige in de familie die hartstochtelijk de privileges weigerde waarmee ze geboren was. Zij verkoos het om met een neef van Winston Churchill naar Spanje te vertrekken om daar aan de kant van de linkse Republikeinen te vechten tegen de Nationalisten van Franco. Toen die strijd verloren was vertrok ze naar Amerika waar ze een notoire communistische activiste werd. Uiteraard moest ze getuigen voor het House of Un-American Activities Committee, de officiële benaming voor de Amerikaanse door de zeer rechtse Republikeinse senator Joe McCarthey aangevoerde heksenjacht op alles wat maar enigszins links was. Als ze niet aan het actievoeren was, zong ze in een kazoo-orkest. Een veelzeggend citaat van haar: “You may not be able to change the world, but at least you can embarrass the guilty”.

Deborah Vivian Cavendish, Duchess of Devonshire
De jongste en langstlevende van de zusters is Deborah Mitford (1920- 2014). Zij was degene die het beheer over de bezittingen op zich nam en in veel opzichten werd zij de archetypische Engelse gentlewoman. Na haar huwelijk met de Duke of Devonshire, beijverde zij zich om het grandioze Chatsworth House te redden. Aartshertogin Deborah was natuurlijk een soliede lid van de Conservative Party en zij ageerde tegen nieuwerwetsigheden als successierechten of het verbod op de vossenjacht.

De zes zussen hadden ook nog een broer, Thomas (1909-1945), die sneuvelde in Birma. Volgens zijn zus Jessica was ook hij een openlijke aanhanger van het fascisme.

Bronnen:

Chatsworth House